(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Practisch Maleisch-Hollandsch en Hollandsch-Maleisch handwoordenboek"


;ww:: 



p^%- 



.MH7 



PRACTISCH 
MALEISCH-HOLLANDSCH EN HOLLANDSCH-MALEISCH 

HANDWOORDENBOEK 






PRACTISCH 

MALEI8CH-H0LLANDSCH 

EN 

HOLLAND SCH-MALEISCH 

HANDWOORDENBOEK 

BENEVENS EEN ^KORT BEGRIP DER MALEISCHE 
WOORDVORMING EN SPRAAKLEER'» 

DOOR 

L. TH. MAYER. 

DERDE DRUK. 




AMSTERDAM — SCHELTEMA & HOLKEMA'S BOEKHANDEL 
SEMARANG— SOERABAIA-'s-GRAVENHAGE — G. C.T. VAN DORP & Co. 






/6//7 



VOORBERICHT. 



By de bewerking van dezen tweeden druk is er naar gestreefd, 
niet alleen, om de in dit woordenboek nog ontbrekende termen 
zooveel mogeiyk aan te vullen, maar daarin ook die verbeteringen 
aan te brengen, die ons wenschelyk voorkwamen. 

De beperkte omvang, die dit woordenboek behouden moest, maakte 
het echter niet mogel\jk er byv. nog meer voorbeelden voor het 
gebruik van enkele woorden in op te nemen. 

By het gebruik van het Hollandsch-Maleische gedeelte zal het 
daarom wenschelyk zyn ook het Maleisch-Hollandsche deel te raad- 
plegen, wanneer men omtrent het een of ander woord in onzekerheid 
verkeert. 

Waar noodig is ook achter de woorden (in het Maleisch-Hollandsche 
gedeelte) de herkomst opgegeven en zyn daartoe de volgende ver- 
kortingen gebruikt, als: 



Amb. 


= Ambonsch. 


Holl. 


= Hollandsch. 


Atj. 


= Atjehsch. 


Jav. 


= Javaansch. 


Ar. 


= Arabisch. 


Mol. 


= Maleisch der Molukken 


Bandj 


= Bandjarmasinsch. 


Perz. 


= Perzisch. 


Bat. 


= Bataviaasch 


Pont. 


= Pontianaksch. 


Chin. 


= Chineesch. 


Port. 


= Portugeesch. 


Eng. 


= Engelsch. 


Sap. 


= Saparoeaasch. 


Fr. 


= Fransch 


Sk. 


= Sanskrit. 


Har. 


= Haroekoesch. 


Soend. 


= Soendaasch. 



Overigens wordt beleefd naar het voorbericht op den eersten druk 
verwezen. 

L. TH. MATER. 

Meester-Cornelis, November 1906. 



VOOKBERICHT OP DEN EERSTEN DRUK. 



Op uitdrukkeiyk verlangen van de Uitgevers is by de samenstel- 
ling van dit boekje er naar gestreefd, om daarin niet meer te geven 
dan het gewone Maleisch, dat de hoofden en beschaafde inlanders 
op Java spreken en schrijven. 

Men zoeke hierin dus niet uitsluitend zuiver Riousch of Djohorsch 
Maleisch, want nevens de echt Maleische woorden en vormen komen 
er ook Javaansche en Soendasche, alsmede dialectisch Bataviasche 
en andere uitdrukkingen in voor. 

Ook is het Hollandsch-Maleische gedeelte met het oog op den 
beperkten omvang, dien dit boekje hebben mocht, voor zoover doenlyk 
bekort, door er alleen de meest gebruikelijke woorden in op te nemen. 

Btl het niet vinden van eenig woord zal de gebruiker dus de 
synoniemen daarvan moeten zoeken. 

Wat de plantennamen betreft, deze ztJn ontleend aan Filbt's 
Plantkundig Woordenboek. 

Dat dit boekje moge beantwoorden aan het doel, waarvoor het is 
samengesteld I 

^S'Hage, Mei 1895. L. TH. MAYER. 



KORT BEGRIP 

DER 

MALEISCHE WOORDVORMING EN SPRAAKLEER. 



Alphabet. Het Maleisch kent 18 medeklinkers en 5 klinkers. 
Uitspraak. De meeste medeklinkers worden als de onze uitgesproken, 
♦ h' - -enkele eenigszins anders, als de: 

g = g byv. in het Fransche gargon; 

h : aan het begin van een woord meest niet, aan het eind van 
een woord hoorbaar; tusschen twee verschillende klinkers 
valt zy geheel weg, tusschen twee gelyke klinkers is zy 
echter duidelyk hoorbaar, evenals in vreemde woorden; 
k: als sluitletter dikwyls niet hoorbaar; 
p en t aan het eind van een woord meer als b en d, dus zacht; 
8: altyd scherp. 

Twee naast elkander staande medeklinkers kunnen niet samen 
worden uitgesproken; daartusschen hoort men altyd min of meer 
duidelijk een ë. De medeklinkers djim, tja, Dga en nja, die wy 
door dj, tj, ng en nj teruggeven, z^n enkelvoudige mede- 
klinkers, zoodat de voor de transcriptie daarvan gebruikte letters 
niet mogen worden gescheiden. 
De klinkers z\Jn, a, e, i, o, oe en worden uitgesproken : 
a als onze a, doch iets korter, in enkele streken ook als o 
of a en als ö of ë ; 
e als onze e en è; 
ë als stomme e; 
i als onze ie, nooit zoo kort als onze i btJv. in tik. 



viir - 

o als onze oo en ó; 
oe als onze oe. 

De klank ë wordt meest in de voorlaatste of de derde letter- 
greep van achteren gehoord. 
Voorts bestaan de tweeklanken: 
ai als e of ei en 
au als au of o uitgesproken. 
Woordvorming. De meeste stamwoorden in het Maleisch zyn twee- 
•'.<?rv^ %5n . - . ^ ,' - lettergrepig; de eenlettergrepige worden gewoonlyk door voor- 
voeging van de klanken a, ë, i of oe tweelettergrepig gemaakt. 
De eigenlyk gezegde woordvorming geschiedt door: 

a. voorvoegsels; 

b. tusschenvoegsels ; 

c. achtervoegsels ; 

d. verdubbeling van het grondwoord en 

e. samenstelling, waarover nader. 

Pcctr'.r Klemtoon. De klemtoon, die zeer zwak is, valt gewoonlgk op de voor- 
laatste lettergreep, en, als deze stom is, op de laatste, zelfs al 
heeft het woord een achtervoegsel. ^,^/^, ,,,,. .-^^/z,^//^/^ 

Vormveranderingen. Vormveranderingen als verbuiging en vervoeging 
kent het Maleisch niet. Een en hetzelfde woord kan zoowel een 
substantief als een adjectief of werkwoord enz. ziJn, al naar 
gelang van den zin, waarin het voorkomt. Zoo kan b^jv. sakit 
zoowel ziekte, als ziek en ziek zQn, beteekenen, enz. 

De voorvoegsels (praefixen). Deze zyn : 

1. me, steeds gevolgd door een neusklank, behalve wanneer het 
grondwoord begint met een 1, r, j, "W; dient ter uitdrukking van 
den actieven vorm van alle werkwoorden in het Maleisch; en 
geeft in het algemeen een handeling te kennen, waarbü dat, wat 
door het grondwoord beteekend wordt, te pas komt, als: 

a. is het grondwoord de naam van een werktuig, enz., dan 
beteekent het werkwoord iets met dat werktuig enz. doen, 
bijv.: mëmatjoel, mëmbëdil, mëndjaring, mëngoentji, 
enz. 

b. geeft het grondwoord een hoedanigheid of eigenschap aan, 
dan beteekent het werkwoord, dat het subject die hoeda- 
nigheid enz. heeft, zich voordoet als door het grondwoord 
is aangegeven, b^jv.: mërapoeh, mëranting, mënggom- 
bala, enz., en 

o. is het grondwoord plaats- of richting-aanduidend, dan betee- 



— IX 

kent het werkwoord, zich in die richting, naar die plaats 
bewegen, b\jv. : mëndarat, mërantau, mëngoelon, më- 
ngiri, enz. 
2. pë of pëp, tot vorming van substantieven, die wU in het ïïol- 
landsch aangeven door den infinitief als substantief; meestal 
dienende als de determinatieven van andere substantieven en 
dan beteekenende het middel enz., waarmede een handeling 
geschiedt, en tot vorming der noemers van breuken, als : pëm- 
boeroe, pëndjaga, pëmidjët, përboeroe, përampat, enz. 
Met het aanhechtsel an geeft zulk een substantief aan : 

a. de plaats, de oorzaak, de tyd, het middel eener handeling, 
by V. : përlindoengan, përhiasa&n, përsinggahan, enz. 

b. plaatsnamen, die aanduiden waar te vinden is enz., wat 
door het grondwoord wordt beteekend, b\Jv. : përapian, 
përgëlangan, enz., en 

c. een rang, stand of collectie, biJv. : përdara&n, përtoenan, enz. 
Als verkorting van para dient dit voorvoegsel pë of për 

ook om een meervoud of verzameling aan te duiden, bijv.: 
përmantëri, përpatih, enz. 

De aldus gevormde woorden kunnen ook den actieven werk- 
woordsvorm met het praefix më, dan tot mëm vervormd, aan- 
nemen en worden dan transitieve werkwoorden, die beteekenen : 

a. dat het subject het object maakt tot dat, wat het grond- 
woord aanduidt, wanneer dit grondwoord een substantief 
is, b\jv. : mëmpëristërikën, mëmpërgoendik, enz. 

b. dat het object door de werking van het subject de eigen- 
schap krygt, enz., die door het grondwoord wordt aange- 
geven, b\]v. : mëmpërbaïk, mëmpërbanjak, enz. terwyi 

c. de beteekenis van het werkwoord dikwijls daardoor niet 
verandert, maar het voorvoegsel për of pë alleen dient om 
er een sierlijken vorm aan te geven, biJv.: mëmpërëboet 
= mërëboet, mëmpërhimpoen = mënghimpoen, enz. 

8. ka dient: 

a. tot vorming van de substantieven kahëndak en kakasih, 
de eenigen in het Maleisch, die dit voorvoegsel hebben; 

b. tot vorming van rangschikkende en verzamelende telwoor- 
den, al dan niet voorafgegaan door het betrekkelijk voor- 
naamwoord Jang, naar gelang dat het telwoord bijwoorde- 
lijk dan wel bijvoegelyk gebruikt wordt, bijv. : kadoewa, 
kalima, enz. 



X 



c. tot vorming van bijwoorden van plaats en voorzetsels, die 
een richting ergens heen aanwyzen, byv. kasitoe, kasana, 
enz. 

d. in verbinding met het achtervoegsel an: 

A. tot vorming van substantieven, die beteekenen: 

1. de benaming van het object der handeling, byv.: kapërtja- 
ja&n, kadoedoekan, enz. 

2. een infinitief als substantief gebruikt, byv. : kadatëngan, 
kabërkatan, enz. 

3. de plaats, waar iets of iemand is, woont, bfl v. : kadëmangan, 
kajangan, enz. en 

4. een substantief met ons achtervoegsel heid, dom of te, 
b\jv. : kamoeliadn, kabësaran, enz. 

B. tot vorming van het passief der werkwoorden (met de beteekenis 
van een passief deelwoord), waardoor wordt gezegd, dat het object 
verkeert in den toestand, door het grondwoord aangegeven, 
byv. : kapanasan, kabakaran, enz. 

Van transitieve werkwoorden afgeleid kan deze passieve vorm 
in onze taal dikwyls worden teruggegeven door het achtervoegsel 
baar of lyk, of door den infinitief met het voorzetsel te, byv.: 
kalihatan, enz. 

N.B. Nu en dan hoort en ziet men ook een passief gebruiken 
met ka alleen, zonder het achtervoegsel an, biJv.: katabok, 
kapoekoel, enz., doch dit is geen zuiver Maleische vorm, daar 
een dergelyk passief in het Maleisch met het praefix di bestaat. 

4. ter : dient tot vorming van werkwoordsvormen, met de beteekenis : 

a. van het passief deelwoord, byv.: tërikat, tërtjitak, enz. 

b. dat het object kan ondergaan of het subject kan ver- 
richten, wat door het grondwoord wordt aangegeven, byv. : 
tërangkat, tërdjalan, enz. 

e. van iets toevalhgs, iets onvoorziens, byv.: tërsëpit, tër- 
boeka, enz. 

d. dat het subject onwillekeurig, by ongeluk, bij toeval, enz. 
de handeling verricht, die in het grondwoord opgesloten 
ligt, byv. : tëringat, tërdoedoek, enz. 

e. van een superlatief, byv. : tëramat, tërlëbih, enz. en 

f. van woorden, die een gemoedsaandoening, enz. aangeven, 
btjv. : tërkëdjoet, enz. 

5. bër: dient tot vorming van intransitieve werkwoorden en adjec- 
tieven met de beteekenis: 



- XI 

a. dat het subject doet of z\Jn beroep maakt van hetgeen door 
het grondwoord wordt uitgedrukt, wanneer dit een verbale 
stam is, byv. : bërtikam, bërtëmoe, enz. 

b. dat het subject tengevolge van een handeling in den toe- 
stand komt, dien het grondwoord aangeeft, byv. : bërdjë- 
moer, bërlindoeng, enz. 

c. dat het subject heeft of krygt wat het grondwoort zegt, 
byv. : bëranak, bërlaki, enz. 

d. dat het subject een intransitieve handeling verricht, waaraan 
het grondwoord ten grondslag hgt, byv. : bëkërdja, bër- 
malëm, enz. 

e. dat het subject is of zich gedraagt als wat door het 
grondwoord wordt aangegeven, b\j7. : bërkoeli, bërboe- 
djang, enz. en 

f. dat het subject de hoedanigheid krygt, die door het grond- 
woord, dat dan een adjectief is, wordt beteekend, btjv. : 
bërbanjak, bërsëtia, enz. 

Met het achtervoegsel kan of kën vormen deze afleidin- 
gen ook werkwoorden met causatieve beteekenis, hijv. : 
bërlandjoetkën, enz. 

Dit voorvoegsel bër dient ook tot vorming van verzame- 
lende telwoorden, waarby het grondwoord dikwyls ook 
verdubbeld wordt, b^jv. : bërdoe-wa, enz. 
di (alleen by transitieve werkwoorden) dient tot vorming van 
het zuiver passief met dezelfde beteekenis als in het Hollandsch, 
b\jv. : di pikoel, di bavra, enz. 

Wordt het handelend subject genoemd dan komt er gewoonlyk 
het woordje oleh voor, evenals in het Hollandsch door, byv. : di 
bawa oleh anakkoe, enz. 

By woorden die een ongeluk, enz. beteek enen, wordt di wel 
eens vervangen door këna, by v. : di tipoe = këna tipoe, enz. 
koe (ook akoe, hamba, sahaja, patik, enz. en in het meer- 
voud kami, kita, akoe sëkalian, enz.). 

geplaatst voor den onveranderden stam van het werkwoord, 
dient ter aangeving van het subjectief passief van den eersten 
persoon, b^jv. : koelihat, koekirim, enz. 
kau (ook angkau, ëngkau, toean, toeanhamba, toeankoe, 
enz. en in het meervoud kamoe, enz.) dient evenals koe ter 
aanduiding van het subjectief passief, doch van den tweeden 
persoon, byv. : kauhhat, enz. 



XII - 

9. sa dient tot vorming van : 

a. telwoorden en breuken, bflv.: sapoeloeh, sabëlas, satë- 
ngah, saparo, enz. 

b. bijwoorden, dikwyls met verdubbeling van het grondwoord 
en achtervoeging van nja, byv. : sasoenggoehnja, saboleh- 
bolehnja, enz. 

Dit sa heeft ook de beteekenis van met, gansch, geheel, 
geiyk als, enz., b^v. : sagoenoeng, saroepa, enz. 

Tusscbenvoegsels (inflxen). Deze z\jn m, r, 1, en gëmë, en vormen 
toestandswoorden met de beteekenis van frequentatieven,' bijv. : 
gëmoeloeng, kërënjoet, sëlidik, gëmërintjing, enz. 

Achtervoegsels (suffixen). Deze z\jn : 

1. i. vormt in het algemeen werkwoorden, die beteekenen oen 
handeling, die tot direct object heeft de persoon, de plaats, enz. 
waar, waarin, waarop, waarnaar die handehng geschiedt. 

I o a. Als het werkwoord zjénder dit suffix die persoon, enz. reeds 

tot object heeft, dient dit suffix alleen om de betrekking 
tusschen subject en object nauwer te maken, by v. : mënjoe- 
rat, mënjoerati, enz. 

b. Is de stam intransitief, dan wordt het werkwoord door i 
transitief, by v. : mënaïki van nalk, mëlaloeï van laloe, enz. 

c. BiJ werkwoorden, van niet-verbale stammen afgeleid, betee- 
kent dit suffix, dat het subject aan het object geeft, enz. 
wat door het grondwoord wordt aangeduid, by v. : mënamai 
van nama, mënëmpati van tëmpat, enz. 

Het suffix i wordt dikwijls ook in de plaats van het suffix 
kan gebruikt, en kan ook met het praefix për samengaan, doch 
alleen sierlijkheidshalve of om meer nadruk aan te geven, zonder ver- 
andering van de beteekenis van het werkwoord, bijv. : mëlëpasi 
= mëlëpaskën, mëmpërbanjaki = mëmpërbanjakkën, enz. 

2. kan (of kën), scheidbaar en niet-scheidbaar dient tot vorming 
van werkwoorden met de beteekenis: 

a. (wanneer het grondwoord de naam is van een voorwerp) 
dat het subjet dat voorwerp gebruikt, enz. om de hande- 
ling te verrichten, byv. : mëmbëhasakën van bëhasa, 
mëmarangkën van parang, mëngoeroengkën van 
koeroeng, mëmëndjarakën van pëndjara, enz. 

b. (wanneer het grondwoord een beweging aangeeft), dat het 
subject het object in die beweging doet deelen, bijv. : më- 
larikën van lari, enz. 



— XIII 

c. van een handeling voor, ten behoeve van, enz. een 
persoon of zaak, die dan genoemd wordt, byv.: mëmbikin- 
kën, mëntjëharikën, enz., en 

d. dat het subject maakt, dat het object wordt, doet, enz. wat 
het grondwoord zegt, byv.: mëndjatohkën van djatoh, 
mënidoerkën van tidoer, enz. 

Een transitief werkwoord met het causatief achtervoegsel 
kan, geeft te kennen, dat het object gegeven wordt, om er mede 
te doen, wat het grondwoord zegt, byv.: mëmba^rakën, enz. 

Dit suffix kan ook samengaan met het praefix për, doch daar- 
door wordt de beteekenis van het werkwoord niet veranderd; 
dit bijgevoegde për dient dan alleen tot versiering, bijv.: mëm- 
bitjarakën = mëmpërbit^arakën, enz. 

3. nja, dient: 

a. als bezittelyk voornaamwoord van den derden persoon of 
ook als lidwoord, btJv.: koedanja = zyn (haar) paard, 
ook = het paard, enz. 

b. (met of zonder oleh) tot vorming van het subjectief passief 
van den derden persoon, waarbij het grondwoord het voor- 
voegsel di krjjgt, byv. : dipërboewatnja, di ambil 
olehnja, enz. 

4. an tot vorming van afgeleide substantieven : 

a. met de beteekenis van een infinitief als substantief gebruikt, 
bijv. ; ikatan, atoeran, enz. 

b. (dikwijls met verdubbeling van het grondwoord) met een 
collectieve beteekenis, bijv.: laoetan, tanëm-tanëman, 
kajoe-kajoean, enz. 

c. (dikwerf mede met verdubbeling van het grondwoord) een 
gelijkenis, gelijkheid aan, enz. aangevende, bijv. : ramboet, 
ramboetan, — baris, barisan, enz. 

d. benamingen beteekenende van zaken, enz., die de eigen- 
schap hebben, vertoonen, etc, welke door het grondwoord 
wordt aangegeven, bijv.: manis, manisan, enz. 

Dit achtervoegsel an dient ook tot vorming van bflvoege- 
lyke naamwoorden (afgeleid van namen van kleuren met ver- 
dubbeling van het grondwoord) en kan samengaan met de voor- 
voegsels pë of për, ka (zie aldaar) en bër, bijv.: hitëm-hitë- 
man, përboewatan, kakoewatan, bërlari-larian, enz. 
Verdubbeling van het grondw^oord. Hierdoor wordt een veelvou- 
ubijcpf-ofdigheid van handeling of een meervoud aangegeven; ook de 



XIV - 

meeste bijwoordelijke uitdrukkingen worden op die wyze ge- 
vormd, b\jv. : bërkata-kata, djalan-djalan, soenggoeh-soeng- 
goeh, enz. 

Deze verdubbeling of herhaling van het grondwoord kan met 
het achtervoegsel an ook een gelijkenis aangeven met hetgeen door 
het grondwoord wordt bedoeld, bijv.: anak>anak-an, roemah- 
roemah-an, enz. 
Samenstelling. Hiervan bestaan twee vormen, nl. : 
Cofr>bctjr,diy:Q a. waarbiJ ^^^ bepalende woord voor het hoofdwoord komt, 
meest aan vreemde talen (het Sanskrit voornamelijk) ont- 
leend, bijv. : Boeka-tjita, doeka-tjita, enz., en 
b. waarbij ^^^ omgekeerde plaats heeft (de meest gewone vorm), 
bijv.: papan-tjatjoer, anak-ajam, djoeroe-koentji, enz. 
Door deze nevenstelling worden meest benamingen van boo- 
men, planten, vruchten, bloemen, vogels, visschen, bergen, 
rivieren, enz., alsmede figuurlijke benamingen gevormd, als : 
pohon këpala (njioer), boewah djamboe, këmbang 
sëroeni, boeroeng gëlatik, ikan goerameh, goenoeng 
Gëde, kadi Antjol, enz. 
Ook dient de samen- of nevensteUing ter aanduiding der be- 
trekking, die in het Hollandsch door den genitief of door 
middel van het voorzetsel van wordt aangegeven, bijv.: 
pintoe roemah, gelang perak, enz. 
V«rb5 Werkwoorden. Behalve de betrekkelijk weinige werkwoorden, die hun 
onveranderden stam behouden, zooals: doedoek, bangoen, 
tidoer, datëng, përgi, enz., nemen alle Maleische werkwoorden 
' in den actieven vorm het voorvoegsel më met den correspon- 

deerenden tusschengevoegden neusklank, wanneer het grond- 
woord niet met een 1, r, j of w aanvangt, bijv. : mëngambil, 
mëmbëli, enz., maar mëlarang, mëratjoen, mëjatimkën, 
mëwartakën, enz. (Zie verder de voorvoegsels më, pë of për, 
tër, bër en de achtervoegsels i en kan hiervoren). 
Cof^^la^ Koppel woorden. In het Maleisch gebruikt men voor ons: zijn (be- 
^ staan): ada. 

hebben: ada, verbonden met bagi, akan, pada. 
worden: djadi, mëndjadi, ook nalk, masoek. 
heeten: bëmama. 

schijnen: roepanja, al of niet verbonden met sëpërti. 
blijven: djoea, sahadja. 
Reflexieve werkwoorden. Deze worden gevormd met diri als object. 



- XV 

verbonden met koe, moe, of nja tot dirikoe, dirimoe, dirinja 

al naar gelang dat de eerste, tweede of derde persoon bedoeld 
wordt, en beteekenen een handeling, die op bèt subject zelf 
terugslaat. 
Réciproque werkwoorden. Deze werkwoorden, die eene handeling 
over en weder aangeven, worden gevormd : 

a. door achter den grondvorm van het woord den werkwoords- 
vorm met me of bër te voegen, byv.: tangkis-mënangkis, 
tëmoe-bërtëmoe, enz. 

b. door achter het met bër verbonden grondwoord, dat dik- 
werf ook verdubbeld wordt, het sufiSx an te plaatsen, byv. : 
bërtangkis-tangkisan, bërsambat-sambatan, enz. 

Deze werkwoorden geven dikwyls ook een herhaling of veel- 
nns^s vuldigheid der handeling te kennen, b\]v.: bërtjotjóran, enz. 
Tijden van het werkwoord. De tegenwoordige tjjd wordt aan- 
gegeven met behulp der hulpwoorden ada, lagi, tëngah, sëka- 
rang, enz. 
De verleden tjjd met soedah en tëlah en 
De toekomende t^d met hëndak, akan, maoe, nanti, 
/v,,c,w. këlak. 
Wyzen van het werkwoord. De gebiedende w^s: 

a. der intransitieve werkwoorden heeft den vorm van het 
werkwoord met më of bër (tenzy dat het die voorvoegsels . 
niet aanneemt) verbonden met het nadrukswoordje lah, 
dat er achter wordt geplaatst. 

By dezen vorm moet de derde persoon, van wien gespro- 
ken wordt, altyd genoemd worden. 

b. der transitieve werkwoorden wordt gevormd door kau 
(ook angkau, ëngkau, enz.) te plaatsen voor den onver- 
anderden vorm van het stamwoord, dat h\] een bepaald 
bevel enz. ook het praefix më kan behouden. 

Wil men zich beleefd uitdrukken, dan gebruikt men daarby 
apalah kiranja, silakanlah, enz. Ook barang, moega-moega, 
haroes, biar, baik, mari, tjoba, enz. dienen dikwijls als hulp- 
woorden by dezen vorm van het werkwoord. 

Wanneer hierb\J përgi wordt gebruikt, staan zoowel dit als 
het daaropvolgend werkwoord in de gebiedende wtjs. 

De verbiedende wlja wordt gevormd met djangan, dja- 
nganlah, enz. en soms met het werkwoord in het passief met 
di, wannéér de nadruk op het verbod wordt gelegd. 



XVI - 

Zelfstandige naamwoorden. Behalve de stamwoorden, die niet van 
anderen z^jn afgeleid, als by v. : roemah, poetëra, anak, kam- 
bing, koeda, enz., heeft men in het Maleisch ook substantieven, 
die gevormd ztjn met ka, an en ka en an. (Zie deze voor- en 
achtervoegsels). 
Ö2 n^^ 2 V Geslacht. Geslachten kent het substantief niet; alleen het natuurlijk 
geslacht voor levende v^ezens wordt wel eens uitgedrukt door 
laki-laki, lölaki of djantan = mannelijk, en përampoean, 
istëri, bëtina = vrouwelijk. 
/Vv,rnè,er Getal. Tusschen het enkel- en meervoud der Maleische woorden bestaat 
Nu> ir; geen verschil, doch dikwyls wordt ter aangeving van het enkel- 

voud sa, sa'ekor, enz. en van het meervoud sëgala, sëkalian, 
sëmoea, enz. gebezigd. 

Ook wordt het meervoud niet zelden uitgedrukt door verdub- 
beling van het grondwoord, al dan niet verbonden met sëgala, enz. 
PJJQc-^Uti Bijvoegeltlke naamwoorden. Zyn of stam woorden, als: balk, enz. 
of afgeleide vormen met de achtervoegsels an, wan, man 
dan wel met het voorvoegsel bër, by v. : poetih-poetihan, boe- 
dak-boedakan, sëtiawan, hartavran, boediman, enz. 

Het adjectief staat in het Maleisch gewoonlijk achter het 
substantief, behalve wanneer het een adjectief van hoeveelheid 
is, of wanneer de volle nadruk daarop vallen moet, bijv-: koeda 
bagoes, makanan enak, përboewatan balk, enz., lima 
orang, sëkalian orang, banjak orang, enz. 
Trappen van vergelijking. De trappen van vergelijking worden 
gevormd als volgt : 
de positief met sama, sama dëngan of sa, 
de comparatief door eenvoudige opsomming der vergeleken 
wordende zaken en toekenning der hoedanigheid aan dat voor- 
werp, dat die hoedanigheid in de hoogste mate vertoont of bezit ; 
ook mot dari, dari pada, lëbih, lëbih lagi, enz. 

de superlatief met tër, tërlaloe, tërlampau, amat, sangat, 
maha, sëkali, enz. 
?rt^n<?iAr>^ Voornaamwoorden. Deze worden onderscheiden in: 
Nt t^«. a. persoonlUke, d. i. 

1. voor den eersten persoon akoe (verkort koe), dakoe (na de 
woorden akan of dëngan), saja, hamba, hambatoean^ oeloen, 
patik, awak, bèta, goewa, enz. in het enkelvoud en kami, 
kita, akoe sëkalian, enz. in het meervoud. 

2, voor den tweeden persoon : angkau (verkort kau), ëngkau, 



— xvri 

dikau, toean, toeaahamba, toeankoe, jaag dipërtoeaa, 
Jamtoean, padoeka, sSripadoeka, datoek, lo©, kowe, enz. 

in het enkelvoud en kamoe, kau oraxkg, loe'orang enz. in 
het meervoud, en 
8. voor den derden persoon: ia, dia, dianja, oja (achter een 
passief) zoowel in het enkel- ais in, het meervoud, en marika 
itoe, diaorangr, enz. in het meervoud. 
,iQf,^i\^ b. onbepaalde, d. z. 
men = orangr. 
iemand = sa'orangr. 
niemand = tiada sa'oransr (siapa). 
wie ook = barangr sa'orang, barang, siapa, siapa djoega. 
ieder = sasa*orangr, masing-maslng, tiap-tiap. 
iets = sasoeatoe, barang sasoeatoe, apa, apaapa. 
niets = tiada apa apa, tiada barang sasoeatoe. 
- y c. wederkeerende, d. z. 

zich = diri met koe, moe of nja, al naar gelang dat de 
eerste, tweede of derde persoon bedoeld wordt, en sëndiri. 
elkander = satoe sama laïn, sama sëndirinja. 
zelf = sëndiri. 
ssfiss/y*^ d. bezitteyjke, d. z. 

voor den eersten persoon akoe, koe. 
voor den tweeden persoon kamoe, moe. 
voor den derden persoon ia, xija; 

ook verbonden met ampoerja of poenja, doch dan direct 
gevolgd door den naam van het bezeten wordend voorwerp. 
tvs^rö^n^e, aanwijzende, d. z. 

van zaken: ini, itoe (meest achter het substantief geplaatst) 
en met djoega de beteekenis hebbende van „dezelfde", 
van hoedanigheid: bëgini, bëgitoe, dëmikian. 
Deze woorden kragen, wanneer zfl als praedicaten voor- 
komen, gewooniyk ook het aanhechtsel lab. 
oj^f;/ü, f, vragende, d. z, 

van personen of zaken: apa, mana, siapa. 
van hoedanigheid: bëtapa, bagaimana. 
van hoeveelheid; bërapa. 
iflf*><i g. betrekkelijke, d. z. 

jang en nan, welke aitüd aan het begin van een relatieven 

zin staan, ofschoon zy soms ook weggelaten kunnen worden. 

Deze voornaamwoorden dienen soms ook als bepalende 



xvm — 

lidwoorden, en worden ook (althans Jang) öièt zelden 
gebruikt als voegwoorden. 
/v^,r.êr#»f s Telwoorden. Deze kan men onderscheiden in hoofdtelwoorden en rang- 
getallen. 
c«^rif (>^Ai De hoof dtelwoor den: 

van 1 tot 9 z^jn: satoe, doewa, tiga, ampat (ëmpat), lima, 

anëm (ënëm)/ toedjoeh, dëlapan, eambilan (sëmbilan). 

van 11 tot 19: worden gevormd door vóór het woordje belas 

de hoofdtelwoorden 1 (dat sa wordt) tot 9 te plaatsen, 
van 21 tot 29: worden evenals die van 11 tot 19 gevormd 

doch met het woordje likoer. 
die getallen van de tientallige schaal uitmaken door: 
tien = poeloeh 
honderd = ratoes 
duizend = riboe 

tienduizend = poeloeh riboe óf laksa 
honderdduizend = ratoes riboe of këti 
millioen = joeta 
te verbinden met sa en de overige hoofdtelwoorden, en 
die getallen boven 30 uitdrukken door achter het getal van het 
tientallig stelsel de andere op voren aangegeven w^jze ge- 
vormde telwoorden te voegen. 

By het tellen van levende wezens of andere voorwerpen worden 
dikwerf ook zoogenaamde classificeerende hulpwoorden gebruikt, 
die z\jn o. a.: 
voor menschen orang 
voor dieren ekor 

voor levènlooze voorwerpen boewah, potong, panggal 
voor boomen batang 

voor ronde, kleine voorwerpen, enz. boetir, bidji, boekoe 
voor dunne, platte voorwerpen hëlai 
voor brieven poetjoek enz. 

Voor uitdrukkingen, als anderhalf, derdehalf, enz., wordt ge- 
bruikt tëngah verbonden met het hoofdtelwoord, dat het ctjfer 
aangeeft, waarvan de helft moet worden genomen, b\jv. derde- 
half = tiga tëngah, d. i. het derde (getal, enz.) half. De rang- 
getallen worden gevormd met de voorvoegsels ka, al dan niet 
voorafgegaan door Jang, bër, për en sa. (Zie deze voorvoegsels 
hieiToren). 
Voor de helft, half, zegt men in het Maleisch satëngah, 



- XIX 

sabëlah, saparo; voor eerste wordt përtama gebezigd en 
voor alle bestaat de uitdrukking samoea, samoeanja. 
Voorts worden de vermenigvuldigingen aangegeven met kali, 
^,^^ ganda, lapis, lipat, ook kian, de deelingen door bagi, bagian. 
B^woorden. Deze z^jn : 

'^r«'i^</'öf stamwoordelijk, als: amat, sangat, bëlom, përnah, enz. 
,,,,v'^^^<v^ 5f gevormd door verdubbeling van het grondwoord, als: tiba- 
tiba, moelamoela, enz. 
.,.^'^^^' óf samenstellingen van een, dikwyls ook verdubbeld grond- 
woord met het voorvoegsel sa en het achtervoegsel nja, bjjv.: 
sasoeDggoehDja, sakoewat-koewatnja, enz. 
Ook wordt daaraan niet zelden de uitgang lah of pon toege- 
;.,;., voegd, waardoor men dan by woorden van nadruk krijgt. 
Voorzetsels. De meest gebruikelijke z\jn: di, ka, dari, pada, kapada, 
dari pada, akan, oleh, dëngan, demi, bingga, karëna, 
..rc+'ö»^^ oentoek, enz. 

Voegwoorden. De meest gebruikelijke zyn: dan, atau, kalau, dji- 
^ ^fuv<. kalau, tëtapi, akan tëtapi, maka, adapon, soepaja, enz. 
tTusscben'werpsels. Van deze woorden of uitdrukkingen bestaan in het 
Maleisch betrekkelijk weinige, als: hair^, adoeh, wah, ajo, 
tjis, amboï, tobat, enz. 

Ten slotte ziJ nog opgemerkt, dat vragen in het Maleisch meest 
worden gedaan met gebruikmaking als suffixen van de hulp- 
woordjes kah (by nadruk in de vraag) en tah (uitsluitend achter 
apa en mana). 

Ook heeft men nog enkele woordjes die veel voor namen of 
titels worden gebezigd, als: 

Sang voor namen van goden of vorsten en in fabels, enz. ook 
voor namen van dieren; 

Si voor eigennamen van personen, die men familiaar kent ; 

Bang (als titel) voor namen van vrouwen van rang, enz. en 
in fabels voor namen van visschen, en 

Hang voor namen van mannen en hoofden (eig. titel van hoof- 
den in Malakka). 



A. 



A&la (Ar.), familie, geslacht, dynas- 
tie, ook: hoog, verheven. 

Ab (Ar.), (ook TJëpoe, Tjëpoek) 
(Jav.), gesloten blikken of tinnen 
bus of busje, zooals o. a. by de 
verpakking van opium gebruikt 
worden. 

Aba, gloeien van hitte, het heet 
hebben. 

Aba (Ar.), (meervoud) voorvaderen, 
voorouders, enz., (enkelvoud) va- 
der (in verbindingen Aboe bijv. 
Aboe-Bakar = de^ vader van 
Bakar, etc.) — Mëngabakèn, 
iemand vader noemen, met aba 
betitelen, enz. 

Aba-aba (ook Abab-abah) (Jav.), 
tuig, huisraad, materialen, gereed- 
schappen. 

Abad (Ar.), eeuw, eeuwigheid, in 
de toekomst voortduren, zonder 
eind, enz.; Pada abad ini, in 
deze eeuw, in onzen tyd, enz. 

Abadi (Ar.), in de toekomst, eeuvrig. 

Abadiat (Ar.), eeuwigheid. 

Abah, richting van iets, dat zich 
voortbeweegt; Mëngabah, zich 
voortbewegen, ook een richting 
aan iets geven; Mëngabahkën, 
iets in een bepaalde richting doen 
gaan, enz. 

Aba&g (verkort ook Bang), 1 .oudere 
broeder of zuster (ook gebruikt 
als beleefdheidstitel tegenover 
anderen); 2. rood (eig. jav.) b^jv. 
Bëlorang-abang, zwavelarse- 
nik( 3. ook Abang-abang of 
Abangan, dakgoot, dakp\jp tot 

Maleisoh-Hollandsgh. 



afvoer van water, enz. ; Mënga- 
bangkën, iemand met abang 
aanspreken, als zoodanig beschou- 
wen, behandelen, enz. 

Abdjad (Ar.), w\)ze van voorstel- 
ling en uitdrukking van het oude 
arab. alphabet en van de getallen 
tot 1000 door middel van de 28 
letters van dat alphabet; gemeen- 
lek gebruikt voor: alphabet; — 
Dëngan pëngatoeran abdjad, 
alphabetisch. 

Abloer, zie Boeloer. 

Abilah (Pers.), de kinderpokken, 
de echte pokken; Abilah pë- 
ringgi, ook Patèk (Jav.), de 
spaanschepokken;Sakit abilah, 
de pokziekte, de pokken hebben. 
(Verg. Tjat^ar, Toemboeh en 
Patek). 

Aboe, asch, ook stof (verg. Dëboe); 
Tëmpat-aboe, aschbakje. Zie 
ook onder Aba. 

Aboek, stof, fijne meelachtige zelf- 
standigheid, molm, enz.; Aboek 
gërgadji, zaagsel; Koewe 
aboek, een soort gebak. (Verg. 
ook Boeboek). 

Aboer, verkwisting, verkwistende 
aard; Mëngaboer en Mënga- 
boerkën, verkwisten, iets ver- 
kwisten; Aboeran, verkwistend, 
verkwisting; Pëngaboeran, id.; 
Pëngaboer, verkwister; Orang 
pëngaboeran (of — aboeran), 
iemand die alles verkwist. 

Aohir (Ar.), einde^het laatste uiter 
ste, achterste, enz.; Acbimja, 
1 



2 ACHI. 

het einde, ten slotte; Achir 
taoen, het einde van het jaar; 
Aohlrdjaman (of — zaman), 
einde des tijds, het laatste der 
dagen; Achir-napas (of - 
nafas), de laatste ademtocht; 
Mëngachir, achteraan, te laat 
komen; Mëngachirkën, als de 
laatste doen komen, geheel ach- 
teraan stellen; Pëngachir, ach- 
terbiyver, laatst aangekomene, 
de laatste; Achir-achirnja, ten 
laatste, ten slotte, eindelijk. 

Aohirat (Acheirat) (Ar.), de an- 
dere wereld, het toekomstig leven, 
het hiernamaals (in tegenstelling 
van Doenia, de tegenwoordige 
wereld, deze wereld, enz.); Doe- 
nia-acheirat, het heden en het 
hiernamaals. 

Ada, zyn, bestaan, wezen, zich be- 
vinden, aanwezig, voorhanden 
zyn, het zijn, het bestaan, het 
aanwezig zyn, enz.; Ada (in ver- 
binding met pada,'bagi of akan), 
hebben, bezitten, byv. Radja 
itoepoen ada bagisja sao- 
rang anak përampoean tër- 
laloe elok parasuja = de vorst 
had een zeer schoone dochter; 
Adanja (meest aan het slot van 
brieven, enz. en voorafgega^ 
door Dëmikianlab); zoodanig 
is het wezen er van, zoo is het; 
Mëngada of Mëngadakën, het 
aanzyn geven, voortbrengen, 
scheppen, tot stand brengen, ma- 
ken, doen z\Jn, berokkenen, enz. 
byv. Jang ada ditiadakannja; 
jang tiada diadakanisja = 
wat is, doet hy te niet, wat niet 
is, doet hy z^jn; Mëngada-ada 
allerlei zotte dingen te voorschijn 
brengen, die niet te pas komen; 
zich een ongepast air aanmati- 
gen, enz.; Ka-ada&n of Kë- 
adaëa, wezen, bestaan, zQn, toe- 
stand, gesteldheid, aanztJn, enz. 

Adab (Ar.), beschaafd, minzaam, 
hoflfelökheid, welgemanierd, be« 



ADAP. 

schaafdheid, wellevendheid, wel- 
gemanierdheid, beschaafd z^n, 
goede manieren hebben, zich 
welopgevoed voordoen, hoffelijk 
zijn, enz.; Dëngan adab, met 
hoffeiykheid, minzaam, op be- 
schaafde wyze, enz. ; Balik adab, 
ongemanierd, onbeschoft, onwel- 
voeglijk, ongepast, onfatsoenlijk, 
grof, enz. 

Adang (en Mëngadang), wachten 
op iets, afwachten, in hinderlaag 
liggen, belagen, enz., ook hinder- 
laag, plaats van afwachting, enz. ; 
Pëngadang, belager; degeen, die 
in hinderlaag ligt; belaging, af- 
wachting; Përadangan, hinder- 
laag; de plaats, waar men iets 
of iemand afwacht, enz. ; Adang- 
adang, Kadang, Kadang-ka- 
dang of Tërkadang, soms, bij 
wijlen, nu en dan, af en toe, enz. 

Adap(ookAdëp,HadapenHadëp), 
met het front, de voorzijde, het 
gezicht naar iets toegekeerd; 
Mengadap of Mëngadëp, zich 
voor iets bevinden, iets voor zich 
hebben; tegenover iets staan, 
voor iets komen, zijn opwachting 
maken voor, ook zich bezighou- 
den met iets, enz.; Mëngadëp 
matabari mati, met het ge- 
zicht staan naar de plaats, waar 
de zon ondergaat, dus naar het 
Westen gekeerd ; Bëradap moe- 
ka, van aangezicht tot aange- 
zicht, enz.; Adapan, wat men 
voor zich heeft, ook voorzijde, 
aanstaande, verloofde, enz.; Ka- 
adapan, voorzijde, voor, naar 
voren; Pëngadapan, voorzijde, 
front, plaats, waar men voor 
iemand verschijnt, audiëntiezaal, 
enz.; Pëngadapan roemab, de 
voorzijde, het front van een huis; 
Nasi-adap-adap, rijstkegel met 
schijfjes eieren enz. gegarneerd, 
die bij feesten voor den persoon, 
te wiens eere het feest gegeven 
wordt, geplaatst wordt ; Bëradap^ 



ADAP. 



ADJA. 



tegenwoordig, aanwezig zfln; 
Beradap-adapan, tegenover el- 
kander staan. 

Adapoen, en, voorts, wyders, nu, 
wat betreft, enz. (dient tot ver- 
binding van een zin met een 
vorigen, waarin iets voorkomt, 
dat in dezen zin nader verklaard 
of toegelicht wordt). 

Adas (ook Adas pèdës), venkel; 
Adas manis, an\js; Minjak 
adas, an^solle; Adaspoelasari, 
alyxia stellata, een geneeskrach- 
tig kruid, waarvan de bast een 
aromatisch hars bevat. 

Adat (ook Hadat) (Ar.), gewoonte, 
gebruik, voorvaderlijk gebruik, 
wet op oude zeden en gebruiken 
gegrond, gewoonterecht, usance, 
vastgestelde boete, ook aard, 
geaardheid, temperament, enz., 
manier, manieren; Adat doeloe, 
Adat doeloe kala, ook Adat 
lama, oude gewoonte, ouder ge- 
woonte, oud gebruik, naar oud 
gebruik, ouderwetsch, enz. ; Adat 
lëmbaga, vaste usance, ^etjkte 
gewoonte, enz.; Adat negëri, 
's lands w\js; Adat doenia, 
's werelds loop; Adat-istiadat, 
krachtens usance; Adat përbë> 
hasa&n, spraakgebruik, — Adat 
poesaka, erfeiyke gewoonte, — 
Bèradat of Taoe adat, weten, 
hoe het behoort, wat de gewoonte 
is^of meebrengt, beschaafd, enz.; 
Bëradat, ook het met het voor- 
geschreven ceremonieel verschij- 
nen (van een vorst); Tiadataoe 
adat, linksch, onbeschaafd, on- 
gemanierd, onbeschoft ; Tëradat, 
wat eenmaal als usance is aan- 
genomen, getolereerd; Mëlang- 
gap adat, tegen de gewoonten 
indruischen, tegen de gebruiken 
zondigen, het gebruik, de voor- 
vaderlijke instellingen schenden, 
enz.; Mëngadatkën, tot ge- 
woonte maken, als gewoonte 
eerbiedigen, zich iets als gewoonte 



eigen maken ; Mëmbawa adat, 

fatsoenlijke uitdrukking voor, de 
regels, de menses hebben; Adat- 
nja, het is de gewoonte, gewoon- 
lijk, ztjn gewoonte, geaardheid, 
enz. is. 

Ada-wat (Ar.), vijandschap. 

Adik (Adls - verkort Dik, dis, 
ook wel Ade), jongere broeder 
of zuster (familiair in het alge- 
meen tegenover jongeren ge- 
bruikt, ook noemt de man zijne 
vrouw dikwijls zoo); Bëradik, 
jongere broeders of zusters heb- 
ben, met jongere broeders of 
zusters in de wereld zijn, — ook 
iemand als jongere broeder of 
zuster beschouwen, aannemen, 
enz. = Mëngadikkën, iemand 
met Adik betitelen, Adik noe- 
men, tot Adik aannemen, als 
zoodanig beschouwen, behande- 
len, erkennen, enz.; Adik lëlaki, 
jongere broeder, broertje; Adik 
përampoean, jongere zuster. 

Adil (Ar.), rechtvaardig, doende wat 
recht is, ook billijk, rechtvaardig ; 
£:a-&dUan, (ook Adilat Ar.) 
rechtvaardigheid; Mëngadilkën, 
iemand recht doen wedervaren, 
ook rechtspreken, beslissen, uit- 
maken, enz.; Pëngadilan, recht- 
spraak, uitspraak, ook rechtbank, 
gerecht, enz. 

Adinda = Adik, (hoffelijker uit- 
diiakking, en meer gebruikelijk 
in de eerbiedige of hoffelijke 
spreekwijze, ook in brieven). 

Adipati, heer (titel van javaansche 
hooggeplaatste ambtenaren). 

Adjaib (Ar.), wonderbaar, verwon- 
dering wekkend, wonderlijk, won- 
der, enz.; Terlaloe amat adjaib 
kakaja&n Allah ta&la = Bui- 
tengewoon vreemd zijn de won- 
derdaden van Allah, den Hoog- 
verhevene. 

Adjak en Mëngadjak, aanmoe- 
digen, aansporen, opwekken tot, 
uitnoodigen tot, voorslaan, aan- 



ADJA. 



ADJI. 



hitsen, verzoeken, overhalen tot; 
Pëxigadj&2c» (ie aanmoediger, 
uitnoodiger, verleider, ook de aan- 
moediging, enz. 

Adjal (Ar.), vastgestelde tyd, ster- 
vensuur, vastgestelde term\)n, be- 
paalde termtjn, bepaalde ttjd van 
iemands levensduur, bepaalde t^jd 
van iemands uiteinde of overla- 
den, de vooruitbepaalde dood; 
Sampe adjalnja, z^jn (ster- 
vens-)tiJd is gekomen, zyn Jaat- 
ste uur heeft geslagen; Bëlom 
sampe adjalnja, z\jn tyd is nog 
niet daar, zijn stervensuur heeft 
nog niet geslagen. 

Adjam (Ar.), Perzië. 

Adjan, drukken, persen, drukking, 
persing (by^ ontlasting of beval- 
ling). Zie Bdèn-Ngëdën. 

Adjar, kluizenaar, godvruchtige 
eremiet of priester, heilige, boeda- 
leeraar, ook Adjar-adjar. 

Adjar, loeren, onderwys, onder- 
richt, enz. (in het algemeen), Bër- 
adjar of Bëladjar, leerende 
z\)n, loeren, studeeren, onderwas 
ontvangen, onderwezen worden, 
in de leer zfjn, enz. ; Mëngadjar, 
leeren, onderwas geven, onder- 
richten, ook vermanen, kasty- 
den, bestraffen ; Mëngadjari, 
iemand leeren, onderwazen, on- 
derrichten, vermanen, bestraffen, 
kastyden ; Mëngadjarkën, 

iemand iets leeren, onderwyzen, 
enz., ook iets laten leeren, iemand 
ergens in de leer doen, iets 
aan iemand leeren of doen ge- 
voelen, vatten, begrepen, enz.; 
Adjaran, wat onderwezen of 
geleerd wordt, les, wat iemand 
geleerd heeft, ontvangen on- 
derwijs, ook leerling, degeen, 
die onderwezen wordt of is; 
Pëladjar ook Përadjar, leerling, 
degeen, die onderwas krijgt, in 
de leer Is, enz.; Pëladjaran, wat 
onderwezen of geleerd wordt of 
moet worden, les, ook schooltijd. 



tijd, gedurende welken men on- 
derwijs geniet; Pëngradjar, on- 
derwijzer, degeen, die onderwijs 
geeft, leeraar; Pëngadjaran, 
onderwijs, les, vermaning, beris- 
ping, straf; ook plaats, waar 
onderwijs gegeven wordt, school ; 
Pëladjaran, leer, watj^eleerd, 
onderwezen wordt; Këras a- 
djamja, hiJ is streng biJ het 
onderwijzen; Dëras adjamja, 
hy is vlug in het leeren; 
BëladJarmënoelis,leerenschrij- 
ven; Mëngadjar kanak-anak, 
Kinderen leeren, onderwyzen; 
Mëngadjari sa'orang bëbrapa 
ilmoe, iemand in verschillende 
vakken onderwys geven, enz.; 
Mëngadjarkën soeatoe ilmoe 
kapada sa'orang, aan iemand 
een wetenschap leeren; Koe- 
rang-adjar, onbeleefd, onbe- 
schoft, brutaal, zonder vormen, 
driest, ongemanierd, lomp, onbe- 
schaafd. 

Adji (= Adi), voortreffelijk, uit- 
muntend (veelal in betitelingen 
van vorstelijke personen, en der- 
geiyken, als Rama-adji, voor- 
treffelijke vader). 

Adji, een geheim tooverformulier 
of liever een geheele klasse of 
soort van geheime tooverformu- 
lieren. 

Adji, leer, leerstelling (voorn, uit 
den Qoran en andere heilige Ki- 
tab's); Mëngadji, leeren lezen 
(van godsdienstige werken, en 
meestal hardop), leeren (inzonder- 
heid de godsdienstinstellingen, 
enz.), schoolgaan, onderwijs ge- 
nieten, studeeren (bfl een goeroe 
of op een priesterschool). Zie 
verder Hadji; Pëngadjian, wat 
geleerd of gelezen wordt, ook 
plaats waar geleerd of onderwe- 
zen wordt. 

Adji-adji, raadslieden, ministers, 
enz. 

Adjidan (of Adjoedan), adjudant, 



ADJO. 

benaming van ondergeschikte 
politie-ambtenaren in de residen- 
tie Batavia. 

Adjoeng, orde, rangschikking ; 
Mëngadjoeng in orde schikken, 
in slagorde stellen, ordenen, re- 
gelen; Mëngadjoengkën: iets 
(byv. een leger) in slagorde 
stellen, tot den aanval gereed 
maken. 

Adjoer, zich zei ven bedriegen, ook 
versterken, sterken, aanmoedi- 
gen; voorts: (Jav.) uit elkander, 
tot gruis, vergruisd, enz. (Zie An- 
tjoer). 

Adjok, nabootsing, naaping; Më- 
ngadjok (ook Mëngadjoki, 
mëngadjokken), iemand na- 
doen, nabootsen, naapen, (voor- 
namelijk met de bedoeling om 
hem te bespotten of bespottelijk 
te maken), ook napraten, nabau- 
wen, bespotten; Pëngadjok, 
nabootser, naaper, ook (Pënga- 
djokan) nabootsing, naaping, be- 
spotting, enz. 

Adoe, (hoffelyk) slapen, rusten, 
overlijden, slaap, rust,^ dood; 
Bëradoe, slapen, enz.; Bëradoe 
dëngan, slapen btj, met, enz.; 
Mangkat bëradoe, overladen, 
sterven, rusten by of ingaan tot 
zijne voorvaderen (van vorstelijke 
personen); Përadoean, slaap, 
rust, rustplaats. 

Adoe, klacht, bezwaar, beklag; 
MëngadOB; klagen, een klacht 
inbrengen, zich beklagen, ook: 
klikken, verklikken; Mengadoeï, 
iemand aanklagen, verklagen, 
verklikken; Mëngadoekën, eene 
klacht inbrengen, iets tot klacht 
doen strekken, over iets klagen, 
eene zaak, enz., verklikken; 
Adoeaii of Përadoean, klacht, 
wat tot klacht is ingebracht; 
Bëradoe of Bëradoean, elkan- 
der over en weder aanklagen, 
eene klacht wederzijds in te 
brengen hebben, procedeeren, enz. 



ADON. 5 

Adoe, ophitsing, aanzetting, aan- 
hitsing, ook botsing, carambolage, 
enz. Bëradoe, tegen elkander in 
botsing komen, caramboleeren, 
tegen elkander vechten, enz.; 
Mëngadoe, tegen elkander op- 
hitsen, laten vechten, ^strijden, 
loopen, enz.; bijv. Mëngadoe 
koeda, paarden laten racen, 
tegen elkander om het hardst 
laten loopen; Mëngadoe an- 
djing dëngan babi oetan, hon- 
den tegen wilde varkens laten 
vechten, enz.; Mëngadoekën, 
iets tot het voorwerp doen dienen, 
dat men in het strijdperk brengt, 
enz. ; Pëngadoe, de persoon, die 
laat vechten, — ook het gevecht; 
Përadoean, gevecht, strijd, wat 
of wie daartoe gebruikt wordt, 
enz.; ook plaats, waar zulks ge- 
schiedt; Përadoean koeda, 
race, races, wedrennen, ook ren- 
baan enz. 

Adoeh (verkort doeh), ach! wee! 
wee mijl ai, au, och! (uitroep by 
Pijn, verdriet, enz.) Mengadoeh, 
weeklagen; Pëngadoeb, wee- 
klacht, (ook Pëngadoeban), wee- 
klager, enz.; Adoebai (samen- 
trekking van Adoeb en Hai) 
= adoeb, doch sterker. 

Adoek (Bat. Jav.), roeren, om- 
roeren, fig. ook in beroering 
brengen, agiteeren, Mëngadoek, 
het onderste boven gooien, door 
elkander halen, ook fig. iets in 
de war brengen, enz. ; TJampoer- 
adoek, alles door elkander, ver- 
ward, ook een soort zuur van 
allerlei groenten gemaakt. 

Adoen, net, netjes, keurig ; Bëra- 
doen, keurig opgescliikt, net ge- 
kleed, enz. ziJn; Mëngadoen, 
keurig net opschikken; Adoenan, 
wat keurig en net opgeschikt is; 
Pëngadoen, de persoon, die ge- 
woon is, zich net en keurig op 
te schikken; ook opschikking. 

Adon (Jav.), mengsel, gemengd, 



6 



ADZA. 



AGOE. 



deeg; Mëngadon of mënfira- 

doni, tot deeg mengen, onder- 
eenmengen; fig. ook tot een 
mensch vormen; Adonan, meng- 
sel, deeg, beslag; Pëngadon, 
menger of mengster (van deeg); 
Pëngadonan, deeg, beslag, 
mengsel, vorming (tot mensch), 
ook voorwerp, waarin het mengen 
geschiedt. 

Adzab (Ar.), = Siksa, straf, 
ellende. 

Adzan (Ar.), openbare uitroeping 
(inzonderheid van het uur des 
gebeds), oproeping tot het gebed, 
aankondiging van het uur des 
gebeds; Mëngadzankën, in het 
openbaar uitroepen of aankondi 
gen (voorn, het uur des gebeds) 

Afiat (Ar.), welvaren, welstand, 
gezondheid, heil, gezond, wel 
varend. Sihhat wa'1-aflat, ge 
zondheid en welstand (veel als 
wensch gebruikt in brieven). 

Aga (ook Agak), pralerig, ydel, 
ook: Mëngaga; overwegen, be- 
proeven, probeeren, beleefd een 
bevel geven; uitnoodigen om iets 
te doen; Mëngagakën diri, 
zich zelf verheffen, pralen op zyne 
eigen deugden, enz. 

Agab, brutale blik, strakke blik; 
Mëngagab, iemand van nab\j, 
strak, uitdagend aankijken, Bër- 
agahan, elkander strak, uitda- 
gend aankijken, (btjv. van vech- 
tende hanen). 

Agahari, middelmatig, gematigd, 
het midden houdend; Panas 
agahari, matige hitte; Harga 
agahari, middelmatige pr\js. 

Agak, dreigende houding; Më- 
ngagak, dreigen, een^dreigende 
houding aannemen; Mëngagak- 
kën, met iets (een wapen, enz.) 
dreigen; Agak, agak-agakan, 
ook opgeblazen (van verwaand- 
heid), verwaand, fatterig, enz. 

Agak, gissing; Mëngagéik, gis- 
sen, raden; Agaknja of agak- 



agak, naar gissing, vermoedelijk, 
denkelijk, bij gissing enz.; Më- 
ngagak-agak, gissen, bereke- 
nen, berekening maken, taxeeren. 

Agama, (ook Oegama of Igama), 
geloof, godsdienst,religie; Agama 
mësëhi of Agama kristen, 
Christelijke godsdienst; Agama 
islam of — sëlam, Mohamme- 
danisme, Mohammedaansch ge- 
loof; Agama boeda, Boedisme, 
ook Brahmaïsme, en het Heiden- 
dom; Agamia hindoe, Hindoe- 
isme; Sa'agama, van hetzelfde 
geloof, enz.; Orang sa'agama 
of Sa'agama, geloofsgenoot, enz. 

Agar, mits, als maar; Agar soe- 
paia, opdat, ten einde. 

Agaragar, Plocaria candidia, een 
soort eetbaar zeewier, gelatine, 
vischlijm. 

Agas (ook Agas-agas), kleine 
lastige vliegjes, die vooral tegen 
den avond in groote groepen 
rondvliegen, en dikwijls pün in 
de oogen veroorzaken (verg. ook 
Rëngat). 

Agël (Jav.), bast van den Waroe- 
boom, waarvan garen of touw 
gemaakt wordt; Tali-agël, der- 
gelijk touw, touw van agël. 

Agëm (Jav.), zooveel als tusschen 
den duim en den middelsten 
vinger kan worden vastgehou- 
den; maat voor een bos padi, 
gras enz. 

Agoeng (Jav.), groot, voornaam- 
ste; Tiang agoeng, de groote 
mast; Lajar agoeng, het 
groote zeil; Orang Agoeng of 
Agoengagoeng, de groeten, 
de notabelen. (Dit woord komt 
dikwijls voor in titelaturen; 
Ratoe agoeng, in sommige 
streken de titel van de eerste 
gemalin van den vorst, enz.). 

Agoes, (verk. van Bagoes) komt 
alleen in titels voor; Mas-agoes, 
titel van mindere adellijken of 
beambten, die den Radenstitel 



AHAD. 

niet mogen dragen, doch toch 
niet tot het volk behooren, (meest- 
al zoolang zy minderjarig of on- 
getrouwd ztjn, daar zy anders 
eenvoudig Mas worden ge- 
noemd). 

Ahad (ook Hari ahad), de eerste 
dag der week, Zondag; Malëm 
Ahad) Zaterdag-avond of nacht, 
of de avond of nacht van Zater- 
dag op Zondag (omdat de inlan- 
der rekent, dat de dag aanvangt 
te 6 uur 's avonds, dus bjj den 
zonsondergang op den vorigen). 

Ahli, volk, familie, lid, naedelid 
van een gezin; Ahli nëgëri, 
burger, burgers; Ahli divan of 
Ahli mahkamah, lid van een 
raad. . 

Ahli, bekwaam, bedreven, enz.; 
Ahli'oelnoedjoem, sterrewiche- 
laar, astroloog; Ahli'oelibadat, 
de orthodoxen of godsdienstigen, 
die trouw hunne godsdienstplich- 
ten vervullen, zich trouw aan de 
voorschriften daarvan houden, 
goed op de hoogte daarvan z^Jn, 
enz. 

Ahmak (Ar.), dwaas, gek. 

Ajah, vader (beleefder dan Bapa*), 
in het algemeen gebruikt tegen- 
over lederen bloedverwant die 
hooger in graad staat, niet uit- 
sluitend tegenover vorstelijke 
personen; AJah soedara, oom 
of vaders of moeders broeder; 
AJah toea, vaders of moeders 
oudere of oudste broeder; Ajah 
moeda, vaders of moeders 
jongere of jongste broeder; 
Ajah boengsoe, Ajah kë- 
tjll, vaders of moeders jongste 
broeder; Ajah tëngah of Ajah 
alang, vaders of moeders mid- 
delste broeder; Ajah toenggal, 
eenige broeder van vader of 
moeder; Ajah mëntoea of 
— mërtoea, schoonvader; Bër- 
ajah, in het bezit z\jn van ajah's, 
ook : zich ajah noemen tegenover 



AJAM. 7 

een jongeren aangesprokene; 
Mëngajahkën, iemand ajah 
noemen, als zoodanig erkennen, 
aannemen, behandelen, beschou- 
wen, enz.; Ajah-anda, beleefde 
betiteling (vader, vorstelijke vader, 
enz.) in brieven van minderen 
tegenover groeten of ouderen, enz. 

Ajak, zeef voor droge waren; 
Mëngajak, zeven, door een zeef 
schudden, ook : aanslaan (van een 
zeil) en met het achterste of 
achterdeel schudden, heen en 
weder slingeren (van mensch of 
dier by het gaan, enz.); Ajakan, 
wat gezeefd is, zeefsel, ziftsel; 
Pëngajak, degeen, die zeeft, ook 
die zijn achterste beweegt; het 
zeven, de handeling van het 
zeven ; Fëngajakan, zeef; Ajak- 
ajak, een spin óp hooge pooten, 
waarop het dier voortdurend 
schommelt. 

Ajam, hoen, hoenders; Ajam 
lëlaki of — djantan ook Djago 
(Jav^), haan; Ajam bëtina of 
— përampoean, hen, kip; Ajam 
biang, ook Babon (Jav.), leghen 
of^ hen met kuikens; Ajam 
dëdara, — panggangan (van 
jonge hanen ook Lantjoer), 
slachtkip, halfwassen hoen, ge- 
schikt voor het braadspit, enz.; 
Ajam këbiri, kapoen; Anak- 
ajam, kuiken; Ajam wlanda, 
kalkoen ; Ajam moetiara, parel- 
hoen; Ajam katik of —kate, 
dwerghoen of Bantam; Ajam 
kriting of — walik, kriel- 
hoen met bovenwaarts gekrulde 
veeren Ajam boentoeng of 
— toekoeng, hoen zonder staart 
of zonder lange staartveêren, of 
ook, waarvan de vrö korte staart- 
veêren benedenwaarts gekruld 
z\jn; Ajam biroega, •— oetan 
of —alas (Jav.), boschhoen, 
boschhaan of boschkip; Ajam- 
ajam, soort strandlooper; Ajam- 
ajaman, waterhoen. 



8 



AJAN. 



AJOE. 



Ajaa (ook Ajan-ajan), toevallen 
vallende ziekte, duizeling, .AJan- 
ajanan, de vallende ziekte heb- 
ben, door duizelingen geplaagd; 
AJan, ook een soort blik, tJzer- 
bllk. 

Ajër (ook Ajar, Aër), water vocht, 
zog, nat, ook glans, waas, bloed 
uit een versche wond : Ajer teh, 
thee (drank); Ajër kopi of 
— kahwa, koffie (drank); Ajër 
soesoe, melk; Ajër goela, sui- 
kerwater; Ajër madoe, honig, 
ook honigwater; Ajër minoem 
of Ajër kala, drinkwater; Ajër 
laoet, zeewater; Ajër kali of 
--soengei, rivierwater; Ajër 
soemoer, of Ajër përigi, put- 
water; Ajër soembër, bronwater ; 
Ajër mandi, badwater; Ajër- 
oedjan, regen water ; Ajër bëkoe 
ook AJer batoe, gestold, bevro- 
ren, versteend water, \js; Ajër 
sëni of — këntjingr, urine; Ajër 
mata, traan; Ajër wlanda, 
Seltzerwater of in het algemeen 
mineraalwater; Ajër dicgin of 
—adem, koud, frisch watej; 
Ajër angët, lauw water; Ajër 
panas, wai*m, kokend water, ook 
warme bron; Ajër mas, vloei- 
baar verguldsel; Ajër perak, 
vloeibaar zilver (voor het verzil- 
veren, enz.); Ajër mawar, roze- 
water; Ajër wangi, odeur; 
Ajër sëmbajang of — moetlak, 
water voor de reiniging vóór het 
gebed; Ajër makroeh, water, 
dat niet geschikt is voor de rei- 
niging van het lichaam; Ajër 
asin, zout water, zeewater; Ajër 
anta of — antah, brak, ziltig 
water; Ajër tawar, zoet water: 
Ajër pasang, — naik of — bësar, 
vloed, springtt), hoogwater; Ajër 
mniroet of — toeroen; eb of 
laag; water; Ajër garëm, pekel ; 
Ajër kapoer, kalkwater; Ajër 
a^roek, limoensap; Ajër kan- 
dji, stöfsel- water, het water, dat 



btl het koken van ryst in een 
pot, afgeschept of afgegoten 
wordt en min of meer siymig is; 
Ajër saboen, zeepwater, zeep- 
sop; Ajër këras, sterkwater, 
ook sterke drank; Ajër timah, 
foelie voor het soldeeren; Ajër 
rasa of Rasa, kwikzilver; Ajër 
tëboe, suikerrietsap; AJëraëta- 
man, water (met bloemen uit 
een tuin), gebruikt tot badwater 
bö plechtige gelegenheden, als 
huwelyks-, zwangerschaps-, ge- 
boorte-feesten, enz.; Ajër moeka, 
de glans, uitdrukking van het ge- 
laat ; Anak ajër, beekje, riviertje, 
zijrivier; Mata ajër, bron, wel, 
ook wel: kolk; Batang ajër, 
rivier; Poesër ajër, kolk, draai- 
kolk; Moeka ajër, oppervlak 
van het^ water, waterspiegel; 
Ajër dëras of — bërdjalan, 
stroomend, vlietend, levend water 
(ook Ajër hidoep) ; Ajër diam, 
stilstaand water; Mëmboeang 
ajër, aan z^ne natuurlyke be- 
hoeften voldoen; Boeang ajër 
(ook Qadla hadjat (Ar.), bësar 
(këtjil) een groote (kleine) be- 
hoef tedoen ; Bërboeang-boeang 
ajër, buikloop hebben, dysen- 
terie; Ajër masing (Amb. mal.) 
= zout water, zeewater, de zee; 
Ajër masing pendek = eb; 
Ajër masing tinggi = vloed; 
Kaki ajër = een bron of wel, 
midden in zee (? — zie ook Aman). 

AJat, buis met korte tot boven de 
ellebogen reikende armen (nauw- 
sluitend); — ook goed fortuin. 

AJat, Qoranvers, vers; ook graf- 
steen, zerk, wonderteeken. 

Ajo, komi kom aani wel aan! 
voort I marsch! enz. 

AJoe (Jav.), schoon, mooi, lief, lief- 
tallig, aanminnig (van vrouwen). 

Ajoem, eensgezind, bevriend (met 
slecht volk); Mëngajoem, met 
slecht volk heulen, slecht volk 
helpen, hulp verleenen, van het 



AJOE. 

noodige voorzien, enz. ; AJoeman, 
wat men aan slecht volk ver- 
strekt, verschaft, enz.^ 

Ajoen, slingering ; Mëngajoen, 
heen en weder bewegen (van iets, 
dat hangt), schommelen, wiegen, 
heen en weder slingeren; Bëra- 
Joen kaki of Bërajoen ajoen 
kaki, met de voeten of beenen 
schommelen, luieren, een dolce 
far niente genieten; Ajoenan, 
wieg, schommel of wat als zoo- 
danig dient of gebruikt wordt. 

Ajoeta (of joeta), millioen. 

Akal, verstand, beleid, raad, mid- 
del, dat men beraamt, list, streek, 
kunstgreep; Bërakal, listig, vol 
streken (z^n), op alles raad weten; 
Poetoes- of mati akalnja, geen 
raad meer weten; Mëngakali, 
iemand foppen, bedriegen, door 
list iets ontnemen, beetnemen, 
enz., ook op listige w\jze iets 
gedaan zien te krygen of te ver- 
kregen; Akal mëndatëng, in- 
vallende gedachte, ingeving ; 
Maïn (bërmaïn) akal, een mid- 
del weten te vinden tot, slinksche 
middelen aanwenden, enz. 

Akalbaüg (of akilbaleg), mondig, 
tot den leeftyd der puberteit ge- 
komen, huwbaar, volwassen. 

Akan (of aken), aangaande, ten 
opzichte van, betreffende, met 
betrekking tot, jegens, tot, naar, 
over, aan, om, voor, ten behoeve 
van, wat betreft, nopens. (Dit 
voorzetsel drukt in het algemeen 
een beweging, eene richting er- 
gens heen uit en komt btj z^jn 
menigvuldig gebruik in zeer ver- 
schillende beteekenissen voor, 
zelf als hulpwoord (vóór het 
werkwoord) tot vorming van het 
futurum); Akan tëtapi of Të- 
tapi, maar, doch, edoch, even- 
wel, enz.; Mëngakan, streven 
naar, trachten naar, enz. 

Akar, wortel, slinger- of klimplant, 
kruipplant, oorsprong, grond- 



ALAH. 



9 



slag, beginsel; Akar wangi, 
Andropogon muricatus, grassoort 
met welriekende wortels; Akar 
bahar, een zeegewas, meest 
zwart van kleur, veel als lyfsie- 
raden gebruikt; Bërakar, wor- 
telschieten, wortels hebben, 
ergens lang en vast gevestigd 
zön, wortelen, geworteld zijn. 

Akas, vlug, gauw, knap, vaardig, 
handig, vlugheid, vaardigheid, 
knapheid, handigheid. 

Akbar (Ar.), groot, verheven; 
Allahoe akbar I God is groot! 

Akik (Ar.), agaat, ook naam van 
een schelp, waarvan ringen, enz. 
gemaakt worden. 

Akoe, (na de woorden akan en 
dëngan ook dakoe), ik (pers. 
voornw. v. d. len pers.); Më- 
ngakoe, ik zeggen, d. i. zich zel- 
ven aanwezen als de persoon, 
van wien iets gezegd of aan wien 
iets toegeschreven wordt, belij- 
den, bekennen, zich tot iets ver- 
binden, borg blijven, instaan voor, 
beweren, iets als het zijne erken- 
nen, erkennen als iets, zich toe- 
eigenen, ook: van zich zelven 
sprekende Akoe gebruiken (beter 
Bërakoe); Mëngakoel, iets als 
het zjjne erkennen; Mëngakoe- 
kën, iets beweren, tegenover een 
ander akoe bezigen, voor iets 
uitgeven, ook doen bekennen of 
erkennen; Akoean, wat door 
iemand als het zijne erkend wordt, 
bewering, belndenis, erkentenis, 
verklaring; Pengakoe, belijder, 
beweerder, bekenner, ook het 
bekennen, het erkennen, enz.; 
Pëngakoean, belijdenis, beken- 
tenis, bewering, erkenning, ver- 
bintenis, verklaring. 

Aksara (Sk.), (ook Hoeroef) let- 
ter, letterteeken. 

Alah, onderdoen, het onderspit 
delven, overwonnen worden, of 
ziJn, verliezen, afleggen; Më- 
ngalahi, ten onderbrengen, over- 



10 



ALAI. 



ALI. 



winnen, vermeesteren, bemach- 
tigen, innemen, veroveren; Më- 
ngalahkën, iets of iemand ten 
onder brengen, doen bukken, 
overwinnen, iets bemachtigen, 
veroveren, enz.; Alahan, neder- 
laag; Përalahan, overwinning, 
verovering; Pëngalah, overwin- 
naar. 

Alailü (Ar.), over hem; Alaihi 
a88alain,vrede over hem ! Alaihi 
allanat, vloek over hem! 

Alaikoem (Ar.), over u; Assalam 
alaikoem of Salamalaikoem, 
(gewone groet), vrede zy over u I 
waarop gewoonlyk geantwoord 
wordt met: Wa alaikoem sa- 
lam: en over u z\j vrede! 

Alam (Ar.), wereld, heelal, al wat 
daarin te vindenis, de schepselen, 
ook het volk, de ttjd, eeuw. 

Alamat (Ar.), kenmerk, kenteeken, 
adres, bewys, vaandel; Bërala- 
mat, voorzien van een merk, 
van een adres ; Mëngalamatkën, 
van een merk voorzien, adressee- 
ren; Alamat soerat, adres van 
een brief; Alamat përang, veld- 
teeken, vaandel; Alamat kitab, 
titel van een boek; Alamat-oel- 
hajat, teeken van leven, bijv. een 
geschenk by een brief gezonden, 
enz. 

Alang, dwars, dwarsliggend, bint- 
balk, die in de breedte van het 
gebouw ligt, dyk, verhindering, 
beletsel, boom, sluitboom, (ook 
Palang); Alangan, lage zand- 
of modderbank aan de monding 
van een rivier, ook verhindering, 
beletsel; DJikaloe tiada ada 
alangan, saia datëng, als er 
geen verhindering is, zal ik komen; 
Përalangan, gebint; Mënga- 
langkën, een balk als bint opstel- 
len; iets dwars zetten of leggen; 
Mëngalangkën lajar, het zeil 
dwarsscheeps zetten. 

Alang-alang, Imperata arun- 
dinacea, lang, scherp gras, veel 



gebezigd tot het dekken van 
woningen, enz. — ook: ontoe- 
reikend, onvoldoende, middelma- 
tig, (zie Këpalang). 

Alap (of Alab), langzaam, bedaard, 
Bërdjalan alap santoen, lang- 
zaam, met afgemeten schreden 
gaan (van vrouwen). 

Alap-Mëngalap, vruchten pluk- 
ken, afstooten of afknijpen, inza- 
melen. 

Alap- of Alap-alap, een roofvogel, 
een kleine soort valk (Astur trivir- 
gatus, Astur sapi, Astur ginjeng, 
Microhierax fringillarius etc). 

Alar-Mëngalar, ongemanierd, op 
eene onbeschaamde of ongepaste 
wyze liggen. 

Alas, onderlaag, fundeering, fun- 
dament, grondslag, voetstuk, dek- 
kleed; voering, onderstel; ook 
rondventen ofrondventer, bosch; 
Mèngalas, bekleeden, voeren, 
van een onderlaag voorzien; 
Mëngalaskën, iets een onder- 
laag geven, iets tot onderlaag 
doen dienen; Alasan, wat tot 
onderlaag dient; Pëngalas, 
grondlegger, grondvester; Pë- 
ngalasan, grondvesting, grond- 
legging, vestiging ; Alas roemab, 
de fondamenten van een huis; 
Alas kaki, voetbankje; Alas 
përaoe of Alas moeatan, onder- 
laag der lading, ballast. 

Alat, werktuig, oorlogstuig, ge- 
reedschap, uitrusting,^ ook aan- 
leiding, reden ; Alat këradjaën, 
rtjkssieraden, röksinsigniën, Alat 
perang, krögstoerusting, oor- 
logsmateriaal ; Alatan, wape- 
ning, gewapende bende; Alatan 
orang kalis, gewapende bende 
nomadische dajaks. 

Algodja (Port.), (of Lëgodjo), beul, 
scherprechter. 

Ali(mëngali), gedurig voor iemand 
heen drentelen, iemand onder de 
oogen komen, ook Aleb, ver- 
zetten, wenden, keeren, slinge- 



ALIB. 



ALOË. 



11 



ren; Ali-ali (Jav.), ring, slinger; 
Mëngrali-ali, slingeren, met een 
slinger, werpen, ook een aan een 
touw gebonden steen enz. over 
een tak etc. heen slingeren, om 
dien naar zich toe te kunnen 
trekken. 

Alib (Jav.), het na het verstreken 
(in de Vorstenlanden) van een 
huurcontract nog te veld staande 
gewas ; ook de schadevergoeding, 
die de nieuwe huurder den vorigen 
daarvoor betalen moet, enz. 

Alif, naam der eerste letter van het 
Arab. alphabet; — ook jonkman, 
vrijgezel, enz. en penis; Alif of 
Alip (Jav.) naam van het eerste 
jaar van een windoe of cyclus van 
8 jaren. 

Alih (of Aleh), verplaatsing, ver- 
andering van plaats ; Mëngalih, 
verplaatsen, van plaats verande- 
ren, verhuizen, veranderen, 
draaien (van den wind), wenden, 
koeren, verzetten; Bëralih, van 
plaats, richting, enz. veranderen ; 
Mëngalihken, van plaats doen 
veranderen, verplaatsen, wijzigen, 
voor of ten behoeve van iemand 
of iets veranderen, verzetten, 
keeren enz.; Fëralihan, veran- 
dering van plaats, het zich ver- 
plaatsen, verhuizing, Pëngali- 
han, verplaatsing, verandering, 
wyziging. 

Alim, geleerd, geleerde, godge- 
leerde, ook schUnheiiig, schyn- 
heihge, (verg. Oelama). 

Aling, (z. V. a. Alang), beschutting, 
bedekking, beletsel; Mêngaling- 
alingi, iets bedekken, voor iets 
staan, zoodat het niet te zien is, 
beschutten, beschermen, iemand 
de hand boven het hoofd houden; 
Alingan, beschutting, bedekking; 
Ka&lingan (Bat . Jav. = di-aling- 
alingi), beschut, gedekt, bedekt, 
door iets wat er voor staat aan 
het oog onttrokken. 

Alintar (ook Haliiintar), donder- 



slag, inslaande bliksem, donder- 
steen. 

Alis (zie ook Këning), wenkbrauw. 

Alit, (gekleurde) rand om iets heen, 
ook wat om iets heen geslagen 
wordt, zooals een touw om een 
tol; fig. beraming, ontwerp; Më- 
Dgalit, een (gekleurde) rand om 
iets maken, een touw of koord 
om iets winden; beramen, ont- 
werpen; Pëngalit, ontwerper; 
Pëngalitan, ontwerp, omran- 
ding, omwinding. 

Allah, God (der Mohammedanen); 
Allah soebhanahoe wa ta'&la, 
God, de geprezene en verhevene; 
AUahoe akbar, God is groot! 
Alhamdoellilahi, Gode zy lof! 
Bismillah, in den naam van 
God; La ilaha illa Allah, Er 
is geen God dan Allah (begin 
van het geloofsformulier der 
Mohammedanen); Demi Allah 
én Billahi, by God (by het doen 
van een eed); Allah ta'&la. God, 
de Allerhoogste. 

Almari(gewoonlijkIiëmari)(Port.), 
kast; Almari pakean, kleerkast; 
Almari gantoeng, hangkast; 
Almari makanan, etenskast, 
ook buffet; Almari kodok, kleine 
lage kast, ook buffet, hoekkastje, 
enz.; Almari boekoe, boeken- 
kast; Almari katja of —gëlas, 
glazenkast. 

Aloë (Jav.), ryststamper. 

Aloean, het voorste deel of gedeelte 
van iets (inzonderheid van een 
vaartuig) voorsteven, voorschip, 
ook voorhoede, spits, gids, en fig. 
voorganger, voorlooper, enz. rich- 
ting; Temberang aloean, voor- 
want; Sa-aloean, allen in dezelfde 
richting, van eene richting. 

Aloen, deining; Mëngaloen of 
Bëraloen, deinen, in lange gol- 
ven langzaam aanrollen (van het 
water). 

Aloen-aloen (Jav.), uitgestrekt, 
open vlakte of plein (meest voor 



12 



ALOË. 



AMBE. 



woningen van inlandsche groo- 
ten). 

Aloer, geul, gleuf, vore, groef, 
gang (in een geweerloop), nauw 
vaarwater; Aloer ajër (ook Aloe- 
ran), beekje, kreekje, geul, nauw, 
smal vaarwater; Bëraloer, ge- 
groefd, gevoerd (zijn), getrokken 
(van een geweerloop, enz.). 

Aloes (ook Haloes), fijn, dun, 
teeder, ook fatsoenlijk, welge- 
manierd, welopgevoed, subtiel, 
scherpzinnig, slim, geslepen, zacht 
van aard, zachtmoedig, bedaard; 
Bangsa aloes, geesten; Adat 
aloes, fijne manieren, zachte 
aard, zacht van aard, enz, 

Alpa, vergeetachtig, achteloos, na- 
latig, onbedacht, zorgeloos; Më- 
ngralpakën, iets achteloos behan- 
delen, —vergeten. 

Alpérës (Port.), vaanderig, officier. 

Amal, macht over iets, heerschap- 
pij, ambt, bediening, gebied, ge- 
west; Mëngamalkën, beheer- 
schen, besturen. 

Amal, werk, daad, verrichting, 
handelwijze, een Gode welgeval- 
lig werk; Bërboeat amal, een 
goed, Gode welgevallig werk doen; 
Mëngamalkën, iets goeds doen, 
iets tot een goed werk aanwen- 
den, enz. 

Aman = rustig, vredig (van een 
land, enz.) (Mol: mal) ook een 
bron of wel midden in zee? 

Amanat (Ar.), toevertrouwd goed, 
ook vertrouwde, vertrouwehng, 
vertrouwen. 

Amane, bedreiging; Mëngamang 
of mengamang-amang, bedrei- 
gen; Pëngamang, bedreiger, 
dreigement. 

Amat, bovenmate, al te, zeer 
ongemeen, bijzonder, grootelijks, 
ook verbod; Bësar aznat, zeer, 
te groot; Mëngamat-amati, met 
aandacht beschouwen, goed op- 
nemen, met oplettendheid gade- 
slaan, ook verbieden ; Pëngamat 



aandachtige beschouwer, ook 
degeen, die verbiedt ; Pëngama- 
tan, nauwkeurige beschouwing, 
ook verbod. 

Ambal, geordende troep menschen, 
colonne, processie ; Ambalan, 
Ambalambalan, in processie, in 
colonnes oprukken, loopen, enz.; 
Ambal-ambalan (Jav.), ook ge- 
regeld aangelegde terrassen (in 
het gebergte). 

Ambang (van een vaartuig), in 
zjjne vaart belemmerd door te 
veel tuig, ook topzwaar (van 
iemand die dronken is, böv.) en 
dorpel; Ambang di atas, bo- 
vendorpel; Ambang di bawah, 
beneden dorpel (van een deur of 
venster) ; Mëmgambang, (zie 
ook Kambang), iets in z\jne 
vaart belemmeren, in vaart doen 
verminderen; Pëngambang, wat 
de vaart belemmert, tegenhoudt. 

Ambar, amber, ambergeur; Am- 
bar koening of Batoe ambar, 
barnsteen; Ambar, ook flauw 
van smaak (van tabak), zwak 
(van de stem). 

Ambaroe (of Ambaro), schoeiing, 
beschoeiing, kaai, kaaimuur. 

Ambën (£av.), (ook Amban, Am- 
bin of Bmban), doek ter bedek- 
king van den boezem (der vrou- 
wen); singel (van een zadel), 
doek, sluier, riem, band, gordel, 
buikriem, buikband; Mëmgam- 
ban of mëngambin, iets door 
middel van een over den schouder 
geslagen doek etc, op den rug 
dragen, bijv. een kind, een ran- 
sel, enz. ook iets (een kind, etc.) 
in een doek op de heup dragen ; 
Ambënan, Ambinan, Përam- 
binan, wat aldus gedragen wordt; 
Pëngambin, die aldus iets op den 
rug draagt; Pëngambinan, wat 
tot het op die wjjze dragen van 
het een of ander gebruikt wordt, 

Amben (Jav.), rustbank, bank, 
verheven zitplaats, slaapstede. 



AMBE. 



AMOK. 



13 



Ambët (Jav.), luur, luier; Më- 
ngambëti en mëngambëtkën, 

een luier aandoen, een kind met 
een luier kleeden, enz. 

Ambil, nemen, halen, wegnemen; 
Mëngambil, nemen, wegnemen, 
halen, aannemen, opvatten, ont- 
leenen, aanhalen; Mëngambil 
anak, een kind aannemen, adop- 
teeren, als z\]n kind erkennen; 
Mëngambil ati, het hart win- 
nen; Mëngambil nama; een 
naam aannemen, Mëngambil- 
kën, iets voor iemand halen, 
wegnemen, enz.; Ambilan, wat 
genomen wordt, aanhaling, op- 
vatting, ontleening; Bërambil- 
ambilan, (van twee famiUën), 
over en weder iemand (door aan- 
huwely king), in de familie nemen ; 
Salah ambil of — ambilan, ver- 
keerde opvatting, misverstand; 
Pëngambil, degeen, die neemt, 
ontleent, ook gereedschap, etc, 
om iets te nemen, byv.: Pë- 
ngambll-ikan, vischtuig, gereed- 
schap, om visch te vangen, enz. 

Amblës (Jav.), verzakt, verzonken, 
verzakken, inzinken, doorzakken, 
doorgezakt (in modder, enz.). 

Amboel, veerkrachtig, ook prut- 
telig, ontstemd; Mëngamboel, 
terugspringen (byv. van een elas- 
tieken bal, enz.) afstuiten, weder 
opduiken, ook (Bat.) pruttelen, 
mopperen, uit zyn humeur zjjn, 
enz. 

Amboeng, soort van pakmand, 
waarmede lasten op den rug 
gedragen worden; Mëngam- 
boeng in zulk een mand dragen, 
iets in een riem over den schou- 
der dragen, (byv. een geweer), 
heen en weder slingeren of ge- 
slingerd worden, (byv. op de 
golven); Amboengan, één-mans- 
vracht; Amboeng (Jav.), ook 
zoen, kus (op zyn inlandsch); 
Mëngamboenjgf, zoenen, ruiken. 

Amboer, verspreid; Mëngamboer, 



zich verspreiden, zich verstrooien, 
snel uit elkander gaan, strooien, 
zaaien, drijven; Mëngamboeri, 
bestrooien, bezaaien, enz.; Bër- 
amboeran, verstrooid zjjn, uit 
elkander gaan, enz.; Amboeram- 
boer, naar alle richtingen ver- 
spreid ; Amboeran, wat verspreid 
wordt; Pënamboer, hagels (om 
te schieten); Pëngamboer, de 
persoon, die jerspreidt, enz. 

Amboes, Mëngamboes, (ook 
Hëmboes) zichwegpakken, weg- 
loopen, deserteeren, zyn vader- 
land, enz. verlaten, ook (Më- 
ngëmboes) blazen, wind maken 
(met een blaasbalg byv.), aanbla- 
zen; Amboesan of Emboesan, 
blaasbalg, blaasgereedschap, ge- 
blaas; Pëngèmboes, dekeen, die 
blaast, blaasbalg; Pëngemboe- 
san, het blazen, geblaas, aanbla- 
zing. 

Amboï, (uitroep) o, ach, wel, kyk, 
verbazend! 

Ambon, kast, kist, kisting, ook de 
plaatsnaam Ambon of Amboina ; 
Ambon-ambon, schanskorf, kis- 
ting, borstwering. 

Amin, amen! Amin tsoemma 
amin ! amen , ja, (nogmaals) amen ! 
(meest aan het eind van brieven 
of adressen). 

Amir, hoofd, opperhoofd, bevelheb- 
ber, enz.; Amir-al (of-il)moe'- 
nünin, opperhoofd (de heer) der 
geloovigen, titel der Chaliven. 

Amis (Jav.Bat.), vies riekend, zooals 
de lucht van visch, bloed, enz., 
vischlucht, bloedlucht, enz. 

Amo (of Amoh) (Jav. Bat.), versle- 
ten, verstikt (van linnen enz.), 
onsterk, rafelig, verlegen. 

Amok, woede, razern\j, moord in 
arren moede; Mëngamok, in 
razende woede alles overiioop 
loopen of steken (ook van dieren), 
een verwoeden aanval doen, 
amok maken, in woede moorden, 
enz.; Pëngamok, de persoon die. 



14 



AMPA. 



of het dier, dat amok maakt; het 
amok-maken, enz.; Bëramok* 
amok-an, onder elkander woe- 
dend moorden ; Mën^amok 
kapal, een schip afloopen. 

Ampas, overbiyfsel, afval, uitkauw- 
sel, bezinksel, drab, moer, neer- 
slag, moer, enz.; Ampas tëboe, 
uitgeperst of uitgekauwd suiker- 
riet; Ampas kopi, koffiedik, ook 
de schillen van door pulpers 
gehaalde koffieboonen, afval der 
koffie. ^ 

Am^at (of Bmpat), vier, viertal ; 
Mexi^ëmpat, de vierde zyn; 
Bërempat, met zyn vieren, vier 
in getal zijn, ook met zijn vieren 
iets doen, enz.; Bërëmpatan, 
in groepen óf hoepen van vier; 
Përëmpat, Përampat of Për- 
apat, vierde, vierde deel; Për- 
ëmpatan, Përapatan, in vieren 
gedeeld, kruisweg, enz.; £^ëm- 
pat, de (het) vierde, ook alle vier 
(meest echter met n ja er achter) ; 
Ampatbëlas, veertien ; Ampat- 
poeloeh, veertig; Ampatratoes. 
vierhonderd; Ampatriboe, vier- 
duizend; Ampat laksa, of Am- 
patpoeloeh riboe, veertig dui- 
zend; Ampat ratoes riboe, 
vierhonderd duizend; Ampat 
Joeta, vier millioen. 

Ampëdal, maag van vogels. 

Ampëdas, lever. 

Ampëdoe, gal, galblaas. 

Ampëla = Ampëdal. 

Ampir (ook Hampir), b^na, naby, 
dichtbtJ, enz. Zie verder Hampir. 

Ampo (of Ampoh), eetbare aarde, 
eetbare klei, kleine platte stuk- 
jes in de zon gedroogde of ge- 
brande klei, die als snoeperei 
gegeten kunnen worden, ook 
zwavelkleur, zwavelkleurig. 

Ampoe, wat ondersteund wordt, 
bezitting, eigendom, voogdij, enz.; 
Mëiigampoe,ondersteunen,steu- 
nen, op de handen dragen, met 
de handen ondersteunen, onder* 



ANAK. 

zyn beheer hebben, beheeren, 
besturen, waarnemen, bezorgen, 
ook water drinken uit een tuit 
of kraan door den straal^ in den 
mond op te vangen; Mëngam- 
poe soesoe, de borsten (met de 
handen of door middel van een 
corset, enz.) ondersteunen, ophou- 
den, omhoog houden; Ampoean, 
ondersteuning, steun, beheering, 
wat ondersteund wordt of moet 
worden, enz., ook een titel; 
Tëngkoe ampoean, de eerste 
vrouw van den vorst, sultane, 
koningin; Pëngampoe, die onder- 
steunt, de voogdy uitoefent, het 
beheer voert, enz., regent, beheer- 
der, administrateur, voogd, enz. ; 
Pëngampoe soesoe, keursiyf, 
corset. kleedingstuk om de bor- 
sten omhoog te houden ; Përam- 
poean, vrouw, het voorwerp, dat 
ondersteunt behoort te worden; 
Mëngampoekën, onder voogdy 
stellen of geven, opdragen. 

Ampoeh (of Ampoh), donker van 
kleur, met troebel water bedekt; 
Mëngampoh, overstroomen ; 
onder water duiken, met water 
bedekt staan, enz.; Ampohan, 
watervloed overstrooming, zond- 
vloed. Zie ook Ampo hiervoren. 

Ampoen, vergiffenis, vergeving, 
genade, gratie ; Mëngampoen en 
Mëngampoeni, iemand verge- 
ven, vergiffenis schenken, bege- 
nadigen ; Mëngampoenkën, iets 
vergeven, kwytschelden, enz. 

Ampoenja, (bez. voornw.) zyn, er 
van, — ook bezit, bezitting, enz.; 
Mëmpoenja, hebben, bezitten: 
Mëmpoenjal, iets hebben, bezit- 
ten, zyn eigendom noemen, enz. 

Ampoet (ook Hampoet), een 
platte uitdrukking voor paren, den 
byslaap of coïtus uitoefenen, enz. 

Anai-anai [ook Rajap (Jav. Bat.)], 
witte mier, termiet, ook weigeren, 
weigerend, onwilhg. 

Anak, kind, jong van dieren en 



ANAK. 



ANAK. 



15 



planten, onderdeel van een geheel, 
lid, gedeelte interest, inboorling ; 
Anak lakilaki of lëlaki (Bat.), 
zoon; Anak djantan, kind of 
jong van het mannelyk geslacht; 
Anak përampoean, dochter ; 
Anak bëtina, kind of jong van 
het vrouwelyk geslacht; Anak 
angkat (ook Anak ambil, 
Anak poengoet) aangenomen, 
geadopteerd kind; Anak piara 
(ook Anak ambil, Anak poe- 
ngoet), pleegkind, pupil; Anak 
piatoe, wees, w^eeskind; Anak 
dara, maagd, huwbaar meisje; 
Anak tiri, stiefkind; Anak 
balal, ook Anak bëtoel, echt, 
vrettig kind; Anak baram, on- 
echt, onwettig kind ; Anak soen- 
dël, Anak djadab, Anak gam- 
pang,^id. (doch plat). Anak 
ajërkëntjing, hoerekind ; Anak- 
bini, vrouw en kinderen, gezin ; 
Anak nëgëri of Anak benoea 
inboorling, inlander; Anak koe- 
da, veulen ; Anak ajam, kuiken ; 
Anak koentji, sleutel; Anak 
djëbab, de doosjes van een betel- 
doos; Anak lidab, de huig; 
Anak përaoe, opvarende, ma- 
troos ; Anak gënta, klepel eener 
klok; Anak tangga, sport van 
een ladder; Anakboewab, on- 
derhoorige, ook bemanning (eener 
prauw, enz.); Anak lëmboe of 
Anak sapi,kalf; Anakpoeboen, 
jonge plant; Anak djanëtra of 
— roda, spaak; Anak tangan, 
vinger; Anak kaki, teen, toon; 
Anak mas, een in huis geboren 
kind van slaven of bedienden, dat 
door den huisheer of meester on- 
der zijne bescherming enz., is ge- 
nomen, ook een aangenomen be- 
schermkind; Anak poengoet 
of -^poengoetan, ook Anak 
dapët, vondeling; Anak soe- 
loeng of Anak pembarëp (Jav. 
Bat.), eersteling, oudste kind; 
Anak boengsoe of Anak pëm- 



bontot iJav. Bat.), laatste, jong- 
ste kind, de Benjamin; Anak 
pënëngab, het middelste kind 
van een oneven aantal kinderen ; 
Anak toenggal, eenigste kind; 
Anak tjoetjoe, kinderen en 
kindskinderen ; Anaksoesoean, 
zoogkind, ook zuigeling; Anak 
këtjil, klein kind, kindje, wichtje; 
Anak kolong (Bat. soldaten- 
term), een in de kazerne geboren 
soldatenkind (N.B. De soldaten- 
nl. hebben slaapplanken, die op 
pooten rusten; getrouwden ge- 
bruiken meestal de ruimte daar- 
onder om er den nacht door te 
brengen en voorzien de plank dan 
van een rondom hangend gordyn, 
als anderszins) — als scheldwoord 
ook gebruikt in den zin van 
hoerekind, enz.; Anak panab, 
ptJl; Anak radja, prins, prinses; 
Anak soengei, zytak, z\jrivier- 
tje; Ana'anda, Anak-anda, 
Anakda, (in de beleefde of eer- 
biedige spreekwijze), kind van 
een vorstelijk of voornaam per- 
soon, b\jv. Anakandabaginda, 
kind van den vorst, enz.; Ana- 
kan, (voor pop enz. ook Anak- 
anakan), wat op een kind gelijkt, 
pop, beeldje, ook interest, rente; 
Anak-anak, kinderen, ook pop, 
enz.; Anak-daroe, bruid (zoo- 
wel maagd, als weduwe); Bër- 
anak, met kind of kinderen, 
een kind baren, bevallen, (van 
een kapitaal) rendeeren, rente 
geven, interest opbrengen; Anak- 
bëranak, de (of een der) ouders 
met hunne (zijne, hare) kinderen, 
van ouder tot kind; Përanakan, 
baring, bevalling, baarmoeder 
(ook Tëmpat- of Kandoeng- 
përanakan), ook,inlandschkind, 
d. i. kind van een vreemden 
vader bij eene inlandsche (tot de 
inboorhngen behoorende) moeder; 
Përanakan wlanda, kind van 
een Europeaan btj eone inland- 



16 



ANAM. 



sche vrouw, Indo, ook Sinjo; 
Përanakan-tjixia, ook Baba, 

kind van een Chinees^ btJ ^een 
inlandsche vrouw; Mèmpëra- 
nak, baren, ter wereld brengen, 
van een kind bevallen; Dipër- 
anak, ook dl bëranakkên, ge- 
boren, geboren zijn, geboren 
worden ; Mënganakken, tot 
kind aannemen, als kind voort- 
brengen, beschouwen, behande- 
len, tot kind hebben; voorts 
wordt Anak ook gebezigd om 
iets kleins, enz. aan te geven, 
bijv. Anak ikan, niet alleen 
jongen van visschen, maar ook 
kleine visch; Anak boekit, 
kleine berg, heuvel, enz. en om 
een her- of afkomst aan te dui- 
den ; Anak Bëtawi, van Batavia 
herkomstig, geboortig, enz. 

Anam (Anëm oj nëm en Ênëm), 
zes, zestal; Bëranam, met zjjn 
zessen, zes in getal, ook met zyn 
zessen iets doen, enz. ; Kë-anëm, 
ten zesde, de zesde, het zesde 
enz. ; Përanëm, zesde, zesde deel; 
Anëm-anëm, zes aan zes, ook 
alle zes; Ela'ënem-ënëm, alle 
zes; Bëranëman, bU hoonen of 
groepen van zes; Mëngenëm, 
de zesde ztjn (van een aantal 
kinderen, enz.). 

Anam (ook Anjam), vlechtwerk, 
vlechting; Mën^ranam, vlechten, 
vlecht- of kloswerk maken; 
Anaman of Anjaman, vlecht- 
werk; Pënganjam, vlechter, ook 
wtJze van vlechten, enz. 

Anaü [of finaü, ook Aren (Jav.), 
Kaboeng (Soend: Kawoeng) 
of Paloeloek], de Arenga Sac- 
charifera of Aren-palm, waar- 
van de palm wijn (Nira of Legen, 
ook Toewak), verkregen wordt. 

Andai (of Andei), gebeuriykheid, 
mogeiyk geval, ondersteld geval, 
mogeigkheid; Andainja, Sa'an- 
daüija of Sandainja, veronder- 
steld geval, verondersteld dat, h\j 



ANDJ. 

geval dat, byaldien, enz.; Më- 
ngandaikèn,veronderstellen,als 
mogeiyk stellen, aannemen, enz. 

Andak, reef in een zeil; Më- 
ngandak, reven. 

Andal (gewoonlijk Andël), geloof, 
vertrouwen; Andêlan, geloof- 
waardig, vertrouwd, pand, borg- 
stelling, ook eigenzinnig; Me 
ngandëlkën (Andëlin, Bat.), 
iemand z^n zin geven, volgen, 
goedschiks toestaan, enz. 

Andam, regel, rangschikking, or- 
delijke samenvoeging, opschik- 
king; Mëngandam, ordenen, in 
orde brengen, rangschikken, rege- 
len, net samenvoegen, in even- 
redigheid brengen, opmaken, 
opschikken, tooien; Mëngan- 
dam soera! of --ramboet, het 
haar opmaken, kappen ; Anda- 
man, wat netjes samengevoegd, 
opgemaakt, enz. is; Andaman 
ramboet, kapsel; Pêngandam, 
de persoon, die samenvoegt, enz. ; 
Pêngandam ramboet, kapper. 

Andang, toorts, brandfakkel, ook 
beletsel, hindernis: Andang of 
Mëngandang, verhinderen, be- 
letten, doen ophouden; Anda- 
ngan, verhindering, beletsel 
Bërandangan, onvoorziens, on- 
verwachts ; Andang-andang, ra. 

Andawali, Cissus papillosa, een 
slingerplant, waarvan de fijnge- 
wreven bladeren «als pap op het 
hoofd van jonge kinderen wordt 
gelegd om den haargroei te be- 
vorderen. 

Andëng-andëng (Jav.), mouches, 
kleine moedervlekken op het ge- 
laat, (ook Taï-lalër), of op de huid. 

Andika, pers. voornw. van den 
2ön pers., gij, u. 

Andja, val, valreep (scheepsterm) ; 
Andja-pajoeng, schuif van een 
zonnescherm. 

Andjak (of Mëngadjak), van zijn 
plaats wyken, de plaats ruimen, 
wijken, zich verwöderen. 



ANDJ. 

Andjal— Mëngandjal, terugsprin- 
gen van elastieke voorwerpen, 
ook kloppen, schudden (van den 
foetus). 

Andjang (of Andjang-andjang), 
naam van een zoetwatervisch, 
ook een stelling van wyd ge- 
vlochten bamboe (op pooten) om 
er iets op te dragen, enz. 

Andjar, anker, ook bewegen, van 
plaats veranderen. 

Andjing, hond, ook als scheld- 
woord; Andjing tanah, veen- 
mol ; Andjing rimba of — oetan, 
wilde hond, een soort jakhals of 
Indische wolf; Andjing djaga, 
waak-, wacht- of hof hond; An- 
djing përboeroean, jachthond; 
Andjing lèlaki of — djantan, 
reu, rekel; Andjing përam- 
poean of — bëtina, teef; An- 
djing ajër, otter, ook =Andjing 
tanah, ironisch gebruikt van 
personen, die zich op alle fees- 
ten, gevraagd of ongevraagd, 
vertoonen (evenals het insect 
om of naar het Hcht vliegt); 
Koetoe andjing, hondeluis, vloo; 
Soedara andjing, stiefbroeders 
en -zusters (kinderen van eene 
moeder doch verschillende vaders, 
ook van de voorkinderen onder- 
ling van een weduwnaar en een 
weduwe, die met elkander trou- 
wen); Andjing-andjing, (ook 
Poeki-andjingofNanmam),een 
boom (Cynometra cauliflora) met 
frischsmakende, eetbare vruch- 
ten, en = Badoeri, (Calotropis 
gigantea) een heester. 

Andjir, v^jg, ook (Jav.) merkpaaltje, 
baak, baken, kleine stokjes, enz. 
die gebruikt worden, byv. om de 
grenzen of de richting van een 
aan te leggen weg, terras, enz. 
aan te geven. 

Andjoeng, soort van opkamer ter 
zyde van een huis met een hoo- 
geren vloer dan het hoofdge- 
bouw; — Andjoeng-andjoeng, 

Maleisch-Hollahdsch. 



ANEK. 



17 



verheven zitplaats op den achter- 
steven van een vaartuig (voor 
den gezagvoerder of roerganger); 
Mëngandjoeng, iets (b^v. een 
vlieger) in de hoogte houden, 
heffen, steken enz. 

Andjoer— Mëngandjoer, buiten 
iets uitkomen, uitsteken (b^v. 
van een huis buiten de rooilijn, 
van een zandbank of landtong in 
zee, enz.) voorop gaan, de voor- 
hoede uitmaken ; Mëngandjoeri, 
ook Mëngandjoerkën, iets voor- 
uit steken, voorop gaan, zich vóór 
anderen bevinden, ook (Andjoe- 
Pin (Bat.) en Alok-aloki (Bat.), 
dit laatste meer van menschen) 
aanmoedigen, aansporen (b\jv. van 
hanen, tot een gevecht) aanhitsen, 
ophitsen, enz. ; Pëngandjoer, die 
voorop gaat, hoofd, spits, voor- 
hoede; Tërandjoer, gewoonlijk 
Tëlandjoer , Këtëlandjoer, Kë- 
tëlandjoeran, voorbarig, te ver, 
te ver gegaan, zich verpraten, te 
veel zeggen, iets zeggen, voordat 
men er goed by gedacht heeft 
of zonder aan de gevolgen te 
denken, te ver gegaan, om be- 
hoorlijk of goedschiks terug te 
kunnen keeren, of het gezegde 
terug te kunnen nemen, enz. 

Andoeh (ook Andoek, Mëngan- 
doek, verg. Kandoet), iets han- 
gend dragen, in een doek of aan 
touwen enz. dragen, biJv. een 
zieken arm in een doek, een 
sloep aan touwen in de davids, 
enz.; Tali-andoeh, de touwen, 
waaraan iets (bijv. een sloep) 
hangt of waaraan de riemen van 
een boot bevestigd ztjn. 

Andong, Calodracon-Jacquinii. Een 
plant met geneeskrachtige eigen- 
schappen en schoon gekleurde 
bladeren, als sierplant ook veel 
op begraafplaatsen aangeplant. 

Aneka, veelsoortig,^ verscheiden, 
allerlei; Aneka- wëma, in aller- 
lei, allerhande soorten. 



I 



18 



ANGA. 



ANGG. 



Angat (ook Angët, Hangat)warm, 
heet, lauw, lauw-warm, verhit, 
warmte, hitte; Mëngangëtkën, 
warm maken, ^ opwarmen, ver- 
warmen; Angët koekoe, lauw- 
warm, nl. zóó dat men door den 
nagel heen de warmte voelt. 

Angel (Jav. Soend. Bat.), moeiltjk, 
lastig, niet gemakkelijk te vol- 
doen, veranderlijk, buiig van 
humeur, ontevreden, enz. 

Angga, tak; Bërangga, getakt; 
Roesa- of Mëndjangan bër- 
angga» öon hert met getakt 
gewei. 

Angga (gewoonlgk Bngga), neen, 
niet, niets, enz. ; Angga-angga, 
neen schudden met het hoofd, 
of wenken met de hand, als 
teeken van ontkenning, enz. 

Anggal, licht geladen (van een 
voertuig). 

Anggap, buiging; Mënganggap, 
een buiging maken, enz. by uit- 
noodigingen, byv. tot bijwoning 
van een feest, enz. zooals bt| ons 
tot een dans. 

Anggar, oordeel, meening, al waar- 
op men rekent of steunt, — ook 
de gevechtspositie biJ het scher- 
men, (en garde) en tijdelijke zit- 
of rustplaats, steunpunt, basis, 
vaste regel, formule, punt van 
uitgang, berekening, verder: le- 
gerplaats, kamp te velde; Më- 
sganggar, rekenen, rekenen of 
steunen op iets, berekenen, me- 
ten, begroeten, beoordeelen, oor- 
deelen, enz.; Anggaran, mee- 
ning, oordeel, steunpunt, basis, 
berekening. 

Anggërek, algemeene benaming 
voor Orchidaeën: Anggërek- 
andjing, Epidendrum caninum; 
Anggërek bëtoel of — bënër, 
aardorchidae, Phajus Blumei en 
parasiet, (ook Anggërek lama 
of lema), Cymbidium bicolor of 
cuspidatum; Anggërek djam- 
boe ook Anggërek kësoemba, 



Dendrobium purpureum ; Ang- 
gërek kasian ook Anggërek 
poetih këtjil, Cymbidium ova- 
tum; Anggërek këtonggeng, 

Renanthera arachnitis; Anggë- 
rek këtjil, Microstylis Rhudii, 
en Vanda furva; Anggërek 
kringsing, Grammatophyllum 
speciosum en Vanda lissochiloi- 
des; Anggërek oetan, Ploco- 
glottis javanica; Anggërek 
Palembang, Dendrobium angu- 
latum en Cleisostoma spathula- 
tum (parasieten) en Cypripedium 
javanicum (aardorchidae); Ang- 
gërek poetih bësar, Phalae- 
nopsis amabilis ; Anggërek 
ringgit, Hy steria veratrifolia ; 
Anggërek tanah, Phajus callo- 
sus (aardorchidae), Plathantera 
Susannae (aardorchidae) en Epi- 
dendrum tuberosum (aardorchi- 
dae) ; Anggërek warna, Yanilla 
albida (parasiet). 

Anggit, rijgsel. samenvoeging, ver- 
binding; Mëngangg^t, rijgen, 
aanrijgen, (bijv. dekriet op een 
dak), spannen, (bijv. een vel over 
een trom), ook een boek, enz. 
schrijven, een verhaal opstellen, 
een vers of gedicht maken, enz. ; 
Pënganggit, de rflger, de maker, 
enz.; Anggitan, wat geregen, 
samengevoegd, gemaakt is. 

Anggoer of Anggoeran, tak of 
twyg, die afgesneden is om ge- 
plant te worden, stek ; Mëngang- 
goer, stekken, een tak of twijg 
afsnijden en planten. 

Anggoer (Jav.), ledig, zonder werk, 
enz.; Mënganggoer, ledig zitten, 
leegloopen, niets doen, lanterfan- 
ten, luieren; Pënganggoer,leeg- 
looper, lanterfanter, luiaard; Për- 
anggoeran, lediggang, ledigheid. 

Anggoer, wün ; Anggoer merab, 
roode wijn; Anggoer asem, 
rijnwijn; Anggoer poef, cham- 
pagne; Anggoer manis, zoete 
wiJn; Boeah anggoer, druif; 



ANGG. 



ANGK. 



19 



Pohon anggoer^ wynstok, drui- 
venrank. 

Anggoet, knik ; Mëmanggoet, 
knikken; Mënganggoet, stam- 
pen, dansen, (van een vaartuig of 
schip), ook Anggok. 

Anggok =^Anggoet. 

Anggol, Mënganggol, opwippen, 
in de hoogte steken {van een 
voorovergebogen hoofd of den 
boeg van een schip), op de horens 
nemen, met den kop achterover 
slaan ; Tëranggol-anggol, beur- 
telings opwippen en zakken, (van 
een schip) op zyn ankers ryden. 

Anggota, lid, ledemaat (van het 
lichaam); Anggota përkatailn, 
deel (lid) van een gezegde, zin, 
volzin. 

Angin, wind, tocht, lucht, fig. ook 
luchtgesteldheid, damp, gerucht; 
Angin haloean, wind van voren ; 
Angin toeroetan of sorong 
boeritan, wind van achteren; 
Angin timbaroeang, wind 
die van terzyde komt (op sche- 
pen, enz.); Angin këntjëng 
këlat, wind waardoor de brassen 
sttjf getrokken worden; Angin 
sakal (of — salah), tegenwind; 
Angin moesim, passaatwind ; 
Angin laoet, zeewind; Angin 
darat of — pagoenoengan, land- 
of bergwind; Angin lor of 
— oetara, noordenwind; Angin 
wetan of —timoer, oostenwind; 
Angin-kidoel of — sëlatan, zui- 
denwind ; Angin-koelon of —ba- 
rat, westenwind : Angin toe- 
koes, de eerste noordenwinden 
na den westmoesson, die echter 
niet aanhouden; Angin këlam- 
boe toenggal of mënoenggal, 
doorstaande styve noordenwind; 
Angin eikor doejoeng of 
angin taoen baroe tjina, door- 
staande sterke noordenwind zon- 
der regen ; Angin tofan, orkaan ; 
AnijB^n riboet, storm; Angin 
oelëkan of — poesëran, wer- 



velwind; Chabar- of kabar- 
angin, los gerucht; Tai angin, 
overblyfsel van wind- of regen- 
wolken, praatjes, beuzeltaal, ook 
een parasytische plant (Cassyta 
filiformis) met geneeskrachtige 
eigenschappen ; Mata-angin, 
windstreek; Pokok angin, oor- 
sprong van den wind; de wolk 
waaruit de wind zal waaien; 
Bërangin, wind, tocht of lucht 
hebben, daaraan blootgesteld zijn, 
zich daaraan blootstellen, een 
luchtje scheppen; Mëngangin- 
kën, aan den wind, de tocht of 
lucht blootstellen, in den wind, 
enz. hangen, luchten ; Ka-angin- 
an, aan de werking van den 
wind en de lucht blootgesteld 
geworden, den invloed daarvan 
ondergaan hebben; Balai përa- 
nginan, koepel, lusthuisje. 

Angka, cyfer, teeken, merk, getal- 
merk, nummer; Angkadoea, het 
verdubbelings- of herhalingstee- 
ken; Mëngangka, nommeren, 
van merken voorzien, ook cijfe- 
ren, rekenen en denken, peinzen, 
zich voorstellen (verg. Sangka). 

Angkasa of Akasa, het lucht- 
ruim, de lucht; ook een verge- 
zicht op een begroeid terrein en 
de zielen der afgestorven en, die het 
luchtruim of den hemel bewonen. 

Angkap of Anggap, deftige bui- 
ging; Bërangkap-angkapan of 
bèranggapanggapan, voor 
elkander een buiging maken, ook 
beurtelings, by beurten. 

Angkat, Mëngangkat, opheffen, 
optillen, oplichten, opbeuren, ver- 
heffen tot een waardigheid, op- 
nemen in een familie, roemen, 
prtjzen, ophemelen, lekker ma- 
ken, spijzen opdragen of opdis- 
schen, ook —afnemen, aanheffen 
(van een gezang), steken (van 
een wond, enz.); Mëngang- 
kat anak, tot kind aannemen, 
adopteeren ; Anak angkat, aan- 



20 



ANGK. 



genomen kind; Bapa- en M&'- 
angkat, aangenomen vader en 
moeder; Bërangkat^ vertrekken, 
op reis gaan, zich op weg bege- 
ven, ergens heengaan; Mangkat 
en Mangkat bëradoe, tot de 
vaderen opgaan, ovorlyden, ster- 
ven (van vorstelijke personages) ; 
Angkatan, optocht, marsch, le- 
ger, vloot, reis, reisgezelschap, 
gerecht dat opgedischt wordt, 
draagbaar; Angkatan përang, 
expeditie; Mëngangkat tan- 
gan, de handen opheffen, — in de 
hoogte brengen. 

Angkau (ook Bngkau, dikau en 
kau), pers. voorn w. van den 2en 
pers. : gfl, u jy, jou; Mëngëngkau 
(ook ^Bërëngkau), tutoyeeren, 
met ëngkau bejegenen. 

Angkin (Bat.), buikband van lin- 
nen, zUde of andere stof, die de 
vrouwen dragen om hare beenbe- 
kleeding vast te houden. 

Angkëloeng (Soend. Bat.), in- 
landsch orkest van uit bamboe 
vervaardigde muziekinstrumen- 
ten, ook die instrumenten zelf. 

Angkoeh, trotsch, hooghartig, 
hoogmoedig. 

Angkoep, half ontloken^ knopje, 
kntJpertje, tangetje; Mëngang- 
koep, met een knypertje of tan- 
getje aanvatten, open en dicht 
gaan (van den mond van een 
stervenden visch bijv.); Më- 
ngangkoepkën, iets met de ein- 
den zoodanig bijeenbrengen, dat 
daardoor een soort knijper of tang 
gevormd wordt. 

Angkoes, kornak; Mëngangkoes, 
een olifant drijven, besturen 
mennen. 

Angkoet, Mëngangkoet, opne 
men en wegbrengen, transpor 
teeren, overbrengen; Mëngang- 
koet sarang, het noodige voor 
het maken van een nest bijeen 
brengen; Angkoetan, wat op 
genomen en weggedragen is 



ANGS. 

wordt of moet worden; Pë- 
ngangkoet, degeen, die trans- 
porteert, lastdrager, kruier. 

Angkot, steken, trekken (van een 
zweer). 

Anglo (Chin.), komfoor, test, vuur- 
pot. 

Angloeng(Chin.), prieel, overwulfde 
gang, paviljoen, koepel. 

Angoep (of Angop) (Jav.), geeu- 
wen, gapen. 

Angoes (ook Hangoes), verbrand, 
verzengd, verkoold, aangebrand, 
gejjchroeid, brand ; Mëngangoes- 
kën, iets laten aanbranden, enz. ; 
Roeznah angoes, een brandend, 
verbrand huis; Tongtong a- 
ngoea, brandsignaal (op den 
Tongtong). 

Angoer (Jav. Bat.), liever, liever 
maar, Hever by voorkeur willen, 
beter. 

Angon, Mëngangon (Jav. Bat.), 
weiden, dieren weiden, op ^de 
weide brengen; Mëngangonkën, 
ergens laten weiden ; Pangonan, 
weide, weideplaats; Anak angon 
of Toekang angon, weider, 
jongens of meisjes, die het vee 
weiden, enz. 

Angot (Bat. Jav.), erg, erger wor- 
den, verergeren, opnieuw en in 
ergere mate terugkomen, enz. 
(van een ziekte) ; ook gek, dwaas, 
met molentjes ; Angot-angotan, 
van tijd tot tijd vlagen van krank- 
zinnigheid hebben, met molentjes 
loepen, enz. 

Angsana, Pterocarpus indicus, een 
boom met fraai en sterk hout, enz. 

Angsang (Bat.), kieuw van een 
visch. 

Angsoer (ook ansoer), Më- 
ngangsoer,langzaam,voetje voor 
voetje vooruitgaan, loepen, voort- 
rukken, vorderen (van schulden), 
verminderen; Angsoeran lang- 
zame vooruitgang, paiement, min- 
dering van schuld, wat in min- 
dering eener schuld betaald wordt. 



ANGS. 



ANTI. 



21 



Angsoka, Pavetta indica, heester, 
veel als sierplant in tuinen voor- 
komend. 

Ani (ook Ani-ani), kettingscheer- 
der; Mëngani, de ketting scheren 
(b\j het weven); Pënganian, 
schering (by het weven). 

Ani-ani, padi-snymes; mesje, waar- 
mede de padi aar voor aar ge- 
sneden of geplukt wordt, 

Aniaja (Sk.), onrecht, onrechtma- 
tige, onbillijke handelwijze of 
behandeling, onderdrukking, ver- 
drukking, geweld, mishandeling; 
Mënganiaja, onrechtmatig be- 
handelen, onderdrukken, verdruk- 
ken, mishandelen, onrechtvaardig 
behandelen, onrecht aandoen ; 
Tëraniaja, onrechtvaardig be- 
handeld, onschuldig gestraft of 
verdrukt, mishandeld; Pëngani- 
aja, onderdrukker, verdrukker, 
tyran. 

Anjam, zie onder Anam. 

ADjar (Jav. Soend.), nieuw ; Orang 
anjar, nieuweling, vreemdeling, 
die pas aangekomen is, enz. 

Ad jir (van den reuk of smaak van 
iets), garstig, sterk, tranig, garstig- 
heid, traansmaak, vieze visch- 
smaak of -lucht, enz. 

Anoe, ter aanduiding van iets on- 
bepaalds, iets dat men niet kan 
of wil noemen, zeker iets, zeker 
iemand, enz.; Toean Anoe, de 
heer N.N. 

Anoegëraha (ook Noegëraha), 
gunst, gunstbewijs, geschenk uit 
toegenegenheid; Mënganoegë- 

I rahi of Mënganoegërahaï, be- 
gunstigen, begiftigen met iets; 
Mënganoegërahkën, iets als 
gunstbewijs geven, vereeren, enz. 

Anta (ook Antah), brak, ziltig, zout- 
achtig; Ajer anta, brak water. 

Antah = Cabah (zie dit woord). 
In verbinding met Boejoet (zie 
dit woord) tot Boejoet-antah 
(Bandjerm.) = achter-achterklein- 
kind. 



Antak, Mëngantak, stampen(van 
een schip), huppelen (van een 
paard), steken, pijnlijk trekken 
(van een^ etterbuil, enz. ook 
Mëngëntëk). 

Antam, paren (zie verder E^mtam). 

Antan, stamper (van een vflzel, 
mortier, enz.). 

Antang, een soort mand, ook 
stamper, rijststamper; Mëngan- 
tang, in zulk een mand dragen, 
ook met een stamper lijn maken, 
stampen, enz. 

Antar ,MëngantaF of Mëngantër , 
geschenken aanbieden of zenden 
(voornamelijk van bruidsgeschen- 
ken); Antar-antar, rijststamper, 
ook laadstok, heiblok, aanzetter ; 
Antaran, rolrond stuk hout ter 
lengte van een arm, bij het weven 
in gebruik ; Antar-antaran, wat 
gezonden of aangeboden wordt, 
een soort belasting, ook geschenk, 
bezending, bruidsgeschenk (verg. 
Hantar). 

AntEura, tusschenruimte, tusschen- 
tijd, tusschen, onder; Pada 
antara, onder, tusschen; Pada 
antara manoesia, onder de 
menschen; Mëngantara, tus- 
schen beiden komen, als bemid- 
delaar optreden; Përantara, be- 
noemde of aangewezen scheids- 
man; Pëngantara, vrijwillige 
bemiddelaar; Përantarakn, be- 
middeling; Samantara, in den 
tusschentijd, terwijl, zoolang als. 

Anteh (ook Anti of Antih), Më- 
nganteb, garen spinnen. 

Antëng, zoet, stil, niet dreinig (van 
kinderen). 

Antëp (Bat. Jav.), (ook Antab of 
Antëb), zwaar, wichtig, compact ; 
Tëmbako antëb, zware tabak; 
Anak antëb, een zwaar kind. 

Antero (Port.), geheel, heel, gansch, 
alle, alles, het geheel. 

Anting, Mënganting, naar bene- 
den hangen, afhangen; Batoe 
anting, zware steen aan een 



22 



ANTJ. 



APAB. 



anker om dit naar beneden te 
trekken; Anting-anting, oor- 
hanger, oorbel; Oentan^-anting, 
heen en weder, in alle richtingen 
slingeren, bengelen ; Koentang- 
kanting, in alle richtingen ge- 
slingerd. 

Antjak, kleine vierkante of ronde 
horde van bamboe, ook wel een 
klein vlotje van pisang-stammen, 
waarop offers aan geesten aan- 
geboden worden, hetztj aan den 
oever een er rivier, aan een boom 
gehangen, hetzij op het water 
drijvende; — ook bamboezen 
roosterwerk op staken als droog- 
plaats of -rak;Pingganantjak, 
vergiettest, vischschotel met ga- 
ten ; Mëmboeang antjak, zulk 
een antjak in eene rivier laten 
drijven. 

AntJam,bedreiging;Mëngantjam, 
dreigen (ook mëngantjam-an- 
tjam), Mëngant^ami, bedreigen; 
Mëngantjamken, met iets drei- 
gen, iets (een wapen, enz.), als 
dreig- of bedreigingsmiddel bezi- 
gen, enz.; Pëngantjam, bedrei- 
ger, dreiger; Pëngantjaman; 
bedreiging. 

Antjar (ook Pohon-oepas), Antia- 
ris toxicaria, de beruchte Indische 
giftboom waarvan het doodelyk 
Pijlvergif verkregen wordt. 

An^oek, Mëngantjoek, den bij- 
slaap uitoefenen, bij of met eene 
vrouw slapen, beslapen. 

Antjoer, ontbonden, opgelost, ver- 
teerd (van spiJs), gesmolten, ver- 
brijzeld, aan gruis, vergruisd, 
aan flarden, gebroken in kleine 
stukjes, enz., breken, zich ont- 
binden, oplossen, smelten, verbrij- 
zeld worden, aan gruis vallen, enz. 

Antjol (Bat.), kaap, voorgebergte, 
landtong in zee. 

Antoe (ook Hantoe), spook, booze 
geest die zich onder allerlei vor- 
men voordoet; Bërantoe, een 
boozen geest in zijn dienst hebben, 



door een boozen geest bezeten 
zijn (ook Këna antpe). 

Antoek,vaak, slaap; Mëngantoek, 
slaperig zijn, slaap hebben, dut 
terig; Pëngantoek, slaapkop, 
ook slaapmiddel. 

Antoel, Mëngantoel, terugsprin 
gen, afkaatsen (van een veer- 
krachtig lichaam) ; Antoelan, 
steunpunt, ondersteuning. 

Antoen (Bat.), ingebeelde gek 
kwast, —ook : achter, achtergeble 
ven; Mëngantoen, achterlaten 

Antoep (Jav. Bat.), angel van een 
bij, enz.); Mantoep of mëngan- 
toep, met den angel steken. 

Antok, Mëngantok, tegen iets 
aanstooten, iets aanraken. 

Aoer (ook Aur), gaarkeuken, klaar- 
gemaakt eten; Toekang aoer, 
verkooper, rondventer van gereed 
gemaakte, gekookte eetwaren, 
enz.; Aoer (Soend.) ook Haoer, 
ook naam eener groote bamboe- 
soort. 

Aoes of Aos), dorst, dorstig, dorst 
hebben, dorstig zijn. 

Apa, wat, iets, welk, hetgeen, al 
wat, enz. (dient ook als hulp- 
woord bij vragende zinnen); Tia- 
da apa, niets ; Barang apa het 
een of ander; Sëgala apa, al 
wat; Mëngapa, iets te beteeke- 
nen hebben, van belang zijn, van 
welk^ belang? waarom ? Mënga- 
pakën, iets doen zijn, met iets 
wat doen, enz.; Tiada djoega 
diapakën akoe, men doet mij 
toch niets; Diapakën itoë, 
wat moet daarmede gedaan wor- 
den? Mëngapaï, met iets be- 
handelen; Apa-apa, al wat, 
goederen, eigendommen, bezit- 
tingen, al wat men heeft, al wat 
er is, enz.; Bërapa, hoeveel? 
Siapa (ook Sapa), wie? Maoe 
apa, wat wilt gij, wat is er van 
uw (zijn) verlangen? enz. 

Apabila, wanneer, toen, als, als 
toen. 



APAK. 

Apak (of apëk), muf, duf, vunzig 
(z\jn), mufheid, enz. 

Apakala, wanneer, toen. 

Apalagi, wat nog meer? Hoeveel 
te meer of te minder nog, wat 
nog, wat dan nog, en buitendien, 
bovendien, voorts. 

Apalah (meest verbonden met 
Kiranja tot Apalah kiranja), 
wat? Hoe? Welk? (dient ook tot 
het aangeven van een wensch), 
bljv. Hëndaklah toean kiranja 
(of apalah kiranja) bërsaha- 
bat dëngan hamba, moge het 
U gelieven, vriendschap met my 
te sluiten. 

Apam (of apëm), inlandsche pof- 
fertjes. 

Api, vuur, licht; Elajoe api, brand- 
hout, lucifer; Batoe api, vuur- 
steen; Goenoeng api, vulkaan; 
Boenga- of Këmbang api, vonk, 
vuurwerk, kamervuurwerk; Ka- 
pal api, stoomschip; Këreta api, 
locomotief, spoortrein; Taliapi, 
vuurtouw, lont; Bërapi, vurig, 
brandend, gloeiend zyn, vuur 
vatten, verlicht zön, glimmen; 
Mëngapikën, op het vuur zet- 
ten, aansteken, opsteken, ophit- 
sen; Api-api (Jav.), veinzen, 
huichelen, voorgeven, voorwen- 
den, kwanswijs, anders spreken 
of doen dan men denkt of bedoelt, 
ook vuurvheg, glimworm en (ook 
Kajoe api-api). Avicennia offici- 
nalis, een kleine boom, die goed 
brandhout levert. 

Apioen, opium ; Apioen mëntah, 
ruwe opium; Apioen matëng, 
bereide opium; Pak apioen, 
opiumpacht, opiumpachter; Ma- 
kan-, minoem- of mëngisëp 
apioen (ook n jëret) (Jav.), opium 
rooken, opium schuiven. 

Apik, zindeiyk, rein, net, kiesch, 
kieschkeurig; Mëngapikkën, be- 
langstellen in iets, zich interes- 
seeren voor iets. 

•A^Pit, persing, klemming, geklemd, 



ARA. 



23 



tusschen twee voorwerpen, enz., 
vastgezet of zitten; Mëngapit, 
tusschen twee voorwerpen persen , 
(van twee voorwerpen) links en 
rechts van een ander staan, dit 
in het midden nemen, tusschen 
hen in klemmen of knellen, per- 
sen, enz. ; Apitan, persing, pers, 
wat geperst wordt, en een soort 
damspel; Pëngapit, wie of wat 
perst ; de bruidsjonkers en -meis- 
jes, die aan beide z\iden van 
bruid en bruidegom geplaatst 
worden ; werktuig om te persen 
of knellen, klem, pers, drukpers, 
ook: een vingergreep (byv. een 
snuifje); Apitan minjak, olie- 
pers; Apit- apitan, gepers, ge- 
drang; Apit-apit, aan weers- 
zoden van iets; ApitofBoelan 
Apit, ook Dzoelkaïdah, de elfde 
maand van het Mohammedaan- 
sche jaar. 

Apoeng, levenloos voorwerp, dat 
op het water drijft, dobber; Më- 
ngapoeng,zich als zoodanig voor- 
doen, als zoodanig op het water 
drijven; Mëngapoengkën, iets 
als dobber gebruiken, — van een 
dobber voorzien ; Tërapoeng- 
apoeng, dobberen (van een vaar- 
tuig, enz). 

Apoes (Jav. Bat.), teugel, leidsel; 
MëngapoesiofMëngapoeskën, 
een teugel aandoen, beteugelen. 

Apoes (Jav. Bat.), bedrog, fopperfl ; 
Mëngapoes, bedriegen, foppen; 
Mëngapoesi, iemand bedriegen; 
Mëngapoeskën, iemand met 
iets bedriegen, foppen, enz. 

Apoes, weg, niet meer bestaand, 
verdelgd, weggevaagd, kwijtge- 
scholden, verdwenen, uitgewischt; 
Mëngapoes, verdelgen, vernie- 
tigen, uitwisschen, uitdejgen, uit- 
vegen, kwijtschelden, opheffen, 
afschaffen; Mëngapoeskën, iets 
verdelgen, vernietigen, opheffen, 
kwijtschelden, afschaffen, enz. 

Ara-ara (Jav. Bat.), onbebouwd 



24 



ARAB. 



ARON. 



terrein, onbebouwde vlakte, wil- 
dernis. 

Arab, arabisch, arabier; Orang 
arab, arabier, arabische vrouw; 
Koeda arab, arabisch paard. 

Arah, hoop, verwachting, ook 
richting, koers, strekking, streek, 
streven, doel (ook Ara) vygeboom 
— Boeah arah, v^g; Mëngarab, 
naar iets streven, z\)n hoop op iets 
stellen; Mëngarabkën, aan iets 
een richting geven of aanwezen, 
iets in eene richting brengen, 
(van arbeiders) aan het werk stel- 
len, ook zich iets ten doel stellen, 
zijne verwachting op iets gron- 
den, enz. 

Arak, arak, een sterke drank; 
Përarakan, arakstokertj. 

Arak, (ook Arak-arakan), statige 
optocht of rondgang (meestal bt) 
bruiloften), al wat daarby open- 
lijk wordt medegevoerd en ver- 
toond; Mëngarak, in statigen 
optocht rondvoeren; Përarakan, 
statige rondgang, optocht, enz.; 
Pëngarak-an^n, statig yoorb\j- 
dryvende wolken. 

Aral, beletsel, verhindering. 

Aram, (ook Aram-aram), bladeren 
takken enz., die gebezigd wor- 
den om een lek in een dam of 
leiding etc. te stoppen, ook hooge 
ladder of stelling (zooals by het 
bouwen) ; Mëngaram, iemand in 
het oog houden, zUnehandelingen 
nagaan, controleeren. 

Aranjr (ook Arëng), houtskool; 
Areng batoe, steenkool ; Kajoe 
arang,jebbenhout; Përarangan 
ook Pëngarëngan, kolenbran- 
derU. 

Aras (Tamiang en Perlak), stroom- 
versnelling in een rivier. 

Aren, de suikerpalm, Arenga sac- 
charifera, waarvan de palmwyn 
enz. verkregen wordt. 

Arep (zie ook Harëp), wil, wensch, 
hoop, verlangen, willen, hopen, 
wenschen, beoogen, enz. 



Arga (ook Harga of Rega), prijs, 
waarde; Bërharga, waarde heb- 
ben, van waarde; Mëngargakën, 
den prijs van iets bepalen, prijs 
op iets stellen; Arga mati, vaste, 
bepaalde prijs. 

Ari (ook Ari-ari), gedeelte vian 
den buik tusschen den navel en 
de schaamdeelen, de onderbuik, 
de liezen en de navel zelf; ook 
de nageboorte of placenta; Tali- 
ari-ari, de navelstreng; Ari 
ook = Adik. 

Aria, (scheepsterm), laat los! los; 
vieren, neerhalen, ook een adellijk 
ambtspredicaat, dat soms aan 
verdienstelijke inlandsche hoof- 
den wordt verleend (Jav. Soend.). 

Arif, verstandig, wijs, geleerd, goed 
onderwezen, welopgevoed, scherp- 
zinnig (meervoud Arifin). 

Aris, aangezette zoom, stootkant, 
oplegsel; Djaring bërariskën 
rotan, een net met een zoom 
van rotting; Tali-aris, touw langs 
den rand van een zeil genaaid. 

Arit (Jav.), grasmes, sikkelvormig 
snijmes; Mëngarit, met zulk een 
mes gras enz. snijden; Mëngarit- 
kën, met zulk een mes voor een 
paard enz. grassntjden, ook voor 
(in de plaats van) iemand anders 
grassnjjden, enz. 

Arkian (ook Arkiën), daarna, ver- 
volgens, wijders, voorts, enz. 
(gewoonlijk in samenstelling met 
maka tot Arkian maka). 

Aroem (Jav. Bat. Soend.), welrie- 
kend, geurig. 

Aroeng (van de leest), tenger,8lank, 
(ook ramping); Mëngaroeng, 
waden, doorwaden; Aroeng- 
aroengan, doorwaadbare plaats. 

Aroes, stroom, strooming, ook 
geoorloofd, behoorlijk, moeten, 
behooren, (zie ook Haroes), iron. 
ook: verdiend loon, verdiend loon 
krijgen, enz. 

Aron, halfgaar gekookte rijst; 
Mëngaron of Mengaroni, half- 



ARSJ. 

gaar gekookte r\jst uit de Koe- 
koesan halen en onder begieting 
met een weinig kokend water 
omroeren, en ze daarna in de 
Koekoesan verder gaar te stoo- 
men; Aronan, aldus behandelde- 
halfgare ryst; Pëngaron, of Pë- 
ngaronan de bak, waarin het 
omroeren geschiedt. 

Atbj (Ar.), troon (inz. van Allah). 

Arta (ook Harta), goed, goederen, 
rykdom, bezittingen, schatten, 
geld; Arta bënda, goederen, 
have en goed, al iemands bezit- 
tingen; Arta poesaka, erfgoe- 
deren ; Artawan, gegoed, ryk zyn. 

Artal (of Etal), geel orpiment, 
geel smeersel. 

Arti (ook Brti), zin, beteekenis, 
geest, meening,begrip,beduidenis ; 
ArtiDja, de beteekenis, de zin 
van iets, wel te verstaan; Më- 
ngërti, den zin van iets vatten, 
begrijpen, vatten, verstaan ; 
Orang arti of — mëngarti, een 
schrander mensch ; een bevatte- 
lyk, verstandig, geleerd mensch, 
die veel weet; Bërarti, met be- 
teekenis, een beteekenis hebben; 
Tiada bërarti, onzin, zonder 
beteekenis; Sa'ërti, gelyk van 
zin, van dezelfde beteekenis. 

Artja (Sk.), beeld, afgodsbeeld (voor- 
namelijk uit den Hindoetyd), ook 
de beeldjes, die op de Chineesche 
graven geplaatst worden. 

Arwah (ook SJaban, Saban of 
Roe'wah), de achtste maand van 
het Mohammedaansche jaar; de 
maand der vereering der zielen 
der afgestorvenen, waarin de gra- 
ven en begraafplaatsen worden 
schoongemaakt. 

Asa, hoop, verlangen ; Bërasa, met 
hoop vervuld; Mëngasa, hopen, 
verlangen; Mëngasakën, naar 
iets verlangen, op iets hopen. 

Asabat, spier. 

Asali, Mëngasah, sltJpen, wetten, 
scherp maken, aanzetten op een 



ASAR. 



25 



wryfsteen, enz. fip. ook bescha- 
ven, polijsten; Mengasah gigi, 
de tanden afsliJpen of vijlen; 
Batoe pëngasah, slijpsteen. 

Asak, Mengasak, aanzetten, aan- 
stampen, volstoppen, verdrukken, 
verdringen; Pëngasak, stamper, 
laadstok. 

Asal (Ar.), oorsprong, herkomst, af- 
komst, stam, geslacht, adel, aan- 
zien, grond, grondslag, beginsel, 
enz. ook mits, onder voorwaarde 
dat, als maar, als maar niet, zoo 
maar, enz.; Asaloesoel, her- 
komst, afkomst, afstamming; 
Bërasal, van goede afkomst zijn, 
tot een oud adellijk geslacht be- 
hooren, van adel ziJn, (ook Atzal). 

Asam (of asem, ookmasëm) , zuur, 
zuurachtig, ook naam vart ver- 
scheidene zure of zoetzure vruch- 
ten dragende boomen, waaronder 
de bekende Tamarinde; Asem 
djawa of Asem manis, ook 
Asem kërandji, (Tamarindus 
indica); Asem djawa of -— Kë 
randji. Dialium indum, enz.; 
Mëngasam, met iets zuurs in- 
wrijven; Asem-asëman, al wat 
zuur smaakt ; Bëkasëm, een ge- 
recht van ingelegde visch, enz.; 
Sajoer asem, met tamarinde 
zuurgemaakte groente (soep) als 
biJgerecht bij de rijst; Moeka 
asem, een zuur, stuursch, norsch 
gezicht. ^ 

Asap (asëp), rook, smook, damp, 
stoom, walm, wasem ; Bërasap, 
roeken, rook geveuy enz.; Më- 
Dgasap, roeken, berooken, in den 
rook houden, aan rook blootstel- 
len, (biJv. visch); Kapal-asëp, 
stoomschip ; Këreta-asep, spoor- 
trein, locomotief; Pësawat-asëp, 
stoommachine; Bintang bëra- 
sëp^ (ook Bintang bërkotek, 
— bërekor), komeet; Përasë- 
pan, rookvat, rookpan, rookhuis, 
rookkamer. 

Asar (Ar.), namiddag, achtermid- 



26 



ASIA. 



dag, ongeveer half vier a vier uur ; 
Waktoe ajsar, ttJd voor het 
middaggebed, (ook Atsar). 

Asian (Bat.) of Asihan), gelukkig, 
gunstig werkend, zegenryk, ook 
zich ergens goed bevinden, ergens 
kunnen aarden, enz.; Obat tiada 
asian, medicyn, die niet helpt; 
Makanan tiada asian, eten, 
dat slecht bekomt; Tiada asian 
tinggal di Bogor, te Buitenzorg 
niet kunnen aarden; Tiada asian 
miara andjing, geen honden er 
op na kunnen houden, niet ge- 
lukkig ztjn met honden, doordat zy 
ziek worden of spoedig dood gaan. 

Asin, zout, brak, ziltig, zoutachtig, 
zout van smaak (ook masin); 
Bèrasin, met zout bedekt, zout 
bevatten; Mëngasin of me- 
ngasinken, inzouten, pekelen, in 
het zout leggen, in den pekel 
zetten, inmaken; Asin-asinan, 
wat ingezouten Is. 

Asing, vreemd, afgezonderd, uit- 
heemsch, vreemdsoortig, afzon- 
derlijk, ander, niet tot iets be- 
h oorend; Nëgëri asing, vreemd 
land ; Orang asing^ vreemdeling; 
Mêngasingkën, afzonderen, als 
vreemd beschouwen;Mëngasing- 
kën diri, zich afzonderen. 

Asjik (Ar.), sterk verlangen, be- 
geerig, ook verliefd. 

Asli, afkomst, herkomst (zie ook 
Asal), ook: van adel, oorspron- 
kelijk. 

Asmara (Sk.), de god der liefde, ook 
liefde, vleescheltjke liefde; Ka'- 
asmaran, verliefd, dol verliefd. 

Asoe (Jav.) hond (als scheldwoord). 

Asoed, zwart; Hadjar'oelasoed, 
de zwarte steen. 

Asoeh, Mëngasoeb (ook mënga- 
soh), oppassen, verzorgen, waken, 
over (een klein kind btJv.);Pënga- 
soeh, oppasser, voedster, verzorg- 
ster, kindermeid enz.; Inang- 
pëngasoeh, verzorgster, voed- 
ster (van vorstelijke kinderen). 



ATAS. 

Asoet, zwart, bont; Mëngasoet, 
kwaadstoken, opruien, ook zwart, 
bont maken; Mëngasoetkën, 
iemand zwart maken, bekladden; 
Pëngasoet, kwaadstoker, op- 
ruier; Asoetan, kwaadstokerü, 
zwartmakerij, opruiery (verg. 
Asoed). 

Asta (ook Hasta) elleboogslengte, 
de lengte van den top van den 
middelvinger tot aan het elle- 
boogsgewricht; Mëngasta, met 
die maat meten, uitmeten. 

A8tag*fir'oellah (of Astaga'flr- 
lah I), G-od beware ! God vergeve 
me! Grod help mei enz. (uitroep 
van verbazing). 

Astaka, stoep, pui, balkon, ook 
voorgevel, front en tijdelijke 
troon biJ een kroning. 

Astana (Sk.), paleis, vorstelijk ver- 
blijf, ook grafstede van vorstelijke 
of heiligverklaarde personen,mau- 
soleum; Isi astana, hof, hofhou- 
ding, allen, die daartoe behooren. 

Atal, naam van een boom, die 
gom geeft welke in de inlandsche 
geneeskunde dient, zie Artal. 

Atap (of atëp), dek, dekking, dak, 
ook de daartoe gebezigde, aan 
stokjes bevestigde alang-alang-, 
kirai-, nipah- en andere blade- 
ren; Atap papan (of sirap), 
kleine platte plankjes van be- 
paalden vorm tot dakbedekking ; 
Atap batoe (ook gëndeng of 
gënteng), gebrande dakpannen, 
ook leien; Mëngatap of më* 
ngatapkën, van een dak voor- 
zien, een dak geven, enz. 

Atas, boven, bovenste, boveneinde, 
bovenkant, bovenop, ook ter ver- 
antwoording van, ten laste van, 
enz.; Di atas, boven, boven op; 
Atas angin of di atas angin, 
boven den wind, te loevert; Di 
atas goenoeng, op den berg, 
in het gebergte; Atas saia, voor 
miJne rekening, op mijne verant- 
woording, enz. ook. wat mij be- 



ATAU. 



ATOE. 



27 



treft, aangaat, te mynen opzichte, 
voor my. Mëngratas, naar boven 
streven, (gaan), zich verheffen, in de 
hoogte vliegen, (gaan); Mèn^a- 
taskën, verheffen, naar boven 
brengen, in de hoogte doen gaan, 
opheffen; Tëratas, hoogst, aller- 
hoogst; Në^ëri (of Tanah) di 
atas an^n, de landen boven den 
wind, ~ te loevert ; Bëratas- 
atasan, onderhng om de over- 
hand streden, — elkander een 
vlieg trachten af te vangen. 

Atau (ook atawa, oetawa), of, 
ook^ en.^ 

Atjah, Mëngatjah, in schyniets 
doen, om later te veranderen, 
(iets anders te doen). 

Atjang, boodschappen, verklikken, 
aanbrengen; Atjang atjang:, b;] 
de hand, van alle markten thuis 
zijn. 

Atjap, tot aan het eind in iets 
stekend, ook overstroomd, onder 
water geloopen, — voorts: veel, 
dikwerf, gezwind, vlug, vurig 
(zooals het loopen van een haan 
om een kip in te halen) ; Atjap- 
kali, dikwyls, vaak, meermalen; 
Mëngatjap of mëngatjap- 
atjap, ^bespoedigen, versnellen, 
enz.; Mënga^apkën, iets geheel, 
tot aan het eind ergens insteken ; 
Mëngatjapi, overstroomen (büv. 
een landstreek door het water 
een er rivier). 

Atjar, ingelegd zuur, (zoowel van 
groenten als van vleesch of visch) ; 
Atjar-ikan, visch in het zuur; 
AtJar tjampoer-adoek, ge- 
mengd zuur van allerlei groenten ; 
Mëngatjar, bezig ztjn met atjar 
te maken; MëngatJ arken, iets 
in zuur inmaken. 

Atjara, zaak, kwestie, rechtszaak, 
geding, pleidooi, ook: staatsie, 
praal (zie Oepatjara); Hari 
atjara, rechtsdag; Mëngatjara, 
berechten, uitspraak doen; Më- 
ngatjarakën, in proces gooien, 



tot een o zaak maken, in rechten 
betrekken, vervolgen; Mënga- 
tjaral, iemand in rechten be- 
trekken, een proces aandoen; 
Pëngatjara, pleitbezorger, advo- 
caat, procureur. 

Atji, mogelijk, wellicht, by geval, 
zal het zoo zyn ? is het zoo ? is 't 
goed zoo? Mëngatjikën, er in 
toestemmen dat iets gebeurt; 
doen gebeuren. 

Atjoe, Mëngatjoe of mëngatjoe- 
atjoe, dreigen, met den vinger 
dreigen (ook met een wapen, enz.) 
vergelijken, tegen elkander hon 
den om te vergelijken ; Atjoean 
model. 

Atjoem, Mëngatjoem, iemand hei 
melijk tegen een ander opstoken 
aanhitsen, verbitterd maken. 

Atjo (Bat.), geklets, geleuter, geza- 
nik ; Mëngatjo, onzin praten, on 
wijs babbelen, kletsen, zaniken, 

Atma, ziel (van een doode, die, 
naar geloofd wordt, in een ander 
lichaam kan varen). 

Atoeng, Mëngatoeng, (van een 
vhnder) fladderen, (op het water) 
dobberen (van menschen), wan- 
kelen, in onzekerheid verkeeren, 
aarzelen, wankelmoedig zijn ; 
Oedang-atoeng, steurkrab. 

Atoer, rangschikking, orde, volg- 
orde, regel, regeUng ; Mëngatoer, 
rangschikken, ordenen, regelen, 
in orde brengen, beredderen, scha- 
ren, (een spel) opzetten, ook ver- 
klaren, aanbieden, ojerzenden ; 
(mëngatoerkënofmëngatoeri) 
Bëratoer, in rangschikking, de 
een na of naast den ander, in gelid, 
in geregelde orde staan, enz.; 
Atoeran, rangschikking, scha- 
ring, opzetting, regehng, bered- 
dering, ook voordracht, getuige- 
nis,verklaring; Dëngan atoeran, 
geregeld, ordelijk, zooals het be- 
hoort, betamelijk, welvoegelijk, 
enz.; Mëngatoer hoeroef, let- 
terzetten. 



28 



AWAI. 



Awai, wuiven; Mëngawai, mot 

de hand wuiven (b^v. om iemand 
te roepen). 

Awak, lichaam, persoon, beman- 
ning, volk, bevolking; A-wak 
përaoe, scheepsromp, ook be- 
manning van het schip; Avreïk. 
nëgëri, volk, bevolking, ingeze- 
tenen; Bërawak, bemand zyn, 
ook jegens een ander awak 
zeggen, d. i. hem in den 3en per- 
soon aanspreken, of van zich zelf 
tegenover hem awak bezigen, 
enz. (meestal wordt hierbU ter 
aanduiding van den len, 2ön of 
3en pers. —koe, —moe, of 
—n ja, aan dit awak toegevoegd). 

Awal (Ar.), begin, aanvang, oor- 
sprong; Awal moela, van den 
beginne af. 

Awan, wolk, lofwerk, krullen in 
letters, enz. ; Bërawan, bewolkt 
zvjn; Mëngawan, naar de wol- 
ken, in de hoogte gaan. 

Awang, jongetje, kereltje, knaapje, 
ook vriend, makker. 

Awang-awang, uitspansel, hemel, 
firmament. 



BABA. 

Awar, algemeen heerschende ziek- 
te, epidemie; ook (Awar-awar), 
schatten, waardeeren, taxeeren; 
Awar-awar, Ficus septica, een 
boom, waarvan de fijngekorven 
bladeren met opium vermengd 
by wijze van tabak gerookt wor- 
den, en die geneeskundige eigen- 
schappen heeft. 

Awas, scherpziend, oplettend, voor- 
zichtig, ook scherp zien, scherp 
toekijken, voorzichtig handelen, 
oplettend ziJn, voorzichtigheid, 
oplettendheid; Mëngawaskën, 
mëngawasin of awasin (Bat.), 
scherp toezien, sterk aankyken, 
nauwlettend gadeslaan, goed be- 
kijken; Awas, Jang awast 
Voorzichtig, let goed op! Kyk 
goed uit! 

Awet (Jav.), duurzaam, lang van 
duur, lang goed blyvend, niet 
spoedig op of versleten; Awet 
moeda, lang jong biyven. 

Azimat (Ar.) = Djimat (zie aldaar); 

Azza (Ar.), uitstekend, uitmun- 
tend; Azzawa djalla, de groote 
en machtige(van Allah gesproken). 



B. 



Bab(Ar.), hoofdstuk, artikel, catego- 
rie, ^oort, deur, ook : geval, zaak ; 
Dalem përkara ini ada doea 
bab, jang tiada tërang, in dit 
geding zyn twee zaken, die niet 
bewezen zUn, enz. 

Baba (ook Babab), afstammeling 
van een chineeschen vader en een 
inlandsche moeder, inboorling van 
Chineesche afkomst; ook bena- 
ming van gegoede(?) inlanders te 
Batavia. 

Babad (Jav. Bat. Soend.), de pens, 
boekpens (van een dier), ook kro- 
niek, geschiedkundig geschrift 
uit den ouden tyd, geschiedenis. 

Babad-Ambadad (Jav. Bat. 



Soend.), een bosch enz. rooien, de 
boomen daarin vellen, ook een erf 
enz. van onkruid zuiveren, door 
dit weg te kappen of te snijden ; 
Ambabadi of ambabati, het 
onkruid enz, wegkappen. 

Babak, stuk, bedryf, spel (van 
rondgaande muzikanten, enz.); 
Topeng bakakan, rondreizende 
inlandsche straat-comedianten. 

Babakan (Bat.), schors, bast; Ba- 
bakan asëm^ schors, bast van 
den tamarindeboom. 

Babang, wjjd (van een opening), 
gapend(van een wond); Loekanja 
babang, het is (was) een gapende 
wond; de wond gaapt, enz. 



BABA. 



BADJ. 



29 



Babal (Jav. Bat.), jonge, pas ge- 
vormde vrucht van den nangka, 
ook de jonge nog niet harde 
schaal eener jonge kokosnoot 

Babar (ook Beber), plat, geplet, 
uitgespreid, ontrold, enz.; Babar 
(Jav. Bat.), ook het te voorschijn 
komen van een kind, het geboren 
worden daarvan by de bevalling, 
de^ bevalling; Mëmbabar (ook 
mëmbeber), uitspreiden, ontrol- 
len, een zeil by zetten; Kèbaba- 
ran, op heeter daad betrapt 
worden. 

Babas, door stroom en wind af- 
dreven (van een vaartuig), aan 
flarden scheuren (van een zeil), uit 
elkander gedreven (van een leger). 

Babat, op elkander gelijken, een 
paar vormen, enz. ; Sababat, een 
paar, een span (zie ook Babad). 

Babi, varken, zwyn; Babi oetan, 
wild zwyn; Babi roesa hert- 
zwyn; Babi tanab, aardvarken 
(sus vittatus); Babi doejoeng 
of Doejoeng, zeekalf of zeevar- 
ken; Bintang babi, de planeet 
Venus; Sa wan-babi, vallende 
ziekte; Babipanggangan,speen- 
varken; Babi panggang, gebra- 
den speenvarken ; Daging babi, 
varkensvleesch ; Mëmbabi boe- 
ta, doen als een blind zwyn, d. i. 
blindelings te werk gaan, voort- 
schieten, enz. 

Babit, Mëmbabit, iemand of iets 
in eene zaak halen, betrekken, 
wikkelen. 

Baboe (Jav. Bat.), meid, dienstmeid, 
kindermeid; Baboe soesoe of 
Baboe tetek, min, zoogster. 

Baboer (zie ook Lamoer), slecht 
van gezicht. 

Babon (Jav. Bat.), hen, volwassen 
kip, legkip, klokhen; (by het spel) 
kapitaal, beginkapitaal; ook be- 
gin, oorsprong, enz. 

Badsik, rhinoceros; Badak ga- 
djah, eenhoornige rhinoceros ; 
Badak kërbau, tweehoornige 



rhinoceros; TJoela badak, hoorn 
van een rhinoceros; Lidah ba- 
dak, opuntia cochinillifera, een 
heester, veel aangekweekt voor 
de cochenilleccultuur. 

Badjim (ook Sakit Badam of 
Pënjakit badam), roode plek- 
ken op het lichaam, de lepra in 
het eerste stadium, ook (Perz.) 
amandel. 

Badan, lichaam, romp, gedeelte 
van het lichaam zonder hoofd, 
armen en beenen; Bërbadan, 
een lichaam, een vorm hebben. 

Badati (Har.), te zamen bijeen- 
brengen, pondspondsgewysbydra- 
gen (bijv. tot betaling der kosten 
van een openbaar gebouw, enz.). 

Bade, gissen, raden, vermoeden, 
veronderstellen. 

Bade (ook Badik of Badebade), 
een kort dolkmes met een snede. 

Badlak (Jav. Bat.), (ook Badjag, 
Perampok di laoet), zeeroover; 
Mëmbadjak, zeeroof plegen. 

Badjak, ploeg, het ploegen ; Mata 
badjak, ploegschaar, ploegyzer; 
Tiang badjak, ploegijzerbeen ; 
Soengkal badjak, str^jkbord 
aan een ploeg ; Gandar badjak, 
ploegstaart; Mëmbadjak, ploe- 
gen. (Zie verder Wëloekoe). 

Badjang, een soort geest, dwerg, 
kabouter, aardmannetje, ook (by 
timmerlieden) zwaluwstaart en 
stelten; Gelang badjang, een 
armband van garen ter bezwering 
van vorenbedoelden geest; Ba- 
djang-badjang, chysopogon aci- 
culatus, een zeer lastig gras, 
omdat de zaadpluizen er van 
zich aan de kleederen vastzetten. 

Badji, keg, wig. 

Badjik = Balk, (zie aldaar); Kaba- 
djikan, deugd, weldaad, welzyn, 
welvaren; Djalan kabadjikan, 
pad der deugd; Bërboeat 
kabadjikan, weldoen; Kabadji- 
kan nëgëri, het welzijn, wel- 
varen van het land, enz. 



30 



BADJ. 



BAGO. 



Badjiug (Jav. Bat.), eekhoorn. 

Badjoe, kleedingstuk tot dekking 
van het bovenlyf, een soort kiel, 
jak of kort gesloten jasje ; Badjoe 
koeroeng, geheel gesloten nauw- 
sluitende badjoe ; Badjoebëlah 
dada, idem, op de borst open; 
Badjoe sërodja, idem, met een 
geplooiden of gevouwen hals- 
kraag; Badjoe takiva, nauw- 
sluitend buis, dat tot op de heu- 
pen reikt; Badjoe mëskat, een 
soort van borstrok; Badjoe 
pokok, een gesloten vest zonder 
mouwen; Badjoe ajah, een 
vest met korte mouwen ; Badjoe 
saja', een lange badjoe met aan 
de polsen nauwsluitende armen 
(vrouwendracht); Badjoe kadja- 
Pi, een lange badjoe met lange 
wyde mouwen; Badjoe dalem, 
onderhuis; Badjoe Joear, bo- 
venkleed; Badjoe bèsi, harnas; 
Badjoe rante, mahënkolder ; 
Badjoe panas, flanellen of wol- 
len buis, enz.; Bèrbadjoe, een 
badjoe aanhebben. 

Badjoel (Jav.), jong van een kaai- 
man, ook kaaiman, alhgator. 

Badoet (Jav.) (ook Banjol), pot- 
senmaker, nar, clown, grappen- 
maker, komiek (in de inlandsche 
schouwspelen). 

Badong (Jav.),. borstplaat, ring- 
kraag^ ook buikband, buikgordel 
(zie Bedong), ook de metalen vleu- 
gelvormige versierselen, die aan 
het achterhoofd en bfl de ooren ge- 
dragen worden bt) vertooningen 
van den Wajangorang, enz. 

Bagai, onderdeel, soort, aard, 
klasse, w^jze; Sabagai poela, 
voorts, wijders, zoo ook; Bagai- 
bagai, verschillende, verschei- 
dene, allerhande, allerlei; Bër- 
bagai, in soorten; Sabagai, 
evenals, zooals het behoort, ter 
dege, duchtig; Mëmoekoel, 
sabagai poekoel, duchtig, ter 
dege afrossen; Bagaixnana, als, 



geltjk als, zooals,^ hoedanig, jop 
welke w\jze; Mëmbagaikën, 
naar verkiezing met iets doen 
wat men wil, iets naar willekeur 
behandelen. 

Bagai, bloemstengel van de cocos- 
noot. 

Bagan, ruwe schets, ontwerp, 
platte grond, omtrek, tjjdeHjk ge- 
bouw, halte, rustplaats, bivouac ; 
Bërbagan, zich tydeiyk ergens 
bevinden, op bivouac zyn; Mem- 
bagan, iets ruw schetsen, ont- 
werpen, de omtrekken van iets 
af- of uitzetten of afbakenen. 

Bagas, grof gebouwd, gespierd, 
robust, (van den wind) sterk, ge- 
stadig, enz. 

Bagawan (Jav.), eerwaardig, hei- 
lige, achtbaar, aanbiddelyk ; bena- 
ming van vorsteiyke en heilige 
asceten. 

Bagea (Mol.), koekjes van sagoe 
met kanari, of van sagoe alleen 
bereid. 

Bagi, voor, ten nutte van, ten 
gebruike van; Sëgala poedji 
bagi Allah, alle lof zy (voor, aan) 
God; Ada bagikoe doea 
soedara, ik heb twee broeders 
(zusters) ; Adakah bagimoe 
bapa? Hebt gy een vader? (Zie 
verder: Bahagi). 

Baginda, z\jne (hare) gelukzalig- 
heid, een titel, die in het gewone 
leven alleen aan een regeerenden 
vorst gegeven wordt, en dus 
overeenkomt met ons „Z^jne 
(Hare) Majesteit^', „Sire^'. 

Bagini, zoo, aldus, dus, op deze 
wijze. 

Bagitoe, zoo, aldus, dus, op die 
wijze; Bagini-bagitoe, zus en 
zoo; dus doende, zoo handelende, 
enz. 

Bagoe, Gnetum gnemon, een boom, 
van welks bast sterk touw wordt 
geslagen. 

Bagoer (ook DJagoer) (Jav. Bat.), 
van buitengewone maar gepro- 



BAGO. 



BAIK. 



31 



portioneerde lengte (van men- 

' schen en dieren). 

Bagoes, mooi, schoon, fraai, lief, 
lieftallig, aanminnig, schoonheid, 
fraaiheid, lieftalligheid; Sakit 
bagoes of Babagoesan, maze- 
len, ook de pokken; Roemah 
bagoes, een mooi huis ; Përam- 
poean bagoes, ook — ajoe (Jav.), 
een schoone, lieftallige vrouw, 
enz. ; Bërbagoesan, mooi opge- 
schikt, zich opdirken, mooi maken, 
mooi voordoen ; Mèmbagoes- 
kën, mooi maken, verfraaien. 

Bagral (Ar.), muilezel. 

Bahagi (ook Bagi), deel, onderdeel, 
gedeelte; Sabahagi lagi, ander- 
deels, ten andere, voorts, wüders ; 
Tërbahagi, verdeeld ; Bërba- 
hagi, verdeeld zijn, deelen (onder 
elkander); Mëmbahagi, deelen, 
verdeelen, (by het kaartspel) ge- 
ven ; Bahagian, deel, onderdeel, 
vrat door deeling verkregen wordt ; 
Bahagian tanah, gedeelte van 
een land afdeehng; Bahagian 
pamërentahan, bestuursafdee- 
ling, departement, ministerie ; 
Pëmbahagi, deeler, gever; Për- 
bahagian, deehng, verdeeling. 

Bahagia (ook Bagla), geluk, heil, 
gelukkig. 

Bahaja, gevaar, nood, ongeluk, 
(ook Mara bahaja) ; Bërbahaja, 
gevaarlijk, in gevaar zijn; Mëm- 
bëri bahaja, in gevaar brengen, 
gevaar veroorzaken, gevaarlyk 
zyn. 

Baham (ook Ba'am), kaak, kies 
van verstand; Mëmbaham, (van 
menschen) kauwen met gesloten 
mond (van koeien enz), herkau- 
wen, langzaam eten. 

Bahana, geluid, klank, stem, na- 
galm, echo, geraas ; Bërbahana, 
klinken, weerklinken, nagalmen, 
geraas-, geweld maken; Më- 
ngamboerkën bahana, destem, 
verheffen, schreeuwen, gillen. 

oahar, een groote plas water. 



groote rivier, zee, meer; Akar 
bahar, een zeegewas, (zie Akar) ; 
Bahar, ook uitmunten in schoon- 
heid enz. 

Bahara (ook Bahari), schoon, vol- 
maakt, beschaafd, schoonheid, 
volmaaktheid, beschaafdheid. 

Baharoe (ook Baroe), nieuw, 
versch, nieuweling, pas, zooeven, 
onlangs; Taoen baroe, nieuw 
jaar; Orang baroe, nieuweling, 
baar. 

Bahasa, taal, spraak, woord, uit- 
drukking, ook toon, manier, enz.; 
Bahasa dalem, hoftaal; Baha- 
sa aloes, beschaafde, gekuischte 
taal; Bahasa saharihari, dage- 
lyksche omgangstaal: Bahasa 
katjoekan, taal met vreemden 
tongval; Bahasa tjampoer-ba- 
oer, gemengde, conventioneele 
taal; Taoe bahasa, goede ma- 
nieren kennen, hebben, zich be- 
hoorlök, fatsoenlek uitdrukken; 
Mëlangkah bahasa, tegen den 
goeden^toon handelen; Mëmba- 
hasakën, in eene taal uitdruk- 
ken, overbrengen, vertalen ; Për- 
bahasa ook Përbahasa&n: 
spreekwijze, gezegde, spreek- 
woord. 

Bahkan (ook Behkan), ja, zoo is 
het, zeker, ja zeker, enz. 

Bahla (of bahala), ongeluk. 

Bahoe, schouder, (zie ook Poen- 
dak). 

Bahoewa (ook Bahwa), waarlyk, 
wezenlijk, voorwaar, inderdaad, 
dat, enz.; Dëngan sabahoe* 
wanja, ter dege. 

Bahtëra, vaartuig, schuit enz. 

Baïk, goed, wel, degelijk, deugde- 
lijk, deugdzaam, duurzaam, in 
orde, braaf, welvarend, gezond, 
gaaf, goedschiks, ook maar, het- 
zij... hetzij, ©nz.; Orang biUk, 
een goed, deugdzaam, ook min- 
zaam mensch, enz.; Dëngan 
balk, goedschiks, enz.; Balk 
orang, baïk setan, hetzij mensc|i 



32 



BAIT. 



BAKA. 



hotzy duivel; Sabaïk-baik of 
sabalk-balknja zoo goed mo- 
gelijk, hoe goed ook; Balk-balk, 
pas goed op, let wel op, voor- 
zichtig! Mëmbaiki, verbeteren, 
repareeren, zich opdirken, ook 
iemand goed doen, weldoen, het 
met iemand weder goed maken; 
Mëmbaikkën, goed doen, — 
maken, — zfln, iets verbeteren, 
herstellen, repareeren, enz.; (zie 
ook Bènar); Kasi balk (Sap. of 
Amb.) = vergunning verleenen, 
verlof geven, toestaan. 

Balt (Ar.), huis; Baït'oelharam, 
het heilige huis, de tempel te 
Mekka ; Bait'oelmal, de moskee- 
kas, de schatkist. 

Baja, slag, soort; Sabaja, van de- 
zelfde soort, —slag, —denzelfden 
leeftyd. 

Bajak, onevenredig dik van lichaam 
(byv. van een hoog zwangere 
vrouw). 

Bajam (ook Bajëm), spjnasieach- 
tige plantensoort ;Bajëmdoeri, 
Amarantus spinosus: Bajëm 
bësar, Cladostachys frutescens; 
BaJëm bëtoel, Amarantus retro- 
flexes ; Bajëm ekor koetjing, 
Celosia cristata; Bajëm merah, 
Amarantusmelancholicus;Badëm 
sajoer, Amarantus oleraceus; 
Bajëm sëlasi, Amarantus pani- 
culatus; Bajëm toer, Chenopo- 
dium fihcifolium; alle van de 
natuurlyke familie der Amaran- 
taceae en eenjarige gewassen, 
die meerendeels eetbare bladeren^ 
geven. 

Bajan, groote groene papegaai. 
(Zie verder Këbajan). 

Bajang, schaduw, schaduwbeeld, 
schim, (ook Bajang-bajang); 
Bërbajang, schaduw werpen op 
iets; Terbajang, als onduidelijk 
beeld te voorschijn komen, aan 
den dag; komen ; Mëmbajangi, 
beschaduwen; Mëmbajangkën, 
op iets schaduw werpen, iets 



beschaduwen, schaduw op iets 
laten vallen. 

Bajar, betaling; Mëmbajar, be- 
talen, voldoen, vervullen, vol- 
brengen; Mëmbajar ^oetang, 
zyne. schuld betalen; Mëmbajar 
kaoel, eene gelofte vervullen; 
Mëmbajariook Mëmbaj arken, 
aan velen uitbetalen, j)ok voor 
anderen betalen, enz. ; Pëmbajar, 
betaler, betaalmiddel; Pëmbaja- 
ran, betaling, aflossing, voldoe- 
ning, vervulling, enz. 

Bajat (Mëmbajat) padi op het 
kweekbed zaaien. 

Baji (Jav.), wicht, klein kind, zui- 
geling, pas geboren kind. 

Bajoe (Sk.), wind, zware wind, 
stormwind; ook van smaak veran- 
derd, doch niet bepaald bedorven 
(van spijzen byv.), eenigszins be- 
dorven door te lang liggen, enz., 
onrein, onsmakelijk. 

Bajoeh (ook Wajoeh), beurt, om 
haren man te ontvangen, (wan- 
neer deze meer dan eene vrouw 
heeft), ook de benaming der ver- 
houding tusschen de verschil- 
lende vrouwen van een man; 
mede-vrouw, mede-echtgenoote; 
enz., (verg. Maroe). 

Bak (Chin.), Chineesche inkt, z.g. 
Oost-Indische inkt in verharden 
vorm, ook een Chineesch spel. 

Baka, oorsprong, afkomst, stam, 
ras, erfelijke aard, geslacht; 
Pënjakit baka, erfelijke ziekte, 
klierziekte; Mënimboelkën ba- 
ka, door handelingen etc, zijne 
afkomst verraden; Mëmboeang 
baka, zijne afkomst verlooche- 
nen ; Baka' (Ar.), bestendig, duur- 
zaam, eeuwig; Poelang dari 
uëgëri, jang fana, kanëgëri 
jang baka', uit het land der 
vergankelijkheid teruggaan naar 
het land der eeuwigheid (besten- 
digheid), d. i. sterven. 

Bakal, ruwe stof of grondstof, 
waarvan iets moet worden ge- 



BAKA. 

vormd, gemaakt; wat iets moet 
worden, ook wat men op reis, 
enz. medeneemt (ook Bekël); 
Bakal roemah, do materialen 
voor een huis, ook: het aanstaan- 
de huis; Bakal radja, de ver- 
moedelijke troonopvolger; Bakal 
ka-win, de verloofden, die zullen 
trouwen; Bakal di gantoeng, 
die bestemd is, gehangen te wor- 
den; Mëmbakal, den ruwen 
vorm van iets nemen, aangeven, 
ook maken; Mëmbakalkën, tot 
iets bestemmen; Bakal, (Jav. 
Bat.), zullen (wordt gebruikt tot 
het aangeven van het futurum, 
bijv. Akoe bakal përgi ka 
Semarang, ik zal naar Sema- 
rang gaan). 

Bakar, het branden, blaken, bak- 
ken, enz.; Batoe bakar, gebak- 
ken steen, metselsteen; Kajoe 
bakar, brandhout; Mëmbakar, 
branden, brandstichten, fig. ook 
aanblazen, ophitsen, jaloersch 
maken; (Mëmbakar hati), hart- 
zeer aandoen, -veroorzaken; Ka- 
bakaran, schade lyden door 
brand, ook brand; Mëmbakar 
besi, tJzer heet maken ; Roemah 
tërbakar, een brandend (of af- 
gebrand) huis. 

Bakat, branding, onstuimig, bot- 
sende golven; ook voorspellend 
voorkomen van iets, voorbode, 
voorteeken, en vol, volgepropt; 
Bakat angin, voorbode van den 
naderenden of opstekenden wind; 
Bakat këtoemboehan, de voor- 
teekenen der kinderpokken. 

Baker, onder het koken gestremde 
of geschifte melk. 

Bakl (HolL). presenteerblad, bakje, 
ook het ophouden der menses 
bjj vrouwen van zekeren leeftyd; 
Perampoean baki, eene vrouw, 
die niet meer menstrueert. 

Bakiak (Bat.), houten klompen 
(mdische). 

Bakoel, mand, korf met of zonder 

Malksch-Hollandsch. 



BALA. 



33 



deksel; ook (Jav.), verkooper of 
koopvrouw, die de waren in het 
groot verkoopt aan wederverkoo- 
pers in het klein. 

Bakoeng, Crinum asiaticum, een 
sierplant met geneeskrachtige 
eigenschappen, evenals een an- 
dere soort, die Crinum bankanum 
genoemd is. Voorts Pancratium 
zeylanicum met een zeer vergif- 
tigen bol, en Bakoeng ajër, Oha- 
maecladon augustifolium, een wa- 
terplant met wormdrijvende eigen- 
schappen. 

Bakoep, verheven bolrond, gezwol- 
len, opgezet, ziekelijke opzetting, 
zwelling. 

Bakti (Sk.), dienst, dienstbetoon, 
eerbied, eerbetoon, hulde, ver- 
eering, aanbidding; Bërboeat 
bakti, dienst, eerbied, hulde 
bewijzen; Bërbakti, vereeren, 
hulde betoonen, enz. 

Bala (Sk.), volk, krijgsmacht, leger; 
Bala tëntëra, leger; Bala (Holl.). 
dans, danspartij; Mëmbala of 
Bala, dansen (als Europeanen 
doen); Bala, ook: beproeving, 
bezoeking, onheil, ongemak, kom- 
mer, ongeluk; Bala sënl, tering, 
aandoening der longen; Mëm- 
balaï, beproeven, bezoeken. 

Balah (Mëmbalah), wederstreven, 
betwisten, iets in te brengen heb- 
ben tegen. 

Balai, open gebouw, waar de vorst 
zich in het openbaar vertoont, 
ook opene vergaderzaal, tijdelijk 
logis voor vreemdelingen, enz.; 
Balai-roeng, de vorstelijke ge- 
hoorzaal, die aan de voorgalerfl 
van het paleis verbonden is; Balai 
përan^bian, koepel, lusthuisje. 

Balai (Membalai), met onverschil- 
ligheid behandelen, laten begaan, 
enz. 

Balai (ook Bale en Bale-bale), 
bank, rustbank (verg. Amben). 

Balan (Jav. Bat.), striem; Bërba- 
lan of Bërbalan-balan, met 



34 



BALA. 



BAMB. 



striemen overdekt, striemen op 
ztjn lichaam hebben, litteekens 
van striemen op 't Iflf hebben. 

Balang, sprinkhaan; Balang sa- 
ngit, Stenocoris varicornis, de 
stinkende sprinkhaan. 

Balangan (ook Balapan), wedren, 
race. 

BaJar (Pënjakit balar), de Albi- 
noziekte, witte vlekken aan han- 
den en voeten, wit, albinokleurig. 

Balaa (ook Balës), vergelding, wat 
men terug doet, teruggeeft, enz.; 
Mëmbales,vergelden, terug doen, 
vergoeden, beantwoorden, beloo- 
nen. enz.; Mëmbalësi, iemand 
vergelden, beantwoorden, beloo- 
nen, enz.; Balësan, vergelding, 
vergoeding, belooning, antwoord; 
Pëmbalës, vergelder, belooner, 
enz. 

BaHg (Ar.), (ook Akal-balig, Akal- 
balek of Akil-balig), tot denleef- 
ttJd der puberteit, des onder- 
scheids gekomen, mondig, meer- 
derjarig, volwassen, rüp, huwbaar. 

Balik, terug, omgekeerd, keerzijde, 
rugzyde, het tegenovergestelde, 
het omgekeerde, het tegendeel, 
enz. ; Poetër-balik, draaierij, 
z^ne woorden verdraaien, enz.; 
Bolak-balik, nu zus, dan zoo, 
draaien enz., ook heen en weder 
gaan, enz. ; Mëmbalik, zich om- 
keeren, terugkeeren, wenden, om- 
keeren, verdraaien, enz,; Tërba- 
lik, omgekeerd, omgedraaid ; Kë- 
balik, het onderst boven gekeerd, 
enz. ; Tërbolak-balik, hals over 
kop tuimelen, enz. 

Balila, verraad. 

Baliloe, onzinnig, dwaas, ook ; fop- 
pertl, bedrog, bedrieger^). 

Baloe, achtergebleven, nagelaten 
echtgenoot, weduwe of weduw- 
naar. 

BaJoeng, kam van een haan, ook 
(Jav.) been, knook, beenderen en 
(ook Djengger^ajam), hanekam, 
een plant. 



Baloer, in de zon gedroogd vleesch, 
ongelooide huid, ook straf, tuch- 
tiging, zwelling door een slag of 
striem; kristal, bergkristal. 

Baloet, windsel, verband, ook zwel- 
ling der oogen (door het huilen) ; 
Mëmbaloet, inwikkelen, omwin- 
den, verbinden, ook zwellen (der 
oogen); Baloetan, wat omwon- 
den, ' verbonden, ingewikkeld is; 
Fëmbaloet, verband, windsel, 
omwikkeling, ook zwelling. 

Baloewërti (Port.), bolwerk. 

Balok (HoU.), balk. 

Bam (of Baö.m), boom, dwarsbalk 
op Indische vaartuigen, zoowel 
aan den mast als aan het roer, 
zware bastoon, zware stem, ook 
een kind in slaap sussen (Mëxu- 
bamkën); Fatah këmoedi 
dëngan bamnja, het roer en 
zyn dwarsbalk zyn gebroken, d. i. 
alle hoop is verloren. 

Bamban (ook Bambang),Maranta 
dichotoma, een tot de familie der 
Cannaceae behoorende plant, veel 
gebruikt voor het maken van 
matten, korfjes en mandjes, enz. 

Bambang. plat en breed, vergroot 
(van de maan); Bambangan, 
een visch, ook, het met elkander 
eens z\jn en heimelyk verkeeren 
van twee minnenden. 

Bamboe, Bamboe-riet; Bamboe 
ampel, Bumbusa fera; Bamboe 
andong, ook Bamboe ater, 
Bambusa verticillata; Bamboe 
apoes, ook Bamboe tali, Bam- 
busa apus; Bamboe bitoeng of 
-bëtoeng, Bambusa nigro-ciliata 
en Bambusa aspera of Gigan- 
tochloa aspera; Bamboe boeloe 
akar Melocanna gracilis ; Bam- 
boe boeloe koening, Melocanna 
brachyclada; Bamboe boeloe 
idjo, Melocanna viridis ; Bamboe 
djawa, Bambusa vulgaris; Bam- 
boe doeri, Schyzostachyum 
durio; Bamboe gading, Bam- 
busa elegantissima; Bamboe 



BAMI. 



BANG. 



35 



itëxD; Gigantochloa atter; Bam- 
boe kërisik, Schyzostachyum 
Blumei; Bamboe oei er, Bam- 
busa serpentina; Bamboe sërit- 
koeda, Melocanna Zollingerii; 
Bamboe toetoel, Bambusavul* 
garis var. maculata; Bamboe 
woeloeng, Gigantochloa robusta; 
Bamboe tjina, Anindinaria glau- 
cescens. Van deze tot de natuur- 
Ijijke familie der Graminaeé be- 
hoorende nuttige planten maakt 
de inlander zoowel zijn huis, 
als allerlei gereedschappen, voor 
huiselijk of dagelijksch gebruik. 

Bami (Chin.), een Chineesch gerecht 
van een soort macaronie of ver- 
miceUi (mi) met varkensvleesch, 
spek, garnalen, kreeften, enz. en 
groenten. 

Bandang, een zeovisch (ook Ban- 
dëng) — Bandang (Jav. Bat.), 
Mëmbandang, hollen, op hol 
slaan, hard wegloopen ; Mëmban- 
dangkën, laten rennen, ventre- 
a-terre laten loopen. 

Bandar, haven, havenplaats, ook 
(by het kaartspel), bankier, de- 
geen die de bank houdt en de 
kaarten uitdeelt; Sjah-bandar, 
hoofd eener havenplaats, haven- 
meester, hoofd der kooplieden; 
Përbandaran, havenkantoor. 

Bandera (Port.), vlag, vaandel, 
wimpel. 

Bandërek (Bat, Jav.), een warme 
drank, bereid met gember, ook 
boel, boeleersten echtbreuk, 
hoerery ; voorts: Membandërek, 
forceeren, een sluiting met ge- 
weld openen, enz. 

Bandëring, slinger; Mëmbandë- 
ring, met een slinger werpen, 
iets met een slinger gooien, enz. 

Bandil, vanghaak (wapen der 
gardoewachters, om dieven, enz. 
aan te houden), gaflfelvormig 
instrument, gedoomde vork. 

Beding, wat met iets vergeleken 
kan worden, evenbeeld, pendant, 



weerga ; Tiada bandingnja, 

onvergelykeiyk, eenig ; Mem- 
banding, vergeleken ; Mem- 
bandingkën, twee voorwerpen 
met elkander vorgelyken, tegen 
over elkander stellen, enz. 

Bandjar, rjy, gelid; Bërbandjar, 
op een ry, in gelid staan, enz., 
eene ry, een gehd vormen. 

Bandji (ook Bandji-bandji), roos- 
terwerk, lofwerk, ook franje. 

Bandjir (Jav.), overstrooming, over- 
stroomen, uit de oevers treden 
(van een rivier, enz.); Kaban- 
djiran, door eene overstrooming^ 
overvallen, enz. 

Bandoel (ook Bandoelan), iets 
dat gebruikt wordt, om er iets 
in of aan te hangen, schommel, 
hangende wieg, hangmat. 

Bandok (ook Bondok), bult, hooge 
rug, hooge schoft; ook eelt of 
gezwel aan de schouders tenge- 
volge van het vele dragen. 

Bandot, ram, bok. 

Bang (= abang), rood; Kaïn 
bang, roodgeverfd kleed, enz. 

Bangal, obstructie, verstopping, 
enz., ook: ondeugend, koppig, 
hardhoorig,Oo8tindisch-doof(verg. 
Bengal). 

Bangar, onzuiver van smaak of 
reuk, stinkend, onaangename 
reuk, stank; ook: razen, tieren, 
leven maken. 

Bangat (ook Bangët), haastig, 
spoedig, onverwijld, ook: streng, 
ruw; Mëmbangatkën, bespoe- 
digen, verhaasten, enz. Zie ook 
Sangat. 

Bangga (Bat.), blufferig, fatterig, 
pronkzuchtig, grootspreken, bluf- 
fen, grootspraak, bluf, enz. 

Bangkai (ook Bangke), liJk, dood 
lichaam, kreng, (verg. Maït). 

Bangkawan (ook (Bëngkarah), 
dakspar, dakrib. 

Bangkawara, halsstarrig, koppig, 
verstokt, halsstarrige, verstokte 
(zondaar), enz., (een scheldwoord). 



36 



BANa. 



Banffkëa (ook Bëbangkës of 
Bebangkis), niezen. 

BanfiTkit, Mëmbangkit, oprijzen, 
opstaan, zich verheffen; Mëm- 
bangkitkën, doen opr\jzen, op- 
staan, ook ophalen, voorhouden ; 
Mëmbangkitkën përkara 
iB.ng lama, oude koeien uit de 
sloot halen, oude zaken oprake- 
len, enz. 

Bangkit, verwy t, verwyting; Mëm- 
bangkit, verwijten, iemand aan 
bewezen diensten of weldaden 
herinneren ; Mëmbangkitkën, 
bewezen dienst of weldaden ver- 
waten, enz. 

Bangkoe (Holl. of Port.), bank, 
rustbank, Bangkoe kaki, voete- 
bankje, voetebank. 

BanfiTkoedoe (Bëngkoedoe of 
Mëngkoedoe), Morinda citrifolia, 
een boom, uit wiens bast en 
wortels een roode kleurstof wordt 
getrokken; heeft ook genees- 
krachtige eigenschappen. 

Bangkoewang, Ipomoea mam- 
mosa: een slingerplant met eet- 
bare knollen, enz. 

Bangkong, een pad, een groote 
pad, een groote kikvorsch. 

Bangle (ook Banglai), Zingiber 
cassumanar; een overbiyvende 
plant met geneeskrachtige eigen- 
schappen ; wordt ook in de inland- 
sche keuken gebruikt. 

Banglok (Chin.), vischkaar. 

Bangoen, bloedgeld, dat bt) wyze 
van schadeloosstelling voor een 
vermoorde betaald wordt. 

Bangoen, zich oprichten, opstaan, 
opkomen, zich boven de kim ver- 
heffen, ook: vorm, gestalte, bouw- 
orde, fatsoen, uitkomst; Mëm- 
bangoen, zich oprichten,opstaan, 
ook iets vormen, maken, enz.; 
Mëmbmigoenpëraoe, een vaar- 
tuig op stapel zetten; Mëmba- 
x^oénroemah, een huls bouwen, 
innd[iten;Mëmbangoen nëgëri, 
een stad stichten, bouwen ; Mëm- 



BANa. 

bangoeni, voor het een of ander, 
of voor iemand opstaan, om naar 
het een of ander te kyken, ook 
iemand wekken, wakker maken ; 
Mëmbangoenkën, iemand wek- 
ken, wakker maken; Bangoenan, 
stand, postuur, gedaante, vorm, 
ook gebouw, torentje, enz. 

Bangoes, snuit, snoet. 

Bango, reiger, ooievaar; Bango 
tongtong, de zwartgevlekte, 
kaalkoppige ooievaar, marabout. 

Bangol, hardhoorend. 

Bangor (Bat.), ondeugend, stout, 
ongehoorzaam, onverbiedeiyk, 
enz. (van een kind). 

Bangsa, stam, geslacht, natie, volk, 
soort, famiUe; Bangsa koelit 
poetih, Europeaan, blanke;Bang- 
sa tjina, — djawa, een Chinees, 
Javaan of inlander, enz. ; Bangsa 
sëmoet, tot het geslacht, de 
familie der mieren behoorende; 
Bangsawan (ook Bërbangsa), 
van adel, van een aanzienlijk 
geslacht, van eene aanzienlijke 
familie, van goede afkomst, enz. ; 
Mëmbangsakën, in den adel 
verheffen, tot eene soort rekenen, 
als eene soort beschouwen, enz. 

Bangsal, een dak op stalen of 
jukken, met of zonder bewanding, 
loods; Bangsal kareta, wagen- 
loods, een loods, waaronder rijtui- 
gen, die wachten moeten, schuilen 
kunnen, enz. 

Bangsat, vagebond, gauwdief, 
schobbejak, smeerlap, schurk, 
schelm, boef, spitsboef, schavuit, 
booswicht, gespuis, canaille, eer- 
loos mensch, enz. ; ook wandluis ; 
Mëmbangsat, als een vagebond 
leven, vagebondeeren, enz, 

Bangseng, vleze reuk, stank, lucht 
(veroorzaakt bflv. door het dooden 
van een wandluis), enz. 

Bangsing (ook Bangsi), fluit, 
dwarsfluit, inlandsche bamboezen 
fluit; Bërbangsing, op een fluit 
blazen, de fluit bespelen, enz. 



BANL 



BANT. 



37 



Banian, borstlap. 

BaDjak, veel, talrijk, veelvuldig, 
aantal, hoeveelheid, menigte; Sa- 
baDjaJc, evenveel, zooveel als, 
in hoeveelheid van; Sabaz^l^^- 
basJakDja, op z\jn meest, ook 
zooveel mogelijk; Kabapjakan, 
te veel, ook meerderheid, veel- 
heid, enz.; MëmbaDjaki, ver- 
meerderen, ook met zyn velen 
iets doen, enz. ; Mémbanjakkën, 
veel maken, door bijvoeging ver- 
meerderen, het aantal van iets 
vergrooten enz. 

Banjak (Jav.), gans (zie ook 
Qangsa). 

Banjol = Badoet. 

Banjon (ook Ban joe en Bëbanjon), 
zwartsel voor de tanden (het wa- 
ter der cocosnoten, waarin roes- 
tend yzer gedurende een paar we- 
ken wordt gedompeld, en dat met 
looizuurhoudende schillen van 
vruchten een zwarte inkt geeft). 

Bantah, redetwist, tegenspraak, 
wederstreving, stijfhoofdigheid ; 
Bèrbantah (ook Bantah-ben- 
toh), redetwisten, ruzie met elk- 
ander hebben, elkander tegen- 
spreken, in niets toegeven, enz.; 
Mëmbantah (ook Mëmbentoh), 
tegenstreven, tegenspreken, twis- 
ten, geschil, ruzie met elkander 
hebben, enz.; Mëmbantahi, 
iemand tegenspreken, weerstre- 
ven, enz.; Mëmbantahkën, twis- 
ten, tegenspreken, enz., (over de 
een of andere zaak). 

Bantai, vleesch van geslacht vee; 
Binatang bantaian, slachtvee; 
Mëmbantai, slachten, neerslaan, 
dooden; Pëmbantai, slachter, 
slager. 

Bantai, kussen, stootkussen, on- 
derlaag; Bantai kapala, hoofd- 
kussen; Bantai goeling, rolkus- 
sen; Bantai pënjangga, stoot- 
kussen langs het boord van sloe- 
pen, enz.; Bantalan, kussen of 
klos, waarop btjv. de veeren van 



een rijtuig rusten, wat op een 
kussen gelakt of als zoodanig 
dienst doet; Mëmbantai, iets als 
kussen gebruiken. 

Bantar, Mëmbantar, eene ziekte 
in haren voortgang stuiten, eene 
ziekte coupeeren, een gevaar af- 
wenden, bezweren, enz. 

Bantar, eene ondiepte, laagte in 
zee (btjv. een gedeeltelijk zicht- 
bare zandbank, enz.), 

Bantara (of Bëntara), heraut, 
adjudant, overbrenger van 's vor- 
sten bevelen. 

Bantat (ook Bantoet of Bantët), 
niet wel doorbakken, gaar en on- 
gaar door elkander, niet goed 
gerezen, enz. (van gebak, enz.). 

Banteng (Jav.), het^wilde rund, 
wilde stier (zie Sëladang en 
Djawi). 

Banting, Mëmbanting, op den 
grond smakken,neergooien,kwak- 
ken, smijten, neersmijten; Ban- 
ting of Tërbanting, ook : onge- 
lijk van grootte (bijv. van een 
span paarden). 

Bantjang, praten, keuvelen, bab- 
belen, kouten, ook beletten, ver- 
hinderen (Mëmbantjang). 

Bantjet, een kleine kikvorsch, 
boomkikvorsch, springer. 

Bantji (Jav. Bat.), tweeslachtig, 
hermaphrodiet, kwee (Orang 
bantji). 

Bantji, schatting, contributie; 
Mëmbantji, schatting, contribu- 
tie heffen, enz. 

Bantjoeh, mengsel, vermenging; 
Mëmbantjoeh, onder, door, met 
elkander mengen, vermengen; 
Bantjoehan, mengsel. 

Bantjoet, mislukt, mislukken, ook 
verschaald, verschalen (van wijn, 
enz.) ook (als gemeen, laag 
scheldwoord) hoerekind. 

Bantoe, hulp, helper; Mëmbantoe, 
helpen, bijstaan, hulp verleenen, 
steunen ; Pëmbantoe, helper ; 
Pëmbantoean, hulp, bijstand. 



38 



BANT. 



BARA. 



Bantoen, Mèmbantoen, een jon- 
gen boom, een plant met wortel 
en al uit den grond rukken. 

Bantoet, gestuit, niet voleindigd, 
gecoupeerd, (van ziekten, byv. 
puisten) niet tot algeheele rap- 
heid gekomen, niet haar geheele 
verloop hebben, enz. 

Baoe, reuk, geur, lucht; Bèrbaoe 
of Bëbaoe, geurig, een luchtje 
hebben, geur of lucht van zich 
afgeven, geurig rieken of stinken. 

Baoe, een oppervlakte van 500 ü 
rönlandsche roeden of ± 7096 o 
meters. 

Baoek, vol (van den hals onder 
de kin, by v. door een baard, enz.); 
Tjambang baoek ook Bewok, 
bakkebaarden, die onder de kin 
samenkomen; Baoek ook Ba- 
-woek, ook dof van kleur, ver- 
schoten, enz., halfsleetsch, niet 
het aanzien van nieuwheid of 
frischheid vertoonend, enz. 

Baoer, gemengd, vermengd; Mëm- 
baoer, mengen, vermengen, door- 
eenhaspelen, enz.; Tjampoer- 
baoer, ten zeerste vermengd, 
dooreengehaspeld ; Përkataèln 
tjampoer baoer, brabbeltaal. 

Bapa', vader (in het algemeen ook 
gebruikt tegenover meer bedaag- 
de manneiyke personen, dikwijls 
verkort tot Pa'); Bapa tirl ook 
Bapa koewalon, stiefvader; 
Bapa toewa, Bapa gëde, oudste 
broeder van vader of moeder; 
Bapa boengsoe, Bapa këtjil, 
Bapa tjilik, jongste idem. 

Bapang, wapenplaat, plaat met 
het landswapen dat de politie- 
en justitiebeambten dragen, borst- 
plaat; ook: Mangifera foetida 
(anders Batjang), een sterkrie- 
kende manggasoort. 

Bara, gloeiende kool of asch; 
Përbara&n, komfoor, test, stoof; 
Bara-bara (Bat.), goedhartig, 
ook: *t is al wel, dat . . . 

Barah, kwaadaardig ontstoken 



bloedzweer, zweer, ontsteking. 

Baran, moerasbosch, moerassig 
bosch ; Babi baran, moeraszwy n. 

Barang, goed, goederen, waren, 
ding, dingen, iets, wie ook, wat 
ook, eenig, zoo wat, koopwaar, 
kleeding, enz.; Barang siapa, 
wie ook, al wie; Barang apa, 
wat ook, al wat; Barang saba- 
gainja, al dergel\jken; Sëba- 
rang (ook Sëmbarang),gewoon, 
alledaagsch,^ onverschillig wat; 
Boekan sëbarang, iets onge- 
meens, ongewoons; Barang 
ampat bidji, zoo wat, ongeveer 
vier stuks; Barang dagangan, 
koopwaar; Barang-barang, goe- 
deren, have en goed, bagage; 
Barang, wordt ook gebruikt om 
een wenschende wys uit te druk- 
ken, b^v.: Barang di sampai- 
kën soerat ini kapada toean 
A., moge deze brief aan den heer 
A. bezorgd worden; Barang, 
Tandak barang, Topeng ba- 
rang, inlandsche comedianten, 
die langs de straten hunne kun- 
sten vertoonen tegen eene kleine 
betaling. 

Barangkali (ook Barangkala), 
op welken tfld ook, welücht, mis- 
schien, 't is mogeiyk dat, moge- 
lyk, waarschynltjk. 

Baras (ook Pënjakit- of Saklt 
baras), melaatschheid. 

Barat, west, het westen (ook 
Koeion) (Jav. Soend. Bat.), zware 
westenwind, een bui uit het^wes- 
ten, zwaar weder; Barat tëpat, 
rechtwest; Barat laoet. Noord- 
west; Barat daja. Zuidwest; 
Barat barat laoet, West-Noord- 
west; Barat di kanan djaroem 
pandjang, West ten Zuiden; 
Barat di kiri djaroem pan- 
djang, West ten Noorden; Barat 
di kanan djaroem pandak 
(pendek), West half Zuid ; Barat 
di kiri djaroem pandak (pen- 
dek). West half Noord. 



BARE. 



BATA. 



39 



Barëng (Jav. Bat.), tegelykertyd, 
gezameniyk, te zamen, op het 
oogenblik, dat . . . 

Bares (Jav.), royaal, ook openhar- 
tig, enz. 

Barik, ader zooals in marmer, enz. ; 
Bèrbarik, geaderd, gemarmerd. 

Baring, Membaring, liggen, neer- 
liggen ; Bërbarlng, liggende zyn, 
liggend rusten, neerliggen ; Mêxu- 
baringken, neerleggen, te ruste 
leggen ; Pèmbaringan, ligplaats, 
rustplaats. 

Baris, ry, gelid, reeks krygsvolk, 
ook exercitie en benaming van 
een klankteeken; Baris di atas 
(ook Fatah), het teeken voor de 
a, a, ë; Baris di dëpan (ook 
Dlamma), het teeken voor de o 
en oe; Baris di bawah (ook 
Kesra), het teeken voor de i en e ; 
Baris mati (ook Djezma of 
Soekoen), het teeken ter aandui- 
ding dat een medeklinker geen 
klinker heeft, dus sluitmedeklin- 
ker is van een woord of letter- 
greep ; Barisan, geregelde troep 
krijgsvolk, enz. ; Bërbaris, in ge- 
lid staan, eene reeks, eene ry 
vormen, enz.; Mëmbaris, exer- 
ceeren. 

Baroe (ook Bahroe) zie Baharoe. 

Baroes— Kapoer baroes, kamfer. 

Baroesan (Bat.), pas, zoo juist, zoo 
even, nieuwelings, zoo net, een 
oogenblik geleden. 

Baroet, windsel, zwachtel, verband, 
band om den buik der kinderen ; 
Baroet gantoeng (ook Oto); een 
borstlap, die van den hals tot aan 
den gordel reikt; Mëmbaroet, 
omwinden, omzwachtelen, een 
verband om iets leggen. 

Baroh, droge grond aan den voet 
van een berg of heuvel, hoogge- 
legen droge grond. 

Barongan (Jav. Bat.), groote pop- 
pen, die bö feestelijke optochten 
op straat worden vertoond. 

Basa. Zie Bahasa. 



Basah, nat, vochtig; Basahan, 
nat goed, wat bestemd is om 
nat gemaakt te worden, ook met 
natte kleederen, of druipnat loe- 
pen ; Mëmbasahkën, nat, voch- 
tig maken, onder water dompe- 
len, enz, 

Basai, ziekelyk, bleek. 

Basal, ziekelijke zwelhng, tenge- 
volge eener ziekte; Basal api, 
de roos (ziekte). 

Basi, al wat men boven de maat 
neemt, disconto, rabat, opgeld, 
extra, enz., ook schotel, waarin 
eten wordt opgedischt en muf, 
duf, onaangenaam riekend, goor, 
garstig, gistend, tot bederf over- 
gaand; Përampoean basi, eene 
vrouw, die uit hare schaamdee- 
len stinkt; Mëmbasikën, opgeld 
nemen, disconto berekenen, enz. 

Basoeh (Mëmbasoeh), wasschen ; 
Basoehan, wat gewasschen 
moet worden of tot wasschen 
dient; (Pëmbasoeh), Pëmba- 
soeh-moeloet, mondwassching, 
dessert, enz. 

Basoempa (Mol.), ondertrouw, on- 
dertrouwen; — ook een eed af- 
leggen, enz. Zie Soempah. 

Bata, tegel, baksteen, gebakken 
vloersteen, metselsteen, in het 
algemeen een platte langwerpige 
klomp ; Bata timah, een schuitje 
of blok tin; Bata liün, een koek 
was; Bata-bata, aarzelen, aarze- 
lend, aarzeling, enz, 

Batak, naam van een volksstam in 
Sumatra; Mëmbatak, roeven, 
plunderen. 

Batai, verijdeld, niet doorgaan, mis- 
lukt, vergeefs; Mëmbatalkën, 
verijdelen, doen mislukken. 

Batang, stam, stronk, enz.;Batang 
poehoen, boomstam; Batang 
ajër, rivier, stroom; Batang 
leher, hals; Mëmbatang, een 
houten, enz. geraamte bekleeden. 

Batang (Jav.), uitlegging, verkla- 
ring, ook een stinkend liJk, kreng; 



40 



BATA. 



Mëmbatang, raden, een raadsel 
oplossen, uitleggen, verklaren. 

Batara, titel voor godheden; Ba- 
tara Wisnoe, de god Wisnoe, 
Batara (ook Batari) Doorga, 
de godin Doerga, enz. 

Batas (ook Batës en Watës), 
grens, scheiding, merkpaal; Ba- 
tas-batas, opgehoogd tuinbed; 
Mëmbatas, Mëmbatësi, Mëm- 
batësin (Bat.), een grensschei- 
ding maken, van een grensschei- 
ding voorzien, begrenzen. 

Bati (Jav.), voordeel, winst. 

Batik, teekening, gekleurde tee- 
kening op lijnwaad; Mëmbatik, 
dergeiyke teekeningen op lijn- 
waad brengen of lynwaad, na 
voorafgaande beschildering met 
was, enz., verwen ; KaM batik of 
— Batikan, op die wtjze (uit de 
hand) beschilderd kleed, 

Batil, schaal, kom, bakje. 

Batin, titel van een Maleier, minder 
dan Oraiig-kaJa,me6rdanPëng- 
boeloe, ook binnenste, innerlijk, 
inwendig, verborgen; Loewar- 
batin, oprecht, oprechteltjk, zoo- 
wel van buiten als van binnen. 

BatJa, lezen; Mëmbatja, lezen, 
ook opzeggen; Mëmbatjakën, 
voorlezen; Pëmbatja&n, wat ge- 
lezen wordt, leesles, ook w^jze 
van lezen; Tërbatja, leesbaar, 
gelezen kunnen worden. 

Batjak (ook Batjëk), verwaterd, 
door te veel vocht doodgegaan 
(van planten), vochtig, al te nat, 
drassig (van den grond). 

Batjin, viesriekend, naar rotte 
visch stinkend, een onaangename 
misUjke lucht afgevend, stinken, 
onaangenaam rieken, enz. 

Batoe, steen, rolsteen, riviersteen, 
bergsteen, erts, khp, gewicht, 
gebeente, enz. ; Batoe bata, met- 
selsteen, gebakken steen ; Batoe 
perak, zilvererts ; Batoe ambar , 
amber, barnsteen; Batoe kapa- 
la, gebeente van den schedel. 



BAWA. 

hersenpan; Batoe datjin, ge- 
wicht van een unster; Arëng- 
batoe, steenkool; Batoe bërani, 
magneet; Batoe bësi, graniet, 
tjzererts; Batoe giling, wryf- 
steen, waarop speceryen enz. fi,jn- 
gemalen worden door middel van 
een steenen rol ; Batoe karang, 
rif, koraahif ; Batoe pasir, zand 
steen; Batoe timbangan, ge 
wichten van een weegschaal 
Batoe timboel, puimsteen; Ba 
toe djoebin, vierkante vloertegel 
Batoe api, vuursteen; Batoé 
asah of Batoe gosok, slapst een 
Goela batoe, klontjes- of kandy 
suiker; Kapala batoe, styfkop 
Batoe oedji, zwarte toetssteen . 
Batoe toelis, lei, gemarmerde 
steen ; Mêmbatoe, steen worden, 
als een steen zijn, ook verharden 
enz. 

Batoek, hoest, hoesten; Batoek 
kering, droge hoest, teringhoest. 

Batoek, voorhoofd. 

Batoer (Jav.), bediende, onderge- 
schikte lastdrager, kruier, kame- 
raad (Tëmën), ook fundeering, 
fondament (van een huis, enz.). 

Batok, de harde schaal eener co- 
cosnoot, klapperdop. 

Bawa (ook Bawak), Mëmbawa, 
brengen, by zich hebben of dragen, 
medebrengen, medenemen, aan- 
brengen, voordragen, reciteeren, 
enz., soms ook te vertalen door 
gaan, byv. Mëmbawa tidoer, 
gaanslapen,enz.;Mëmbawalari, 
op den loop brengen, schaken, 
met iets op den loop gaan, enz. ; 
Bawa&n, wat gebracht is, wordt 
of^moet worden, dracht, vracht; 
Pëmbawa, drager, brenger, enz. ; 
Pëmbawaën, wat gebracht, aan- 
gebracht, medegebracht, enz. is, 
vracht, etc; Bawa kajah dia- 
koe (Bandj.), = voor (bfl) mtj (te) 
brengen (lett. brengen bü my). 

Bawah, beneden, onder, omlaag, 
onderaan, ondereind,benedeneind. 



BAWA. 



BEDA. 



41 



enz.; Dibau^ab, beneden, onder, 
ondergeschikt; Dlbawahangin, 
aan iQ, onder den wind; Kaba- 
-wah, naar onder, naar beneden ; 
Mèxnba'wah, onder iemand staan, 
zich overwonnen verklaren, zich 
onderwerpen, zich onder de hoede, 
de macht van iemand stellen 
(ook Mëmbawah diri en Mem- 
bawahkën diri) ; Mëmbawah- 
kën, ten onder brengen, onder- 
werpen, overwinnen, enz., ook 
als gebieder over iets bevelen, enz. 

Ba^wal, een platte zeevisch. 

Bawacg, ui, look; Bawangpoe- 
tih, knoflook; Ba'waii£: merah, 
gewone roode ui; Ba^rang 
bësar, Bawang bënggala of 
Bawang bombay, z.g. Bombay- 
ui, groote witte ui; Ba^wang ti- 
moer, gewone witte ui; Auak- 
bawang, iemand, die pas komt 
kyken, ^leerling, nieuwehng ; 
Djangkërik ba'wangan, een 
jonge krekel, die pas haren 
krtjgt. 

Ba'fvas (Pont.), = wildernis, ruigte. 

Bawasir, aambeien. 

Bawat, praal, staatsie; Pajoeng 
bawat, vorsteiyke staatsie-zon- 
nescherm. 

Bawat, overhellen, naar beneden 
hangen; Tali-bawat, bras. 

Bëbal, dom, bot, onbevattelyk, 
bekrompen, onnoozel ; Orang 
bëbal, domoor, botterik, stom- 
kop, onnoozele, enz. 

Bëbas, vrfl, vr^gesteld, ontheven 
van iets, in vryheid, enz., niet 
verplicht tot, enz. (van een vaar- 
tuij?) los, niet gemeerd, enz.; 
Membëbas of mëmbabas, af- 
drijven, met den stroom meedry- 
ven (van een vaartuig); Mëm- 
bëbaskën, vry maken, vrijstel- 
len, bevryden, ontheffen van iets, 
enz.; Bëbas dari pada pëm- 
bajaran bea, vr^gesteld van 
belasting-betahng, enz.; Orang 
bëbas (Amb.), vrfle burgers, — 



niet onder het gezag der radja's 
staande bevolking. 

Bëbat (ook Bëbët), vdndsel, om- 
windsel, verband, wat om iets 
geslagen of gewonden wordt, enz. ; 
Mëmbëbët, omwinden, verbin- 
den, omgorden, als band of riem 
gebruiken, binden om iets heen, 
enz. ; Bëbëtan, wat omwonden, 
verbonden is ; Pëmbëbët of Pëm- 
bëbëtan, windsel, verband, enz., 
wat daartoe dient. 

Bëbêk, rond van postuur, d. i. zon- 
der merkbare verandering of ver- 
mindering van omvang van de 
schouders tot aan den gordel, ook 
gestikt, verstikt in modder, enz. ; 
Bëbëkin (Bat.) of Mëmbëbëk- 
kën, onder water enz. houden, 
tot er verstikking op volgt, onder 
water, enz. dompelen, duwen (met 
den kop of het hoofd) ook Bëlë- 
bëk, Bëlëbëkin, etc; Bëbëk, 
ook fijnstampen, tot poeder of gruis 
stampen, enz. (verg. Boeboek). 

Bebek, eend. 

Bëbëna (Bat.), ordenen, rangschik- 
ken, in orde schikken, opredderen, 
beredderen, op de bestemde plaats 
terugleggen, enz. (bflv. van meu- 
bilair, serviezen, enz.) ook schoon- 
maak houden, alles in huis schoon- 
maken en op de behoorlyke plaat- 
sen zetten, enz. 

Beber (Mëmbeber, ookBeberin) 
uitspreiden, openleggen (van een 
stuk linnen biJv.), ook strooien, 
uitstrooien (van zaadkorrels enz.). 

Bëbës (Mëmbëbës), iets of iemand 
lokken en vervolgens vermoorden. 

Bëbësaran, moerbei, moerbezie- 
boom. 

Beda, onderscheid, verschil, onder- 
scheiden, verschillend, anders; 
Bërbeda, verschillen, verschil- 
lend z\jn, anders z\jn ; Mëmbeda, 
anders zjjn, anders handelen, enz. ; 
Mëmbedakën, anders, verschil- 
lend behandelen, onderscheid ma- 
ken, uitzonderen; Përbeda&n, 



42 



BEDA. 



BEJA. 



onderscheid, verschil, uitzonde- 
ring. 

Bëdah (Jav.), gescheurd, gebroken, 
doorgebroken {van een dam byv.). 

Bëdak, poeder, smeersel, blanket- 
sel, v^itkalk, enz.; Mëmbëdak, 
poeder gebruiken, blanketten, 
witten, enz.; Mëmbëdakkën, 
met iets insmeren, besmeren,^be- 
poederen, bekalken, enz.; Pëm* 
bëdakan, wat gebruikt wordt, 
om in te smeren, enz., of als 
smeersel, ook poederdoos, enz. 

Bëdal (Mëmbëdal), slaan, ter dege 
raken, ranselen, ook op hol slaan 
of gaan (van een paard). 

Bedel (Bat.), losgetornd, gescheurd, 
opengesneden, open, enz. ; Mem- 
bedel, lostornen, opensnijden, 
openscheuren, enz. 

Bëdëng (Bat.), een planken brits, 
die aan den mimr eener^kamer 
bevestigd is; Kamar bëdëng, 
een kamer, waarin zulk een 
brits staat; op het stadhuis te 
Batavia de kamer, waarin arres- 
tanten voorloopig in arrest wor- 
den gehouden. 

Bëdil, vuurwapen, geweer, schiet- 
geweer ; Mëmbëdil, op iets schie- 
ten, vuren, enz. ook jagen. 

Bëdjana, vaas, bak, vat, enz. waarin 
men iets kan doen of plaatsen. 

Bëdjat (Bat.) (of Bëdjad), afge- 
beuld, afgejakkerd, afgetakeld, 
versleten, enz. 

Bëdoek, uitgeholde boomstam, 
waarover een vel gespannen is, 
trom, de groote moskeetrom. 

Bedoel (Jav. Soend.), varken, zwiJn, 
(ook als scheldnaam). 

Bedoeng (of Bedong), luier, doek, 
windsel, omslagdoek waarin men 
een klein kind wikkelt met de 
armpjes tegen het lyf en de been- 
tjes gestrekt; Mëmbëdong, in- 
bakeren, in een luier of doek in- 
wikkelen, inpakken, enz. 

Bëdoewan, een w^Jze, een ziener, 
ook zanger, zangeres, dansmeid 



(in geschriften dikwijls, doch 
abusiveiyk aangeduid door Bi- 
doewanda of Bëdoewanda). 

Bëdoewanda, l\jfbediende, lijf- 
wachter, ordonnans. 

Bëdoeviri (of Badoei), bedoeïn, 
veldbewoner, woestijnbewoner, 
ook benaming van een volksstam 
in Bantam. 

Bëgah (ook Wëgah), zat, een ge- 
voel van volh eid hebben, benauwd- 
drukkend gevoel op de maag heb- 
ben, enz., ook beu, beu zijn, ge- 
noeg hebben van iets, enz. 

Begal (Jav,), roover, straatroover, 
struikroover ; Mèmbegal, straat- 
roof plegen, iemand op straat, op 
eene eenzame plaats aanranden, 
berooven (hetzij alleen, hetzij in 
vereeniging met anderen). 

Bëgap, gezet, robust, dik, ook be- 
nauwd door dikte, enz. 

Bëgar, niet zacht of malsch kunnen 
worden, verhard, verstokt, enz.; 
Mëmbëgar, verstokt zijn, zich 
verstokt, verhard toonen, niet 
zacht of malsch willen worden, 
enz. 

Bëgawan (Sk.), eerwaardig, acht- 
baar, aanbiddeliJk, titel van vor- 
stelijke, heilige kluizenaars, enz. 

Bëgok, krop, kropgezwel (ook 
Gondong), ook varken, zwijn 
Jals scheldwoord). 

Bëhadoer (ook Bahadoer), een 
dapper man, held, heldhaftig, 
moedig, enz. 

Bëhadoer! (ook Bahadoeri), moe- 
dig, krijgshaftig, heldhaftig, rid- 
derlijk; Bintang bëhadoeri, 
ridderorde voor moed, enz., 

Bëhagi (ook Bagi), deel, gedeelte, 
onderdeel; Mëmbëhagi, doelen, 
verdeelen (by het kaarten), geven. 
Zie Bahagi. 

Belta (Mol.) (of Bèta), ik, my. 

Beja, tol, cijns, belasting, gerech- 
tigheid, recht, inkomende en uit- 
gaande rechten, accijns, enz.; 
Mënarik beJa, cijns, accijns, 



BEJO. 



BELA. 



43 



rechten, belasting, pacht heffen ; 
Mëmbejakën, iets belasten, 
ctjnsbaar maken, op iets belasting 
leggen, van iets c\jns, pacht, be- 
lasting heffen, iemand belasting 
doen betalen, enz.; Pabejan of 
Përbeja&n, plaats waar tol ge- 
heven wordt, tolkantoor, enz., 
douanenkantoor. 

Bejo, Gracula- of Eulabes reHgiosa, 
naam van een zeer leerzamen 
vogel. 

Bek (HolL), wyk, wykmeester. 

Beka, verscheidenheid van woor- 
den, woordenryk; Bekabe-ka, 
onkiesch, onbetamelijk ; Mëzn- 
beka, gemeen zyn, gemeen, on- 
kiesch, onbetamelijk zyn in han- 
dehngen en uitdrukkingen. 

Bëkal (ook Bëkël), wat men op 
reis medeneemt, leeftocht, enz. 
Zie Bakal. 

Bëkam, moet, indruk van iets hards 
of scherps op de huid, enz.; 
Mëmbëkam, koppen, koppen 
zetten, bloed aftappen; Pëmbë- 
kam, kop, ook koppenzetter. 

Bëkandjar, klikken, klagen, enz. 

Bëkas, spoor, indruksel, ook over- 
blijfsel, wat overgebleven is, rest, 
restant, en gewezen; Bëkas kaki, 
spoor van een voet of poot; 
Bëkas loeka, litteeken van een 
wond; Bëkas istëri, gewezen 
vrouw, gewezen echtgenoote; 
Bëkas makanan, restantjes van 
het eten; Bëkas di pakai, blijk- 
baar reeds gebruikt. 

Bëkasëm. Zie onder Asam. 

Bëkatoel, het fijne gruis of de 
stof, die van de r\jst by het stam- 
pen afvalt (eigeniyk het meest 
voedzame gedeelte der ryst-kor- 
rels); Boeboer bëkatoel, pap 
of bry, daarvan gemaakt. 

Beko (of Bëbeko), (Chin.), chi- 
neesch suikergoed in verschillen- 
de vormen, snoepery voor kinde- 
ren ; Saboen beka (Bat.), gewone 
gele waschzeep. 



Bëkoe, gestold, bevroren, hard ge- 
worden, Ajëp bëkoe, ys ; Mëm- 
bëkoe, stollen, hard worden, 
bevriezen. > 

Bëkoei, knielen, zooals de Chinee- 
zen voor hun Tapaikong, enz. 

Bëkoekoeng* (Jav.), val voor wilde 
dieren; kooi, om ze te vangen en 
gevangen te houden, enz. 

Bela, zoenoffer door den dood in 
te gaan, vergelding, wederver- 
gelding, genoegdoening, ook hulp, 
bescherming, verdediging, enz.; 
Mëmbela, zich ten offer brengen, 
vergelden, genoegdoening geven, 
ook verdedigen, beschermen, in 
de bres springen, dekken, enz.; 
Mëmbelakën, zich ten offer 
brengen voor een doode, diens 
dood wreken, ook iemand by staan, 
helpen, beschermen, verdedigen; 
Minta bela, een zoenoffer eischen; 
Mëmbajar bela, een zoenoffer 
brengen. 

Bëladjar. Zie Adjar. 

Bëlah, spleet, kloof, barst, reet, 
gespleten, gebarsten, stuk, in 
twee stukken, ook zyde, kant, 
helft; Mëmbëlah, klieven, sply- 
ten, in twee stukken snijden, 
enz , doorbreken, barsten; Sabë- 
lah, een zyde, helft, kant, aan 
de eene z\jde, enz., ook naast, 
nevens, aangrenzend; Badjoe 
bëlah dada, buis of jak,^van 
voren op de borst open; Bëlah 
katoepat, (meestal) een deken 
van kleine driehoekige of vier- 
kante stukjes divers gekleurd en 
gebloemd Unnen, enz, gemaakt; 
Pëtjah bëlah, breekbaar goed; 
Bëlahan, kloof, spleet, reet, enz.; 
Pëmbëlah, het spiyten, enz., 
spltjter, klover, enz., ook werk- 
tuig om te splijten, enz.; Pëm- 
bëlahan, splijting, kloving, enz. 

Bëlahak, Mëmbëlahak, reutelen, 
kuchen, rochelen. 

Bëlajam, trillen, met de hand beroe- 
ren, zwaaien (van een zwaard). 



44 



BELA, 



BELA. 



Bëlak, gevlamd, bont, gevlekt, met 
vlammen; Bërbëlak, gevlamd 
zyn (van hout enz.), bont (van 
het haar van dieren, enz.). 

Bëlaka, louter, enkel, echt, onver- 
mengd, alleen, ook allegaar, alle- 
maal, alle, en oprecht, rond, rond 
vooriets uitkomen, bekennen, enz. 

Bëlakang, achter, van achteren, 
achterste, achterzijde, achterdeel, 
rug, enz.; Toelang^ bëlakang, 
ruggegraat; Roemah bëlakang, 
achterhuis, bygebouw; Mëmbe- 
lakang, achterstaan, de achter- 
hoede uitmaken, achteraan ko- 
men; Mëmbëlakangkën, den 
rug naar iets toe keeren, met den 
rug naar iets gekeerd zitten, 
iemand voorby gaan, achterstel- 
len, enz. ; Pëmbëlakang, achter- 
nakomer, achterblijver. 

Bëlakin (of Bëlangkin), koolteer. 

Bëlalab (ook Bilala), gulzig, vraat- 
zuchtig, schrokkig, gulzigaard, 
schrok, vraat, ook gulzigheid, 
vraatzucht, enz. 

Bëlalai, verlengde snuit, slurf, 
tromp, ook lel; Bëlalai gadjah, 
ohfantenslurf; Bëlalai ajam 
'wlanda, lel van een kalkoen- 
schen haan. 

Bëlalak, een wit stipje, een spat 
in den oogappel, ook wyd open- 
staand (der oogen by lyken byv.) ; 
Mëmbëlalak, w\jd openstaan, 
enz. 

Bëlalang (zie ook Balasg), sprink- 
haan, ook sterrenwichelaar, waar- 
zegger; Bëlalang ^daoen, het 
wandelend blad ; Bëlalang raii> 
ting, de wandelende tak. 

Bëlaman (Jav.) (of Bëlëman), 
smeulend vuurtje, smeulen van 
vuur onder asch, enz., zulk een 
vuurtje, dat op koude avonden 
of in koude nachten, door gardoe- 
wachters en dergeliyken aange- 
stoken en onderhouden wordt, 
om zich te warmen. 

Bëla&ak, naam van een smakelij- 



ken, gezonden zoutwatervisch, 
die veel in strandvyvers aange- 
kweekt wordt. 

Bëlanda (ook Wëlanda en Ol- 
landa), hollandsch, Hollander, 
ook in het algemeen europeesch, 
Europeaan ; Mëmbëlandakën, 
in het hollandsch overzetten, ook 
tot een Hollander of Europeaan 
maken. 

Bëlandja, kosten, uitgaaf, dagelyk- 
sche uitgaven, vertering, markt- 
geld, weekgeld, speldegeld, huis- 
houdgeld, loon, soldtj, tractement, 
ook huwel^ksgift; Bërbëlandja 
of Mëmbelandja, dagelijksche 
uitgaven doen, inkoopen, inkoo- 
pingen doen, enz.; Mëmbëlan- 
djaï, bekostigen, de kosten van 
iets, de uitgaven voor iets betalen, 
ook bezoldigen, loon geven, trac- 
tement toekennen, enz.; Mëxn- 
bëlandjakën, tot loon maken, 
als soldy of tractement gebrui- 
ken, tot dagelijksche uitgaven 
bestemmen, enz. 

Bëlandong (Jav.), houtkapper; Bë- 
landongan, hoiitaankap, plaats 
waar hout gekapt wordt. 

Belang, gevlekt, bont, vlek, bont- 
heid; Koeda belang, een ge- 
vlekt paard; Oelër belang, een 
zwart en wit gevlekte, giftige 
slang ;Sakit belang, een soort 
albino-ziekte (zie Balan). 

Bëlanga, groote, ondiepe, aarden 
j)ot zonder ooren of pooten. 

Bëlangkas, de stekelrog, llmulus 
(zie Mimi), met bajonetvormigen 
staart; Pëdang eikor bëlang- 
kas, een driekantige degen. 

Bëlantan, korte, zware knuppel; 
Mëmbëlantani, knuppelen, met 
een korten knuppel afrossen, enz. 

Bëlantara, uitgestrekt, groot bosch 
tusschen bewoonde streken, we- 
gen enz.; Padangbëlantara, 
uitgestrekte vlakten en bosschen, 
enz. 

Bëlantik, springveer, verbonden 



BELA. 



BELI. 



45 



aan een geweer, lans, enz. om 
wilde dieren te dooden; Bëlantik 
(Jav.), ook commissiehandelaar, 
iemand, die in commissiegoederen 
handelt, — enz. 

Bëlaoe, blauw, ^blauwsel, blauwe 
kleur; Mëxubëlaoe, blauw wor- 
den, ook blauw maken, met 
blauwsel behandelen. 

Bëlar, overal rondloopen en allerlei 
onbetamelijke of onbehoorlijke 
dingen doen (zooals kleine kin- 
deren), krioelen, enz. 

Bëlarak (ook Bërarak) (Jav.), 
droog afgevallen blad van den 
cocos- of eenigen anderen palm. 

Belas, medelijden, deernis ; Bëlas- 
kasihan,gunstige meewarigheid, 
gunstig medelijden ; Belas, wordt 
ook gebruikt, om met de getallen 
van 1 tot en met 9 de getallen 
van il tot en met 19 te vormen, 
bijv.: sabëlas^ elf, doeabëlas, 
twaalf,^ tigabelas, dertien, toe- 
djpebëlas, zeventien, sëmbilan- 
Jbëlas, negentien. 

Bëlasah, slaag, ransel; Mëmbë- 
lasah, afrossen, afranselen, een 
pak slaag geven. 

Belat, fuik, ook scherm of voor- 
hang van dunne lange stokjes 
bamboe (verg. Këre). 

Bëlati, europees^h, europeesch 
maaksel; Tali bëlati, europeesch 
touw; Bëlati of Piso bëlati, een 
kort eenigszins gebogen mes, 
het bekende wapen waarmede 
Madoereezen amok maken, enz. 

Bëlatik (ook Bëlantik of DJëla- 
tik). Zie Gëlatik. 

Bëlat^Jan, fijngestampt en tot bal- 
letjes gevormde, gezouten kleine 
garnaaltjes of vischjes ; Mëmbë- 
latijani, bij een gerecht bëlatjan 
voegen. 

Bëlatoen^:, made, zooals in lijken, 
krengen, latrines enz. gevonden 
worden. 

Bëlëbas, regel, waartegen de plan- 
ken- of bamboezen bewanding 



van een huis, enz. gespijkerd 
wordt, ook de roede van de kam 
van het inlandsche weef toestel. 

Belek (ook Beles, Belesan), druip- 
oogen, vuile zeere oogen (hebben) 
ook = Betjek, Bëlok. 

Bëlek, wijd open (van de oogen), 
gapend (van den mond), ook 
(=^ Betjek) modderig, slikkerig; 
Mëmbëlek, open maken, openen, 
(van de oogen of den mond met 
de handen), openrijten, opensnij- 
den, enz. (bijv. den buik van een 
visch). 

Bëlengket(Bat.), kleverig, klevend, 
plakkend, geplakt, vastgehecht, 
aan iets vast zittend, verbonden, 
grenzend, enz. kleven, plakken, 
vastzitten, hechten, grenzen, enz. 
(Zie Lëkat). 

Bëlënting, sterk opgezet, tot bar- 
stens toe opgeblazen, enz. (van 
den buik). 

Bëlëntoeng, boomkikvorsch. 

Bëlërang, Jook Wëlirang), zwa- 
vel; Bëlërang abang, roode 
zwavel, zwavel-arsenik. 

Bëlereng (Bat.), gestreept (van een 
koningstijger). 

Bëlët (Bat.), drang, aandrang, nood 
(om een natuurljjke behoefte te 
voldoen) ; Kabëlet, het niet meer 
of langer kimnen inhouden. 

Bëli, Membëli, koopen, iets koo- 
pen, aankoopen; Mëmbëlikën, 
voor een ander iets koopen, ook 
doen dienen tot het koopen, bijv. 
Wangnja dibëlikannja ba- 
djoe, hy heeft het geld gebruikt, 
om er een badjoe voor te koopen ; 
Bëlian, wat gekocht is; Bëli- 
bëlian, koopwaar, wat te koop 
is; Pëmbëli, kooper. 

Bëlia, jeugd, jeugdig, frisch, bloei- 
end, enz.; Moeda bëlia, in de 
eerste jeugd, zeer jong. 

Bëliah, beproeving, bezoeking, 
ramp, ongeluk, onheil, enz. 

Bëliak, opzettelijk opengespalkt 
(van de oogen) ; Mëmbëliakkën, 



46 



BELL 



de oogen opzettelük openspalken. 

BëUbis (ook Mëliwis) (Jav.), 
kleine wilde eend, taling. 

Bëllkat, schouderblad. 

Bëlikoe, scherpe kromming, scher- 
pe bocht in een rivier. 

Bëlila, verraad. 

Bëliloe, onzinnig, dwaas. 

Bëlimblng, naam van een boom 
met eetbare^ zure en zuurzoete 
vruchten ; Belimbing boeloe of 
•boelat, Averrhoa bahmbi; Bëlim- 
bipg bëfli, Averrhoa carambola; 
Bëiixnbing pa!t, Dapania race- 
mosa; Bëlimbing tjina, Capura 
zoUingeriana. 

Bëling, porcelein, verglaasd aarde- 
werk, ook scherven van glas, 
porcelein, enz. (eig. Pëtjahan 
bëling). 

Bëlingkas, klein bosje, of bun- 
deltje (inzonderheid jran den 
Toeba-wortel) ; Mëmbëlingkas, 
tot kleine bosjes of bundeltjes 
binden, enz. 

Bëlira (ook Wëlira) (Jav.), de 
spaan, die hjj het weven gebruikt 
wordt, om het weefsel aan te 
zetten, te kloppen. 

Bëlit, omwindsel, bocht, kronkel; 
Mëmbëlit, omwinden, om iets 
winden, — kronkelen (zooals een 
slang) enz.; Mëmbëlitkën, iets 
omwinden, het een of ander om 
iets winden, —binden, iets om- 
kronkelen, om iets wikkelen, enz. 

Bëloe, halfblind, niet goed meer 
van gezicht (ten gevolge van de 
kinderpokken); Bëloe-beloe, roo- 
ds vlekken op het Itjf (na een 
bad); Bëloe-bëlai, snateren, ram- 
melen, enz. 

Bëloeboer, pakhuis, schuur, groote 
rystschuur, magazijn. 

Bëloedak (ook Bëdoedak of 
Widoedak), de Indische adder 
met roodgevlekten kop. 

Bëloedar (of Bëloedër), een soort 
grof gebak, inlandsche pudding. 

Beloedroe, fluweel. 



BELO. 

Beloek (of Belok), Mëmbelok, 

eene beweging zijwaarts maken, 
een anderen weg inslaan, wen- 
den, omkeeren, draaien, loeven, 
fig. ook aarzelen, terugkrabbelen. 

Bëloekar, jong bosch, jong hout, 
kreupelhout. 

Bëloelang, onbereide, ongelooide 
huid, ook eelt, eksteroog. 

Bëloeloek (Jav.), jonge pasgevorm- 
de vrucht van den Kaboeng- of 
lontap-palm; (Borassus flabelli- 
formis) en van den cocospalm, 
^Cocos nucifera). 

Bëloembang (ook Gëloembang 
of Gëlombang), groote baar of 
golf, zware deining; Bëloembang 
boengalëpang^ golven met wit- 
te koppen; Bëloembang ook 
(Jav.) = vijver, vischv-tjver, water- 
kom voor visschen (op erven, enz.). 

Bëloenggoe, boei, handboei, voet- 
boei, kluister; Bërbëloenggoe, 
geboeid^ z\jn, in boeien geslagen ; 
Mëmbëloenggoe, boeien, in 
boeien slaan, kluisteren, enz. 

Bëloentas, een heester met aro- 
matische bladeren (Conyzaindica) 
veel voor levende hagen gebruikt. 

Beloet, verraad; Mëmbeloet, ver- 
raad plegen; Mëmbeloeti, ver- 
raden,^ iets verraden; Mëmbe- 
loetkën, iemand iets verraden, 
tegenover iemand verraad plegen ; 
Pëmbeloet, verrader. 

Bëloet (ook Wëloet), aal, paling; 
Bëloet, ook ineengekronkeld (als 
een slang); Mëmbeloet, ineen- 
kronkelen, om iets heen kron- 
kelen. 

Bëlo (Jav.), ook Koeda bëlo), veu- 
len, een jong paard, dat nog nest- 
haren heeft, een jong paard, dat 
nog niet gebruikt kan worden. 

Bëlok, blok (een strafwerktuig), 
ook modderig,slikkerig(zie Bëlek, 
Belek, Betjek); Mëmbelok, 
met de voeten in het blok slui- 
ten; Pëmbëlokan, blok, het slui- 
ten in het blok, ook plaats of 



BELO. 



BEND. 



47 



kamer waar iemand in het blok 
gesloten wordt. 

Bëlom, nog niet; Bëlom përnah, 
Bèlom taoe (ook Bëlom biasa), 
nimmer nog, nog nooit, nog nooit 
gezien, — - vertoond, geen regel, 
nooit gebeurd, enz. ; Sabëloxn of 
Sabëlomnja, zoolang nog niet, 
enz. 

Bëlongsong (Jav.), overtrek, over- 
treksel, zak vraarin iets bewaard 
wordt, ook de huid van slangen, 
die periodiek afvalt, enz. 

Belwag, veldwacht, pioniersdienst 
(by militairen). 

Bëmbam (ook Bëmbëm of Ka- 
bëmbëm), Mangifera laurina, een 
mangga-soort met sterkriekende 
vruchten j Mëmbëmbam, poffen, 
in gloeiende of heete asch gaar 
maken, enz. 

Bëmbaran, soort van draagstoel, 

Bembet, Mëmbembet, aan de 
hand dragen (byv. een valies, enz.), 
ook iemand by de ooren voort- 
trekken. 

Bëna, getygolf, hoogttj, vloed, was- 
send water. 

Bënah, plaag, ziekte, epidemie. 

Benam, Mëmbënam, iets onder 
asch steken, begraven, enz. (om 
te pofifen), onder water steken, 
ook een spflker indryven totdat 
de kop niet meer zichtbaar is. 

Bënang, garen, draad; Bënang 
ëmas, gouddraad; Bënang poe- 
tih, wit garen; Bënang item, 
zwart garen, enz.; Bënang lajar, 
zeilgaren; Bënang soetëra, naai- 
z\]de; Bënang boeloe of Bënang 
wol, sajet; Bënang kasar, grof 
bindgaren ; Bënang tisi of tiras, 
stopgaren, garen om te stoppen. 

Bënar (ook Bëtoel, Baïk), waar, 
waarachtig, juist, behoorlek, we- 
zenlek, deugdelijk, goed, biliyk, 
oprecht, recht, in waarheid, in 
ernst, degeiyk, echt, inderdaad, 
degelWk, ter dege, enz. ; Mëmbë- 
narken, voor waar houden, enz. 



waar maken, gelyk geven, in het 
gelijk stellen, ook herstellen, goed 
maken, in orde brengen, enz.; 
Dëngan sabënamja, in waar- 
heid, werkelijk, wezenlijk, enz. 

Bënda, ding (ook voor de schaam- 
deelen), zaak, iets, goed, goederen, 
have, enz. ; Harta-bënda, eigen- 
dommen, bezittingen, enz.; Ma- 
ta-bënda, koopwaren; Bënda 
tjëmar kaïn, menstrueer en, de 
menses hebben; Bërbënda, in 
goeden doen, gegoed, rtjk zijn, 

Bëndahara, titel van den eersten 
staatsdienaar, rijksbestuurder, 
schatbewaarder ; Fërbëndaha- 
ra3.n, schatkamer, schatkist. 

Bëndabari, hoofd der magazijnen, 
magazi)nmeester,8chatbewaarder. 

Bëndang, vak van een bouwland, 
nat of droog, afgedijkt veld, met 
dijkjes enz. begrensde akker. 

Bëndara (Jav.), heer,meester,mees- 
teres, gebieder, gebiedster, enz. 

Bende, bekken, omroepersbekken ; 
Mëmoekoel bende, op het bek- 
ken slaan. 

Bëndërang, haar of pluim aan een 
piek of lans tot versiering ;Toem- 
bak bëndërangp, aldus versierde 
staatsielans ; Bëndërang, ook 
sterk, schitterend (van licht); 
Tërang bëndërang, hel, schit- 
terend verlicht. 

Bendi, een kleine sjees op twee 
wielen. 

Bëndjoet (Jav. Bat.), buil, zwelhng, 
gezwel (tengevolge van een slag, 
stoot, val, enz.). 

Bendjol (Jav. Bat), buil, vetbuil, 
bobbel, bult, blaar, zwelling, ge- 
zwel, enz. 

Bëndo (Jav. Bat.), kapmes. 

Bëndoe, toorn, gramschap, kwaad- 
heid, woede, ook kwaad zün, enz, 

Bëndoel, sloof, ligger (bouwkunde). 

Bëndoeng, dam, dijk, waterkee- 
ring; Mëmbëndoeng, af dammen . 
eeiv diJk leggen, door een dijk 
tegenhouden (van water); BSd- 



48 



BÉNG. 



doensan of Pëmbëndoengan, 

dam, dtjk, waterschutting» enz. 

Bëngah, Udel, met zich zelf inge- 
nomen, laatdunkend, opgeblazen, 
ingebeeld, enz. ; Mëmbëngah, 
ydel zfln, zich ingebeeld toonen, 
trots op zich zelven ztjn, enz. 

Bengal, koppig, styf kop, ook stout, 
ongehoorig, enz. 

Bëngang, gapend, wjjd open (van , 
den mond), ook venusziekte, sy- 
phylis. 

Bëngap, gedempt (van een klank), 
niet spraakzaam, zwijgend, stil; 
ook = Bëngëp, opgezet, gezwol- 
len, onnatuurlijk dik (van het 
aangezicht). 

Bengbeng (Mëmbengbeng), ie- 
mand aan-, btj de ooren trekken. 

Bëngek, kortademig, aamechtig, 
asthma, aan asthma lydend, niet 
goed adem kunnen halen, enz. 

Benggol, knobbel, zwelling, bult, 

'^ Mëmbenggol, knobbelig z\jn; 

I knobbels krggen, ver toonen, enz.; 

^ Benggol-benggll, overal knob- 

Z belig, aan alle kanten knobbels 

4 hebben, enz.; Mëmbenggal- 
^ benggol, vol knobbels zitten, 
?; overal knobbels hebben, krtJgen, 

5 vertoonen, enz. ; Benggol (Jav.), 
ook rooverhoofdman. 

Bëngls, wrevelig, korzelig, kort 
aangebonden, streng, boos, boos- 
aardig, ntJdig, wreed, hard, hard- 
vochtig ; Këbëngisan, hardvoch- 
tigheid, strengheid, wreedheid, 
enz. ; Mëmbëngis, streng, hard 
zyn, zt)n wrevel toonen, enz. 

Bëngkajang, overmatig verzadigd, 
benauwd van verzadiging. 

Bëngkak, gezwollen, opgezet, 
zwelling, gezwel. 

Bëngkalal, gestaakt, onvoltooid 
(van een werk), ook = BëkëlaS 
of Bërkëlal, twisten, vechten, 
enz.; Mëmbëngkalalkën, een 
werk staken, onvoltooid laten, - 
ook laten vechten, tegen elkander 
aanhitsen, enz. 



BENJ. 

Bengkel (HolL), winkel, con- 
structie-winkel, smedery (tjzer, 
— goud — enz.), werkplaats voor 
smeden, timmerlieden, schrijn- 
werkers, etc. 

Bengkeng, hcht geraakt, kregelig, 
spoedig boos, opvliegend van aard, 
korzelig, enz. 

Bëngkoeng, buikgordel, buikband, 
lange smalle reep katoen of lin- 
nen, die in verscheidene windin- 
gen om de heupen en den buik 
geslagen en stevig aangezet wordt 
(by vrouwen vooral na bevalUn- 
gen) om verzakkingen, enz. te 
voorkomen. 

Bengkok (ook Bengkong), krom, 
gebogen, omgebogen; Bengkak- 
bengkok of Bengkang-beng- 
kong, krom en verdraaid, in 
allerlei bochten gebogen, enz.; 
Membengkok, krom worden; 
Mëmbengkokkën, krom ma- 

Bëngok (zie Bëngap); ook : neer- 
slachtig, mismoedig, enz., en gegil, 
geschreeuw, enz. ; Mëmbëngok, 
mismoedig, enz. zyn; ook (Jav.) 
schreeuwen, gillen ; Bëngok- 
bëngok of Mëmbëngok-bë- 
ngok, voortdurend, herhaaldeiyk, 
onophoudelijk gillen, schreeuwen, 
roepen, om hulp roepen, enz. 

Bëngoe (ook Baoe bengoe), duf, 
muf, vunzig, onaangenaam voch- 
tig riekend, beslagen, uitgeslagen, 
(van schimmel btjv.). 

Bengoel, gezwollen (van de oogen 
door het vele schreien of wa- 
ken). 

Bëngong, verbaasd, verbluft, spra- 
keloos van verbazing, ook gedach- 
teloos kyken, enz., versuft, suffe- 
rig, absent van geest, enz. 

Bëning, helder, transparant door- 
zichtig, schoon; AJër bëning, 
helder water; Moeka bëning; 
helder, frisch gelaat. 

Benjek, papperig, kleverig (van 
iets, dat te zacht gekookt is), 



3EN0. 

oók — Bëlok, modderig, slik- 
kerig, slik, modder. 

Bënoea, werelddeel, groot vastland, 
land door een volk bewoond, ook 
groote stad, hoofdstad; Orang 
bënoea, landzaat. 

Bënoedam, genegenheid. 

Bënta, verzwering aan het bovenHj f- 

Bëntak,^ snauw, toesnauwing; 
Mëmbëntak, snauwen, toesnau- 
wen. 

Bëntan, ingestort, op nieuw ziek 
geworden na aan de betere hand 
te zyn geweest. (Zie ook Kam- 
boe). 

Bëntang (ook Pëntang), Mem- 
bëntang: ook Mëmëntang, span- 
nen, uitspannen, strak uitsprei- 
den, enz. 

Bëntar, (gewoonlyk met sa of së 
verbonden tot) Sabëntar, oogen- 
blik, een oogenblik, op het oogen- 
blik, oogenbhkkeiyk, dadelyk, 
even, eventjes; Sabëntar li^, 
nog een oogenblikje, nog een 
kleine wyi; Sabëntar-bëntar, 
elk oogenblik, telkens. 

Bëntëk (ook Bonto) (Bat. ïav.), 
bedorven, tot bederf overgegaan 
(van visch), ook: kort, ineenge- 
drongen van postuur. 

Bentël (Jav.), samengepakt, ineen- 
gedrongen, ineengewfongen, bos- 
je, bosje padi ; Mëmbëntël, 
ineengroeien tot een bosje, in 
bosjes böeenbrengen, enz. 

Bentenfi:, schans, redoute, fort, 
vesting, ook: borstwering, dyk, 
aanhooging of regelmatige op- 
hooging van aarde, enz. 

Bentet (Bat), (ook Sëntet), ge- 
barston, gespleten, barst, spleet, 
scheur, (in harde voorwerpen als 

_Porcelein, glas, enz.). 

Bentet, toesnauwen, afsnauwen. 

Bentjah (ook Rëntjah), drassig, 
moerassig, veenachtig; Tanah 
bentjah, drassige, moerassige 
grond, veengrond, enz. 

Bèntjana, bedrog, argUst, laster, 
Malkisoh-Hollandsch. 



BERA. 



49 



smaad, beleediging, leed, blaam; 
Bërboewat bënt^na, bedrog 
plegen, leed aandoen, ~ berok- 
kenen, kwellen, enz.; Mëmbën- 
tjanakën, bedriegen, lasteren, 
bejasteren, smaden, beleedigen; 
Pëmbëntjana, bedrieger, laster- 
aar, enz.; Pëmbëntjana&n, be- 
drog, laster, smaad, beleediging, 
enz. 

Bëntji, hatelök, het hatelüke, ook 
haat, afkeer, tegenzin; Membën- 
tji, haten, een afkeer van iets 
of iemand hebben, iets of iemand 
hateiyk vinden. 

Bëntoer, stoot, carambole, stoeten, 
tegen iets aanloopen, enz.; BÏa- 
bëntoer, tegen Iets aangekomen, 
aangeloopen, — gestooten, enz.; 
Mëmbëntoer, tegen iets stoo- 
ten, aanloopen, enz., ook: (iets 
buigzaams) buigen, buigzaam ztJn, 
buigen, enz. 

Bëpada (Bandj.), een zaak aanbren^ 
^en, verklappen. 

Bera, verlegen, beschaamd; Bëra 
moeka, schaamrood, rood wor- 
den van schaamte of verlegen- 
heid, enz. 

Bërabai, afgesloofd, moe zyn, zich 
afsloven, druk in de weer zfln. 

Bërabi, onvoltooid, gestaakt, half- 
afgedaan. 

Bëradja (ook Bërada) (Bat.), 
meteoor, vuurbol, natuurlek vuur, 
in het algemeen alle met vlam- 
men, vuur of licht gepaard gaande 
natuurverschijnselen, waarin de 
inlander meest slechte of kwade 
voorteekens ziet. 

Bëradjak, Spaansche ruiters (ver- 
sperringsmiddel). 

Bërahi (ook Birahi), verliefd, enz.; 
Mëmbërahi, verliefd z^jn, be- 
minnen, sterk verlangen naar, enz. 
verzot ztjn op; Pëmbërahi, sterk 
verlangen, vurige wensch, ook 
minnaar, verliefde. 

Bërahmaaa, Brahmaan, man uit 
de hoofdcaste der Hindoes. 



50 



BERA. 



Bërak, opgezet, (door ziekte) ge- 
zwollen, niet versch meer (van 
visch bijv.); Mëmbërak, met 
geweld onder water of in den 
modder dompelen, duwen en zoo 
doen stikken, verzuipen. 

Berak, z\Jn gevoeg doen, aan een 
groote natuurlyke behoefte vol- 
doen, poepen, kakken, schyten; 
Bërberak-berak, diarrhee heb- 
ben, buikloop hebben, dikwerf 
naar achteren moeten ; Mëmbe- 
raki, beschyten, bekakken, be- 

Soepen, op iets poepen, enz.; 
lëmberakkën, iets uitschoten, 
ook beschijten enz. 

Bërakah, vermetel, stout, verme- 
telheid, vermetele, durfal, enz. 

Bëralat, huwen, trouwen, in het 
huwiyk treden. 

Bëranak, bevallen, een kind ter 
wereld brengen, van een kind 
verlost worden, enz. Zie Anak. 

Bërandal (Jav.), muiteling, roover 
(in troepen uitgaande om te roe- 
ven), opstandeling, enz. 

Bërangan (ook Warangan), rat- 
tekruid, zwavel-arsenik. 

Bëracgas (Jav. Bat), (of Bëra- 
ngasazi), opvhegend, driftig, dol- 
driftig, ongeduldig, woest in drift, 
ook woest, vreeswekkend van 
voorkomen, enz. 

Bërangsang, opwinden,aansporen, 
opwekken, aanhitsen, enz. 

Bërani, stout, vermetel, driest, 
dapper, moedig, onversaagd,kloek, 
heldhaftig, brutaal, vi-ijjpostig, dur- 
ven, moed, dapperheid, kloekheid, 
brutaliteit, vröpostigheid; Ka- 
bëranian, moed, dapperheid, enz.; 
Orang bërani, een dappere, een 
moedige, een held, durjal, bru- 
tale, enz.; Mëmbëranikën, moed 
inspreken, moedig maken, bemoe- 
digen, aanmoedigen, enz.; Bësi 
bërani, magneet, magneetjjzer. 

Bërantak, fraai, afwisselend, divers 

J gekleurd, als de regenboog bflv. 
rantakan (Bat.), (ook Bërara- 



BERD. 

kan en Tërsiar), verstrooid, in 
wanorde door elkander liggen, 
overal verspreid, als over den 
grond gestrooid, een warboel uit- 
makend, enz. 

Bërapa, hoeveel, hoeveel ook, hoe- 
zeer ook, hoe ook, zooveel als, 
enz.; Bërapa banjak, hoeveel? 
Bërapa harga, wat^is de pr^js? 
Hoeveel kost het? Bërapa lagi, 
hoeveel nog? Bërapa lama, hoe 
lang? Bërapa kali, hoevele ma- 
len? Bëbërapa, menig, menige, 
menigte, een aantal, enz. ; Bëbë- 
rapa manoesia, hoevele men- 
schen, welk een menigte, enz.; 
Tiada bërapa of tiada sabër- 
apa, niet veel, niet noemens- 
waard, niet byzonder, enz. 

Bërarakan, zie Bërantakan. 

Bëras, ontbolsterde r\jst, ook elke 
soort graan of diergeiyke kleine 
vrucht, die na droging voor het 
gebruik, van de harde schil waar- 
in zy bevat is, ontdaan wordt, 
b^ijv. Bëras kopi of Kopi bëras, 
ontbolsterde, van de hoornschil 
ontdane koffieboon tjes; Bëras 
koening of Bëras koenjit, met 
kurkuma geel gekleurde r^st, die 
by feesten gestrooid wordt. 

Bërat, zwaar, wichtig, bezwarend, 
moeielijk, drukkend, belangrijk, 
hard (om te verdragen), enz., 
zwaarte, gewicht, belangrijkheid, 
moeilijkheid, enz.; Këbëratan, 
moeilijkheid, belangrijkheid, 

zwaarte, gewicht, ook te zwaar, 
te hard, te moeilijk (om te dra- 
gen) enz. en bezwaard, zich be- 
zwaard gevoelen, niet in staat te 
dragen, enz. 

Bërdantjing, klinken, rinkelen. 

Bërdantong, iets, (bijv. een deur) 
met geweld dichtgooien, smak- 
ken, enz. 

Bërdarek, kraken, (van zand enz.), 
tusschen de tanden. 

Bërdaroh, kraken (van onrijpe 
of ongare groenten, enz.), onder 



BERD. 



BERK. 



51 



het eten, (byv. van jonge kom- 
kommers). 

Bërdatik, kraken (van den vloer 
of van schoenen, byv.). 

BërdoeS; dik en vooruitstekend 
van den buik (by v. bfl hoog zwan- 
gere vrouwen). 

Bërëk, niet versch, bedorven, tot 
bederf overgegaan (van visch), 
zie Bëntëk en Bërak. 

Bërëm (of Bëram), een bedwel- 
mende drank, ook het bezinksel 
daarvan, verkregen door gisting 
van Tapi of Tape, (zie dit woord). 

Bërëxnban, dwarslat of dwars- 
hout ter verbinding van nevens 
elkander geplaatste lichamen, 
zooals palissaden, enz. 

Bërendi, brandy, cognac, brande- 
wyn. 

Bërengbëreng, bekken, koperen 
slagbekken, behoorende tot de 
Chineesche muziekinstrumenten. 

Bërëngga, veel plaats innemen, 
veel ruimte beslaan, wyd, breed, 
van groeten omvang. 

Bërëngos (Jav.), volle baard, bak- 
kebaard of knevel ; Bërëngosan, 
ruig behaard, zwaar gebaard. 

Beres (Bat.), geregeld, in orde, 
gerangschikt, goed geordend ; 
Mëmbereskën, in orde schik- 
ken, beredderen, opredderen, be- 
hoorlijk rangschikken, ook rege- 
len (van zaken enz.). 

Bërësih (of Bërsih), schoon, zuiver, 
rein, niet vuil, helder, klaar, 
net, zindelijk; Mëmbërsihkën, 
schoonmaken, zuiveren, enz., ook 
(Bërsihin) (Bat.), een kind doen 
besneden ; Kabërsihan, schoon- 
heid, helderheid, zuiverheid, enz. 

Bëret (ook Baret), gekrabd, ge- 
schramd, geschaafd (van het ge- 
zicht, enz.), waarop scheurtjes 
enz. in het vel zichtbaar z^jn). 

Bergantoeng, zich sterk aan ie- 
mand aansluiten, hechten, hem 
sterk aanhangen, ook van iets of 
iemand afhangen, afhankelijk zyn. 



Bërgisai (of Bërgiair), langs iets 
heenschuiven (byv. langs een 
muur). 

Bërhala, afgod, afgodsbeeld. 

Bëri, Mëmbëri, geven, schenken, 
toesLtaan, verleenen, vergunnen, 
veroorloven, inwilligen, toelaten, 
enz.; Mëmbëri taoe, ^kennis 
geven, berichten; Mëmbëri ati, 
toegeven, verwennen, ook iemand 
moed inspreken, een hart onder 
den riem steken; Pëmbëri, 
schenker, gever, ook gave, gift, 
geschenk ; Pëmbërian, schen- 
king, inwilliging, gave, gift, ge- 
schenk. 

Bëri (Bat.), slaag, ransel, klap; 
Mëmbëri, (iemand) slaan, ranse- 
len, een pak slaag geven, enz. 

Beri-Beri, eene ziekte. 

Bërida, oud, oud-gediende. 

Bër^a, gehoorzamen, volgen, op- 
volgen. 

Bëringin (ook Waringin of Wë- 
ringin en Bëraksa)» ürostigma 
benjaminum : de bekende z.g. In- 
dische vijgenboom, die veel op 
pleinen enz. om ztjn schaduw 
aangeplant wordt. 

Bërisik, geruisch, gedruisch, leven, 
hinderlijk gebabbel, enz. 

Bërita, tyding, bericht, mare, 
nieuws, kennisgave; Mëmbërita, 
mededeelen, kennisgeven, berich- 
ten, rapporteeren; Mëmbëritaï, 
iemand iets berichten, melden,iets 
als tyding of nieuws zenden, mede- 
deelen, enz.; Pëmbërita, bericht- 
gever; Pëmbërita&n, mededee- 
ling van een tijding, berichtge- 
ving, verslag, rapport; Soerat 
pëmbërita&n, schriftelijk ver- 
slag, proces-verbaal, ook veror- 
dening, openbare afkondiging, 
ordonnantie. 

Bërkalab, sluimeren. 

Bërkapati, zijn woord houden, 
nakomen. 

Bërkas, bos, bundel, schoof, garve; 
Mëmbërkas, tot een bos, schoof. 



52 



BERK. 



BERS. 



bundel, garve samenbinden (bflv, 
van brandhout, enz.). 

Bërkasëm, haatdragend zijn,wraak 
koesteren. 

Bërkasan, bemerken, gewaar wor- 
den, opmerken. 

Bërkat, zegen, aanwas, vermeer- 
dering, overvloed, geluk, gelukza- 
ligheid, ook wat na een offermaal- 
tyd door de aanzittenden, als een 
geschenk voor hunne thuisgeble- 
ven familieleden van het maal 
wordt medegenomen; Mëmbër- 
kat, een dergelyk geschenk me- 
denemen; Mëmbërkati,zegenen, 
zegen aanbrengen, ook iemand 
bërkat; voor de zynen mede- 
geven. 

Bërkatjimpoeng (of Bërkatjitn- 
ploeng), van badenden, met de 
handen in het water slaan en 
daardoor geluiden voortbrengen, 
waarvan dit woord een klankna- 
bootsing is. 

BërkirinfiT, in den modder rond- 
wentelen, zooals de karbouwen. 

Bërkoko, zich aankleeden, z\jn toi- 
let maken. 

Bërkoetek (of Bërkëtok), kake- 
len van hennen. 

Bërlindoeng, schuilen, zich dek- 
ken, zich beschutten, ergens on- 
der schuilgaan, een schuilplaats 
zoeken, enz., ook iemand beschut- 
ten, vóór hem gaan staan, enz. 
Zie verder Lindoeng. 

Bërmani (of Blata gëlap), het 
schemeren, tijdel^ke verduiste- 
ring (der oogen). 

Bërobol (Jav.), in groeten getale 
ergens uitkomen, in groeten 

Jretale overvallen. 
roedjoel (Jav.), ploeg voor hoog- 
gelegen terreinen. 
Beroek (Jav.), een maat van den dop 
eener cocosnoot, kunnende bevat- 
ten 4tkb katti's rtJst, boenen, enz., 
gewone maat, vooral in Midden- 
Java, bö het koopen van rtJst. 
B&ro^idjah (of Bëroendjahoen- 



djah), spartelen, steigeren, om- 
hoog springen, allerlei bokke- 
sprongen maken. 

Bëroeroeng, levendig, vroolyk, blij- 
de, luidruchtig, verheugd, ook een 
geanimeerd feest vieren. 

Bëroewang (ook Blroewang), de 
Indische bruine beer. 

Berok (ook Berop) (HolL), werf; 
te Batavia ook het gevangenhuis, 
dat er staat. 

Bërombong (ook Bëroemboeng 
en Sëroemboeng), bamboezen 
cylindervormige omheining om 
boompjes tegen beschadiging te 
beveiligen, ook kokers van bam- 
boezen rasterwerk voor het ma- 
ken van dammen, enz, 

Bërondong, (klanknabootsing) van 
Chineesch vuurwerk : tegelyk 
knallen, afgaan (van een rits). 

Berong, scheef, (voornamelijk van 
het aangezicht). 

Bërongkolan, niet vlak, met bob- 
bels of knobbels, ook in kluiten, 
kluitig. 

Bërontak, ergens tegen aanstoo- 
ten, ook spartelen, zich trachten 
los te rukken, allerlei bokkespron- 
gen daartoe maken (zie : Bëroen- 
djah), ook zich met geweld ver- 
zetten. 

BërontOB (of Bëroentoes), knob- 
bej, bobbel, klein gezwelletje; 
Bëroentoesan, ruig van vel, kip- 
pevel hebben, het lichaam met 
kleine bobbeltjes bezet hebben. 

Bërpasih (ook Bërpasih lang- 
kah), schermen, zooals de inlan- 
ders doen. 

Bërsigap, de eerste zyn, vooraan 
zijn, anderen iets afsnoepen, enz. 

Bërsila (Jav.), ook Bërselo), zitten 
met de beenen onder het Itjf 

Jrekruisd. 
rsimpa (of Bërsimpoh), zitten 
met de beenen niet gekruisd 
onder het ItJf, maar schuins naar 
achteren gebogen. 
Bërsiii, niezen (zie Bangkës). 



BERS. 

Bërsintau, gedachteloos ztjn, zon- 
der nadenken alles uitflappen. 

Besan, benaming die de weder- 
zjjdsche ouders van getrouwde 
kinderen elkander geven ; Besan- 
sabantal^ idem van man en 
vrouw, wier voorkinderen met 
elkander getrouwd zijn; Bërbe- 
sanan, elkanders kinderen samen 
laten trouwen; Mëmbesan, 
iemand besan noemen. 

Bësar, groot, dik, zwaar, omvang- 
rijk, gewichtig, aanzieniyk, van 
hoogen rang; Oraxig bësar, een 
groot mensch, ook een aanzien- 
lijke, notabele, adellijke, iemand 
van hoogen rang; Ajër bësar, 
hoog water; Hati bësar, hoog- 
moedig, trotsch, ook durven; 
Këpala bësar of Bësar kapala, 
koppig, styfhoofdig (het eerste 
ook : een ^root^hoofd) ; Mëmbë- 
sar en Membësari, groot wor- 
den,groeien,enz.;Mëmbësarkën, 
groot maken, vergrooten, verhef- 
fen, in aanzien doen toenemen,enz. 
Këbësaran, grootheid, macht, 
aanzien, waardigheid, hoog ambt, 
achtbaarheid, trots, hoogmoed, 
ook (Tanda kabësaran), rijks- 
insigniën, enz. 

Beser, onwillekeurige vloeiing uit 
de geslachtsdeelen, in het dage- 
lyksche leven meer bepaaldelijk 
gebruikt voor Beser këntjing 
=onwillekeurige urineloozing,ook 
onophoudelijke of veelvuldige 
loozing; Beser mani, zaadvloed; 
Beser poetih-poetihan, witte 
vloed. 

Beset (ook Këset en Mëmbëset), 
villen, de huid afstroopen, —af- 
scheren, ook gescheurd, ge- 
schaafd (van de huid, enz.). 

Besl, yzer ;Bësi lantai, plaatijzer; 
Besl bëraai, magneetyzer, mag- 
neet; Bësi batang, staaftjzer; 
Besi poetih, ijzerblik, blik; Tai 
^ësi, ijzer vtjlsel; Karat bësi, 
Dzerroest; Pëloeroe bësi lan- 



BETA. 



53 



tai, kartets, granaat, granaat- 
kartets. 

Bëskat (ook Baskat), een borst- 
rok, een soort vest dat onder 
andere kleederen gedragen wordt. 

Besoek (Jav.), (of Besok), morgen, 
den volgenden dag, ook later; 
Besoek pagi, morgen ochtend ; 
Besoek kapan kapan, later, 
nog onbepaald wanneer; Mëm- 
besokkën, tot morgen, den vol- 

. genden dag, onbepaalden tijd 
uitstellen (verg. Bsoek). 

Bësoemit (Pontian. Mal.), een 
knevel dragen (zie Soemit). 

Bësoet, schaaf; Mëmbësoet, 
schaven, afschaven, ook metalen 
van de alliage zuiveren; Bësoe- 
tan, schaafsel, afval, ook wat 
gezuiverd is van alHage; Pëm- 
bësoet, wie of wat schaaft of 
zuivert, zuiveringsmiddel. 

Bëstari, uitgebreide kundigheden 
bezitten, geleerd, volleerd, talent- 
vol, welopgevoed. 

Bëtah (Jav.), ergens aarden, het 
kunnen uithouden, ook sterk zijn, 
in staat zijn, ook bestand zijn te- 
gen, enz. ; Tiada bëtah tinggal 
di Bëtawi, het te Batavia niet 
kunnen uithouden, er niet kun- 
nen aarden, het bevalt mi) (hem, 
haar, u, enz.), niet te Batavia; 
Mëmbëtahkën, trachten vol te 
houden, uit te houden, enz. trach- 
ten te wennen aan, ook volhar- 
den in of met, enz. 

Bëtak, Mëmbëtak, behoorlijk op- 
bergen, beredderen, in orde hou- 
den ; Djoeroe bëtak, hofmees- 
ter; Bëtak, ook = Bëtah, tegen 
iets bestand, gehard zijn, sterk 
van gestel, robust. 

Bëtapa (ook Boewat apa), om 
wat te doen ? Waarvoor ? Waar- 
toe? Waarom? Wat? Hoe? Hoe- 
danig? Tot welk einde? Zoo- 
danig, zoo, zooals. 

Bëtas, opengescheurd, (bflv. van 
een zak), gespleten of gebroken, 



54 



BÈTA. 



BIBI. 



(byv. een ei, dat uitgebroed is), 
gesprongen, opengegaan, losge- 
tornd, (van een naad, enz.). 

Bëtaivi, Batavia, Bataviaasch. 

Bëtina, het vryfje van alle levende 
dieren, (soms ook gebruikt voor 
vrouw, vrouwelijk mensch). 

Bèting, rif, lange smalle zandbank 
in zee of aan de monding van 
rivieren. 

Bëtis, het gedeelte van het lichaam 
tusschen de knie en den enkel; 
Toelang bètis, scheenbeen ; 
Boewah bëtis of Djantoeng 
bëtis, kuit. 

Bëtit, Mëmbëtit (Bat.), hard loe- 
pen, ventre a-terre gaan (van een 
vluchteling byv.). 

Betjek, plas, poel, modderpoel, 
regenwater, dat is blyven staan 
(op straat), modderig, slikkerig, 

BëtjoeB,EnggabëtJoes,niet goed, 
niet in orde. 

Bëtjokok, een soort kleine kro- 
kodil. 

Bëtoel, goed, recht, juist, waar, 
echt, waarachtig, wezeniyk, op- 
recht, in orde, enz.; Hati bëtoel, 
oprecht van harte; Bëtoel di 
atas koeping, juist boven het 
oor; Mëmbëtoelkën, iets in 
orde brengen, repareeren, recht 
maken, verbeteren, corrigeeren, 
regelen; Mëmbëtoeli,' in orde 
brengen, repareeren, corngeeren, 
enz., ook op iets mikken; Bër- 
bëtoelan, overeenkomen met, 
in de richting zijn van ; Kabë- 
toelan, juist, juist van pas, te 
goeder ure, van pas, toevallig; 
Sabëtoelnja, in waarheid, inder- 
daad.eigeniyk, het is werkelyk zoo. 

Bëtoeng (ook Pëtoeng), Bambusa 
nigro-ciliata, Bambusa aspera of 
Gigantochloa aspera, de grootste 
soort Bamboe. 

Bëtoewas, loon, vergelding. 

Bëtot (Jav. Bat.), njk. ook valsche 
kneep, waarbtJ de nand eenigs- 
zlns gedraald en met een ruk 



teruggehaald wordt; Mëmbëtot, 
rukken, valsch knypen ; Mëmbë- 
toti, herhaaldelijk rukken. 

Bewok (Jav.), gebaard, ruigge- 
baard, behaard. 

Bia, kantieljewerk, (gew. Bia-bia), 
ook achterkleinkind. 

Biada, vrouw, vrouwelyk, verwflfd. 

Biaja, uitgaven, levensonderhoud, 
kost, vertering; Mëmbiaja, ver- 
tering maken, uitgaven doen; 
Mëmbiajakën, uitgeven, ver- 
teren, ten koste leggen, besteden, 
iemand onderhouden of den kost 
geven, enz. 

Biang (Jav.), moeder, moederdier, 
wyfje van dieren, dat reeds ge- 
jongd of eieren gelegd heeft ; 
Ajam biang [ook: Bikang 
(Soend.) of Babon (Jav. Bat.)], een 
legkip of hen met kuikens; 
Biang djari tangan of Biang 
daridja, ook DJëmpol tangan, 
duim (van de hand); Biang 
djari kaki of Djëmpol kaki, 
groote toon, duim (van den voet) ; 
Biang, ook geil, wulpsch, hyste- 
risch (voornamelijk van vrouwen). 

Bianglala, regenboog. 

Biar, laat maar, het zy, ook : opdat ; 
Biarlah, laat het zijn ; Mëmbiar 
of Mëmbiarkën, laten, gedoo- 
gen, toelaten, laten begaan, dul- 
den, alles goedvinden, goedkeuren, 
overlaten, aan ziJn lot overlaten, 
er zich niet mede bemoeien, enz. 

Biasa, gewoon aan, gewend zijn 
aan, ervaren, geoefend, bedreven, 
gewoonte, ervaring,bedrevenheid; 
Mëmbiasakën, wennen, gewen- 
nen, een gewoonte van iets ma- 
ken, enz. ; Mënghilangkën 
biasa, eene gewoonte afwennen; 
Kabiasa&n, gewoonte, aanwen- 
sel, enz. 

Biawak(ook Mënjawak),leguaan; 
Membiawak, als een leguaan 
zijn of doen, op den buik langs 
den grond voortkruipen. 

Bibi (Jav.), tante, jongere zuster 



BIBI. 



BIKO. 



55 



van vader of moeder; ook ge- 
bruikt in het algemeen tegenover 
eenigszins bejaarde vrouwen van 
minderen rang. 

Bibir, lip, omgebogen rand, boord 
of kant, zoom ; Bibir mata, rand 
van het oog; Bibir përaoe, 
boord van een vaartuig; Bibir 
gëlas, de rand van een glas; 
Bibir djoeweh of Bibir doble, 
dikke, hangende lip;Merah bibir, 
het rood der lippen ; Min jak bibir, 
lippenpomade. 

Bibit, zaad, ook jonge ter over- 
planting bestemde plantjes; Më- 
njëbar bibit, zaaien; Mëmbibit, 
zaad nemen of halen, ook afstam- 
melingen van dieren enz. trachten 
te krijgen door paring of kruising; 
(ook: Mëngambil bibit), Mëm- 
bibit, met de vingertoppen iets 
aanpakken, knypen, enz. (Verg. 
TJoebit). 

Bidadari (ook Bidyadari, Wida- 
dari), nimf, hemelnimf, apsarase, 
engel, vrouwelyke luchtgeest. 

Bidai (ook Bide) (Soend.), vlecht- 
werk van bamboe voor bewandin- 
gen, ook doorzichtig vlechtwerk 
van dunne rotting of bamboe voor 
voorhangen, enz. en z. g. Ban- 
tamsche matten ; ook dicht naast 
elkander zichtbare striemen op 
het lyf, enz. en een spalk, waar- 
tusschen iets gekneld wordt; 
Mëmbidai,met bidai beschieten, 
afsluiten, enz., ook : spalken (by v. 
een gebroken arm) en striemen 
op iets maken. 

Bidan, vroedvrouw. 

Bidang, uitgespreid, uitgespannen, 
ook breed (van de borst bjjv.); 
Mëmbidangkën, uitspreiden, 
uitspannen, spannen ; Pëmbi- 
dang, Pëmbidangan of Pëmi- 
dangan, raam, borduurraam. 

Bidar, klein vaartuig met scherpen 
boeg. 

Bidara, boom behoorende tot de 
natuurlyke familie derRhamneae, 



met geneeskrachtige eigenschap- 
pen (Zizyphus jujuba); Bidara 
laoet, Zizyphus Horsfieldii; Bi- 
dara goenoeng, Diospyros hete- 
rophylla; Bidara kë^il, Zizy- 
phus rufula; Bidara paït, Strych- 
nos nux vomica ; Bidara poetih, 
Euricoma longifolia; Bidara 
tjina, Zizyphus jujuba. 

Bidjaksana (Sk.), bekwaam, ge- 
schikt, kundig, wijs, verstandig, 
ervaren, bedreven, knap, schran- 
der, ook: (Kabidjaksana&n), 
wysheid, bekwaamheid, verstand, 
schranderheid, enz. 

Bidjeh, tinerts. 

Bidjen (of Widjen), Sesamum 
indicum, een plant, uit wier zaden 
olie wordt gewonnen; Mlujak- 
bidjen, sosamolie. 

Bidji, zaad, korrel, pit, graankorrel, 
stuk, ook eenheid (by tellingen); 
Bidji mata, oogappel; Bidji 
nangka, pit van een nangka- 
vrucht, ook naam van een visch; 
Bërbidji of Bërbidjibidji, met 
pitten, pitten hebben, korrelig 
(byv, van riJst, die niet geheel 
gaar is), enz. 

Bidoer, blokje of schuitje tin; ook 
Bidoer of Bidoeran, netelzucht 
(eene ziekte), 

Bidoeri, edelgesteente, katoog; 
Bidoeri boelan, een soort ge- 
vlekte opaal; Bidoeri pandan, 
groene opaal ; Bidoeri (Badoeri 
of Widoeri), ook: Calotropis 
gigantea, een heester met scherp 
melksap. 

Bigar (Jav.), vroolyk, lustig, leven 
dig, enz. (van paarden). 

Bika (of Bëbika), een soort in- 
landsch gebak. 

Bikin, Mëmbikin, doen, maken, 
vervaardigen ; Mëmbikinkën, 
voor iemand iets maken, enz.; 
Përbikinan, wat men doet; Bi- 
kinan of Pëmbikinan, maaksel. 

Bikoe, geschulpt, getand, en^.; 
Bikoe-bikoe, kant- of bloem- 



56 



BILA. 



werk met bochten of in- en uit- 
springende hoeken. 

Bila, tyd, ten tijde dat, toen, wan- 
neer, enz.; Apabila of Bila apa, 
wat ttjd, wanneer? Bila maiia, 
wanneer; Barang bila, onver- 
schillig wanneer, te eeniger tjyd, 
enz. 

Bilah, lat, gespleten stuk bamboe; 
(dient ook als hulptelwoord = ons 
,stuk"). 

Bilahi, ongeluk, onheil, enz. 

Bilala, vraat, schrok, slokop, vreet- 
zak, enz. 

Bilang, getal, som, elk, ieder, ook 
woord, gezegde; Mèmbilangr, 
tellen, opsommen, optellen, reke- 
nen, berekenen, ook zeggen, ver- 
tellen, berichten, mededeelen; 
Mëmbilangkën, voor iemand 
iets optellen, berekenen, enz. ook 
iets aan iemand zeggen, verhalen, 
enz. iemand iets onder het oog 
brengen, berispen, etc.;Bilangan, 
telling, berekening, enz. ook ge- 



Bilas, Mëmbilas (ook Mëmbilas- 
kën), spoelen, afspoelen, uitspoe- 
len, overspoelen, met water nader 
schoönwasschén, enz. ; BUas, ook 
ontstoken, druipend (van de 
oogen); Mata bilas, leepoogen. 

Bilalail£r, staren, sterk zien, op één 
punt gevestigd z^jn, wiJd open- 
gesperd, rollen (van de oogen). 

Bilik, vertrek, kamer, ook bamboe- 
vlechtwerk voor bewandingen. 

Bilij9, Mëxnbilis, bezwalken, laste- 
ren, belasteren. 

Billahi, btj God! (in eeden). 

BUoer, striem. 

Blmbang, ongerust, bezorgd, in 
twöfel, besluiteloos, wankelmoe- 
dig, verstrooid, verlangend, ver- 
liefd; Mëmbimbangkën, doen 
wankelen, doen twtjfelen, bezorgd, 
ongerust maken, enz. 

BIn, zoon; AU bin Abdoellah, 
Ali, zoon van Abdoellah. 

Binarü, l^enbereider; Mëmbi- 



BINT. 

nara, iemand den mantel vegen, 
de waarheid zeggen, enz. 

Binasa, vernield, verwoest, te 
gronde gericht, vergaan, veronge- 
lukt, ook aangedaan, verteederd 
(van het gemoed); Mëmbinasa, 
vernielen, vernietigen, te gronde 
richten, enz. ook: aandoen, ver- 
teederen; Mëmbinaaakën, iets 
of iemand ongeluk aanbrengen, 
ongelukkig maken, vernietigen, 
te gronde richten, enz.; Kabi- 
nasa&n, verwoesting, vernieti- 
ging, ongeluk, enz. 

Binatang, dier, beest (ook als 
scheldwoord). 

Binatoe (ook Mënatoe of Toe- 
kang basoeh), waschman, blee- 
ker. 

Bindëng (Jav. Bat.), door den neus 
spreken. 

Bingai, oorpyn. 

Bingas, nijclig, grimmig (als eenkat). 

Bingit^ kwijnend (door een verlies 
of een sterk verlangen naar iets, 
enz.). 

Bingoeng, verbysterd, verward, in 
de war, verwardheid, niet weten, 
wat te doen ; Mëmbingoengkën, 
iemand in de war brengen, iemand 
verbijsteren, maken, dat iemand 
niet weet wat h\j doen moet, enz. 

Bingot (ook Bengot en Benjot; 
verg. Bengkok), scheef, niet 
recht, niet vierkant, enz.; Mëm- 
bengot, scheef worden. 

Blnl, vrouw, getrouwde vrouw, 
echtgenoote (van den man), wy^e 
(van een dier); Laki bini, man 
en vrouw; Anak bini, vrouw en 
kinderen, gezin, huisgezin (van 
den man); Bërbini, trouwen, 
huwen, een. vrouw nemen (van 
een man), paren (van een manne- 
lijk dier);Mèmbinikën,tot vrouw, 
tot wijfje nemen, hebben. 

Bintang, ster, ook ridderorde, eere- 
teeken; Bintang tëtap, vaste 
ster; Bintan g bëreikor of Bin- 
ti^g OTrafliep, ook Bintang 



BINT. 

koekoes of Bintaner kêmoe- 
koes en Bintans: bërekor, 
Bintang bërkotek, staartster, 
komeet; Bintang bërkibar of 
Bintang bëridër, dwaalster; 
Bintang bëralih, verschietende 
ster; Bintang oetara, de pool- 
ster; Bintang sore of Bintang 
barat, de avondster; Bintang 
pagi of Bintang timoer, de 
ochtendster; Bintang majang, 
het sterrenbeeld de Maagd; Bin- 
tang kala, het sterrenbeeld de 
Schorpioen ; Bintang bidoek of 
Bintang djoeng, het sterren- 
beeld de Groote Beer; Bintang 
kartika, het Zevengesternte, de 
Pleiaden; Bintang al djoebar, 
Orion; Bintang al nas], het 
sterrenbeeld de Wagen ; Bintang 
babado^ri, ridderorde, eeretee- 
ken; Bërbintang, gedecoreerd 
zijn; Bërbintangan, vol gaten 
als in een zeef (b\jv. van een dak) 
waardoor men de sterren kan zien. 

Bintik, vlek, vlekje, stip; Bërbin- 
tik, gevlekt, kleine vlekjes of 
stippeltjes vertoonen; Bintik- 
bintik, sproeten, zomervlekjes. 

Bintil, klein gezwel, ook verharding 
van de tepel eener aankomende 
maagd. 

Bintit) klein zweertje, ook strontje 
of gezwelletje aan een der oog- 
leden ; Bintitën of Bintitanzulk 
een gezwelletje aan een der oog- 
leden hebben. 

Bintoel, puistje of gezwelletje (ten 
gevolge van een muggebeet, enz.) 

Bintoer, fuik of mand, om kreeften 
of krabben te vangen; Këpiting 
bintoer, krabben op die wyze 
gevangen; Mëmbintoer, fuiken 
of manden voor de kreeftenvangst 

.uitzetten. 

Biola (Port.), viool; Bërbiola of 
Maln biola, een viool bespelen, 

^ op een viool streken. 

Bira, Mëmbira (Bat), iets op eene 
openbare veiling op crediet koopen 



BISI. 



57 



en direct aan een ander a comp- 
tant overdoen, ook iets op vendu- 
tie laten verkoopen en zelf opkoo- 
pen. 

Biras, vrouws broeder of broeders 
vrouw, zwager, zwagerin. 

Biri (of Biri-biri), schaap, Benga- 
leesch schaap. 

Birit, de romp, de billen : Tërbirit- 
birit of Tërberet-beret, ook 
Tërperet-peret, krom gebogen, 
in elkander gepakt, den buik 
vasthouden, enz. (btjv. bij hoogen 
nood, sterken aandrang tot een 
natuuriyke behoefte, enz.), ook: 
buitengewoon veel haast hebben. 

Biroe, blauw, blauwe kleur, blauw- 
sel; Biroe langit, hemelsblauw ; 
Biroe laoet of Biroe ajer laoet, 
zeeblauw; Mëmbiroe, blauw 
worden; Mëmbiroekën, blauw 
maken, blauw verwen; Biroe- 
biroe, geplooid, kunstmatige 
plooi; Mëmbiroekën, ook: iets 
kunstmatig plooien, in iets kunst- 
matige plooien leggen; Haroe- 
biroe, rumoer, lawaai, enz. (Zie 
Haroe). 

Biroeang (zie Bëroewang), de 
Maleische beer. 

Biroega (ook Ajam biroega), 
boschhaan, boschkip, boschhoen. 

Bisa, gift, vergift, venjjn, vergiftig, 
venijnig, pynlök, nopend, enz.; 
Bërbisa, vergiftig, venijnig z^jn. 

Bisa (Jav.), verstandig, bekwaam, 
kundig, bedreven» kunnen, in staat 
zijn, enz., ook verstand, bekwaam- 
heid, bedrevenheid, kennis, kunde, 
enz. ; Alah bisa oleh biasa, ken- 
nis verliest het tegen oefening of 
ervaring, d. i. de praktik gaat 
boven de theorie; Bisa-bisa&n, 
doen alsof men alles kan of weet, 
eigenzinnig, eigen w^s ztJn, enz.; 
Kabisa&n^ kunde, kundigheden, 
kennis, bekwaamheid, enz. 

Bisik, Mëmbialk, fluisteren, fluis- 
terend spreken ; Mëmbisikkën, 
iemand iets influisteren; Bërbisik 



58 



BISI. 



of Bisik-biBik, met elkander fluis- 
teren ,• ter zijde, heimeiy k spreken. 

Bising, verdoofd, gerommel in de 
ooren hoorend; Mëmbising, ver- 
dooven door gerotiimel in de 
ooren. (Zie ook Dësing). 

Bismillah, in den naam van God 
(begin van een gebed, enz.). 

Bisoe (Jav.), stom; MèmbiBoe, als 
een stomme doen; Mëmbisoe- 
ken dipi, zich stom houden. 

BiBoel (ook Bingsoel), bloedvin, 
steenpuist, bloedzweer, zweer, 
puist; Bisoel lada, kleine, vurige 
en pöniyke^puistjes; Bisoel na- 
nah of — mëngangkoet nanata, 
kloppende, met etter gevulde 
zweer; Bisoel sëlinop, steen- 
puist aan een scheenbeen ; Bisoel 
mata sëmbilan, negenoog. 

Biti, onderscheidend kenmerk, be- 
wys in rechten; Tanda biti, 
corpus delicti; Biti wordt ook 
gebruikt by het tellen van platte 
lange voorwerpen, btjv.; papan 
doewa biti, twee (stuks) plan- 
ken, enz. 

Biting (Jav.), speetje, pennetje, enz. 
(zooals o. a. gebruikt wordt voor 
de sësate). 

Bitjara, redeneering, beschouwing, 
raadpleging, bespreking, verhan- 
deling, onderhandeling, behande- 
ling eener zaak, voorstel, voor- 
dracht, advies, raad, meening, 
beraming van middelen, gezegde, 
gesprek, enz. ; Masoek bitjara, 
een proces beginnen, een zaak in 
rechten gooien, enz.; Bërbitjara, 
spreken, met elkander spreken, 
bespreken, sprekende z\Jn, ook in 
zich zelven spreken; Mëmbi- 
t^ara, spreken, een voordracht 
houden, rechtspreken, ook plei- 
ten; Mëmbitjarakën, over iets 
spreken, reden eeren, handelen, 
beraadslagen, iets overwegen, 
voorstellen, uitmaken, enz. ; Pëm- 
bïyara, die spreekt, enz., advo- 
caat, pleitbezorger, procureur; 



BOEB. 

Përbitjara&n, beschouwing, be- 
spreking, overweging, behande- 
ling, wat besproken, overwogen, 
verhandeld wordt, enz.; Pëmbi- 
tjara&n, de daad der overweging, 
het overwegen, het bespreken, 
enz.; Sabitjara, van dezelfde 
meening, van hetzelfde gevoelen, 
enz.; Gëdong bitjara, stadhuis, 
raadhuis, gebouw, waarin recht 
wordt gesproken, enz.; Tiada 
tërbitjarakan lagi, er is geen 
raad meer voor te schaffen, hope- 
loos; Apa bitjara kita, wat staat 
ons te doen; Apa bitjaramoe, 
welken raad geeft (schaft) gij? 

Bitjoe (ook Dongkrak, Holl.), 
dommekracht. 

Boba, pok, pokken. 

Bobab, jokken, kullen. 

Bobok, Mëmbobok (Jav. Bat.), iets 
ergens uithalen dooreene opening 
in de bewaarplaats te maken of de 
bestaande opening te verwijden, 
enz. (bijv. : geld uiteenbamboesen 
of blikken spaarpot, enz.). 

Bobos, doorgezakt, zoodat er een 
opening of gat door ontstaat (biJv. 
van een vloer). 

Bodjot, verward, in elkander ge- 
draaid, enz. (van fijn touw of 
garen, enz.). 

Bodo of Bodoh, dom, stom, onwe- 
tend, onkundig, niet slim, bot, 
domheid, onkunde, onwetendheid, 
enz.; Orang bodo, een dom 
mensch, domoor, domkop, stom- 
merik, botterik; Api api bodo, 
ook Mëmboewat bodoh, zich 
voor den domme houden ; Mëm- 
bodokën, iemand in verlegen- 
heid brengen zoodat hij niet weet 
wat te doen, ook iemand foppen, 
er in laten loopen, bedriegen, als 
een stommeling behandelen, een 
domkop noemen, enz. 

Boeboe, fuik, vischfuik. 

Boeboeh, Mëmboeboeh, plaatsen , 
zetten, leggen, ergens indoen, 
— opdoen, — bijdoen, enz.; Mem- 



BOEB. 



BOED. 



59 



boeboeh tapak tangan, ztjne 
handteekening stellen ; Mëzn- 
boeboeh tjap, een zegel of stem- 
pel op iets zetten, stellen ; Mëxn- 
boeboeh pëlana, opzadelen. 

Boeboek, kleine soort tor, kalan- 
der, boorkevertje, wormpje, dat 
in hout ;0f bamboe knaagt, ook 
poeder, 'molm en fijngestampt 
goed (als koffie, enz.), stof enz. 

Boeboel, eene verzwering, voor- 
namelijk aan de onderzijde der 
voeten (ook aan de handen), — 
voeteuvel; Boeboel, Mëmboe- 
boel, ook netten verstellen, her- 
stellen, boeten, enz. 

Boeboeng, gesteldheid eener 
vrouw, die na de bevalling, zonder 
v\reder gemenstrueerd te hebben, 
opnieuw zwanger is; Këboeboe- 
ngang, in dien toestand gebracht. 

Boeboeng (ook Woewoecg) (Jav.), 
de top of nok van een dak, nok, 
enz.; BoeboeDgan, de stok, waar- 
aan de nokbedekking bevestigd 
is, die nokbedekking zelf, ook het 
vlokje haar, dat men by kinderen 
om de kruin van het hoofd laat 
staan, (verg. Koentjoeng). 

Boeboeng (of Boemboeng), koker, 
waarin iets bewaard moet wor- 
den (b\jv. papieren, water, enz.). 

Boeboer, pap, bry. 

Boeboet (Tall boeboet of Boe- 
boetan), val, stag, dik touw, dat 
den mast vasthoudt. 

Boeboet, Mëmboeboet, uittrek- 
ken, uit den grond trekken, uit- 
rukken, enz. (van onkruid byv.), 
ook plukken (van de veeren van 
gevogelte, enz.). 

Boeboet, inlandsche draaibank (ook 
Boeboetan) ; Mëmboeboet, 
draaien, op de draaibank maken, 
bewerken, enz. 

Boedak, jong kind, knaap, meisje, 
jongen, meid, bediende, dienst- 
meid, slaaf, slavin ; Këboedak- 
boedakan, kindsch, kinderach- 
tig, als een kind. 



Boedi (Sk.), verstand, verstandelijk 
vermogen, wijsheid, weldaad, ook 
arglist, streek ; Baïk boedi, ver- 
standig, edel, grootmoedig; Oe- 
tang boedi, schuld voor een 
weldaad, verplichting; Mënang- 
goexig boedi orang, verplichting 
aan iemand hebben; Bërboedi, 
verstandig, wijs zijn, met ver- 
stand begaafd, enz. 

Boediman (Sk.), verstandig, wijs, 
kundig geleerd, met verstand 
begaafd (alleen van menschen). 

Boedjal, uitstekend, uitpuilend, te 
voorschijn tredend (van den na- 
vel, bijv.). 

Boedjang, jonge, ongehuwde man, 
ook in het algemeen celibatair, 
een jong dier van het mannelijk 
geslacht ; ongetrouwd zyn (in deze 
beteekenis ook wel \an vrouwen 
gezegd); Bërboedjang of Mëm- 
boedjang, het leven van een 
celibatair lijden, celibataij* zijn, 
als celibatair leven, enz. ; Përboe- 
djangan, staat van een boe- 
djang, ongehuwde staat, celi- 
baat, ook de jongelingschap, de 
ongetrouwde jongelieden, enz. en 
woning, vertrek of logis voor de 
boedjangs. 

Boedjang, bediende (mannelijk of 
vrouwelijk), dienstknecht, dienst- 
maagd, jongen, meid ; Mëmboe- 
djang, dienen, als jongen of als 
meid dienen;Mëmboedjangkën, 
iemand als dienstknecht of als 
dienstmaagd hebben, nemen, enz. ; 
Boedjang dalëm, binnenjongen, 
mannelijke bediende, die binnens- 
huis werkt, bedient, enz. 

Boedjangga, schrander, geleerd, 
geletterd, wijs, kundig, geleerde, 
geletterde, wijze. 
Boedjoek, vleierij, gevlei, flikflooi- 
erij, enz. ; Mëmboedjoek, aanha- 
len, vleien, liefkozen, overhalen, 
flikflooien, stillen, tot bedaren 
brengen, bepraten ; Pëmboe- 
djoek, vleier, overhaler,beprater; 



60 



BOED. 



Pëmboedjoekan, gevlei, liefko- 
zing, aanhaling, overhaling, enz. 

BoedJoerCook en veelal Moedjoer), 
recht op iets aan, recht, rechtuit, 
in de lengte uitgestrekt, in de 
richting van, evenwydig aan, enz., 
ook ter rechter tyd, te gelegener 
tyd, te goeder ure, toevallig, enz. ; 
Mëmboedjoer, in de lengte uit- 
gestrekt zijn of liggen, zich in de 
lengte uitstrekken, enz., in een be- 
paalde richting liggen, enz.; Moe- 
djoer ka koeion of Moedjoer 
xnëngoelon, naar het westen lig- 
gen, in de richting van het vees- 
ten uitgestrekt zyn, enz. 

BoedoefiT, schurft ; Boedoegën 
of Boedoegan, schurftig, door 
schurft geplaagd, enz. 

Boedoek (of Bodok), ergste graad 
van melaatschheid. 

Boegil, vederloos, haarloos, kaal 
(van dieren), naakt, haveloos, zon- 
der de gewone kleeding (van men- 
schen) ; Tëlandjang boej^il poe- 
delnaakt, spiernaakt; Memboe- 
gil (van dieren), de vederen of 
haren verliezen, veder- of haarloos 
worden, ruien; Bërboegil, zon- 
der de gewone kleederen, sieraden 
of wapens zy n (van menschen), ha- 
veloos gekleed gaan, naakt loopen . 

Boegis, Boeginees, Boegineesch. 

Boejar, vloeien (van papier), ook 
uit elkander vallen, -vliegen, -gaan, 
verspreid zfln of worden, zich 
verspreiden, enz.; Kërtas boe- 
jar, vloeipapier. 

Boejoeng, kleine aarden of meta- 
len pot, urnvormige pot, urn. 

Boejoet, het derde geslacht in de 
opgaande of nederdalende linie, 
overgrootouders of achterklein- 
kinderen ; ook de onwillekeurige 
siddering van het lichaam ten 
gevolge van den vergevorderden 
ouderdom, en verbod, verboden, 
ongeoorloofd, tengevolge van een 
gelofte, enz.; Këboejoetan, ook 
Bëboejoetan, on willekeurige be- 



BOEK. 

weging, siddering, enz. van het 
lichaam, zoowel van ouderdom, 
als door andere redenen; Boe- 
Joet-antah = kinderen van 
achterkleinkinderen (Bandj.) 

Boeka, breed, wtjd, open, geopend, 
openbaar, enz. ook breedte, wUdte, 
middeliyn, enz. ; Mëmboeka, 
openen, uit elkander nemen, ont- 
nemen, ontdekken, openbaren, 
aanvangen, op touw zetten, be- 
ginnen, ontginnen, bewerken, af- 
nemen, enz.; Mëmboeka pintoe, 
de deur openen, Mëmboeka 
tanah, den grond ontginnen, be- 
werken; Mëmboeka topi, den 
hoed afnemen; Mëmboeka ra- 
Bia, een geheim openbaren; Mëm- 
boeka këdai, een winkel opzet- 
ten; Mëmboeka poeasa, de 
vasten openen,^ d^ i. eindigen ; 
Mëmboeka ^nëgëri, een stad 
stichten; Mëmboeka djalac, 
een weg aanleggen, banen (ook 
figuurlijk), enz.; Tërboeka, open, 
bloot, openbaar, enz.; Pëmboeka, 
ontginner, ondernemer, degeen 
die openbaart, enz.; Mëmboekai, 
voor iemand iets openen; Mëm- 
boekakan, iets open maken, — 
open doen. 

Boekan, geenszins; het niet z^jn, 
niet zyn wat door het woord 
waarop het slaat wordt uitge- 
drukt ; niet, geen, enz. ; Boekan 
akoe, niet ik ben (was) het; 
Boekan moedah pakërdja&n 
itoe, het is geen gemakkel^k 
werk ; Boekan boewatan, het 
is geen doen, ongemeen, vreemd, 
enz.; Boekan-boekan, bUzonder, 
zeer uitermate; Boekan-boekan 
bagoesnja, het is buitengewoon, 
schoon. 

Boekat, troebel (van water). Zie 
Boetëk. 

Boekit, hoogte, kleine berg, heuvel, 
berg; Boekit anak of Anak 
boekit, heuveltje; M&nboekit, 
zich als een heuvel voordoen. 



BOEK. 



BOEL. 



61 



enz.; Boekit-likat, troebel, met 
aarde vermengd (van water). 

Boekoe, kort, ineengedrongen, 
knoest, kwast, knobbel, gewricht, 
geleding, korrel, enz.; Boekoe 
tangan, polsgewricht; Boekoe 
kaki of Boekoe lali, enkel, 
voetgewricht; Boekoe tëboe, 
geleding van het suikerriet; Qa- 
rem saboekoe, een korrel zout ; 
Bënang saboekoe, een kluwen 
garen; Boekoe (HolL), ook =boek; 
Boekoe goedang, pakhuisboek ; 
Boekoe tjatëtan, notitieboekje. 

Boekoer, korrel, (van iets dat 
kunstmatig tot korrels gevormd 
is, zooals buskruit, enz.). 

Boekti = Biti, (zie aldaar) voorts 
(Jav.J = het by het sluiten van 
een huurcontract (in de Vorsten- 
landen) aan den verhuurder (eige- 
naar of apanagehouder) der gron- 
den te schonken douceur by wyze 
van huldeblijk. 

Boelai (of Boele), (verg. ook Balar), 
wit, onnatuurlijk wit van huids- 
kleur, enz.; Orang boelai, een 
albino, witteling, kakkerlak ; Kër- 
bo boelai, witharige karbouw. 

Boelan, maan, maand, ook maand- 
stonden, menses; Boelan tim- 
boel, de eerste dagen der nieuwe 
maan; Boelan baroe, nieuwe 
maan, eerste kwartier; Boelan 
poemama, volle maan; Boelan 
këtlil of Boelan toewa, ook 
Anak boelan, afnemende maan, 
laatste kwartier; Gëlap boelan 
of Boelan gëlap, donkere maan, 
laatste kwartier; Datëng boelan 
of dapët boelan, de menses 
kragen; Poetoes boelan, het 
geheel ophouden der menses by 
bejaarde vrouwen; Mëmboelan, 
in den maneschijn wandelen, ook 
bö maneschijn visch vangen; 
Berboelan, een maan of manen 
hebben, (zooals onze aarde of 
Saturnus) ; Bërboelan-boelan, 
maandenlang duren; Këboela- 



nan of Pënjakit boelan, maan- 
ziekte; Boelan-boelan, wat op 
een maan gelykt, ook schyf, schiet- 
schijf; Boelanan, per maand, 
maandelijks, maandeiyksch, biJ 
de maand, enz. 

Boelang, samengedraaide doek, 
samengedraaid haar, haarwrong, 
bindsel; Mëmboelang, samen- 
draaien, met een bindsel omwin- 
den, aanbinden, om jets winden 
of binden, enz.; Mëmboelang 
tangan, de vuist omwinden, 
omwikkelen (om te vechten); 
Mëmboelang kapala, eenhoofd- 
doek gebruiken, enz. 

Boelat, rond, bol, heel, gaaf, ook 
groot (van de oogen), en alleen, 
eenvoudig, zonder meer, enz.; 
Boelat pandjang of - boedjoer, 
elliptisch, ellips; Boelat telor, 
eirond; Boelat torak, cylin- 
drisch; Boelat pepeh, platrond 
(als een muntstuk); Boelat 
boemi, de aardbol, bolrond, enz.; 
Mëmboelat, rondjvorden, groote 
oogen opzetten ;Mëmboelatkën, 
rond maken, enz,, ook voltallig 
maken, enz. 

Boeli of Boeli-boeli, porceleinen 
of aarden kruikje of urntje met 
dikken buik, dienende tot bewa- 
ring van oliën of reukmiddelen, 
enz. ; Boeli pëngëntjingan, pis- 
blaas. 

Boeloe, haar (behalve het men- 
scheljjke hoofdhaar), veder, bor- 
stel, wol, dons, pen; Boeloe 
kapas, dons; Boeloe ajam, 
kippeveêren; Boeloe babi, bor- 
stels van een varken; Boeloe 
kambing, wol van een schaap; 
Boeloe landak, pennen van een 
stekelvarken ; Oelër boeloe, 
rups; Bërboela, behaard, harig, 
gevederd, enz. 

Boeloeb = Bamboe, (zie aldaar), 
ook Boeloeh leher, slokdarm, 
luchtpijp. 

Boelof^can (Bat.), beschimmeld. 



62 



BOEL. 



Boeloer, geeuwhonger; Kaboe- 
loeran, uitgehongerd, verhon- 
gerd. 

Boeloes (Jav.), een landschildpad, 
ook kaal, bladerloos, kinderloos, 
(vergelijk ook Koera-koera). 

Boemantara, het luchtruim. 

Boemboe, kruideryen ter bereiding 
van sptjzen ol medicijnen, spece- 
rijen, drogeryen, enz. 

Boemboen, leger van het wild, ook 
een hut van twygen enz, waarin 
jagers zich verschuilen. 

Boemboeng, koker, waarin iets 
bewaard wordt; bamboezen koker 
om water te halen of te bewa- 
ren, enz. 

Boemi, de aarde, aardbol, ook de 
grond, de bodem ; Orang boemi, 
de oorspronkeiyke bewoners van 
een land; Boemi poetëra, in- 
boorling.^ ^ 

Boen (ookEmboen), zieBmboen. 

Boenboenan (ook Emboen-boe- 
nan), de fontenel, het midden 
der hersenpan. 

Boendar (ook Boender of Boen- 
tër), rond, ook boender, schuier, 
borstel. 

Boeneka (of Boneka), pop (speel- 
goed). 

Boenga,bloem, bloesem, ornament, 
lofwerk, figuur, rente, interest; 
Boenga-boenga&n, kunstbloe- 
men, gemaakte bloemen; Bër- 
boenga, bloemen hebben, bloe- 
men dragen, bloeien, met bloe- 
men versierd ; Mëmboengakën, 
tot bloei brengen, laten bloeien, 
ook een kapitaal rentegevend 
maken, tegen rente uitleenen, op 
rente zetten; Boenga sëkéiki, 
een enkele bloem; Boenga sa- 
tangkai, een tak met bloemen ; 
Boenga sakarang of saroem- 
poen, een bloemruiker, bouquet; 
Boenga sëkoentoem of së- 
koentjoep, bloemknop; Boenga 
mëkar of — tërboeka, een ont- 
loken bloem; Boenga asa, een- 



BOEN. 

voudige bloem; Boenga api, 
vuurwerk; Makan^ boenga, in- 
terest trekken; Mëndjalankën 
boenga, interest op interest laten 
of genieten, ook geld tegen rente 
uitzetten, enz. 

Boengar, nog in den oorspronke- 
lyken, eersten staat, (van een 
maagd) nog onaangeroerd, onge- 
rept, (van een jongeling) nog niet 
met vrouwen in aanraking ge- 
weest; (van vruchten) de eerste 
van het seizoen, of van een jon- 
gen boom, enz. 

Boengkëm (Bat.), stom, geen ge- 
luid kunnende geven,zwy gendz^n, 
vochtig, niet kunnende ontvlam- 
men, niet kunnende afgaan (van 
een geweer), ook toovermidjiel, 
om dit gedaan te krygen ; Mëm- 
boengkëm, zulk een toovermid- 
del aanwenden, om iemand stom 
te maken, van de spraak te be- 
rooven, een geweer niet te doen 
afgaan, enz.; Pëmboengkëm, 
middel daartoe, ook de persoon, 
die dat middel aanwendt. 

Boengkil (Jav.), koek van de restes 
van olieboonen, waaruit de olie 
reeds gehaald is (veel als mest 
gebruikt). 

Boengkoes, pak, bundel, baal, om- 
hulsel, enveloppe, pakket; Mëm- 
boengkoes, inpakken, inwikke- 
len, enz.; Boengkoesan, pak, 
pakket, omhulsel, enveloppe ; 
Pëmboengkoes, die inpakt, enz., 
ook pakmiddel. 

Boenglon, kameleon. 

Boengsël, knoop in een zakdoek. 

Boengsil, een jonge cocosnoot ter 
grootte van een vuist. 

Boengsoe (ook Bontot, Pëmbon- 
tot) (Jav.), het laatst geboren 
kind, laatstgeborene, jongste. 

Boeni (ook Boenji) Mëmboeni, 
verbergen, verschuilen, helen, ver- 
helen, verduisteren, wegstoppen; 
Sëmboeni, in het geheim, hei- 
melijk, verborgen, verscholen, 



BOEN. 

steelsgew^s; Mënjëmboenikën, 

iets verbergen, verstoppen, weg- 
stoppen, verduisteren, heimelyk 
bewaren, enz.; BoeniofWoeni 
(Jav.), ook naam van een groeten 
boom (Antidesma bunias) met 
eetbare vruchten. 

Boenji, geluid, klank, galm, inhoud ; 
BërbooDJi, geluidgevend;Mëm- 
boenji, geluid geven, klinken, 
galmen; Mëmboenjikën, luiden, 
doen geluid geven, doen klinken, 
den inhoud van iets voorlezen; 
Boeojian of Boenji-boenjian, 
wat geluid geeft, muziekinstru- 
taent, enz. ook muziek. 

Boenoeh, Mëmboenoeh, dooden, 
vermoorden, ombrengen, ter dood 
brengen, ook uitdooven (van vuui'), 
doorhalen, schrappen (van schrift), 
enz.; Pëmboenoeb, degeen die 
doodt, moordenaar, enz.; Pëm- 
boenoehan, het dooden, moord, 
enz. 

Boentak (of Boentëk), kort, in- 
eengedrongen : ook naam van een 
visch met ronden opgeblazen 
buik, de kogelvisch. 

Boentang, kam van een weeftoe- 
stel, ook onbewegelijk staren van 
de oogen (van een doode). 

Boentar, langwerpig rond, ovaal, 
elliptisch. 

Boentat, steenhard, versteend, ver- 
steening. 

Boentël,knoop(ineenzakdoek,enz.) 
pak, pakket, enz.; Boentëlan, 
pak, pakket, wat ingepakt is, enz.; 
Mëmboentël, pakken, inpakken, 
enz. 

Boentët, dicht, verstopt, niet open- 
gaand. 

Boenting, bevrucht, zwanger, be- 
zet, zwangerschap; Mëmboen- 
tingkën, zwanger maken, be- 
zwangeren, bevruchten, ook zwan- 
ger z^jn van iets; Boenting 
bantangr, Boenting sarat of 
Boenting pëlandoek, zwan- 
gerschap, waarbfl het menstru- 



BOER. 



63 



eeren toch niet geheel ophoudt. 

Boentoe (Jav.), dicht, verstopt,, 
gesloten, afgesloten ; DJalan 
boentoe, een weg, die dood loopt. 

Boentoel, ring onder een krisge- 
vest. 

Boentoeng, afgekapt, verminkt,, 
stompje; Andjing boentoeng, 
een hond met een kortgekapten 
staart. 

Boentoer, zat, oververzadigd, vol- 
gegeten. 

Boentoet, achtereind, achterste^ 
stuit, staart ; Boentoet përaoe, 
achtersteven; Boentoet pëdang,. 
onderste deel van een sabel, dat 
aan het gevest bevestigd is ; Bër> 
boentoet, met een staart, ge- 
staart,een staart hebben of dragen. 

Boepati (Jav.), titel van een regent,, 
inlandsch hoofdambtenaar. 

Boera,Mëniboera, bestoken (b^jv. 
een btjennest met vuur, den v|]and 
met kogels, enz.) 

Boerak, los, uiteen, uit elkander,, 
enz. (byv. van tabak), ook ver- 
strooi d. 

Boeras, ryst (met of zonder cocos- 
melk) in pisang-bladeren tot 
langwerpige platte koeken gewik* 
keld en gaargestoomd. 

Boerik (Jav.), door de pokken ge- 
schonden, pokdalig. 

Boerit, achterdeel, achterste, stuit; 
Boeritan, achtersteven; Boerit> 
ajam, stuit van een kip; Sëm- 
boerit, paederastie; Mëmboerit^ 
paederastie dryven, — plegen, enz. 

Boeroe, Mëmboeroe, jagen, naja- 
gen, vervolgen, achtervolgen, na- 
loopen, haast maken, aanzetten^ 
aandrijven, bespoedigen, enz. ; 
Bërboeroe,op jacht zyn; Boeroe- 
boeroe, haastig, zich haasten, ia 
haast, met haast, enz. ; Boeroean> 
jachtwild, waarop jacht wordt ge- 
maakt, wat of wie nagezet wordt^ 
enz.; Fëmboeroe, wie nazet^ 
jaagt, enz., jager, vervolger; 
Andjing pëmboeroe Jachthond; 



64 



BOER. 



Fëkakas pëmboeroe, jachtge- 
reedschap ;Pëmboeroean, jacht, 
vervolging, nazetting, enz.; Boe- 

. ron (Jav.), vogelvry, vrjj als de 
dieren in het wild; Bëboeron 
(Jav.), wild, jachtwild, vogelvrij 
verklaarde, gedroste gevangene, 
deserteur, enz. 

BoeroedsJ (Ar.), sterkte, slot, ves- 
ting; ook (Boeroedc^ asmani), de 
dierenriem ; BoeroedEd'oeVasad, 
het sterrenbeeld de Leeuw. 

Boeroeh (Jav.), daglooner, dagwer- 
ker, lastdrager, kruier; Bërboe- 
roeh, in dagloon werken, als dag- 
looner werken, enz.;Boepoehan, 
loon, dagloon, betaling per dag of 
per taak, enz.; Mëmboeroehkën, 
iets in dagloon doen bewerken. 

Boeroek, oud, vergaan, leelyk, 
versleten, vervallen, rot, bouw- 
vallig, haveloos; Orang boeroek, 
havelooze, slecht volk, gespuis. 

Boeroeng, vogel (ook gebruikt voor 
het mannelijk schaamdeel); Boe- 
roeng onta, struisvogel, casuaris; 
Boeroeng gëredja, musch; 
Boeroeog gëlatik, r\jstdiefje; 
Boeroeng de-^^eata of Boeroeng 
sopan, paradijsvogel ; Boeroeng 
lajang, zwaluw; Boeroeng dara, 
duif, enz. ; Boeroeng-boeroeng 
of Boeroengan, gevogelte, ook 
nagemaakte of opgezette vogels, 
(verg. Onggas). 

Boeroes, verwelkt, verdord, ver- 
droogd, verwelken, verdorren, enz. 

Boesa» schuim; Bërboeea, schui- 
mend; Mëmboesa, schuimen. 

Boesik (Jav.), schub, schubbig, 
schurftig; Bërboesik, schubbig, 
schurftig zUn, eene ziekte hebben 
waardoor men het aanzien kr^gt 
van geschubd te zfln door de 
velletjes die op het lichaam zitten. 

Boesoek, stinkend, rot, vuil, verrot, 
bedorven, morsig, smerig, ook 
laagf gemeen, onedel; Nama 
boesoek, een slechte reputatie; 
Përboewatan boesoek, een ge- 



BOEW. 

meene daad, een laagheid, enz. 

Boesoeng, waterzucht, ,in het 
algemeen elke ziekelyke zwelling 
van den buik. 

Boesoer, boog, ook het kleine 
boogvormige instrument, dat ge- 
bruikt wordt om kapas (katoen 
of boomwol) te rafelen en te 
zuiveren. 

Boesoet, aardhoop, molshoop, ter- 
mietenterp, mierennest, enz. 

Boeta, blind, blinde, blindheid; 
Bpeta larangan, blind, zonder 
dat het oog geschonden is ; Boeta 
pëtjah, blind met verlies van het 
oog; Boetatoeli, onbesuisd, on- 
overlegd, onbedachtzaam; Mëm- 
boeta, zich blind voordoen, blind 
houden, iets opzetteiy k niet willen 
zien, enz., ook de oogen sluiten, 
slapen gaan, slapen. 

Boeta ^Sk.), reus, titan. 

Boetëk, troebel, met aarddeelen 
vermengd (van water), onzuiver, 
onrein, drabbig, enz., ook niet 
klaar, niet helder, niet duideiyk, 
verward, enz. (van een zaak); 
Mëmboetëk, Mëmboetëkkën 
of Mëmboetëkin (Bat.)» troebel 
drabbig maken, enz., ook eene 
zaak in de war schoppen, zoodat 
daaruit moeilflk het waar en 
onwaar te onderscheiden zijn, 

Boetir,korrel,bolletje,rondlichaam, 
keutel, bult, bultje, grein. 

Boetjoe, hoek, uitstekende punt. 

Boetoe (fiat.), penis, het manneiyk 
schaamdeel ; Kapala boetoe, de 
eikel (ook als scheldwoord ge- 
bruikt). 

Boewah, vrucht, bol, knop, ook 
pokpuisten; Boewah pëler, de 
testiculi; Boewah poenggoeng, 
de nieren; Boewah pantat, bil; 
Boewah t^atoer, de stukken 
van het schaakspel; Boewah 
pareh, dobbelsteen; Boewah 
sërah, kinderpokken; Boewah- 
boewah,vruchten,versche vruch- 
ten in soorten, ooft; Boewah- 



BOEW. 



BOHO. 



65 



boewah kering, gedroogde 
vruchten: Boewah-boeivaliaêr, 
vruchten op water ; Bërboewah, 

vruchtdra^en, vruchtgeveti, enz. 

Boewai, Memboewai, vryhangen, 
schommelen ; Boewaian, iets dat 
vrtj hangt, zooals een hanglamp, 
een hangmat, enz. 

Boewaja, krokodil, kaaiman, alli- 
gator, ook ironisch of als scheld- 
naam, iemand, die op kosten van 
anderen leeft, leeglooper, enz.; 
Lidah boewaja. Aloë barba- 
densis, een heesterachtig gewas, 
dat veel in tuinen wordt geplant. 

Boewak, Mëmboewak,opwelien, 
opborrelen, enz. (van kokend wa- 
ter byv.), ook in dikke wolken 
opstygenjvan rook). 

Boew^al,Mëmboewal,borrelen, op- 
borrelen, enz. (van een vloeistof 
door de werking byv. van een 
schroef). 

Boewana (Sk.), wereld. 

Boewang, Mèmboewang, weg- 
werpen, weggooien, wegdoen, ver- 
werpen, afschaffen, verstoeten, 
verwijderen, bannen, verbannen, 
afdanken, ook aftrekken, vermin- 
deren; Mèmboewang ajër, z^jn 
beh oefte doen ,naar achteren gaan; 
Mëmboewang mata, z\}ne 
oogen over iets laten gaan, wei- 
den, enz.; Mëmboewang diri, 
zich verslingeren, zich met slecht 
volk afgeven, ook zich verdrinken ; 
Mëmboewang anak, een kind te 
vondeling leggen;Mëmboewang 
dadoe, met dobbelsteenen wer- 
pen, dobbelen; Mëmboewang, 
(ook Bërboewang) ajër darah, 
bloed afgaan, de dysenterie heb- 
ben; Mëmboewang sial, iets 
aan de geesten ten offer brengen 
terweringvan ongeluk, enz. ;Mem- 
boewang lima, v\jf van iets 
aftrekken ; Boewangan, wat of 
wie weggeworpen, enz. wordt, 
vej-worpeling, banneling, enz.); 
Pëmboewung, wie werpt, bant, 
Maleisoh-Hollandsch. 



verwijdert, enz. ook het verwer- 
pen, enz.; Pëmboewangan, 
plaats waarheen iemand verban- 
nen, verwyderd wordt. 

Boewar, royaal, verkwistend, niet 
zuinig, goedgeefsch, enz. 

Boewas, wild, woest, boosaardig, 
grimmig, verscheurend, enz. 

Boewat (Bat.), voor, om, tot, om te, 
ten behoeve van, ten einde, enz. ; 
Mëmboewat, doen, verrichtten, 
maken, vervaardigen, iets gebrui- 
ken voor; Bërboe'^at, bezig zyn 
met iets te doen, te maken, enz.; 
Boewatan, daad, verrichting, 
vervaardiging, maaksel, enz. ook 
wat tot het maken^van het een of 
ander dient, enz.; Pëmboewutan, 
maaksel; Përboewatan, daad, 
verrichting, handeling, enz.; Pëm- 
boewat, dader, maker, enz.; Bër- 
boewat balk, goed doen, wel- 
daden bewezen; Mëmboewat 
badjoe, een badjoe naaien, enz.; 
Mëmboewat nëgëri, een stad 
stichten, enz. 

Boeweh of Boewih, schuim; Bër* 
boeweh, schuimend, schuimen, 
met schuim z\jn. 

Boga, vermaak, verlustiging, ook 
overvloed, oververzadiging, meer 
dan voldoende, enz. ; Mëmboga, 
iemand sptjs en drank voorzetten 
en dwingen er van te gebruiken, 
totdat hU niet meer kan. 

Boge (Bat.), verlegen, beschaamd, 
verlegenheid, schaamte, enz.; 
Kabogean, verlegen, beschaamd 
gemaakt, confuus, in verlegenheid 
gebracht, enz. 

Bogor (Soend.), tronk, van een af- 
gekapten Aren-boom ; hiernaar is 
Buitenzorg door de inlanders 
Bogor genoemd. 

Botaong, onwaar, bezflden de waar- 
heid, onwaarheid, leugen, leugen- 
taal, enz.; Mëmbohong, liegen, 
onwaarheidspreken;Bërbo2iong, 
bezig zijn te liegen; Mëmbo- 
hongken, iemand beliegen, voor- 

5 



66 



BOJA. 



BONG. 



liegen, ook bejokken, foppen. 

Bojak, droog, geur- en smakeloos 
(btjv. van verlegen tabak), droog, 
saai, enz, 

Bojongr (Jav.), heengaan, het land 
verlaten, vertrekken, verhuizen, 
op reis gaan met familie, enz. 
ook met veel beweging loepen, 
met de schouders heen en weder 
draaien, enz. 

BokonsT, (ook Bëbokong), het 
onderste gedeelte van den rug, 
van de onderste ribben tot aan 
de heupen ; ook heup, dy en bil. 

BolLong, omgekeerd; Mëmbo- 
kongkën, het achterste voren 
keeren, omkeeren, ook met den 
rug naar iets toe staan, zitten, 
enz., iets of iemand den rug toe- 
keeren, enz. 

Bokop, gezwollen, opgezet, sterk 
gezwollen (van het aangezicht), 
zoodat de oogen nauwlyks te zien 
zyn. 

Bokor, metalen kom zonder voet. 

Bol (of ëbol), anus, eind van den 
endeldarm. 

Bola (Holl. of Port.), bal, biljartbal, 
kogelrond; Kamar- of Broemah 
bola, sociëteit, eig. : biljartkamer, 
biljartzaal. 

Bolak-(Bolak-balik), zie Balik. 

Boleh, kunnen, mogen, vermogen, 
in staat zfln, by machte zfln, enz.; 
Tiada boleh, het mag niet, het 
kan niet, onmogeiök; Saboleh 
of Sabolebboleb, naar vermo- 
gen, zooveel mogelijk, voor zoo- 
veel doeniyk, enz. 

BolonfiT, hol, uitgehold, doorboord, 
vol gaten, ook zwart,donkerblau w; 
Mëmbolong, uithollen, doorbo- 
ren, ook zwart-, donkerblauw ma- 
ken, enz. ; Mëmbolongkën, iets 
uithollen, doorboren, een gat in 
iets maken, boren, enz. 

Bolor, wormpje in vruchten. 

Bolos, doorgebroken, door iets heen 
gedrongen, tusschen iets door- 
geslopen: Mëmbolos, door iets 



heen breken, door iets heen slui- 
pen, een linie, een slagorde ver- 
breken, enz. 

Bolot, windsel, luur, enz.; Mëm- 
bolot, inpakken, inwikkelen, op- 
rollen, samenvouwen, enz. 

Bolsak (Holl.), bultzak, matras. 

Bonda, moeder (hofleiyk, beleefd). 

Bondjol, scherp uitstekend, (b\jv. 
van een gezwel); Mëxnbondjol, 
scherp uitsteken. 

Bondjor, versterkt kampement, 
geretrancheerd kamp, verster- 
king, enz. 

Bonggol (of Bongkol), bult, uit- 
was, knoest, knobbel, wrat, ge- 
zwel; Bërbonggol, knoestig, 
bultig, met bulten, knoesten, uit- 
wassen; Mëmbonggol, zich als 
een knoest, een bultige uitwas 
voordoen, enz., ook bulten, knoes- 
ten vormen of krygen, etc. 

Bongkab, gebroken, gesprongen, 
afgebrokkeld, brok, blok. 

Bongkak, onbeschoft, ongema- 
nierd, lomp, vlegelachtig, opgebla- 
zen, lompheid, vlegelachtigheid, 
ongemanierdheid, enz. ; Mëm- 
bongkak, ongemanierd, lomp, 
vlegelachtig, opgeblazen, trotsch, 
onbeschoft zijn of handelen. 

Bongkang, lam, wijd uit elkander 
(van vingers bijv. die niet bijeen 
te brengen ziJn), gapend (van een 
wond), ook Bongkeng, bewe- 
gingloos-, voor dood neerliggen. 

Bongkar, uit elkander, overhoop 
hggend, enz.; Mëmbongkar, uit 
elkander haJen, overhoop halen, 
het onderste boven halen, opha- 
len, te voorschijn halen, uit het 
verband rukken, enz., ook alles 
doorzoeken en nazien, het onder- 
ste boven keeren, (btjv. by een 
huiszoeking), zich door uitgra- 
ving, doorbreking, enz. (bijv. van 
een muur), toegang tot iets ver- 
leenen; Mëmbongkar roemab, 
een huis het onderste bov^n 
halen, afbreken, enz. ook een 



BONG. 



BROB. 



67 



gat, enz. in den muur of iets 
anders maken, om er in te kun- 
nen komen ; Mëmbongkar 
djang^kar of — saoe, het anker 
ophalen, lichten; Bongkaran, 
wat op- of afgehaald, doorzocht, 
overhoop gehaald, het onderste 
boven gekeerd is, enz. afbraak; 
Pëmbongkar, degeen, die over- 
hoop haalt, afbreker, enz. ook 
inbreker, dief die zich door uit- 
of doorgraving, enz. toegang ver- 
schaft, etc. ook werktuig dat 
daartoe gebruikt is of wordt. 

Bongkar (Jav.), omgevallen met 
verbreking der bevestiging, (byv. 
een boom, wiens wortels by het 
omvallen de aarde daaromheen 
doorbreken of scheuren), omval- 
len, ontwortelen, enz. 

Bongkok, gebocheld, gekromd, 
voorover gebogen, bochel; Orang 
bongkok, gebochelde, bultenaar; 
Mëmbongkok, voorover gebo- 
gen gaan, gebocheld zyn of loopen, 
gekromd gaan, als een bultenaar 
doen, loopen, enz. 

Bongkot (Jav.), stronk, onderste 
deel van een stam, afgekapte 
boomstam, enz. 

Bongol (Bat.), dom, onbevattelyk, 
bot, sullig, sul, botterik, enz. 

Bonjor (ook Boójok) (Bat), pappe- 
rig, zuchtig, zacht (van lichamen 
die vast en hard moeten zijn), enz. 

Bopeng (Jav.), pokdalig, door pok- 
ken geschonden, enz. 

Borang, voetangel, aangepunte 
bamboestokjes, die in het gras 
verborgen worden, enz. 

Boreh (ookBëboréh) (Jav.), smeer- 
sel, welriekend smeersel voor het 
lichaam; Bërboreh, dit smeer- 
sel gebruiken; Mëmborehkën, 
iets of iemand met boreh in- 
smeren, besmeren, enz. 

Borong, geheel, in het geheel, tot 
öen geheel, en gros, byeen, by 
o^n hoop, in eens, alles te gelyk; 
Memborong, tot een geheel 



samenvatten, alles, den geheel en 
voorraad opkoopen, ook een werk 
aannemen, enz. ; Bëli borong, in 
het groot, en gros opkoopen, enz. ; 
Oepab borong, werkloon tot een 
geheel samengevat, loon voor een 
in zyn geheel aangenomen werk, 
enz.;Mëmborongkën,lets by aan- 
neming,inhet openbaarverkoopen, 
verpachten, enz. geheel overlaten. 

Boros, verkwistend, verspillend, 
royaal, ook losgegaan, enz.; Mëm- 
boros, verkwisten, verspillen, 
ook losgaan, (byv. van een touw, 
dat om iets gewonden is). 

Bosën (Jav.), beu, moede van iets, 
iets vervelend vinden, afkeer van 
iets hebben, enz.; Mëmbpsëni, 
vervelen, vervelend zyn;Mëmbo- 
sënkën, vervelen, afkeer wek- 
ken, tegenzin wekken, iemand 
vervelen, enz. 

Botak, kaal, kaalhoofdig, kaalhoofd. 

Botjah (Jav.), knaap, jongen, kleine 
jongen (verg. Boedak). 

Botijor, lek, fig. los, alles uitflap- 
pend, (van een mond, die alles 
uitkraamt); Roemah botjor, 
een huis, dat lekt; Mëmbotjor- 
kën, lek maken, enz. 

Boto (Bat.), lief, aantrekkelyk, aan- 
minnig, lieftallig, innemend, be- 
vallig (van gelaat). 

Botol,bottel,flesch;Mëmbotolkën, 
in een flesch doen, bottelen, enz. 

Botor, kher, gezwel, ook een slin- 
gerplant, (Psophocarpus tetrago- 
nobus), waarvan de peulen en 
zaden gegeten worden. 

Brebet (of Bërebet), (klanknaboot- 
sing van iets dat scheurt of ge- 
scheurd wordt), gescheurd; Mëm- 
brebet, scheuren, het geluid 
maken van iets dat scheurt, enz. 

Brobol, zie Bërobol. 

Brobot (of Bërobot), knappend, 
knallend; Mëmbrobot, knappen, 
knallen, knetteren van hout of 
bamboe, dat doorgebroken wordt 
of bij verbranding springt, enz., 



68 



CHAB. 



CHOT. 



Chalaar (Ar.), bericht, tyding, 
nieuws, mededeeling, kennisgave, 
gerucht; Ohabar angin, alge- 
meen gerucht, algemeen verspreid 
nieuws, waarvan de herkomst niet 
bekend is, enz. ; Chabar ka-wat, 
telegram; Bërcbabar,kennis heb- 
ben, kennis draden, ook een ver- 
haal doen enz; Mengchabarkën, 
mededeelen, berichten, melden, 
vertellen, verhalen, enz.; Apa 
cbabar, wat nieuws ? Hoe staat 
het er mee ?^ Hoe is het? Tiada 
obabar aken dirinja, geen be- 
wustzijn van zich zelven hebben, 
buiten kennis zijn, bewusteloos 
liggen, enz. 

Obaimab (Ar.), elke ronde woning, 
die door stutten geschraagd wordt, 
tent, hut. 

Obalasji (Perz.),zeeman,schepeling, 
matroos, opvarende, scheepsvolk, 
enz. 

Gbalifat, opvolger, plaatsbekleeder 
(inzonderheid van Mohammed), 
kalif, heer, heerscher. 

Obalikat (ook Obilka, Ohoeloek, 
Obóelki) (Ar.), het aangeborene, 
natuurlyke eigenschap, aangebo- 
ren karakter, inborst, enz., ook het 
geschapene, de schepselen, de 
schepping, menschen en dieren, 
enz. 

Chalwat (Ar.), eenzaam, eenzaam- 
heid, afzondering. 

Obamis, Donderdag. 

Obara (Perz.), harde steen ; Batoe 
cbara, marmer, geaderde steen. 

Ohatatn (Ar.), zegel, zegelring, ca- 
chet, einde, laatste van een reeks 
of geslacht; Méngchatamkën, 
zegelen, bezegelen, verzegelen, be- 
ëindigen, ten einde brengen (b^jv. 
het lezen uit den Qoran, enz.). 

Ohatan (ook Obitanah) (Ar.), be- 



snyding, het besneden; Mëngcha- 
tan, besnpen; Bërcbitanab, 
besneden ztjn. 

Cbatib(Ar.), (ook Këtib), de tweede 
beambte btj een moskee, die be- 
last is met het opzeggen van de 
Cboetbat, of redevoering van 
den preekstoel tot lof van God, 
zegening van Mohammed en diens 
nakomehngen en aanbeveling van 
den regeerenden vorst. 

Ohav7atip(Ar.),(Koewatir,B;Awa- 
tir), gedachte, voorstelling, inval, 
ingeving, ook kwade gedachten, 
beduchtheid, vrees, bezorgdheid, 
ongerustheid ; Mëngcbawatir- 
kën, zich iets voorstellen, een 
inval, ingeving omtrent iets heb- 
ben of krijgen, ook vrees omtrent 
iets koesteren, zich bevreesd, on- 
gerust maken omtrent iets, be- 
zorgd maken, enz., ook reden 
geven tot ongerustheid, enz. 

Gbianat (Ar.), bedrog, schending 
van het vertrouwen, verraad, 
ontrouw. 

Cbidmat (Ar.), het dienen, het die- 
naar ztjn; Bërchidmat, in dienst 
zijn; Mëngcbidmatkën, dienen, 
iemand dienen, bedienen, door 
diensten eeren, enz. 

Obodjab (of Kodja) (Perz.), een 
Mohammedaan uit Hindostan, 
een Hindoe-Mohammedaan, Klin- 



Cboeloe* (of Koeloek) (Ar.), het 
ontslag geven aan eene vrouw op 
haar verzoek ; echtscheiding met 
wederziJdsch goedvinden. 

Oboeloed (Ar.), eeuwigheid, eeuwig 
leven, parades. 

Cbortna (of Korma) (Perz.), dadel. 

Obotbat (of Oboetbat) (Ar.), het 
Vrijdaggebed in de moskee. Zie 
Ohatib hierboven. 



DABO. 



DAHA. 



69 



D. 



Daboeng, het vyien der tanden, 
tandvyl; Mëndaboeng, de tan- 
den vylen, laten^vylen. 

Daboes (Ar.), (Dêboes of Gëdë- 
boes), een puntig yzer met groe- 
ten knop, waarmede men zichzel- 
ven of anderen doorsteekt, om 
de wond daarna door toovermid- 
delen te genezen; ook het spel, 
dat met dit voorwerp gedreven 
wordt. 

Dada, borst, centrum eener slag- 
orde ; Mëndada, de borst bieden 
tegen iets, tegen iets op- of aan- 
rukken, ook de borsten ontbloo- 
ten ; Bërdada-dada&n, borst 
aan borst, man tegen man vech- 
ten, enz. 

Dadak, onvoorzien geval, iets dat 
plotseling opkomt, in haast afge- 
daan moet worden, enz., ook 
hevige braking ; Mëndadak, iets 
in alle haast doen, klaar maken, 
plotseling komen, zich afsloven, 
enz., ook hevig braken. 

Dadap, een boom, behoorende tot 
de Erithrinae, nat. fam. der Papi- 
lionaceae, die in koflBe- en andere 
plantsoenen veel als schaduw- 
boom aangeplant wordt. 

Dadar, struif, eierstruif, omelet, 
pannekoek; Mëndadar, een eier- 
struif maken, een omelet bakken, 
enz., ook te voorschijn komen 
van de maan (Mëndadari). 

Dadoe, dobbelsteen, ook lichtrood ; 
Mëndadoe, lichtrood worden, 
met dobbelsteenen werpen; Bër- 
xnaln dadoe, dobbelen, met dob- 
belsteenen spelen; Dadoe poe- 
tëp, een spel met dobbelsteenen 
voorzien van een pin, waarom zy 
draaien (veel in de kazerne door 
inl. soldaten gespeeld). 

Dadoeng, groot, dik touw, ook 
vrooiyk gezang: Mëndadoeng, 
aan een touw binden, vastleggen. 



een touw om iets slaan, enz., ook 
vroolyk zingen. 

Daftar (Ar.), boek, schrift, cahier, 
journaal, J\)st, rol, inventaris, enz.; 
Mëndaftar, iets tot een boek 
maken, een cahier inbinden, enz. ; 
Mëndaftarkën, inventariseeren, 
catalogiseeren, de lijst van iets 
opmaken, enz. 

Dagang, vreemde, uitheemsche, 
buitenlandöche koopman, hande- 
laar; Bërdagang, doen als een 
vreemde koopman, handel drijven, 
handelen, enz.; Mëndagangkën, 
iets tot een voorwerp van handel 
maken, verhandelen, verkoopen, 

. enz.; Dagangan ook Barang 
dagangan, koopwaren, handels- 
artikelen; Përdagangan, handel, 
koophandel; Samboetan daga- 
ngan, goederen in commissie. 

Daging, vleesch, (zoowel van dieren 
als van vruchten), hout (van 
boomen), ook bloedverwant ; Sa- 
daging, van hetzelfde vleesch, 
bloedverwant; Bërdaging, vlee- 
zig, vleesch hebben, enz.; Daging- 
darah, vleesch en bloed, bloedver- 
want, bloedverwantschap ; Nama 
daging, van, geboorte-, familie- 
naam. 

Dagoe, kin, ook klap met de vlakke 
hand op de kin ; Mëndagoe, een 
dergelyke klap geven. 

Dahaga, dorst, versmachtend van 
dorst; Bërdahaga, dorst hebben, 
dorstig zyn, versmachten van 
dorst, (zie ook Aoes). 

Dahagi, Mëndahagi, de bevelen 
van hooger hand tegenstreven 
tegenwerken. 

Dahak, fluim, rochel, kwalster; 
Bërdahak, kwalsteren, enz. ; 
Dahak ook = Tabak, zie aldaar. 

Daham (ook Dehem), gehem, ge- 
kuch, kuch; Mëndaham, hem- 
men, kuchen, iemand toehemmen. 



70 



DAHA. 



DALI. 



door gehem aanroepen, iets te 
kennen geven, op iets aandach- 
tig maken, enz. 

Dahar (Ar.), eten, sp\)s, ook eten, 
sptjs tot zich nemen, spys ge- 
bruiken. 

Dahasat (Ar.), (ook Dahsat of 
Dahsjat), schrik, verbazing, ont- 
steltenis, vrees, verslagenheid. 

Baja, list, kunstgreep, hulpmiddel, 
bedrog, uitvlucht; Daja oepaia, 
hulp-, redmiddelen ; Tipoe-ds^a, 
bedrog, bedrieger\j;Mëndajakën, 
ook Bërdajakën en Mèmpër- 
dajakën, bedriegen, verschalken, 
om den tuin leiden^ bedotten, 
foppen, oplichten; Pendaja, be- 
drieger, oplichter, bedotter, f opper, 
enz. ; Përdaja&n, bedrog, bedrie- 
gerij, bedotting, oplichter^, fop- 
pery, enz.; Daja, dient ook om 
in verbinding met Barat of 
Salatan, drie windstreken tus- 
schen Zuid en West aan te geven ; 
Barat daJa, Zuidwest; Barat- 
barat-daja West-Zuidwest ; Sa- 
latan daja, Zuid-Zuidwest. 

Dajah (ook Ajah), min, zoogster. 

Dajang, aankomend meisje, dat 
nog niet gemenstrueerd heeft, 
juffer, dienstdoende jonge maagd 
aan het hof, hofjuffer, (ook Pën- 
dajang of Pëndajancran). 

Dajoeng, riem, roeispaan, roeiriem; 
Mëndajoeng, roeien, iets met 
een roeiriem in het water voort- 
stuwen, voortbewegen, enz. 

Dajoes of Dajoets (Ar.), iemand, 
die niets ziet in de echtbreuk 
door zyne vrouw gepleegd ; Mën- 
dajoes, de echtbreuk zijner vrouw 
verdragen, oogluikend toelaten, 
enz., zich daardoor laten bespot- 
ten, honen, enz. 

Dajoh (.Tav.), gast, bezoeker ; Bër- 
dajoh, b\j iemand als gast komen, 
eene visite maken, enz. 

Daka, plank, die de lahad, d. i. 
de kuil in het graf, waarin een 
doode wordt geplaatst, dekt. 



Dakar^ vermetel, brutaal, overmoe- 
dig, zgne krachten overschattend, 
enz. 

Daki, huidvuil, huidsmeer, vuile 
afscheiding der huid, vuil, dat 
aan de huid vastkleeft, enz.; 
Bërdaki, vuil, smerig (van de 
huid), 

Bakoe, (wijziging van akoe, wan- 
neer het woord wordt voorafge- 
gaan door dëngan, akan of een 
werkwoord met den causatief 
uitgang kan), ik, mij. 

Daksina (ook Daksjina) (Sk.), 
Zuid, Zuiden. 

Dalai, makelaar, kleinhandelaar, 
marskramer, ook venduafslager. 

Dalalah; aanwijzing, leiding, rich- 
ting, bewü'sgrond, argument, be- 
toog. 

Dalam (of dalem), binnen, binnen- 
ste, innerlijk, diep, diepzinnig, hof- 
felijk, hoofsch, ook vorstelijk ver- 
blijf; I^i dalem, binnen, binnen 
in, van binnen ; Bahasa dalem, 
hoftaal, ook diepzinnige taal, enz. ; 
E^dalëm, naar binnen (gaan), 
binnen waarts ; Padalëman, pa- 
leis, vorstelijk verblijf, enz. 

Dalang, wajang-vertooner ; Bër- 
dalang of Mëndalang, de wa- 
jang vertoonen ; ook naar welge- 
vallen, als een tyran regeeren. 

Dallli (of DaJeh), uitvlucht, voor- 
wendsel ; Bërdalih, zich van uit- 
vluchten bedienen ; Mëndalih- 
kën, iets tot, als voorwendsel, 
uitvlucht gebruiken, te baat ne- 
men, enz. 

Dalil (Ar.), bewijs, betoog, argu- 
ment, voornamelijk gegrond op 
den Qoran. 

Dalima, Punica granatum, L.— -de 
granaatappel, (ook de boom). De 
voornaamste soorten zy'n : DaJi- 
ma-poetih, Punica granatum, 
var. albescens, met witte bloemen 
en pitten ; Dëlimamerah, Puni- 
ca granatum, met roode bloemen 
en pitten ; Dëlima item, Punica 



DALO. 



DANa. 



71 



granatum, var. flore nigra, met 
donkerpaarse bloemen. 

Daloe (Bat.), beursch, overrijp, niet 
frisch meer. 

Damai (ook Dame of Dami), 
vrede, beëindiging van een twist, 
goede verstandhouding; Bèrda- 
mal, in vrede, in goede verstand- 
houding met elkander leven, 
elkander goed verstaan, tot over- 
eenstemming komen, het met 
elkander over iets eens zyn, met 
elkander een overeenkomst slui- 
ten, een afspraak maken, enz. ook 
(van man en vrouw, wanneer 
deze laatste nog maagd is, en 
zulks toestaat), het met elkander 
eens zyn over de uitoefening van 
den coïtus; Mëndamai, vrede 
maken, sluiten, enz.; Mëndamai- 
kën, twee parttjen verzoenen, 
vrede met elkander doen sluiten, 
bevredigen, enz. ; Pëndamai, vre- 
destichter, verzoener ; Përda- 
maian, verzoening, vredestich- 
ting, bevrediging, overeenkomst, 
afspraak, enz. 

Damal, slecht, langzaam door het 
water gaand, slechte roeier of 
zeiler (van vaartuigen). 

Damar, hars, ook toorts, fakkel 
van hars, en naam van verschei- 
dene boomsoorten behoorende tot 
de nat. fam. der Burseraceae en 
Abietineae, die verschillende soor- 
ten waarde hebbende harsen le- 
veren ; Damar mata koetjiiig:, 
doorschijnende hars van denDam- 
mara alba, Bmph.: Mëndamar, 
hars inzamelen; ook hars leveren 
(van een boom); Pëndamaran, 
plaats der inzameling. 

Damar, lamp, licht, nachthcht, enz. 

Damar (Soend.), Mëndamar, den 
schedel tot op de hersenen door- 
spleten, een schedelwond toebren- 
gen, die tot de hersens doordringt. 

Dami, padistroo, halmen der padi 
nadat de aar gesneden is, enz. 

Dampa, dauwworm, ringworm. 



Dampak, aaneengesloten,vol, over- 
vol, gedrang, enz. ; Mëmdampak, 
tegen elkander in loopen, aanbon- 
zen,schuren,elkandertegenhetltjf 
loopen, elkander verdringen, enz. 

Dampar, vlak, effen, ook verheven 
zitplaats, bank, troon, dorpel (van 
een deur) die eenigszins boven 
den vloer uitsteekt, en: op den 
wal liggend, tegen den wal opge- 
worpen, aangespoeld; Tërdam- 
par of Kadampar, gestrand, 
op den wal geworpen, tegen den 
wal aangedreven, op het strand 
gezet of gedreven, vastzittend 
(van vaartuigen enz.) ; Mëndam- 
parkën, op het strand zetten, 
doen stranden, enz. 

Dampin^, nab\] z\jnd, bestendig in 
de^nabyheid van iets of iemand; 
MëndampinfiT, nabU komen, na- 
deren; Berdamping, naby bltj- 
ven, in de nabyheid van iets of 
iemand zijn, blyven, vertoeven. 

Dan, en, ook,met, te ven8,nevens,enz. 

Dana (Sk.), liefdadig, weldadig, 
weldaad, enz, 

Danam, juk (voor draag- of trek- 
dieren). 

Danau (of Danoe), meer, water- 
vlakte, poel, stilstaand water van 
eenige uitgestrektheid, enz. 

Danawa (Sk.), demon, titan, reus. 

Dandan, versiering, opschik, tooi, 
enz.; Mëndandan (ook Bërdan- 
dan), opschikken, tooien, versie- 
ren, verfraaien, ook de laatste hand 
aan iets leggen, voltooien, gereed- 
maken, reisvaardig maken, ook: 
een blinde b^ de hand of aan een 
stok leiden ; Dandanan, wat tot 
verfraaiing, versiering, enz. dient. 

Dandang (ookDangdang),groote, 
min of meer urnvormige, hooge 
koperen pot, waarin het water 
gekookt wordt, dat dient om de 
in een koekoesan* (zie dit woord) 
boven de opening geplaatste rflst 
gaar te stoomen. 

Dang, titel voor een vrouw van 



72 



DANO. 



DARA. 



aanzien, mevrouw, mejufifrouw. 
Dang : ook gebruikt ter aandui- 
ding van een verzameling, dus als 
collectief voorvoegsel, b\jv. (Band- 
jerm.): dang-aansk = de ver- 
schillende familieleden; sa-pa- 
dang'Sanak = al de familieleden. 

Dangak, Mëndangak, het hoofd 
achterover buigen, houden, enz. 

Dangkal, onnatuurl^k hard, gedeel- 
telyk versteend en daardoor on- 
eetbaar (van vruchten), Sial 
dangkal, ongelukkig, diep onge- 
lukkig; Hati dangkal, een slecht, 
bedorven, ntjdig, gevoelloos hart, 
wreed, enz.; Dangkalan, ver- 
kleurd, gevlekt, enz. (van de huid 
door een ziekte). 

Dangkap, Mëndangkap, naloo- 
pen, nazetten, vervolgen, ook 
elkander omvatten, omvat hou- 
den (van vechtenden). 

Dangkar, ondiep, verzand,ondiepte, 
bank, verzanding, ook: oprollen; 
(Mëndangkar). 

Dangkoeng, verkromming der ge- 
wrichten (een soort van lepra?). 

Dangoe (Jav.), stengel van de 
bloemkolf van den arenpalm en 
kokosboom, 

Dangok, Mëndangok, met de kin 
op iets leunende strak voor zich 
uit staren, enz. 

Danjoe (ook Bëlarak), een droog 
cocosblad. 

Danoer, stinkend lijkvocht. 

Daoen (of Daon), blad, loof; Bër- 
daoen, met bladeren, bladeren 
hebben, blad vormen of kragen, 
gebladerd z\jn; Mëndaoen, zich 
als bladeren voordoen. 

Dapat (of Dapët), vinden, uitvin- 
den, krijgen, verkrijgen, in z\jne 
macht bekomen, betrappen, be- 
vinden,ookkunnen;Tiada dapat, 
niet verkregen, ook : het kan niet; 
Tiada dapat tiada of Ta' da- 
pët tiada, het moet, het is nood- 
zakelijk, het tegendeel is niet 
mogejtjk, het is buiten twjjfel; 



Mëndapat, vinden, kry gen, ver- 
kregen, ontvangen, bevinden, on- 
dervinden, enz. ; Baroe mënda- 
pat, voor het eorst iets te weten 
komen, zien, hoeren, ondervinden, 
enz,; Mëndapatkën, naar iets of 
iemand gaan, iemand ontmoeten, 
te spreken krygen, enz.; Këda- 
patan, gevonden, ontdekt, gevan- 
gen, gevat, enz.; ook verkrijgbaar, 
te krijgen, enz.; Pëndapët, de- 
geen die krijgt enz. ; Pëndapëtan 
(ook Pëndapët), bevinding, uit- 
vinding, gevoelen, meening, oor- 
deel, wat verkregen wordt, enz.; 
Sadapat, naar vermogen; Sada- 
pat-dapat, naar best vermogen, 
zooveel mogelijk, zooveel doenlijk, 
enz. 

Dapoer, stookplaats, oven, keuken, 
kookplaats, kombuis, haard, ook: 
stoel (van planten, bijv. bamboe, 
pisang, enz.); en pan van een 
vuursteengeweer; Bërdapoer,of 
Mëndapoer, (van planten) stoe- 
len vormen, uitstoelen, enz.; 
Orang sadapoer, lieden uit één 
huis, één gezin (die van dezelfde 
keuken gebruik maken). 

Dar (Ar.), woning, verblijf, land, 
gewest, enz.; Dar-assalam, huis 
des vredes, land des vredes, enz. 

Dara, jonge dochter, maagd, maag- 
dom, ook jonge spruit van een 
plant; Anak dara, een aanko- 
mend meisje, jonge dochter, huw- 
bare maagd; Hang daraxija, zij 
is haar maagdom kwijt; Dëdara, 
jonge dieren van het vrouwelijk 
geslacht; Përdara&n, de maag- 
delijke staat der gezamenlijke 
maagden; Boeroeng dara, duif, 
gewone of boschduif. 

Daradjah, wie niets ontziet. 

Darah, bloed, ook bloedverwant; 
Bërdarah, bebloed, bebloed zijn, 
bloeden, ook bloed hebben; Mën- 
darah, volbloedig zijn, bloedrijk 
zjjn, bloed hebben of krijgen, ook : 
zich voor iets inspannen, veel 



DARA. 



DATJ. 



7S 



moeite geven; Darahpëngiringr 

boedak, de bloedvloeiing by de 
geboorte van een kind; Daging- 
darah, vleesch en bloed, van 
hetzelfde vleesch en bloed, bloed- 
verwant ; Sadarah, van een, het 
zelfde bloed, bloedverwant. 

Dara8,M!ëndaras,lezen, doorlezen, 
hardop lezen, leeren, studeeren 
enz. 

Daraty land, wal, vaste grond, oever, 
enz. ; Bërdarat, over land gaan^ 
reizen, enz. ; Mëndarat, naar den 
wal koersen, koers zetten, een 
haven enz. binnenloopen, landen, 
aan wal gaan, enz., ook over land 
reizen, enz. ; Daratan, oever, wal, 
land, binnenland; Pëndarat, mid- 
del van verbinding met, vastleg- 
ging aan den wal, enz.; Tiang 
pëndarat, meerpaal; Toeroen 
kadarat, aan wal gaan, debar- 
keeren (ook Përgi ka darat, 
naïk ka darat). 

Dardji, snoder, kleermaker. 

Dare (of Darai), impotent. 

Dari, van, van af, afkomstig van, 
uit, door, in stede van, dan, enz. ; 
Dari mana, van waar? Dari 
pada, van, afkomstig van; Lë- 
bih dari, meer dan ; Dari pada 
mëngadji ia bermaln-xnaln 
sahadja, in stede van te leeren, 
gaat hy maar spelen, enz. 

Daria, zee, oceaan, groote rivier, 
stroom. 

Dai^ah, kennis, wetenschap, kunde. 

Darma (Sk.) (ook Dërma), mild, 
liefdadig, Uefdegift, aalmoes; Mën- 
darxnakën, iets als liefdegift, aal- 
moes geven ; Darmawan, mild, 
milddadig, barmhartig, goeder- 
tieren, enz. 

I^armaga (of Dërmaga), breed 
pad, kaaimuur, zeehoofd. 

^armawan, zie Darma. 

DarwiBj (Perz.), arme geestelyke 
of monnik, bedelmonnik. 

^as, schot, geluid van een vuurwa- 
pen; Hórmat sëratoes satoe 



das, saluut van 101 schoten. 

Dasar, grond, vloer, grondkleur^ 
grondverf, natuurl\jko eigenschap^ 
karakter, aard, bodem, ook om- 
dat, door, ten gevolge van, dat 
komt er van, enz. ; Dasar batoe^ 
gemetselde vloer, vloer van stee- 
nen; Batoe dasar vloersteen; 
Roemah dasar papan, een 
huis met planken vloer; Mën- 
dasarkën, bevloeren, iets tot 
vloer gebruiken, aanwenden, aan 
iets een vloer geven, maken, iets 
onder het een of ander leggen, 
tot onderligger maken, enz. ; Da- 
sar bërangasan, driftig van 
aard, enz. ;^ Pëndasaran, (ge- 
woonlijk Pënasaran), teleurge» 
steld zyn, iets tegen iemand 
hebben, zich over iemand te be- 
klagen hebben, enz. 

Dastar (of Dëstar), hoofdomwind» 
sel, langwerpige hoofddoek, tul- 
band ; Bërdastar, met een tul- 
band loopen, gekleed gaan; 
Mëndastar, een tulband gebrui- 
ken, iets als tulband gebruiken. 

Datang (of Datëng), komen, aan- 
komen, arriveeren, komst,^ ge- 
beuren, geschieden ; Bërdatëng^ 
naderen, dichterbykomen, toe- 
treden ; Mëndatangi, by iemand 
of iets komen, iemand opzoeken^ 
bezoeken, overvallen, aangrijpen^ 
(byv. een vyand); Mëndatëng- 
kën, iets laten komen, bestellen,, 
ontbieden, ook bezorgen, met iets 
voor^ den dag komen, enz. ; Kb,- 
datëngan, overvallen, bezocht; 
Sëlamët datëng, welkom. 

Datar, effen, vlak, gel\]k ; Tanab 
datar, vlakland, vlakte; Mën- 
datar, een vlakte, enz.afloopen^ 
doorloopen, enz. 

Dati (Sap.), onvervreemdbaar fa- 
milie-erfgrond, fidei commis. 

DatUa(Daitya), reus, titan, demon. 

Dat^in (of Datjinan), unster, weeg- 
stok, balans, ook een gewicht van 
125 Amst. ponden of 627« kilogr. 



74 



DATO. 



DEKO, 



Datoe (of DatoO, grootvader, groot- 
moeder, grootje, bes, in het alge- 
meen gebruikt tegenover zeer 
oude lieden en hoofden. 

Daulat (Ar.), heil, zegen, voorspoed, 
geluk. 

Da'wa (ook Dakwa) (Ar.), rechts- 
vordering, vordering, rechtzaak, 
rechtsgeding, eisch, aanspraak; 
Mënda*wa, in rechten vorderen, 
eischen, aanspraak maken op iets, 
iemand in rechten beschuldigen, 
dagvaarden, betichten, enz.; Pën- 
da'-wa of lang ampoenja 
6jbl*'wb,, beschuldiger, eischer ; 
lang di da'wa of lang këna 
da'wa, beschuldigde, gedaagde. 

Daivai, metaaldraad. 

Da^vv'at. (Ar.), inkt (ook^ Ajër 
dawat), inktkoker (ook Témpat 
da wat). 

Dawoek, schimmel, özerschimmel 
(paard). 

Dëbah,Mëndëbah, slachten; Pen* 
dëbah, slager, slachter. 

Bëbar, klopping van het hart; 
Mëndëbar, popelen, kloppen 
(van het hart); Pëndëbar, pope- 
ling, klopping (van het hart). 

Dëboe, stof; Bërdëboe, stuiven, 
met stof overdekt zijn. 

Dëboeh, Bërdëboeh, geljjk in 
krach ten,tegen elkanderop wegen. 

Dëdah; open, (byv. een deur) onge- 
dekt, (byv. een schotel); Men- 
dëdah, openstaan, ongedekt z^jn. 

Dëdai. onregelmatige troep (men- 
schen of dieren) ; Bërdëdai, zich 
in onregelmatige, ongeregelde 
troepen bevinden, onregelmatige 
troepen vormen. 

Dëdak (of Dëdëk), zemelen, afval, 

. bezinksel, moer, droesem (ook 
Dëdëgan of Dëgdëgan). 

Dëdali (of Boeroeng Dëdali), een 
soort zwaluw. 

Bëdas, Mëndëdas, knetteren (als 
van vuurwerk), ook aanhoudend 
manen, tegen iemand schreeuwen 
of gillen, enz. 



Dëgar, groot, robust, reusachtig 
(van een mensch). 

Dëgil, koppig, een aanroeping niet 
beantwoorden. 

Dëhoeloe (ook Dahoeloe ofDoe- 
loe), vorig, vroeger, voorheen, 
eer, eerst, voor, vooraan, voorop, 
aan het hoofd, enz. ; Dëhoeloe 
kala, in vroeger tyd, eertflds, 
oudtyds, voorheen; Mëndëhoe- 
loe, voorgaan, vroeger of eerder 
handelen, zich vooraan, aan het 
hoofd, voorop stellen; Mëndë- 
hoeloel, iemand voorgaan, voor 
iemand uitgaan, iemand voorbij- 
gaan, vooruitstreven, het eerst 
of eerder aan iets beginnen, enz. ; 
Mëndëhoeloekën, iets vervroe- 
gen, iemand voortrekken, de 
voorkeur geven, voorop stellen, 
enz.; Bërdahoeloó-daboeloean, 
met elkander wedijveren (om de 
eerste plaats, rang, enz.). 

Dëkam, op de loer liggend, stil 
liggend, nedergehurkt ; Mëndë- 
kam, op de loer liggen, stil op 
den grond liggen, gereed om een 
sprong te doen, nederhurken, enz. 
(van wilde dieren); Mëndëkëmi, 
liggend op iets loeren, ook krui- 
pend of hurkend naar iets toe 
gaan, bekruipen. 

Dëkat (of Dëkët), na, naby, dicht- 
bij, in de nabyheid; Bërdëkat, 
dichtby ztJn; Mëndëkat, nade- 
ren, naderby komen; Mëndë- 
kati, iets naderen, benaderen; 
Mëndëkatkën, nabybrengen, 
dichterby halen, enz. 

Dëkil, vuil, smerig, (byv. van goed, 
dat steeds gebruikt en niet ge- 
wasschen wordt). 

Dëkoes, Mëndëkoes, blazen, een 
blazend, sissend geluid voort- 
brengen (zooals een kat). 

Dëkoet, door een klokkend of kir- 
rend geluid lokken (Mëndekoet), 
zooals een hen, die hare kuikens 
roept, een dergeiyk geluid maken. 

Dëkok, ingedeukt, deuk. 



DELA. 

Dëlap, onbeschaamd, brutaal, ook 
(van een kind) stout, wild, on- 
deugend, onverbiddelijk. 

Dëlapan, acht; Mëndëlapan, de 
achtste z\|n; Bërdëlapan, met 
zy n achten, acht in aantal (zyn) ; 
Bërdëlapanan,b\j hoopen of groe- 
pen van acht; Dëlapandëlapan, 
acht aandacht, acht by acht, enz. 

Dëlik, Mëndëlik, staroogen, de 
oogen wyd open zetten, enz. ook 
verschuilen, zich verstoppen, 
vluchten enz.; Mëndëlak-mën- 
dëlik, de oogen onophoudelijk 
opensperren, laten rollen; Mën- 
dëliki, tegen iemand 'groote 
oogen opzetten. 

Dëlima, zie Dalima. 

Dëlingrgam (of Dèlinggëm), me- 
nie, vermiljoen, ook een heester 
(Bixa orellana, L. nat. fam. der 
Bixaceae), waarvan de zaden een 
orleans-gele of -roode verfstof 
g:even. 

Dëlok (Jav.), zien, kyken, aanzien ; 
Dëlokin, Mëndëlokin, Mëndë- 
loki, iemand voortdurend, sterk 
aankyken, fixeeren. 

Dëloewang (Jav.), papier uit boom- 
bast bereid, boombast tot zeer 
dunne platen uitgeslagen. 

Dëmah, Mëndëmah, op zieke 
lichaamsdeelen warme genees- 
middelen, pappen, enz. leggen. 

Bëmam (of Dëmëm), koorts, koort- 
sig, koorts hebben (ook Sakit 
dëmam); Dëmam koera, inter- 
mitteerende koorts; Dëmam- 
kapialoe of Dëmam di kapala, 
heete koorts, typhus; Dëmam 
oerat of Dëmam didalëm, ook 
Dëmam toelang, binnenkoorts; 
Dëmam dingin of Dëmam gi- 
gil, koude koorts. 

Dëmang (Soend.), titel van een 
districtshoofd (in West-Java), 
Këdëmangan, district, ook dis- 
trictshoofdswoning. 

Dëmëk (Bat.), vochtig, niet goed 
droog, klam (van waschgoedbyv.). 



DEMP. 



75 



Dëmën (Jav.), van iets houden, iets 
lusten, iemand mogen lyden, lief- 
hebben, beminnen, enz.; Dëmë- 
nan, lief, liefje. 

Demi, toen, op het tydstip, ten 
tyde, enz., ook; by (in eeden); 
Demi Allah, by God! Demi di- 
liliatDja,^toen hy het zag; Sa- 
orang demi saorang, de een 
voor of na den ander, een voor een. 

Dèmikian, dus, aldus, zoo, zooda- 
nig, op die wyze, insgeiyks, enz. ; 
Dëmikian djoega, op dezelfde 
wyze. 

Dëminggoe(Port.),(ookMinggoe), 
Zondag, week; Haridëminggoe, 
Zondag; Satoe dëminggoe, een 
week. 

Dëminin (ook Dëminkën) (Bat.), 
geen notitie van iets of iemand 
nemen, iemand of iets met rust 
laten, laten begaan, aan zyn lot 
overlaten. 

Dëmoekoet, gebroken rystkorrels. 

Dëmpang, hol (van een geluid 
byv. in een ledige ruimte). 

Dempet, vastzittend, vastgehecht, 
bevestigd aan iets, rakelings aan- 
sluitend tegen iets; Bërdempet, 
aan elkander vastzitten, aan elkan- 
der vastgehecht; Mëndempet, 
zich vast tegen iets aandrukken; 
Mëndempetkën, tegen elkander 
vast aandrukken, aan elkander 
hechten, enz. 

Dëmpet, gekneld, vastzittend tus- 
schen twee voorwerpen (Kadëm- 
pet); Mëndempet, iets knellen. 

Dëmpir, schel, schelklinkend, la- 
waaimakend (van het geluid van 
bekkens byv.). 

Dëmpoel, stopverf, werk om naden 
dicht te stoppen; Mëndëmpoel, 
naden met stopverf of werk dicht- 
maken. 

Dëmpok, dicht naast of aan elkan- 
der, opeengepakt, opeengehoopt, 
gedrang, opeenhooping, enz. ; 
Mëndëmpok, of Bërdëmpok, 
opeenhoopen, opeendringen, dicht 



76 



DENA. 



naast elkander gaan loopen, staan, 
zitten, enz. 

Dënai, weg, pad (door groote die- 
ren gevormd of door groote die- 
ren gewoonlflk gevolgd). 

Dënak, kortbeenig, dwergacütig, 
kort van beenen bt) een gewoon 
bovenlyf. 

Dènda, straf, boete; Mëndënda, 
beboeten, met boete straffen; 
Dënda mati, doodstraf. 

Dëndam (of Dëndëm), geheim 
verlangen, verborgen verlangen 
(ook in kwaden zin), haat, wrok, 
wrevel; Mëndëndam, een ge- 
heim of inwendig verlangen, ook 
haat, wrok koesteren, weemoedig 
zyn, heimwee hebben; Mëndën- 
dam birahi, inwendig in liefde 
naar iemand verlangen, heimelyk 
liefde voor iemand koestéren, enz. 

Dendang (of Dindang), Berden- 
dang, Mëndendang, (ook Don- 
daiig,Mëndondang), zingen , een 
deuntje opdreunen. 

Dëndang, Spaansche vlieg. 

Dendeng (ook Dengdeng), lappen 
gekruid en gedroogd vleesch; 
Mëndendeng, vleesch aldus be- 
reiden, in lappen snflden, in de 
zon of boven vuur drogen; ook 
de breede oppervlakte vertoon en 
(van de maan b\j het op- of on- 
dergaan). 

Dëndoe, tw^fel ; Mëndëndoe, aan 
iets twijfelen, iets betwyfelen, in 
twijfel trekken. 

Dëngan, met, vergezeld van, voor- 
zien van^ enz. ; Dëngan sapër- 
tinja, naar behooren; Dëngan 
përentah, op last; Dëngan sa- 
orang diri, alleen, alleenlg, in 
zQn eentje; Dëngan tiada, zon- 
der, enz. 

Dëngar, Mëndëngar, (ook Mënë- 
ngap), hooren, aanhooren, ver- 
nemen; Mëndëngarkën, aan- 
hooren, naar iets hooren, luiste- 
ren; Tërdëngar, toevallig ge- 
hoord, vernomen; Kadëngëran, 



DEPA. 

gehoord, hoorbaar zyn; Pëndë- 
ngar, het gehoor, wie of wat 
hoort; Pëndëngaran, wat ge- 
hoord of vernomen wordt, ge- 
rucht, het gehoorde, enz. 

Dengkel, dun en lang, lang en ma- 
ger (van menschen of kinderen), 
dun van vleesch (van vruchten). 

Dëngkëlik (Jav.), ook en gewoon- 
lijk Dingklik, laag zitbankje, 
yoetbankje. 

Dëngkeng, ingedeukt (van den rug) 
zoodat^ de borst vooruitsteekt; 
Mëndëngkeng, met de borst 
vooruit en den rug ingedeukt 
loopen, enz. 

Dëngki,wangun8tig,nödig,afgunst, 
wangunst; Mëndëngki, nydig 
zyn op iemand, iemand benijden ; 
Pëndengki, nijdigaard. 

Dëngkoel(Jav.),knie(ookIjoetoet); 
Bërdëngkoel of Mêndëngkoel, 
knielen, op de knieën rusten of 
liggen. 

Dengkol, onnatuurlijk, ziekelijk, 
gekromd of gebogen (bijv. van 
armen of beenen). 

Dëngoeng, gegons, gesnor, ge- 
brom ; Bërdëngoeng of Mëndë- 
ngoeng, gonsen, snorren, brom- 
men, een brommend geluid voort- 
brengen, enz. 

Dëngoes, gesnuif, gesnik, geknor ; 
Mëndëngoes, de lucht schielijk 
door den neus blazen, snuiven, 
snikken, knorren (van varkens). 

Dënj oet, ruk , schok , trekking, spier- 
trekking, enz.; Mëndënjoet, ruk- 
ken, schokken, trekken met een 
schok (bijv. van een visch, die 
het aas ingeshkt heeft). 

Denok (Jav.), lief, lieftallig, aan- 
minnig, mollig, poezelig. 

Dëpa, vadem, de afstand tusschen 
de toppen der middelvingers van 
de horizontaal in eene lijn uitge- 
strekte armen; Mëndëpa, vade- 
men, bö of met vadems meten. 

Dëpan, zie^Hadëpan biJ Hadap. 

Dëpang, Mëndëpang,iemandkrui- 



DEPL. 



DIAT. 



77 



sigen, ook met uitgestrekte armen 
voor eene opening gaan staan. 

Dèplek, Mëndëplek, zich achter 
een openstaande deur verschuilen. 

Dëra, Mëndëra, tuchtigen, kasty- 
den, geeselen, een pak slaag ge- 
yen, enz. 

Dëragëm (Jav.), donkerbruin (van 
de kleur van een paard), kastanje- 
bruin. 

Dëras, snel, gezwind, ras, vlug, 
sterk, enz.; Mëndëras, snel, vlug 
handelen, loepen, spreken, leeren, 
lezen, enz.; Mëndëraskën, ver- 
snellen; Dëras rëdjëkinja, h\j 
verdient geld als water; Pëndë- 
ras, drijfmiddel, pisdryvend mid- 
del, ook dry ver, aanzetter; Pën- 
dërasan, stroomversnelling in 
een rivier, enz. 

Dërawa (of Goela dërawa), 
stroop, stroopsuiker. 

Derek (Bat.), ry, gelid; Bërderek, 
naast elkander in een ry, gelid 
staan; Mënderekkën of Bër- 
derekkën, in een ry, in een gelid 
naast elkander stellen. 

Dërel, peletonsvuur, gelederen vuur, 
salvo; Mëndërel, een salvo ge- 
ven, ook iemand fusileeren. 

Dërëp, Mëndërëp (Jav.), padisny- 
den tegen een bepaald deel van 
het gesnedene in natura als loon ; 
ook dicht op elkander, dicht hii 
elkander, te zamen. 

Bëriiig(ook Dërang),Mëndëring, 
Mëndërang, een schel klinkend 
geluid voortbrengen, rinkelen, rin- 
kinken, enz. 

Bërma, zie Darma. 

I>ëmi,drempel,dorpel(van een deur). 

Besa (Jav.) (ook Doesoen), in- 
landsch dorp, gehucht, vlek, eene 
bewoonde plaats op het platte 
land, d. i. buiten de steden of hoofd- 
plaatsen, die Kota genoemd 
worden. 

^esak (of Dësëk), opeengedron- 
gen, opeengehoopt; Bërdësëk, 
opeengedrongen staan, enz., drin- 



gen, verdringen; Mëndësëk, door 
iets heen, tusschen iets door drin- 
gen, zich dringend een weg ba- 
nen, enz. 

Dësing, getuit, gesuis; Bërdësing 
of Mëndësing:, tuiten, suizen 
(van de ooren), ook fluiten (van 
den wind). 

Dewa (Sk.), godheid, Hindoe-god- 
heid. 

Dewasa (Sk.), tyd, tydstip, leeftyd. 

Dewata (Sk.), (ook DJawata) = 
Dewa. 

Dewi (Sk.), godin, ook als benaming 
van hooggeboren vrouwen van 
vorstelyken bloede. 

Di, voorvoegsel tot vorming van 
het zuiver passief der Maleische 
werkwoorden, by v. di gantoen^:, 
gehangen (worden), enz., ook als 
voorzetsel : in, te, op ; Diroexnab, 
in huis, te huis ; Di atas medja, 
op de tafel, enz. 

Dia, h\^ zy, het ; Bërdia of Mën- 
diaken, iemand met dia, d. i. in 
den 3en persoon, aanspreken. 

Diakoe (Bandj.), ik, my. 

Diam, stil, zwygend, zich niet roe- 
rend, enz.; Bërdiam stil zyn, 
zwygen, zich stil houden, zich niet 
verroeren, ook ergens wonen, 
verblijven, gevestigd zyn, enz.; 
Mëndiami, eene plaats bewonen, 
ergens verblyven, enz.; Mën- 
diamkën, doen zwygen, ook la- 
ten begaan, iemand niet aanspre- 
ken, enz.; Pëndiam, zwyger, 
iemand, die niet veel zegt, enz.; 
Kadiaman, verblijfplaats, woon- 
plaats, ook laatste rustplaats. 

Dian, inlandsch lampje, licht, nacht- 
licht, ook kaars (lilin); Bërdian, 
licht ophebben, Ucht aansteken, 
met een licht of lantaarn loe- 
pen, enz. 

Diane:, vlammend vuur ; Bërdiang, 
zich biJ vlammend vuur warmen; 
Mëndiang, bij vlammend vuur 
verwarmen, koesteren. 

Diat (Ar.), bloedprijs, bloedgeld, 



78 



DIDA. 



boete of schadevergoeding voor 
een beganen moord ; Mëndiat, 
een bloedprys voor een beganen 
moord betalen, die moord met 
geld, enz. verzoenen. 

Dida, zie Haoer-biroe. 

Didal, vingerhoed. 

Didi (of Didih) schuim; Bërdidi 
of Mëndidi, schuimen, koken, 
zieden (van water), Darahkoe 
mëndidi, mijn bloed kookt; Di- 
dih laoet, meerschuim, ook spons. 

Didik, Mëndidik, zorgen voor iets 
of iemand, iets of iemand groot- 
brengen, opvoeden, opkweeken, 

Dikau (= Bngkau of Angkau), 
pers. voornw. van den 2en per- 
soon: gö, u, j\j, jou. 

Dikir (Ar.), (Dzikir), Mëndikir, 
Bërdikir, den lof van God vermel- 
den, zingen,God zingendlovea ook 
eenvoudig iets zingend verhalen. 

Dikit, beetje, greintje, siertje; 
Sëdikit, een weinig, weinigje, 
beetje, nietveel;Sëdikit-Bëdikit, 
bü beetjes, zoetjes aan, langzaam 
aan, enz. 

Dimpit, gesloten, aan elkander 
vastzittend (van de oogleden biJ 
zieke oogen), zie ook Dempet. 

Dina (Jav.), dag ; Dina hari, t^d van 
na middernacht tot het krieken 
van den dag. 

Dina (Sk ), arm, ellendig, behoeftig, 
gering, enz.; Hina-dina, laag en 
ellendig, laag en ellendig volk, 
gepeupel, gespuis, enz. 

Dinar, gouden munt ter waarde 
van ongeveer een dukaat, in 't 
algemeen gemunt metaal, geld. 

Dinding, beschot, wand, bewan- 
ding, muur, afschutting, schutsel, 
scherm, borstwering, enz.; Mën- 
ó^óing, van een (findiog^ voor- 
zien ztjn, iets als dinding ge- 
bruiken, achter een dinding zich 
opstellen, een dindtng maken, 
enz.: Mëndindingi, iets of ie- 
mand tot dinding strekken, enz. 

Dingin, koud, zeer koud, kil, koude ; 



DJAD. 

Mëndinginkën, iets koud laten 
worden, verkoelen, enz.; Eladi- 
nginan, van koude bibberen, ook 
verkouden z^n, koude vatten, enz, 

Dingklik, zie Dingkëlik. 

Diri, persoon, individu, lichaam, 
eigen, zelf, dikwyls ook gebruikt 
voor den 2en persoon ; Dirikoe, 
myn persoon, ik; Dirimoe, uw 
persoon, gy, gtjlieden; Dirinja, 
zyn (haar) persoon, hy, zy, het, 
z^lieden; Diri dari mana da- 
tang, waar komt gij (gylieden) 
van daan? Saorang diri, ook 
Sëndiri, alleen, de persoon zelf; 
Bërdiri, staan, opgericht zgn, 
overeind staan ; Mëndiriken, 
ook Mëmpërdiriken, oprichten, 
opstellen, bouwen, doen staan, 
bevestigen ; Pëndirian, de hoogte 
van iemand, die staat; mans- 
hoogte. 

Diwan (Perz.), tribunaal, gerechts- 
hof, raadsvergadering, vorstelijk 
hof, ook album, register van 
ontvangsten en uitgaven, enz.; 
Diwan sëgala wakil orang 
banjak, de Staten-generaal; 
Diwan këradja&n, Raad van 
State; Diwan tanah India 
Nederland, raad van Ned, Indiê; 
Diwan hibab, de rekenkamer. 

DJabal (Ar.), berg, gebergte. 

DJabat,MëndJabat, aanvatten, be- 
handelen, uitoefenen, hanteeren, 
waarnemen, ook een vrouw besla- 
pen, elkander de hand geven, een 
ambt vervullen, waarnemen, enz.; 
DJabatan, ambt, bediening, amb- 
telijk, ambtshalve; Pëndjaba- 
tan, aanvatting, uitoefening, be- 
handeling, waarneming,be8laping, 
ook de tastzin. 

DJaboeng, l\jm; Mëndjaboeng, 
vastiymen, Iflmen, vastmaken, 
vastzetten, enz. 

Djadah, nut, doel; Pëndjadah, 
middel ter bereiking van zeker 
doel. 

Djadah (Ar.), (eig. Dzadah), ge- 



DJAD. 



DJAG. 



79 



boren, ontstaan, kind, geborene; 
Halal-djadah, een wettig, echt 
kind; Haram-djadah, een on- 
wettig geborene, hoerekind. 

DJadam, een in de inlandsche ge- 
neeskunde veel gebruikte gom- 
hars van een bittere Aloë-soort; 
Aloë socotrima, Lamm. — Aloë 
officinaHs Försk. —Aloë rubescens, 
DC. en Aloë abyssinica, Lamm.). 

Djadi of Mèndjadi, worden, ont- 
staan, geboren, geworden, slagen, 
gelukken, gebeuren, geschieden, 
doorgaan, ook zyn, byv. Ia djadi 
mandor, hy^ is mandoor, — 
opzichter; MeDdJadikën, doen 
worden, scheppen, voortbrengen, 
telen, aanstellen, benoemen, ma- 
ken, voortgang doen hebben, enz.; 
Këdjadian, geschied, wording^ 
ontstaan, gebeurd, gebeurtenis, 
doorgegaan, geslaagd, enz.; Dja- 
dian of DJadi-djadian, iemand, 
die de gedaante van het een of 
ander dier, enz. kan aannemen, de 
kunst om zoo iets te doen ; Djadi, 
ook : bokje, geitje, het teeken van 
het stenenbeeld de Steenbok. 

Djadja, Mëndjadja, rondventen, 
met koopgoederen rondgaan, met 
een marskraam loopen; Mèndja- 
djakën, iets al rondgaande ver- 
koopen, rondventen enz,; Dja- 
dja, ook een soort gebak. 

Djadjah, rondreis, doorreis, enz. ; 
Mëndjadjah, in een gewest, 
land rondreizen, een land in alle 
richtingen bereizen, doorreizen, 
enz. ; Djadjahan, gewest, streek, 
afhankelijke streek, bybehoorend 
land, onderhoorigheid, ook streek 
die veel bereisd wordt, enz.; Pën- 
djadjah, bereizen, degeen die 
rondreist, ook het. bereizen, door- 
reizen, enz, 

I>jadjar, rij, reeks, gelid, achter 
elkander of naast elkander in een 
r\i staand ;^Bërdjadjar, in een 
f j^ staan ; Bërdjadjaran, in r^en, 
in gelederen; Mëndjadjar^ een 



ry, gelid, reeks vormen; Mën- 
djadjarkën, in ryen, gelederen 
opstellen, in rijen plaatsen, enz. 

Djadjaroh (Mol.), jong meisje, 
maagd; Djadjaroh hakakil, de 
jonge meisjes, die naar 's lands 
gebruik eens per jaar gedurende 
één maand bij den radja moeten 
werken. 

Djadjat, naaping, nabootsing, on- 
echt, nagemaakt; Mëndjadjat, 
namaken, nabootsen, nadoen, enz. 

Djadjei, fijn van vel. 

Djaga, wakker zijn, op zijn hoede 
zijn, waken, wachten, de wacht 
houden; Mëndjaga, wachten, 
waken, de wacht houden, acht 
geven op, oppassen, bewaken, 
zorgen voor, ^behartigen, bedie- 
nen, enz. ; Mëndjagakën, wek- 
ken, wakker maken, waarschu- 
wen ; Bërdjaga-djaga of Bër- 
djaga-djaga&n dag en nacht 
feestvieren, wakker blijven om 
feest te vieren ; Pëndjaga, wa- 
ker, bewaker, die de wacht houdt; 
Pëndjaga&D, wachtplaats, waar 
de wacht wordt gehouden, wacht- 
huisje, ook het waken, het be- 
waken, enz.; Përdjaga&n, feest- 
viering; Këdjaga&n, slapeloos- 
heid door te veel waken, enz. 

Djagabela, de openbare scherp- 
rechter. 

Djagal (Jav.), slager, slachter, ver- 
kooper van vleesch in het klein ; 
Pë4]agalan, slachtplaats, ook 
verkoopplaats van het vleesch (in 
het groot), slachterfl. 

Djagat (Sk.), de wereld, het heelal 
(ook Djagad). 

Djago (Jav- Bat.), haan. 

Djagoeng, Zea mays, L. Nat. fam. 
der Gramineae, de bekende Turk- 
sche tarwe, waarvan op Java en in 
den Indischen Archipel verschei- 
dene variëteiten geteeld worden. 

Djagoer, lichamelijk buitengewoon 
ontwikkeld, hoog en zwaar van 
postuur, ook achter- of staartstuk 



80 



DJAH. 



DJAL. 



van een kanon, en benaming van 
een te Batavia (bjj de algemeene 
pakhuizen) liggend groot kanon 
uit den tyd der O. I. Compagnie. 

DJahal en DJahala, onwetend, 
dom, onwetendheid, onkunde, enz. 

DJahalis, gemeen, laag. 

DJahanam (of DJahennëm) (Ar.), 
diepe put, hel, ook verdoemd, te 
gronde gericht, verdoemde, ver- 
doemeling. 

DJahar, openbaar; Mèndjahar- 
kën, openbaren, verkondigen. 

DJahat, slecht, kwaadaardig, boos, 
gemeen van aard, leeiyk ; Orang 
djahat, boosdoener, booswicht, 
ook publieke vrouw (Përampoe- 
an djahat) ; Pënjakit djahat, 
een kwaadaardige, leelflke ziekte; 
Fëndjahat, boosdoener, boos- 
wicht, ook vervloeking, verwen- 
sching,middel omiemandkwaadte 
doen, enz. ; Kadjahatan, kwaad, 
onheil, slechtheid, boosheid, het 
kwaad, enz.; Mëndjahatkën, 
iemand kwaad doen, in het onge- 
luk storten, in een kwaad blaadje 
stellen, enz. 

BJahe, gember (plant en wortel) 
Maniaan djahe, geconfijte gem< 
ber. 

DJahil (of DJaXl), niets weten, on 
wetend, bot, dom, domoor, botte 
rik, ook valsch, gemeen valsch, 
geniepig valsch, laatdunkend,wan 
gunstig, misgunstig, enz.; Mën- 
djahilkën; iemand valsch behan 
delen, valscheiyk een koopje ge- 
ven, in het geniep kwaad doen,enz, 

BJahit (of DJalt), Mëndjahit, 
naaien, kleeren maken, enz.j Toe 
kang djahit of Toekang mën- 
djahit, naaier, naaister, kleer 
maker, tailleur; DJahitan, wat 
genaaid is of moet worden, naai 
werk; Pëndjahit, naaister, kleer 
maker ; Pëndjahitan, het naaien 
naaisel, naaiwerk, ook naaimand, 
werkmand, enz. 

DJahoedi, Jood, Joodsch. 



Djaja (Sk.), overwinning, zege, 
goede uitslag, gelukkige afloop, 
welslagen, gegoed, ryk, bemid- 
deld, gelukkig, bevoorrecht, in 
zyn nopjes z\jn. 

DJaJang, bruidsbed, slaapmuts voor 
bruid en^ bruidegom. 

Djajangsëkar, benaming van ge- 
wapende en bereden inlandsche 
politiedienaren, thans reeds afge- 
schaft. 

Djaka (ook DJëdjaka), halfvol- 
wassen jongeling, aankomende 
jongen, ongehuwde jonge man, 
ook celibatair; ook dienen, in 
dienst ztJn, voor den kost dienen; 
Djaka of Pëdjaka, ook : juist 
op tijd, juiste t\jd, enz. 

Djakat (of Dzakat) (Ar.),zuivering, 
zuiverheid eener zaak, aalmoes 
tot zuivering, bestaande in een 
by de wet voorgeschreven deel 
van iemands goed, — vrijwillige (?) 
bydrage of gift in padi (of geld) 
b^j of na den rystoogst aan den 
penghoeloe der desa gegeven 
of aangeboden. 

Djala, werpnet; Djala-djala, net- 
werk, darmnet, netvlies; Mën- 
djala, met een werpnet visschen. 

Djalan, weg, pad, reis, gang, han- 
del en wandel, handel wys, aard, 
enz.; Bërdjalan, loopende, gaande 
ztjn, op reis ztJn, onder weg z^Jn, 
in beweging zyn; Mëndjalan, 
zich voortbewegen, loopen, gaan, 
marcheeren;Mëndjalani, begaan, 
bewandelen, over iets gaan of 
loopen, een weg afleggen^ ook iets 
doen, enz.; Mëndjalankën, bewe- 
gen, aan den gang brengen, ten 
uitvoer brengen, enz.; Përdjala- 
nan, gang, reis, voortbeweging, 
handel en wandel, enz.; Sadja- 
lan-djalan, den geheelen weg 
langs. 

Djali, klaar, duideiyk, glinsterend, 
gepoiyst, ook : Coix Lacrifina, L. 
nat. fam. der (3-ramineae, waarvan 
de rype zaden veel tot voeding 



DJAL. 



DJAM. 



81 



voor zieken en zwakken worden 
gebruikt. 

DJaloe (Jav.), hanespoor, spoor van 
een haan. 

Djaloer, uitgeholde boomstam, die 
als kanoe gebruikt wordt, kanoe, 
schuitje, ook streep (als biJv. op 
de Amerikaansche vlag), reep, 
vore; Bërdjaloer, gestreept. 

DJam, uur, horloge, klok, ook drink- 
glas, beker, spiegel; Bërdjam- 
djaman, uren lang, verscheidene 
uren duren, enz. 

Djamadjoedja, de ondergang der 
wereld. 

Bjamah, Mëndjamah, even met 
de hand of de vingers aanraken ; 
Djamaban, een vrouwelyke be- 
diende met wie de heer des huizes 
in geheime, ongeoorloofde betrek- 
king staat. 

DJamak (Bat.), gewoonte, tweede 
natuur, gewoon, gepast, geoor- 
loofd, niet te verwonderen. 

DJamal,KëclJaxnal ook Këdjama- 
lan, een mal üguur maken, zich 
bespottelijk aanstellen, enz. 

Bjamala, voorste deel van het 
hoofd, van het voorhoofd tot de 
kruin; Batoe djamala, hersen- 
pan, schedel, bekkeneel. 

Djaman (Ar.), tyd, tijdstip. 

DJamanfiT (Jav.), vleugelvormig 
achterhoof ds versiersel, dat links 
en rechts ter hoogte van of aan de 
ooren bevestigd en door een 
voorhoofdsplaat bijeengehouden 
wordt. 

BJambak, bos, handvol; Mën- 
djambaJi:, iets of iemand by de 
haren, b\j de kuif vatten, iemand 
aan de haren trekken ; de haren 
uitrukken, enz ; Boenga sa- 
^ambak, een bos, een handvol 
bloemen, een ruiker; DJambak 
boeloe, een vederbos, panache; 
pjambak bawang, een bos uien. 

Bjamban, bestekamer, privaat, 
kakhuis, secreet, enz.; Sjadjam- 
oan, franjes, ook de met franjes 
Maleisch-Hollahdsch. 



versierde zitplaats voor bruid en 
bruidegom. 

DJambang of DJambangan, pot, 
aarden vaas, bloempot, aarden wa- 
tervat, gemetselde bak, kuip, enz. 

Djambatan of Djëmbatan, brug, 
vonder, vlonder; DJaxnbataji 
koeroeng, duiker; Djambatan 
angkatan, ophaalbrug; Djam- 
batan serong, schipbrug, ge- 
deeltelijk verschuifbare brug. 

DJambët ruk, trekken, rukken; 
Mëndjambët, met een ruk icrts 
optrekken, naar zich toe trekken, 
naar iets grypen, enz. 

Djambëlang Syzygium jambola- 
num Rxb. nat. fam. der Myrtaceae- 
boom met eetbare vruchten en 
goed sterk hout; de bast wordt 
in de inlandsche geneeskunde 
tegen diarrhoea gebruikt. 

DJamboe, Jambosa, nat. fam. der 
Myrtaceae, een in vele verschei- 
denheden voorkomende boom met 
lekkere en gezonde vruchten, en 
geneeskrachtige eigenschappen ; 
DJamboe-aJer, Jambosa alba of 
Jambosa aquaea, Rmph. waarvan 
drie soorten bestaan, nl. met 
lichtgroene, witte en lichtrose 
vruchten; DJamboe ajër- 
mawar, Jambosa vulgaris De. 
met geurige vruchten; DJamboe 
bidji pf DJamboe kloetoek, 
Psidium guajava, L. met vele 
kleine pitten; DJamboe-bol, 
Jambosa domestica Rmph, met 
sapröke, aangenaam verfrisschen- 
de vruchten, waarvan drie soorten, 
nl. met witte, rosé en donker- 
paarse vruchten; DJamboe- 
monjet, Anacardium occidentale, 
L. nat. fam. der Anacardiaceae, 
met geneeskrachtige eigenschap- 
pen, enz. 

DJamboel, kuif, pluim, haarvlok om 
of op de kruin (by kleine kinde- 
ren), bos van vederen, panache, 
handstoflfertje van vederen; Bër- 
djamboel, een kuif hebben (byv. 

6 



82 



DJAM. 



DJAN. 



kippen), een pluim dragen, enz. 

DJamdJam, droppel (uit iets te 
voorschijn komend), zweetdrop- 
pel, traan ; Bërdjamdjan, b\j 
droppels zweeten, tranen storten. 

DJamoe, gast, onthaal, gastmaal; 
Mëndjamoe of Mëndjamoeï, 
iemand onthalen, als gast be- 
hoorlek ontvangen, trakteerenj 
Mëndjamoekën, iemand op iets 
onthalen, iets aanwenden om 
iemand te trakteeren, enz. ; DJa- 
moean, maal, gastmaal, banket, 
feest, partU; Përdjamoean, trak- 
tatie, onthaal ; Pëndjamoe, gast- 
heer. 

DJamoer, champignon, paddestoel, 
zwam, schimmel. Tot de eetbare 
paddestoelen, die in Indiê gevon- 
den worden behooren: Djamoer 
barat, veel in pas bewerkte 
tuinen voorkomend; Djamoer- 
torn, die op de na de indigobe- 
reiding weggeworpen indigosten- 
gels enz., groeit; Djamoer- 
troetjoek en Djamoer boelan, 
beide soorten veel op dood hout 
of nieuw ontgonnen gronden ge- 
vonden; Djamoer koeping of 
Djamoer tikoes, ook Koeping 
tikoes, Exidia purpurascens 
Jungh. — Exidia auriculae judae, 
Berk, of Auricularia Sambuci, 
Mart, muizenoor, een bekende 
zwamsoort, die veel in soepen 
of andere spijzen gebruikt wordt. 
Djamoerimpës, Lycoperdon 
giganteum, Batsch. of Lycoperdon 
kakavu, Lév. en Djamoer merah 
of Djamoer-brama, Polyporus 
sanguineus, L., twee zwamsoor- 
ten, die in de inlandsche genees- 
kunde veel worden aangewend. 

I^ampi (of Djampe), tooverfor- 
muiier, schietgebed, enz., ook ge- 
neesmiddel, waarover zulk een 
formulier of gebed is uitgespro- 
ken; Mëndjampekën, een too- 
verformulier of gebed over een 
geneesmiddel, ook over een ziek 



lichaam of een deel daarvan uit- 
spreken; Djampi, ook maagpyn, 
pijniyk gevoel in de maag ten- 
gevolge van het te veel gebruiken 
van zoetigheden, enz. 

Djanda, achtergebleven echtge- 
noot na het afsterven of na echt- 
scheiding van den man of de 
vrouw, weduwnaar, weduwe ; 
Djanda laki-laki, weduwnaar; 
Djanda përampoean, weduwe. 

Djandela (Port.), venster, raam. 

Djandji, verbond, verbintenis, af- 
spraak, belofte, contract, over- 
eenkomst, verdrag, termijn, be- 
paalde tyd, vervaldag, toezegging, 
beding; Bërdjandji of Mën- 
djandji, overeenkomen, zich 
verbinden, beloven, toezeggen, 
afspreken, bedingen; Mëxijam- 
paikën- of Mëmegang djandji, 
zyne belofte vervullen, zich aan 
eene belofte, een gemaakte af- 
spraak of overeenkomst houden, 
enz.; Mëngobabkën djandji, 
eene belofte verbreken, niet ge- 
stand doen, eene overeenkomst 
niet nakomen, een contract bre- 
ken, het gegeven woord schen- 
den, enz.; Soedab sampai djan- 
djinja, zyn bepaalde levenstijd 
was daar, ztjn laatste uur heeft 
geslagen; Minta djandji sëpoe- 
loeb bari, een termen of uitstel 
van tien dagen vragen ; Përdjan- 
djian, belofte, afspraak, beding, 
overeenkomst, verbintenis, enz.; 
Soerat përdjandjian, schrifte- 
lijke overeenkomst, contract. 

Djangak, losbandig, los van zeden, 
ongebonden, liederliJk,hoerachtig, 
ontuchtig; Mëndjangak, los- 
bandig handelen, een ongebonden, 
liederlijk enz., leven lijden. 

Djangan, (gebruikt ter uitdrukking 
van den vetatief), doe het niet, 
laat af, enz.; Djangan takoet, 
wees niet bang; Djangan lari, 
loop niet weg; Djangan tiada, 
het moet, het moet volstrekt; 



DJAN. 



DJAR, 



83 



DJangankan, laat staan, spreek 
niet van, wel verre van; DJa- 
ngankan sahala, bapanja 
sendiri poen tiada di takoeti, 

laat staan my, — zelfs zyn eigen 
vader ontziet h\] niet. 

DJanganan (Jav.), een mengsel 
van verschillende gekookte groen- 
ten met een speciaal daarvoor 
gemaakte aambei, veel ais snoe- 
pery of toespys by de ry st gegeten. 

DJangat, opperhuid, vel, bast; 
Mëndjangat, van het vel, den 
bast ontdoen, villen; Batoe dja- 
ngat, keisteen. 

DJangga (Jav.), nek, hals. 

DJanggar, (ook en veelal) DJeng- 
ger), kam van een haan, hane- 
kam. 

Djanggoet, kin, voorstuk of voor- 
steven van een vaartuig; Mën- 
djanggoet, met de kin op iets 
rusten, ook tegen iets stoeten of 
drukken, (van een vaartuig) met 
den voorsteven op het strand 
zitten. 

DJangka, passer, ook voorbeeld, 
model, gezette tyd, afmeting, be- 
paling van de lengte van iets, 
stap, beoordeeling, gissing ; Men- 
djangka, afmeten, afpassen, met 
den passer of met stappen, pas- 
sen, afmeten, uitmeten, ook be- 
oordeelen, gissen, enz. (de lengte 
van iets), stap, tred, trede. 

Djangkah, Mendjangkah, half 
springende over iets heenstappen. 

Bjankang, wyd open, wydbeens; 
Mëndjangkang (of Mëkang- 
kang), wijdbeens loopen, loepen 
met de beenen wyd uit elkaar; 
Mëndjangkangkën, iets wyd 
openen. 

^Jangkar (Jav. Bat.), anker, ook 
hoon, minachting; Mëmboe- 
wang djangkar, het anker laten 
yallen, ankeren ; Mëndjangkar, 
iemand honen, met minachting 
behandelen, enz. (verg. Saoeh). 

^jangkërik, krekel; Mëngadoe 



djangkërik, krekels laten vech- 
ten (een geliefd tydverdryf der 
inlanders). 

DJangkit, Mëndjangkit, zich me- 
dedeelen, overslaan (van vuur), 
besmettelijk zyn, enz. (van een 
ziekte); Pënjakit djangkit, 
besmette ziekte. 

Djangkoeng (Jav. Bat.), lang, hoog 
van postuur; DJangkoengan, 
stelten. 

DJantan, mannetje (van alle leven- 
de wezens, doch meestal voor 
mannelijke dieren) ; Bërdjantan, 
(van vrouwelyke dieren) een man- 
netje hebben, paren; Mëndjan- 
tani, (van mannelyke dieren), 
dekken, bespringen, enz. 

DJantëra, rad, wiel, raderwerk, 
spinnewiel. 

Djantoek, hoog, vooruitstekend 
(van het voorhoofd), met voor- 
uitspringend voorhoofd). 

Djantoeng, hart, hartvormig, de 
eetbare eindkolf van den pisang- 
bloesem; DJantoeng-ati, harte- 
dief, hartelief, enz. 

DJantoer, Mëndjantoer, gooche- 
len, tooveren, bezweren, ook zin- 
gend vertellen, vertellen. 

DJaoeh, ver, afstand, verte, ver- 
wijderd, laat; Bërdjaoeh, op een 
afstand blijven, zich op een ^af- 
stand houden; Mëndjaoehkën, 
verwijderen, op een afstand hou- 
den, wegleggen, wegbrengen, 
enz. ; Qjaoeh malëm, laat in den 
nacht; Dari djaoeh, van verre, 
op ean afstand, enz. 

DJara, boor, drilboor, handboor, 
houtboor; Mëndjara, boren, met 
een boor ergens een gaatje in 
maken, enz. 

Djarah, wild, schuw; ook buit, 
roof; Mëndjarah, een huis, een 
stad doorzoeken, berooven, plun- 
deren, buitmaken of verklaren 
wat van zijne gading is. 

Djarak, afstand, tusschenruimte, 
straal van een cirkel; Bërdjarak, 



84 



DJAR. 



DJAT. 



op een afstand van elkander, ge- 
scheiden; Mëndjarak, scheiden, 
uit elkander doen gaan, enz. 

Djarak, Eicinus communis, L. nat. 
fam. der Euphorbiaceae, de be- 
kende castorolieplant ; DJarak- 
tjina, latropha multiüda : meest 
voor levende hagen gebruikt; 
Djarak minjak, Eicinus rugo- 
sus Miq. evenals de twee ge- 
noemde soorten vruchten gevend, 
waarvan olie (meest lampolie) 
bereid wordt. 

Djaram, verkoelend uitwendig jfe- 
neesmiddel voor het hoofd; Men- 
djaram, het hoofd met water 
natmaken, betten, daarop een ver- 
koelend papje, compres of ander 
middel plaatsen, leggen, enz. 

DJarang, wyd uiteen, los geweven, 
doorzichtig, yl, schaarsch, zeld- 
zaam, dun, raar, zelden, ylheid, 
doorzichtigheid, zeldzaamheid, 
enz.; Djarang-djarang, zelden, 
af en toe, nu en dan; Kaïn dja- 
raxig, los geweven, doorzichtige 
grove, wydmazige stof; Mën- 
djarangkèn, iets los, wjgd uit 
een maken; in iets openingen of 
tusschenruimten maken; maken, 
dat iets doorzichtig wordt, zel- 
den voorkomt, enz. 

Djaras, bos, bundel; Mêndjaras, 
iets tot een bos, bundel of tros 
vereenigen, bfleenbinden, enz. 

Djarei, geneesmiddel, ook moede 
ztjn, moeite, verdriet; Sakit dja- 
rei^ doodziek. 

DJarem (Jav. Bat.), gezwollen, etter 
of vuil houdend, enz.; Mêndja- 
rem, (van een wond, enz.) nog 
niet geheel genezen, nog gezwol- 
len, vuil bevattend, enz.,- en daar- 
door pijniyk stekend. 

DJari, (ook Daridji of Djaridji), 
vinger; Djari tangan of Anak 
djari, vinger; DJarl kaki, teen; 
Iboe djari tasgan, Iboe djari 
of Diëmpol tangan, duim ; Dja- 
ri teloendjoek of -toendjoek. 



wijsvinger; Djari mati, Djari 
antoe of Djari tëngah, middel- 
vinger; Djari manis, ringvinger; 
Djari kalingking of Kaling- 
king, pink. 

Djariah,di6nstmeisje,dienstmaagd, 
dienstmeid. 

Djaring, net om iets te vangen, 
sleepvischnet, groot staand net, 
om vogels, wild, enz. te vangen; 
Mëndjaring, met een net van- 
gen, visschen, jagen, enz.; Dja- 
ring da-wai, netwerk of gaas 
van metaaldraad. 

Djaro, bamboelatten, die bestemd 
zjtjn om naast elkander in een 
raam gevlochten te worden tot 
een beschot, enz.; Pagër djaro, 
een beschot, wand, afsluiting, enz. 
op die wijze gemaakt; Djaro, 
(Soend.), ook benaming van dorps- 
hoofden in West-Java. 

Djaroem^ naald, priem, els, wUzer 
(van een horloge, compas, enz.), 
naald van een buks, puntig yzer, 
enz.; Djaroem pandjang, de 
lange wyzer van het compas; 
Djaroem pandak, de korte wij- 
zer van het compas; Djaroem 
aloes of Djaroem mendjaXt, 
naainaald; Djaroem kasar, gro- 
ve^ naald, rilgnaald; Djaroem 
këras, dommekracht; Djaroem 
lajar, naald om zeilen enz. te 
naaien ; Djaroem tjoetjoek, bor- 
duurnaald; Mëndjaroem, enkele 
grjjze haren kragen, beginnen 
gros te worden; DJaroeman, 
koppelaar, koppelaarster. 

Djas (HolL), jas, buis, frak, enz. 

DJasa, dienst, verdienstelijk werk 
(tegenover meerderen); Wang 
djasa, pensioen. 

DJasad, lichaam, hchameiyk, per- 
soon (van menschen, enz.). 

Djati, soort, klasse, geslacht, ge- 
boorte, echt, waar, zuiver, onver- 
valscht, eigenlijk, zuiverheid, echt- 
heid, enz.; Sadjati, in waarheid, 
wezenlijk, waar, waarlijk, inder- 



DJAT. 

daad, enz. ; Mëlajoe djati, zuiver 
Maleisch; Djati, ook de naam 
van den bekenden Indischen teak- 
boom, Tectona grandis, L. nat. 
fam. der Verbenaceae, die een 
der beste en duurzaamste hout- 
soorten levert. 

Djatoh, val, wat valt, gebeurtenis, 
strekking eener handeling, ver- 
houding, enz.; Mëndjatoh, val- 
len, bankroet slaan, failliet raken, 
zich laten vallen, vervallen, voor- 
vallen, neerkomen op, te staan 
komen op, zich bepalen tot enz. ; 
Mëndjatohkën, laten vallen, 
omverwerpen, een oordeel of von- 
nis vellen, een ambt opdragen, 
enz. ; DJatoh sakit, ziek worden ; 
Apakah(of Pë^imanakah) dja- 
tohnja dëngan kamoe; in wel- 
ke verhouding staat hy (zij) tot u? 

Djawa, Javaansch; Tanahdjawa, 
Java ; Poelau djawa, het eiland 
Java ; Orang djawa, Javaan, in 
't algemeen ook inlander. 

Djawab (Ar.), antwoord ; Mëndja- 
wab, antwoorden, beantwoor- 
den, te woord staan, ten antwoord 
geven. 

Djawat, (verg. Djabat), hande- 
ling, daad, wat aangevat wordt, 
enz.; Mëndjawat, behandelen, 
uitoefenen, waarnemen, aangrij- 
pen, aanvatten, toezicht uitoefe- 
nen, enz. ; Djawatan, ambt, be- 
roep, bediening, betrekking, post, 
enz., ook stoet, gevolg, geleide 
(van een vorst); Pëndjawat, 
ambtenaar, dienaar; Pëndj&'^&t 
santapan, hofmeester (bij een 
vorst) ; Pëndjawat poewan, 
drager van de sirihdoos. 

Djawi (ook Lëmboe, sapi, sampi), 
rund, rundvee, ook benaming 
voor het wijfje van het wilde 
rund. Bos sundaicus; ook Ja- 
vaansch, Polynesisch, tot de lands- 
ki behoorend, Maleisch, enz.; 
Mendjawikën, in de lands- 
taal, in het Maleisch overbren- 



DJEH. 



85 



gen, vertalen, overzetten, enz. 

Djawil, Mëndjawil, met de vin- 
gers aanraken, met de vingers 
beroeren, in het voorbijgaan iets 
met de vingers grijpen, vatten, 
afrukken enz. 

Djëbah, van onderen breed* en vol 
(van een gelaat); Mëndjëbah, 
van onderen breed en vol zijn 
(van het aangezicht.) 

Djëbak (ook Djëbal), vogelknip, 
kooi om vogels te lokken, enz.; 
Mëndjëbak, met zulk een kooi 
vogels vangen, zulk een knip 
uitzetten. 

Djëbat, civet, civetlucht, muskus ; 
Minjak djëbat, odeur of olie, 
waarin muskus gemengd is. 

Djëding, (Jav.) gemetselde kuip, 
bak, badkuip; ook naar boven 
gekruld, opgewipt (van de boven- 
lip.). 

Djëdjak, tred, stap, voetstap, trap, 
stomp; Mëndjëd jak, treden, be- 
treden, den voet op iets zetten, 
met den voet trappen, met de 
vuist stompen. 

Djëdjal, vol, opeengehoopt, opeen- 
gedrongen, enz.; Mëndjëdjal, vol- 
stoppen (bijv. een matras met 
wol, een kind met eten), vullen, 
stoppen, dichtstoppen (van een 
lek bjjv.), breeuwen, kalfaten, enz., 
ook iemand iets in de hand stop- 
pen, enz.; Djëdjëlin (Bat.) = 
Mëndjëdjal, een kind volstoppen 
met eten, enz. 

Djedjer, riJ, reeks, gelid, op een rij, 
in een gelid, achter of naast elk- 
ander in een rtj, enz.; Bërdje- 
djer, op een rij staan, een gelid 
vormen, enz.; Mëndjedjer, zich 
in rijen opstellen, in riJen gaan 
staan, ook op rflen zetten, ran- 
geeren, enz. (Verg. Djadjar.) 

Djëgong (Jav. Bat.), ingedeukt, 
gat, diepte, verzakking, inzakking, 
bergplaats op vaartuigen voor 
touwwerk, enz., zeilkooi, kabelgat. 

Djëhennam zie Djahanam. 



86 



DJEL. 



DJEN. 



Djëladëri, zee, oceaan. 

DJëlaga, zwartsel, fijn roet. 

Djëlai (ook, en meestal DJëli), 
scherp, doordringend, ook guitig 
(van de oogen). 

Djëlamoet, Mëndjëlamoet, zon- 
der ophouden doorpraten, kallen, 
snateren, enz. (als een gek). 

DJëlanak, Mëndjëlanak, onder 
water zwemmen, zich kruipend 
voortbewegen. 

DJëlan^, Mëndjëlangr, wachten, 
op iets wachten, verwachten, zjjn 
opwachting by iemand maken. 

Djelantah ( Jav.), gebruikte olie, olie 
waarin reeds het een of ander 
gebakken of gebraden is. 

Djëleh, (Jav.), van iets walgen, mis- 
lyk ztjn, meer dan genoeg hebben, 
afkeerig, vies zün, tegenzin in 
iets of iemand hebben, enz. 

DJëlek, leelyk, gemeen, ongepast. 

DJëlëma (Sk.), incarnatie, mensch- 
wording, mensch ; Mëndjëlëma, 
incarneeren, menschworden, zich 
in een mensch veranderen (van 
goden). 

Djëlimpat, Mëndjëlimpat stil en 
vlug een ztjweg inslaan. 

DJëloedJoer, met grove steken 
naaien, rijgen. 

DJëloem, Mëndjëloem, het li- 
chaam of een deel daarvan (be- 
halve het hoofd) in het water 
dompelen. 

DJëloentoeng (ook TJatvlar ajër), 
waterpokken. . 

Djëloepak (Jav.), (of TJëloepak), 
inlandsch lampje, kleine aarden 
schotel daartoe dienende, ook de 
geheele toestel met voetstuk. 

DJëlodJoh, gulzig, vraatzuchtig. 

DJëmawa, MëndJëmawa, ook 
Mëndjëmawaken, zich onge- 
roepen, ongevraagd met iets be- 
moeien, zich in iets mengen, enz. 

DJömbar (Jav.), wfld, ruim. 

DjëmbërCzie TJëmer), vuil , smerig. 

DJëmboeng, groote kom, schotel 
pot. 



DJëxuboet, haar op den venus- 
heuvel. 

DJëmëroed of Dzamroed (Ar.) 
smaragd. 

Djëmoe, geen neiging, trek of lust 
tot iets gevoelen, hebben, beu 
zyn van iets, zat, moede van iets 
zpn, genoeg hebben, afkeer, tegen- 
zin hebben, van iets walgen, enz. 

Djëmoer, Mëndjëmoer, in de zon 
drogen, aan de zonnehitte bloot- 
stellen, enz.; Bërdjëmoer, zich 
in de zon koesteren. 

Djëmpana, staatsie-draagstoel, 
draagkoets. 

Djëmparlng, pyl, pijl en boog, 
werpspies, ook Pijltje uit een 
blaasroer ; Mëndjemparing, met 
Pijlen schieten, pijlen door een 
blaasroer blazen, enz. 

Djëmpo (of Djempo), (Jav.) oud, 
zwak, niet meer kunnen werken, 
enz. 

DJëmpoet (ook Djoempoet), tus- 
schen de punten van duim en 
voorsten of een anderen vinger 
opgenomen, zooveel als men op 
die wijze op kan nemen, ook ont- 
leend aan; Mëndjoempoet, op 
vorenbeschreven wijze opnemen, 
enz., ook ontleenen aan. 

DJëmpol, duim (ook Djëmpol 
tangan); DJëmpol kaki, groote 
toon of teen. 

Djënang (of DJënënfir), steun, 
stut, post van een deur, enz., stijl 
in een beschot of wand, ook een 
soort gebak. 

Djëndela (Port.), venster, raam. 

DJendëral (Holl.), generaal. 

Djëndol, bult, zwelling, opgezwol- 
len; Bërdjëndol, met bulten, 
zwellen enz. 

Djënga of DJëngak (Bat.), verle- 
gen, beschaamd, verlegen ztJn, op 
zijn neus kijken, enz. 

Djënfirat, achterover liggend; Mën- 
djengat, achterover liggen, naar 
boven geopend, opgelicht zijn, 
enz. 



DJEN. 



DJER. 



87 



DJëngek, Mëndjëngek, iemand 
uitjouwen, bespotten, enz. 

Djëngge (Chin.), aangekleede pop, 
beeld of kinderen, die by het Chi- 
neesche lantaarnfeest in optocht 
worden rondgedragen. 

Djengger, zie DJanggar. 

DJengot, baard. 

DJëngit, Mëndjëngit, grynzen, de 
tanden toonen, laten zien. 

DJëngkal, span, afstand tusschen 
de toppen van den uitgestrekten 
duim en pink, of middelvinger ; 
Mëndjëngkal, met spannen me- 
ten, ook zich met spannen of 
sprongen voortbewegen (zooals 
zekere rups). 

DJëngkang, met een been opge- 
licht; Mendjënkang, met de 
beenen in de lucht vallen, zitten, 
enz., hinken, op verschillende wy- 
zen op een been gaan, ook (van 
een lyk) gekromd met de beenen 
en armen stjjf naar boven gebo- 
gen, enz.; Këdjëngkang met 
een been in de lucht achter- of 
voorover gevallen, vallen, enz. 

DJengkel, verdrietig zyn, verdriet 
hebben, het hart vol hebben, zich 
verbijten, enz. 

DJëngkëUt, MëndJëngkëUt, hals 
over kop, het onderste boven, 
met het hoofd naar beneden tui- 
melen, enz. 

DJëngkëng, styf (zooals een lyk, 
enz.) ; Bërdjëngkëng, st\jf zijn, 
worden, enz. (btj stuipen, bflv.). 

DJëngkërik (meestal DJangkë- 
Pik), krekel, huiskrekel. 

Djëngkëroét (ook Mëngkëroet), 
verward, door elkander gegroeid, 
(van boomwortels), ook gerim- 
peld, vol rimpels, verwelkt, ver- 
lept, verflenst, enz., verschrom- 
peld. 
BJëngkisg, gebogen of gebukt, 
zoo dat het hoofd lager of op 
dezelfde hoogte komt te liggen 
als het achterdeel; Mëndjeng- 
king, zfln achterste in de hoogte 



steken en het hoofd voorover 
buigen, in die houding staan, enz. 
DJëngkir (of DJoengkir), Mën- 
djëngkir, uitsteken, vooruitste- 
ken, vooruit^^pringen (met het 
achterdeel in de hoogte). 
Djëngkol, Pithecolobium bigemi- 
num, Mrt. nat. fam. der Mimoseae, 
boom, wiens sterk en onaange- 
naam riekende zaden gaarne ge- 
geten worden. 
Djëngok, Mëndjëngok, met uit- 

gerekten hals naar iets kjjken. 
Djëngol, Mëndjëngol, (ook Mën* 
tjongol), met het voorste ge- 
deelte uit eene opening te voor- 
schijn komen, het hoofd uit een 
opening steken, enz. (bijv. van 
een slang, die haar kop uit haar 
^1 hol steekt. 

IDJënoe (of Toeba), Pongamia 
volubilis, Z. en M. nat. fam. der 
Papilionaceae, een slingerplant, 
wier stengels en wortels veel 
gebruikt worden, om visschen te 
bedwelmen en zoo gemakkel^ük 
te vangen. Mëndjënoe of Mën- 
toeba, vischvangen met toeba. 

DJëntik, knip met duim en een 
der vinders, sprong van een vloo, 
enz.; Mendjentik, met duim en 
vinger knippen, vatten, ook sprin- 
gen (van een vloo). 

DJëntil, Mëndjëntil, met den vin- 
ger tegen iets knippen, met den 
langs den duim vooruitgestooten 
vinger tegen iets slaan, tikken, 
knippen, enz. Zie Djëntik. 

Djëpit, Mëndjëpit, knellen^nijpen, 
toeknijpen, omkneld houden, enz., 
DJëpitan of Pëndjëpitan, klem, 
knip, nijptang. 

DJëra, afgeschrikt door tegenspoed ; 
Mëndjërakën afschrikken. 

DJërabai, in flarden (biJv. een zeil). 

Djërah, in overvloed voorkomen, 
algemeen voorkomen, heerschen, 
enz.; Pënjakit djërah, epidemie. 

DJërabab, plat op d«n grond, plat 
voorover, met uitgestrekte armen 



88 



DJER. 



voorover vallen, enz.; ook vallen, 
bankroet slaan, failleeren, enz. 

Djërahan, (Pont), onderhoorige, 
onderhoorigheid. 

DJëraït,MëndJëraIt, zich aan Iets 
vasthechten (zooals een slinger- 
plant aan een muur btjv.). 

Djëram, snelle afloop van water 
van zekere hoogte, waterval, 
stroomversnelling. 

DJërambali, plaats in een Maleisch 
huis, waar de potten met wasch- 
water staan; op Java ook het 
middenvertrek^en de opgehoogde 
vloer In een pëndapa enz. 

Djërambai, in menigte los neer- 
hangen (van luchtwortels, enz.) 

DJërambang (ook Api djëram- 
bang), dwaallicht. 

Djërami, platte vezelachtige ban- 
den of draden om de pitten van 
den nangka, enz. 

Djërang, Mëndjërang, vloeistof- 
fen op hetvuur zett en,om te koken. 

DJërangkang, met de boenen en 
armen in de lucht op den rug 
liggend, vallend, enz.; Mëndjë- 
raagkang, op die wyze liggen, 
vallen, enz. 

DJërangkong, een spook, dat zich 
meestal in de gedaante van een 
mageren zwarten hond voordoet. 

DJërat (meest Djirat of DJirët), 
strik, strop, knoop, bindsel, lus; 
Mëndjërat, strikken, in een strik, 
of lus vangen, vastknoopen, vast- 
binden, enz. 

Djërawat (ook DJëriawat), klein 
puistje, z.g. liefdepuistje op het 
gelaat, Djërawat batoe, klein 
steenpuiötje. 

DJërba, Mëndjërba, een vaartuig 
aan Itj doen overhellen. 

Djërëdjak (ook Radjëk), dunne 
houten of latten, stutten, tus- 
schenstjjltjes, enz. waartegen een 
bewanding gespijkerd of beves- 
tigd wordt. 
DJërëkit, klein, kort, gedrongen, 
dwergachtig. 



DJER. 

DJërëtnpak,MëiidJërëmpak,zich 

onverwacht tegenover elkander 
bevinden (bJü het omslaan van 
een hoek, byv.). 

DJereng (Bat.), scheel, loensch, ook 
uitgespreid, enz.; Mëndjereng, 
scheel, loensch kyken, zien, enz., 
ook iets (byv. een stuk linnen) 
uitspreiden en tegen het hcht 
houden, enz. 

Djerit, schreeuw, gil ; Mëndjërit, 
schreeuwen, gillen; Mëndjërit- 
djërit, aanhoudend, herhaalde- 
lyk schreeuwen, gillen enz. ; Pën- 
djërit, geschreeuw, gegil, ook 
schreeuwer, schreeuwleeltjk. 

DJërnih, helder, zuiver, klaar, rein, 
dj)orschi)nend. 

DJëroeboeng, een boven het dek 
uitstekende roef of afdakje op 
inlandsche vaartuigen; Mëndjë- 
roeboeng, van zulk een roef 
voorzien zyn, ook op een hoop 
liggen, een hoop vormen (van 
lading btjv.) in een hoop verza- 
meld zijn (bijv. van byen). 

Djëroedjoe, Dalivaria ebracteate, 
Juss. nat. fam. der Acantaceae, 
een moerasplant, wier wortels 
bU beriberi en vergiftige won- 
den worden aangewend (uitwen- 
djg) en by buikpyn (inwendig). 

Djëroek, algemeene benaming 
voor de tot de nat. fam. der 
Aurantiaceae behoorende citroen-, 
oranjeappel- en pompelmoessoor- 
ten, waarvan de meest bekenden 
zijn, o.a. Djëroek asem, Citrus 
medica, L., die de gewone citroen 
geeft; Djëroek bali, Citrus de- 
cumana, L. de pompelmoesboom ; 
Djëroek bantën, Citrus auran- 
tium, L. var. microcarpa, die de 
bekende kleine verscheidenheid 
van sinaasappelen geeft; Djëroek 
limoh of limaü, Citrus limonel- 
lus, Hassk. var. amblycarpa, die 
veel by sambël wordt gebruikt ; 
Djëroek manie, Citrus macra- 
cantha, Hassk. de bekende zoete 



DJER. 

citroensoort; DJëroek nipis of 
— tipis, Citrus limonellus, Hassk. 
var. oxycarpa, de bekende lem- 
metjes ; DJëroek poeroet, Citrus 
papeda, Hassk, wier bladeren een 
aangenamen geur hebben; Djë- 
roek tangan, Citrus sarcodac- 
tylis, Sbld. met zonderling ge- 
vormde vruchten, enz. 
DJëroem, Mëndjëroem, op den 
buik liggen (zooals paarden of hon- 
den met de pooten min of meer 
gestrekt en by elkander, of als 
een tyger, die op de loer ligt). 
DJëroemat, Mëndjëroemat, met 

de naald stoppen. 
Djëroemoes, Mëndjëroemoes 
(Bat), met het aangezicht voor- 
over vallen ; Kadjëroemoes, met 
het aangezicht voorover gevallen. 
Djërongkong, op handen en voe- 
ten loopend; Mendjërongkong, 
op handen en voeten loopen. 
DJiad, geweld, dwang; Mëndjiad, 

geweld aandoen, dwingen. 
Djib (Eng.), kluiver, kluiverzeil. 
DJlbali, op vele plaatsen voorhan- 
den; Bërdjibah, algemeen ver- 
krygbaar (van koopwaren). 
DJidar, hniaal, Ign, streep. 
DJidat, voorhoofd. 
Djidji, vies, vies van iets, van iets 
walgend; Mëndjidjii, mëndji- 
djikën; iets verfoeien, vies van 
iets zgn, van iets walgen, afkeer 
hebben, enz. 
Djigoep, koffiedik. 
DJika, DJikalau, DJikaloe, als, 
indien, wanneer, zoo, bijaldien, 
ingeval, voor het geval dat, ge- 
steld dat, al is, ware het; DJika 
bëgitoe sëkalipoeii; al is het 
ook zoo, enz. 
I^Jila-dJila, de hartzak, het peri- 

cordium. 
Bjilat, lik ; Mëndjilat likken, af- 

hkken, enz. 
ÖJllid, band, deel (van een boek) ; 

MëndjiUd, inbinden. 
Bjimat (Ar.), talisman, amulet, too* 



DJIN. 



89 



vervoorbehoedmiddel, enz. ook 
zuinig, ^ spaarzaam, huishoude- 
lijk ; Mëndjimatkën, spaarzaam 
met iets zijn, bezuinigen. 
DJin (Ar.), genius, geest, daemon. 
DJina (Ar.), ontucht, overspel, echt- 
breuk, hoererü; Bërdjina, zich 
aan ontucht, hoererij, overspel 
schuldig maken. 
DJinak, mak, tam, gedwee, volg- 
zaam, getemd, gemeenzaam, ge- 
zellig; Bërdjinak, tam, mak, 
gemeenzaam, volgzaam, gezellig 
zijn, enz., ook zich op zijn gemak 
gevoelen; Mëndjinakkën, tam 
maken, temmen; Mëndjinaki, 
een dier door voortdurend en 
dagelijksch bezoek enz. aan zich 
wennen, gewend maken, enz. 

DJinaka, kluchtig, geestig, boertig, 
grappig ; Mëadjinaka, zich 
kluchtig, enz. voordoen, grappen 
maken; dartel, aardig zyn, enz. 

Djindjang, slank, lang (van den 
hals), zwanenhals, enz., ook be- 
stuurder, opperste (van geesten), 
geestenbezweerder, enz. 

DJindJit (Bat.), Bërdjindjlt, Mën- 
djlndjit, op de teenen loopen^ 
om niet gehoord te worden. 

DJingga, oranje, oranjerood, oran- 
jekleurig, enz. 

DJinggang, dun, slank (om het 
middonlijf), fijn van taille. 

DJingke, Bërdjingke, Mëndjing^ 
ke (Bat.), op de teenen zachtjes 
loopen. 

DJiDgkir, lang uitsteken, vooruit 
springen, vooruitsteken. 

DJingkoe, Bërdjingkoe, Mën> 
djingkoe, de hand uitsteken. 

DJinjrkërak, Bërdjingkërak, 
Mendjingkërak, huppelen, 
springen, bokkensprongen maken^ 
hinken. 

DJingkong, hok, ook aardluis. 

Djinis, (gewoonlijk DJënis), ge- 
slacht, stam, soort, genus, slag; 
Djinis përampoean, vrouwelijk 
geslacht; Bërdjinis, in soortea 



ÖO 



J)JIN. 



voorkomen, enz. ; Roepa roepa 
djinis, veelsoortig, allerlei soort; 
Sadjinis, van een soort, van een 
geslacht, enz. 

Djintan of DJintën, Oarum carvi, 
L. nat. fam. der Umbelliferae ; de 
gewone karwei of kummel in den 
handel; Djintën poetih, Gumi- 
num Cyminum, L. het komy nzaad; 
DJinten item, Nigella sativa, L. 
de zwarte kummel. Deze drie 
aromatische zaden vindt men in 
alle inlandsche apotheken. 

Djirët, zie DJërat. 

BJiroes, Mëndjiroes, zacht be- 
sproeien, besprenkelen, begieten. 

DJisim (Ar.), lichaam, substantie, 
ook lyk, kreng. 

Djitak, Mëndjitak, met de knok- 
kels van de hand iemand op het 
hoofd slaan. 

Djiwa (Sk)., leven, ziel, ook fig. 
als woord van liefkozing, b^v. 
DJlTiQ^akoe, mijn leven, m\jn ziel, 
m\)n hefie, enz. 

Djiwit, Mëndjlwit (Bat.), kntjpen, 
een kneep geven. 

DJobong (Bat.), hoer, straathoer, 
slet ; Bërdjobong, als een hoer, 
enz. leven, handelen, enz.; Mën- 
djobonfiT, zich met straathoeren 
afgeven, enz. 

DJodo, geluk, lot, gelukkig (vooral 
in liefdezaken), ook paar, kopj)el, 
wederga;Soedah dJodoDJabegi- 
toe, het is eenmaal z^n geluk, zl^n 
lot; Ejitëmoe djodonja de per- 
soon vinden die een geschikte we- 
derhelft mag heeten, met wie men 
een paar kan vormen ; Bërdjodo, 
geluk hebben, gelukkig zyn. 

PJoebah (Ar.), lang opperkleed, tab- 
baard. 

.Q]oeUin(Jav.), vierkante vloersteen, 
vloertegel. 

DJoeboer (of DoébOer), aars, ach- 
tei*ste, anus. 

I>Joeda8, Judas, valschaard, stoke- 
brand, lasteraar, valsch, valsch 
van aard, enz. 



DJOE. 

Djoedi, dobbelspel, hazardspel ; 
Mëndjoedi of Bërdjoedi, met 
dobbelsteenen spelen, dobbelen, 
grof spelen ; Mëndjoedikën, met 
iets dobbelen, iets verdobbelen; 
Pëndjoedi, dobbelaar, speler ; 
Përdjoedian, dobbelplaats, ook 
het dobbelen. 

DJoedja, Mëndjoedja of Mën- 
djoedjah, den grond peilen, zie 
Doega. 

DJoedJai, Mëndjoedjai, op een 
afstand bestoken (met kogels, 
pylen, enz.) 

Djoedjoel, wat boven de opper- 
vlakte van iets uitsteekt, wat 
boven of buiten iets uitsteekt, 
paalstaketsel, palissade, heiwerk, 
enz. boven water, enz ; Mën- 
djoedjoel, boven iets uitsteken, 
verheven zv)n, enz. 

Djoedjoeng, MëndjoedjoeDg,een 
kind inbakeren, in doeken win- 
den. 

Djoedjoer, bruidschat, geld dat aan 
de ouders der bruid betaald wordt. 

DJoedJoet, ruk; Mëndjoedjoet, 
trekken, rukken (zooals een visch 
aan de l\jn, enz.), met rukken 
naar zich toe trachten tehalen,enz. 

DJoega (ook DJoewa), ook, insge- 
lijks, eveneens, zelfs, zeker, toch, 
evenwel, alleen, juist, slechts, enz. 

Djoekang, Mëndjoekang omver- 
werpen, omvergeworpen worden, 
omslaan, omvallen, omgestooten 
worden. 

DJoekoeng (Jav.), bootje, kanoe, 
klein vaartuig, van voren en ach- 
teren gelijk gevormd. 

Djoekoet (Soend.), gras, grassoort, 
ook allerlei toespijs b0 de rijst. 

Djoelai, uiteinde, punt van een tak 
of twflg. 

Djoelang, Mëndjoelang, zich bo- 
ven iets opheffen, verh effen,schriJ- 
lings op de schouders van iemand 
zitten, enz., ook iets op den nek 
dragen, enz. 

Djoelat, lengte; Sadjoelat kapal, 



DJOE. 



DJOE. 



91 



de lengte van een schip, scheeps- 
lengte, enz. 

Djoeli (HolL), Juli. 

DJoelig (Jav.), stout, ondeugend, 
gemeen, valsch. 

DJoelik, peperhuis van bladeren, 
enz. om bloemen, enz. er in te 
bewaren; Mëndjoelik, bloemen 
in een peperhuisje doen, dragen, 
enz. 

Djoeling, loensch, scheel; Mën- 
djoeling, scheel zien ; Mèndjoe- 
lingi, iemand scheel aankyken. 

Djoeloeng, tegen het invallen van 
den avond of tegen het aanbre- 
ken van den dag geboren (wor- 
den), ook begin, eersteling, de 
spitse nebbe van een vaartuig, 
enz. Djoeloeng-djoeloeng:, een 
soort zeevisch met puntigen bek. 

Djooloer,Mëndjoeloer,recht voor- 
of achteruit steken, met het 
hoofd vooruitschuiven, enz. ; Men- 
djoeloer lidah, de tong uitste- 
ken. 

DJoema&t, btjeenkomst, vereeni- 
ging (inde moskee); ook gemeente. 

Maka masing-masing dëngan 
djèma&tiija toeroenlah, en 
ieder ging met zyn gemeentele- 
den (gezellen van dezelfde ge- 
meente) aan wal; Hari DJoe- 
xna&t, dag der bijeenkomst (in 
de moskee), Vrijdag; Malëm 
DJoema&t, de nacht van Don- 
derdag op Vrijdag, Donderdag- 
avond, Donderdagnacht. 

BjoemadiPachir, de zesde maand 
van het Mohammedaansche jaar. 

Djoemadil'awal, de vijfde maand 
van het Mohammedaansche jaar. 

BJoemantara, firmament, hemel. 

iPJoemlah, som, geheel, optelling, 
ook zin, volzin, zinsnede; Mën- 
djoemlah, eene optelling maken; 
Mëndjoemlahken, optellen, de 
som van eenige getallen zoeken, 
opsommen, enz. 

Djoempa-Bërdjoempa, elkander 
ontmoeten, tegenkomen, aantref- 



fen, ook bezoeken en thuis vinden, 
Mëndjoempa, iets ontmoeten, 
tegenkomen, aantreffen, onder- 
vinden. 
DJoemplang (Jav. Bat.) (of Djom- 
pëlang), aan een kant scheef, la- 
ger dan aan de andere zijde, wip, 
schommel ; DJompëlaii^aii, wip, 
schommel; Bërdjomplang, aan 
de eene zijde scheef, lager zijn^ 
het evenwicht verliezen, schom- 
melen; Mëndjompëlang, schom> 
melen, ^op een wip zitten. 

BJoempërit (Jav.), met het hoofd 
voorover tusschen de beenen, in 
een hoek gedoken; Bërdjoem- 
përit, Mëndjoemprit, met het 
hoofd voorover tusschen de bee- 
nen doorkijken, aldus een lucht- 
sprong maken, hals over kop 
vallen, enz. 

Bjoempoet,, zie BJëmpoet. 

BJoen (Jav.), groote, nauwhalzige 
aarden waterpot, kan, lampetkan, 
waterkaraf, ook (vulgair) bijslaap, 
bespringing; Pandjoenan, pot- 
tebakker, maker van djoens, 
plaats waar deze potten gebak- 
ken worden, ook hoerehok, 
bordeel. 

BJoendjoeng - Mëndjoendjoeng, 
op of boven het hoofd brengen, 
zetten, dragen, eerbied of hulde 
bewijzen, ook ophemelen, in de 
hoogte heffen, enz. 

BJoeng, een chineesch vaartuig, 
jonk, ook een vlaktemaat van 
verschillende uitgestrektheid. 

Bjoengit, Mëndjoengit, naar bo- 
ven gekruld, opgewipt (van de 
bovenlip. 

BJoengoer,(ookTJoengoer), voor- 
uitstekende snuit, snoet, mond, 
ook sneb, voorsteven, enz. 

Bjoera, buiging, reverentie, plicht- 
pleging; Mëndjoera, een bui- 
ging, reverentie maken. 

BJoeragan, gezagvoerder,schipper^ 
ook baas, meester, heer, gebie- 
der, chef. 



92 



DJOE. 



DJoeran, buigzame lange stok, 
hengelroede, veerkrachtige staf, 
enz., ook toevoegsel, toebehooren. 

Djoeraxifi:, opening, kreek, door- 
gang, kloof, bergkloof,ravyn, enz., 
ook totebel (vischtuig). 

DJoering (Jav. Bat.), schyf, (btJv. 
van een djèroek of mangels). 

Djoerit, oorlog; Pradjoerit, krijgs- 
man, soldaat, ook benaming van 
gewapende politiesoldaten. 

Djoeroe, wie over iets gesteld, 
wien iets als ambt opgedragen 
is, enz., ook de staken in een 
pagër of heining, die deze recht- 
standig houden ; DJoeroe-toelis, 
schr^ver, klerk; DJoeroebasa, 
of -bahasa, tolk; Djoeroemoe- 
di, stuurman, ook roerganger; 
Bjoeroekoentji, sleutelbewaar- 
der, portier; Djoeroe tinggi, 
aan wien het toezicht over de 
zielen, enz. is opgedragen, boots- 
man, enz. 

Djoeroes, streep, rechte Ifln, recht- 
uit, ook wyie, poos, oogenblik; 
Mëndjoeroes, iemand in een 
rechte l^n voorttrekken, voort- 
sleepen, ergens heen koersen, eene 
richting volgen, recht op een doel 
afgaan, ook een straal water op 
iets laten vallen, enz.; Sadjoe- 
roes, een oogenblik, in een oogen- 
blik, even, eventjes. 

DJoeroeh, stroop. 

DJoesta ook Doesta, leugen, on- 
waarheid, onwaar, niet waar, 
leugenachtig, enz. ; Mëndjoesta 
of Bërdjoesta, liegen, een on- 
waarheid vertellen; Mëndjoes- 
takën, iemand beliegen, eene 
onwaarheid vertellen, enz. 

DJoeta (of Joeta), millioen; Bër- 
djoeta, by millioenen, uit mil- 
lioenen bestaan, enz. 

DJoewa, zie DJoega.' 

DJoe'wab, zie Bjawab. 

DJoewadah, mondbehoeften^ pro- 
visie, levensmiddelen, ook zeker 
gebak van rflstemeeL 



DJOH. 

Djoewal, Mëndjoewal, iets ver- 
kóopen, ook van een^naam, enz. 
misbruik maken; Mëndjoevsral 
nama orang, van iemands naam 
misbruik maken, ter verkrijging 
van het ^een of ander doel; 
DJoeal bëli, koopen en weder 
verkoopen, kleinhandel dry ven; 
DJoewalan, wat verkocht, te 
koop aangeboden wordt, koop- 
waren, enz. ; Bêrdjoe'walaii, wa- 
ren te koop aanbieden, verkoo- 
pen, koophandel drijven; Mën- 
djoewalkën, iets^voor iemand 
verkoopen, enz.; Bërdjoeal, van 
het verkoopen een bedrijf maken,, 
bijv. Bërdjoeal koeda paarden- 
handelaar zijn; tegenover Mën- 
djoeal koeda, (een enkelen keer) 
een paard of paarden verkoopen. 

DJ oewawoet(beterDjawawoet), 
Panicum italicum, L. het bekende 
panikkoorn, welks fijnkorrelige 
zaden zeer smakelijk en voed- 
zaam zijn, doch meest aan kooi- 
vogels wordt gegeven. 

DJoewët (ook Djambëlang), Sy- 
zygium jambolanum, Rab. mid- 
delmatige boom met eetbare 
vruchten en een goed timmerhout. 

DJoewlta, bekoorlijk, lief, heflijk, 
(alsvocatiefofliefkoozingswoord), 
ook schat, engel, dot, liefje, enz ; 
Tali djoewita, zijden snoer. 

DJoez (Ar.), gedeelte, hoofdstuk, 
afdeeling (inzonderheid van den 
Qoran, die in 30 djoez is ver- 
deeld.) 

DJodJok (Jav.) geschud, schudding, 
schudden, ook draven (van een 
paard). 

DJogan, vloer, opgehoogde vloer, 
plaveisel, ook draagstoel, draag- 
koets en staatsieteeken. 

Djoged (Jav.), dans, dansmeid; 
Mendjoged, op de inlandsche 
wijze dansen, enz. 

DJohar, Cassia florida, Vahl. nat. 
fam. der Papihonaceae, boom, die 
veel als schaduwboom langs de 



DJOH. 



DOED. 



93 



wegen aangeplant wordt en een 
soort wityzerhout, dat voor bouw- 
werk geschikt is, levert. 

DJohari (of DJaühari), juwelier, 
ook ervaren, kundig, bedreven, 
wezenlyk, natuurlyk, kloek. 

Djolok (of TJolok), Mèndjolok, 
Mëntjolok, Mënjolok, met iets 
langs (byv. een vinger, een stok, 
enz.), naar of in iets steken, iets 
ergens uit-jaf afsteken, enz. 

DJon^jot, Mëndjondjot, van iets, 
dat in elkander verward zit (zoo- 
als biJv. gekorven tabak), een 
deel, vlok, greep, enz. wegnemen, 
uittrekken. 

DJongkar, DJongkar-dJangkir, 
ook Djongkang-dJanfiTkinfiTt 
verward, door elkander in alle 
richtingen uitsteken (byv. van een 
hoop hout werken,die niet opgesta- 
peld, maar dooreen gegooid zyn). 

Djongkat, in een stompen hoek 
omhoog stekend (zooals bflv. de 
penis in erectie); Bërdjongkat, 
in die positie komen, enz. 

Djongkok fJav.), op de hurken 
zitten, hurken. 

Djongkong, schuit, kanoe, schuitje 
van tin of ijzer, ook zeker gebak, 
en soms gebruikt = Djongkok. 

DJongOB (HolL), jongen, bediende, 
huisbediende. 

DJorok (of DJorog) (Jav.Bat.), vuil, 
smerig, niet zindeiyk, telkens een 
groote behoefte moeten doen of 
doen, enz., ook stoot, duw, enz.; 
Mëndjorokkën, DJorokin, 
iemand een duw geven, zoodat 
hy vooruitschuift, enz. 

Bjotos, stomp, duw met de vuist, 
vuistslag; Mëndjotos; met de 
vuist slaan, stompen; Mëndjo- 
toBkën, MëndJotoBin, iemand 
vuistslagen toedienen, enz. 

Dlaïf (Ar.), zwak, broos. 

Dlamma (Ar.), het Arab. klinker- 
teeken ter aanduiding van den 
o- of oeklank. 

I^oa (Ar.), gebed, schietgebed, ze- 



genwensch, aanroeping, afsmee- 
king van goed of kwaad, ook 
formulier by of over een genees- 
middel gepreveld; Mëndoakën, 
een gebed voor iemand doen, 
opzenden, een zegenwensch voor 
hem uiten, ook een formulier of 
schietgebed over een toe te 
dienen medicyn mtspreken, zulk 
een gebed over een zieke preve- 
len, enz. 

Doang (Bat.), enkel, alleen, slechts, 
niets anders dan. 

Dobërak (Bat.), defect, met gaten, 
bouwvallig, vervallen, enz. ; Mën- 
dobërak, iets (een heining, enz.) 
doorbreken, intrappen, uit elkan- 
der halen, verbreken, enz. 

Dobërek, Mëndobërek of Mën- 
dobërak, op hol slaan, aan den 
haal gaan, enz. (van een paard 
met een voertuig by v. achter zich). 

Doble (Jav. Bat.), (van de lippen) 
breed, dik, omgekruld. 

Dobol, door en door hol, doorboord, 
met gaten, ook verzakking van 
de baarmoeder. 

Dodol, een soort gebak. 

Dodor, niet passend, te groot, te 
wnd (van een kleedingstuk) ; 
Mendodor, Mëndodoran, te 
wijd ziJn, als een zak aan het 
lijf zitten (van kleedingstukken) 

Dodot (Jav.), lang en breed been- 
kleed dat b\j zekere gelegenhe- 
den op bepaalde wyze gedragen 
wordt. 

Doeboer, zie DJoeboer. 

Doeda (Jav.), weduwnaar. 

Doedoek, (soms Mëndoedoek), 
zitten, gezeten zyn, wonen, ge- 
vestigd zijn, zich ophouden, een 
rang bekleeden; Mendoedoeki, 
ergens op zitten, — gevestigd 
zijn, — wonen, bewonen; Mën- 
doedoekkën, iemand uithuwe- 
lijken, gevestigd doen zijn, ergens 
plaatsen, enz.; Këdoedoekan,^ 
zitplaats, woonplaats, rang, ambt, 
betrekking. 



94 



DOED. 



DOER. 



Doedoel, dot, ook hengel, die met 
het aas (meest een kikvorsch) 
schokkend over het water heen- 
bewogen wordt; Mëndoedoel, 
een dot in den mond brengen, 
ook op bovenbedoelde wy'ze vis- 
schen, hengelen. 

Doega, peillood, ook g^edachten, 
vermoeden, enz. ; Mëndoega, 
peilen, met het peillood meten ; 
fig. ook doorgronden, denken, 
vermoeden, enz. 

Doegal, misselijk. 

Doegang, Mëndoegang, met een 
touw vastbinden, vastzetten, be- 
letten een andere richting te 
nemen (zooals een boom, die ge- 
kapt wordt en in een bepaalde 
richting moet vallen). 

Doejoen-Bërdoejoen, achter elk- 
ander aankomen (van schepen 
in een haven bijv.). 

Doejoeng, zeekoe; AJër mata 
doejoeng, tranen van een zee- 
koe, een toovermiddel om weder- 
liefde te wekken. 

Doek (Jav.), (ook Idjoek (Soend.), 
of indjoek), de harige vezels 
van den arenpalm; Tali doek, 
touw, daarvan gemaakt. 

Doeka, verdriet, smart, kwelling, 
gemoedsaandoening, met smart, 
nood, droefheid, enz. ; Doeka tji- 
ta, verdriet, smart, droefheid, enz. 

Doekana, wellustig, wulpsch, on- 
zedelijk, ontuchtig, enz. 

Doekoe, Lansium domesticum. 
Jack. nat. fam. der Meliaceae, 
hooge boom met lekkere en ge- 
zonde vruchten, en goed tiinmer- 
hout leverende. 

Doekoeh (Jav.), gehucht, neder- 
zetting, buurt, hofstede. 

Doekoen,inlandsch geneeskundige, 
zoowel man als vrouw ; Doekoen 
bëranak, ook Doekoen baji, 
vroedvrouw. 

Doekoeng, Mëndoekoeng, leven- 
de wezens op den arm of op den 
rug dragen. 



Doelang, houten presenteerblad, 
ook de wijze waarop het eten in 
den mond van een jong kind ge- 
stopt wordt ; Doelang-doelang, 
mars, zaling; Mëndoelang, een 
kind te eten geven, door het 
't eten in den mond te stop- 
pen. Doelang (Bandjerm.), myn- 
put, uitgraving voor^het zoeken 
naar erts, enz ; Mëndoelang, 
uitgraven, ontginnen (om naar 
ertsen te zoeken) ; Mëndoelangi, 
iets uitgraven, — ontginnen, enz. ; 
Pëndoelangan, m^n, uitgraving, 
ontginning (van een m^jn). 

Doelapan, zie Dëlapan. 

Doeli, stof; Doeli toewankoe, 
het stof der voeten van miJn ge- 
bieder; Kabawah doeli, onder 
het stof der voeten (van den vorst) . 

Doengkoel, benedenwaarts gebo- 
gen, krom en naar beneden han- 
gen (van de horens van een 
buffel, enz.). 

Doenia (Ar.), wereld, het wereld- 
sche, hettegenwoordige,8chatten, 
rijkdommen, enz. 

Doepa, wierook ; Bërdoepa, zich 
zelven bewierooken, in den rook 
van doepa zitten; Mëndoepa, 
bewierooken, iets met doepa 
berooken, enz. ; Përdoepa&n, 
wierookvat. 

Doerdjana, slecht, gemeen, laag, 
boos, bedorven, verdorven, onedel 
(van aard), booswicht, boosdoener, 
slecht mensch, enz. 

Doeren (ook Doerian), Durio 
zibethinus, L. nat. fam. der Ster- 
culiaceae, hooge boom met lek- 
kere doch sterk riekende vruchten. 

Doerhaka (Sk.) (of Doeraka), on- 
gehoorzaam, ontrouw, wederspan- 
nig, afvallig, zondig, ongehoor- 
zaamheid, zonde, enz.; Bërboe- 
wat doerhaka of Mëndoer- 
haka, wederspannig, ongehoor- 
zaam, enz. z\|n, een zonde begaan ; 
Pëndoei^aka, wederspanne- 
ling, ongehoorzame, zondaar, enz. 



DOER. 

Doeri, doorn, stekel, graat; Bër- 
doeri, gedoomd z^jn, stekels, 
hebben, vol graten. 

Doerlas, gebloemd fijn neteldoek. 

Doeriat, rang, trap, graad. 

Doesln (HolL), dozJ[jn (ook Loesin). 

Doesin (Bat.), (of Doesi), Men- 
doesin, wakker worden, ontwa- 
ken, slaapdronken opstaan of 
wakker worden. 

Doesoen, dorp, gehucht, ook 
dorpsch,boersch; Përdoesoenan 
het platte land. 

Doesoen of Doesong (Mol. Mal), 
tnin, boschtuin, tuin in *t 
bosch, (vergel. Kintal). 

Doesta (ook DJoesta), valsch, niet 
waar, onwaar, leugenachtig, leu- 
gen, onwaarheid, enz.; Mën- 
doesta, ook Bërdoesta, een leu- 
gen vertellen, liegen ; Mëndoes- 
taï, iemand beliegen, ook foppen, 
bedriegen, enz. ; Mëndoestakën, 
iets voor valsch verklaren, logen- 
straffen, enz.; Pëndoesta, leu- 
genaar. 

Doeta, bode, afgezant. 

Doewa, twee;Bërdoewa, met ztjn 
tweeën (ztJn); Mëndoewa, de 
tweede zyn, ook iets met zt)n 
tweeën doen ; Doewa-doewa, 
beiden, alle twee, ook twee aan 
twee; Këdoewa, tweede, de (het) 
tweede, ten tweede, enz. ; Doewa- 
bëlas, twaalf; Doewa poeloeh, 
twintig; Doewa ratoes, twee- 
honderd; Doewa riboe, twee 
duizend; Doewa laksa, twintig 
duizend; Doewa këti, twee hon- 
derd duizend; Doewa joeta, 
twee millioen. 

Doewai (meest Ipar of Ipar doe- 
wai), zwager. 

Doewit (Holl.), duit, geld. 

^ogol, plat (van het hoofd), plat- 
hoofdig, ook bot. 

Dojan, belust op, verlangend naar, 
lusten, van iets houden, naar iets 
verlangen, belust zyn op iets. 

Dojong, scheefstaand, bouwvallig. 



DOSA. 



95 



enz. (van een huis, enz.); Bër- 
dojong, Mëndojongr, scheef- 
staan, hellen; Mëndojongkën,. 
over iets heen hellen (btjv. van 
een scheef staanden boom over 
een huis). 

Doktor, dokter, geneesheer. 

Dom, naald; Pandoman of Pë- 
doznan, compas. 

Doman, aandeel in iets; Tiada,. 
doman of — kadoman, geen 
aandeel in of van iets krflgen. 

Domoel, snuit, snoet. 

Domba, schaap. 

Dompet, lederen taschje, geld- 
taschje, portemonnaie, sirihzakje,. 
porte-cigares, enz. 

Dondong, Mëndondong, wegdra- 
gen, wegbrengen. 

Dong (Fr. Bat.), dan, toch; Apa 
dong, wat dan, wat is het dan ? 

Don|^ak, naar boven opgelicht; 
Mendongak, met het hoofd ach- 
terover naar boven kyken. 

Dongeng, fabel, vertelling, legende, 
enz.; Mëndongeng, een sprook- 
je, fabel, legende, enz., verhalen 
(gewooniyk half zingende). 

Dongkang, pad, groote kikvorsch. 

Dongkei, koevoet, werktuig om 
iets uit den grond te stooten, enz. 
ook iets, dat in den grond zit er 
met een koevoet enz. uithalen, 
uitdrukken, uitwippen, enz. 

Dongkërak, dommekracht; Mën- 
dongkërak, met een domme- 
kracht optillen, iets uit zl)n ver- 
band rukken, enz. (ook Dong- 
kërek Mëndongkërek). 

Dongkol, misvormd, krom, enz. 
ook spjtjt, wroeging, enz.; Mën- 
dongkol, sp\jt hebben, zich er- 
geren, zich verkroppen van er- 
gernis, enz. 

Dorong, stoot, duw, douw; Mën- 
dorong, voortduwen, voortschui- 
ven, vooruitstooten, ook iets dat 
in beweging is en stil moet staan^ 
tegenhouden, enz. 

Dosa (Sk.), zonde, misdryf, misdaad, 



96 



DROB, 



overtreding, schuld ; Bërdosa, 
zondigen, schuld hebben, een mis- 
dr\jf plegen, enz.; Apatah do- 
sanja, wat is toch zQn (haar) 
misdrijf? 

Drobos, door een heining, haag, 
heg, enz. sluipen, kruipen, binnen- 
dringen (ook Mëndrobos). 

Dzalb (Ar.), gebrek, ondeugd. 



EMBA. 

Dzikir (Ar.), Gode lof zingen, loveur 
enz.; Bërdzikir, een lofzang op 
G-od aanheffen, zingen. 

Dzoelhidjah, de laatste (twaalfde) 
maand van het Mohammedaan- 
sche jaar, ook Boelan bësar of 
Boelan hadji. 

Dzoelkaïdah, de elfde maand van 
het Mohammedaansche jaar. 



E. 



Bbek, zeil voor een deur of raam 
tot beschutting tegen zon of 
regen, een klep (aan een tour- 
nooizadel) en platte, van bamboe 
enz. gevlochten stokpaarden, die- 

^nende biJ zekere vertooningen. 

Bbeng (Bat.), jongetje, ventje, toe- 
roep tot een klein jongetje. 

Bbet, Mëngebet, steken, pUnl^jk 
trekken (van een gezwel, enz.). 

Bldan (Jav. Soend.), gek, dwaas. 

Bdja, Mëngedja, spellen, spellen 
van een woord; Bdja&n of Pë- 
ngedja&n, spelling. 

Bdjek, Mëngedjek, bespotten be- 
schimpen, enz. (met woorden of 
gebaren), iemand nabauwen, na- 
apen, enz. (om hem te bespotten), 
ook in een draf voortloopen. 

Bikor (of Bkor), staart, punt, uit- 
einde, dient ook als hulpwoord 
b\j de teUing van dieren; Sa'ei- 
kor koeda, een paard. 

Blak, Mëngelak, ontwaken (van 
een houw), uitweken; Mënge- 
lakken, afweren, afwenden, pa- 

^reeren, enz. 

Blang, kiekendlef. 

&at (ook Lët), tusschenruimte van 
ttJd, poos, regelmatige tusschen- 
ruimte, enz. in een reeks van 
dingen (tyd, getallen, enz.); Blat 
Üga hari, om de vier dagen, 
telkens op den vierden dag, 
enz. 

Blo, el, (gewoonlijk Amsterdamsche 
el); Mëngelo, met de el uitme- 



ten; Mëngelokën, Mëngeloln, 

iets met de el meten, uitmeten, 

^afmeten, enz. 

Bloek (Jav.), bocht, kromming b\jv. 
in het lemmer van een Këris). 

Blok, fraai, mooi, sieriyk, bevallig, 
lief, schoon, geschikt voor of tot, 
enz.; Blok parasnja, schoon, 
lief, bevallig van aangezicht; 

^Kaelokan, schoonheid, enz. 

Bmak (ook mak of ma), moeder, 
moedertje; Ma'tiri, stiefmoeder; 
Ma'soesoe of Ma'tetek, zoog- 

^ moeder. 

Bmas, goud, gouden, ook als lief- 
kozingswoord, geiyk ons „schat" 
enz; Bmas poetih of Bmas 
kodok, wit goud, platina; Bmas 
oerai, stofgoud^; Bmasmasak, 
gedegen goud; Bmaslantjoeng, 
valsch goud; Anak ëmas, een 
kind, dat men in huis neemt en 
grootbrengt; Bmas kawln, 
huweiyksgift ; Mëngëmasi, ver- 
gulden, ook (met goud) omkoo- 
pen, enz. 

Bmban, doek, waarin iets gedragen 
wordt, — kindermeid, enz. ook 
(doch moestal Ambën), doek, 
riem, gordel, enz.; Mëngëmban, 
iets in een doek, ook op den arm 
dragen; — ook dienstdoen als 

^ kindermeid, enz. 

Bmbat, Mëngëmbat, slaan met 
een lang en veerkrachtigvoorwerp, 
(btjv. met een rottingstok), ook 



EMBE. 

^ slaan of klapperen (van de zeilen). 

Bmbek, geblaat, ook schaap, geit, 
en deuk, verzakking, enz. (van 
eenvloei); Mëngëmbek, blaten, 
enz. ook ingedeukt, verzakt zyn. 

Bmbek, zeil, voorhang (voor een 
deur, enz.). 

Bmber (HolL), emmer. 

Bmbët, op water dravende of lig- 
gende, met gras, enz. begroeide 
grond, die niet te begaan is, 
dunne laag begroeide grond op 
een moerassigen bodem, be- 
groeid moeras, moerassig veen, 
enz, ook winderig, opgezet (van 
den buik), benauwd door die op- 

^ zetting, enz. 

Bmboen, dauw; Tërëmboen, aan 
den dauw blootgesteld; Më- 
ngëmboen, in^den^ dauw zitten, 
ook dauwen; Mëngëmboenkën, 
in den dauw zetten, aan den 

^dauw blootstellen. 

EmboenfiT (Soend.), niet willen, 
onwillig zyn, ook (doch meest 
Boeng), oudere broeder, eerstge- 

^borene, oudste kind. 

Emboes, geblaas (b\jv. van slan- 
gen, enz.), luchtstroom daardoor 
veroorzaakt; Mëngëmboes, bla- 
zen, aanblazen, enz.; Emboesan, 

^geblaas, blaasbalg. ^ 

Embok, moeder, ook (Empok) 
oudere zuster (als aanspraak- 

^ woord). 

Eznpang, versperring, barricade, 
afsluiting, verpakking, dam, 
d\jk, enz.; Mëngëmpang, eene 
verspexring; enz. maken, een ri- 
vier versperren, een weg, enz. 
barricadeeren; Bmpangan, wat 
versperd is, enz.; Perëmpangan, 
versperring, barricade, enz. 

Empang, vjver, vischvijver, uitge- 
graven kom, waarin visch geteeld 

^ of gehouden wordt, enz. 

Bmpap, Mëngëmpap, iets dicht 
opeen pakken, vast tegen elkan- 
der dn&ken, op elkander plaat- 
Malsisch-Hollandsch. 



EMPO. 



97 



sen en met een gewicht bezwa- 
ren, enz. (zooals b\Jv. vleesch in 
een vat, enz.). 

Empar, Mëngempar, dwars af- 
drijven (van een vaartuig door 

^ stroom of wind). 

Empas, Mëngëmpas, met geweld 
tegen den grond smflten, neer- 

^ smakken, enz. 

Empat (of Ampat), vier, viertal; 
Bërëmpat, met z\jn vieren ztjn; 
Bërëxnpatan, bQ groepen van 
vier; Empat-ëmpat, vier aan 
vier; Këëmpat-ëmpat, alle vier; 
Përëmpat, vierde, vierde deel, 
kwart; Mëngëmpat, de vierde 
zijn ; Empatbëlas, veertien; Em- 
patpoeloeh, veertig; Empat 
poeloeh hari, veertig dagen, 
(zoo wordt de sëdëkah of het 
ofifermaal op den veertigsten dag 
na iemands overlijden ook ge- 
noemd); Mëngëmpat-poeloeh- 
hari, een offerma^J als boven op 
den 40en dag aanrichten, enz;; 
Empat ratooB, vierhonderd; Em- 
paX riboe, vierduizend; Êmpat 
laksa, veertigduizend; fimpat 
këti, vierhonderd duizend; Sm- 

^ pat joeta, vier millioen. 

Ëmpik, Mëngëmpik, onstuimig, 
dringend naar iets verlangen (bflv. 

^ van een zuigeling naar de bonst). 

Emping, halfrtJpe padi of r^jst, die 
na poCang en ontbolstering plat 
geslagen of gestampt wordt; ook 
op die wüze bereide kleine koek- 
jes van vruchten van den Ma- 
Dlndjo, ook koekjes van gekookte 
en daarna fijngestampte garnalen, 
visch, enz,, die veel btj de rflst of 

^ als snoeperU gegeten worden. 

Empoek, zacht, malsch, melig, 
kruimig, vergaan, vermolmd (van 

^hout, enz,). 

Empoel, Mëngëmpoel, om een 
plaats heen draaien, biüna op 
dezelfde plaats zich bewegen 



98 



EMPO. 



ENTE. 



zonder echter vooruit te komen 
(zooals een schip by zwaren tegen- 

_ wind) enz. 

ISmpoes, Mëngëmpoes, uitwis- 

^ schen, uitvegen, te niet doen, enz. 

Bmpong, kleine hoeveelheid, zood- 
je ; Ikan saëmpong, een zoodje 

^visch, ook een school visch. 

ESmpos, MëngëmpOB (Bat.), half- 
rijpe of onrflpe vruchten door 
begraving onder den grond of 
door blootstelling aan vuurhitte 
den schyn van rypheid geven, 
rJtJp maken, doen rypen, enz. 

Empos^ Mëngempos, vruchten 
plukken door ze van den steel 
af te draaien. 

Enak, lekker, smakelijk, aange- 
naam, aangenaam van smaak, 
pleizierig, enz. ook lekkerheid,enz.; 
Mëngenakkën, iets of iemand 
lekker maken, het iemand naar 

^ den zin maken, hem vleien, enz. 

Enal, prop op een lading kruit. 

Snam, (ook Enëm^ Anëm of Nëm), 
zes, zestal ; Bërënam, zes in getal 
ztjn, met zyn zessen; Fërënam, 
zesde, zesde deel; i&iam-ënatn, 
zes aan zes;JB:ëënam-ëiiam, alle 
zes; Mëngënam, de zesde z^jn. 

Bndah, mooi, schoon, fraai, heer- 
lijk, kostbaar, uitstekend, beziens- 
waardi^g; interessant; Mengen- 
dahkën, iets fraai, schoon, enz. 
achten, voor fraai, schoon, enz. 
houden, om iets geven, zich voor 

^iets interesseeren, enz. 

Endak, zeldzaam, kostbaar. 

ftndal, Mëngëndal, induwen, in- 
stooten, instoppen, enz. (btjv. gras 
in een mand). 

Bndang,vrouweltjkeboeteling,non. 

Endap, Mëngëndap, bukken, om 
zich te verschuilen, zakken, neer- 
zakken, neerslaan, shnken (van 
iets dat gerezen is, zooals deeg, 
enz.), kleiner worden (van een 
vlam), bezinken, (ook Mëndak of 
Mëndëk) van troebele vochten; 



^ naar binnen slaan (van ziekten). 
Endjak, zie Indjak. 

Ëndjal, Mëngëndjal, met kracht 
in iets steken, stoeten, boren, 

^ (by V. een dolk in een lichaam, enz.) 

Endjoet, Mëngëndjoet, een klein 
rukje aan iets doen, eventjes op- 
hchten, met een rukje aan iets 
trekken, enz. 

Endong, Mëngendong(Jav.), den 
nacht buiten's huis doorbrengen, 

^(b\jv. by een publieke vrouw). 

Endoek, klein meisje, vocatief tot 

^kleine meisjes. 

Engga (Bat.), neen, niet, niets. - 

Enggan, weigeren, weigerend, wei- 
gering. 

Engget, Mëngengget, iets (b^jv. 
vruchten, die men plukken wil) 
met een haak naar zich toehalen, 

^trekken, enz. 

Engkau, zie Angkau. 

Êngket, Êngkat-ëngket, het pie- 
pend geluid dat een doorbuigende 
draagstok onder het loopen van 
den drager maakt. 

Engklek (ook Sei^klek), Më- 
ngengklek, een kind schryhngs 
over de heup dragen en met den 
arm steunen. 

Engsel (HolL), hengsel, scharnier. 

Entah, ik weet het niet, ik kan 
niet zeggen, enz., (woordje, ge- 
bruikt by antwoorden omtrent 
zaken enz. waarvan men niet 
zeker is); Entah siapa, ik weet 

^niet wie. God weet wie, enz. 

Entak, Mëngëntak, zich laten val- 
len, op iets neerploffen; (van een 
vaartuig) tegen den grond stoe- 
ten, enz.; ook trekken, ptJniyk 

^steken enz. (van een zweer). 

Enteiro (Port.) (of Anteiro, An- 
tero), geheel, geheel en al, al, 
alles, enz. 

Enteng, hcht, niet zwaar verlicht^ 
niet bezwaard; Mëngentengkën, 
licht maken, verlichten, niet be- 
zwaren. 



ENTJ. 



PATW. 



99 



BntJanfT, Mêngêntjajigj met ge- 
weld . op iets trappen, treden, 
vertreden. 

Bntjer, dun, dun vloeibaar (van 

^vloeistoffen, enz.). 

Bntjik, titel voor Maleiers uit den 
fatsoenleken stand, mynheer, 

^ heer, ook mevrouw, mejuffrouw. 

Bnl^ok, doorsteken, doodsteken. 

Bntjok, rheumatiek, jicht, sttjf van 
leden, enz. 

Epok (ook Epok-epok), taschje 
of kokertje van mat- of vlecht- 
werk ter bewaring van tabak, enz. 

•Erak, Mëngerak, scheiden, plaats 
maken, afscheid nemen, opschui- 

_ ven, enz. ; Bërerak, zie Berak. 

Eram, Mëngëram, ineengedoken 
zitten, broeden, op eieren zitten, 
ook kmelen (van kameel en, enz.); 
Mëngëramkën, dwingen ineen- 



gedoken te zitten, te knielen, enz.; 
eieren laten uitbroeden, op eieren 
laten zitten, eieren ter uitbroeding 
onder eene hen leggen, enz. 

Erang, zwart, donkerblauw, don- 
kergekleurd; MëD£reranfir, zwart 

^worden, enz. 

Erang, Mëngëraog, steenen, steu- 

^ nen, kermen, kreunen (van piJn). 

Erti, zie Arti. 

Esoek (of Besoek), morgen, den 
volgenden dag, te eeniger t\Jd, 
eenmaal, later, ook ochtend, 
vroegte, enz. ; Esoek hari, mor- 
gen, morgen ochtend, enz. ; 
Esoek loesa, overmorgen, ook 
later, te eeniger t\jd, enz.,Kaesoe- 
kan hari, de volgende dag. 

Ewa, afkeerig, een afkeer van iets, 
tegenzin in iets hebben, enz. 



p. 



Paël (Ar.), werk, daad, ook voor- 
teeken; Padjëk faai, bedrtjfsbe- 
lasting ; Mëmboeka faftl, voor- 
teekens raadplegen. 

Fadloeli (Ar.), (gewoonlyk Për- 
doeli), om iets geven, zich met 
iets bemoeien, notitie van iets 
nemen; Mëmfadloelikën, zich 
met iets bemoeien, zich eene zaak 
enz. aantrekken, om eene zaak 
enz. iets geven, enz. 

Faham (Ar.) (gewooniyk Paham), 
bekwaam, kundig, bedreven, erva- 
ren, enz.; Mëxnfahamkën, iets 
aanleeren, zich in iets bekwa- 
men, enz. 

Faïdah (of Faedah, Paedah) 
(Ar.), nut, voordeel, belang; Bër- 
faldab, nuttig, voordeel aanbren- 
gend, van belang, tot iets dienen, 
enz.; Mëmfaidahkën, benutten, 
benuttigen, enz. 

Fakih (Ar.), rechtsgeleerde. 

Fakir (Ar.), (ook Pëkir), bedel- 
monnik. 

Falak (Ar.), hemelgewelf, sterren- 



hemel; Dmoe fólak, sterren- 
kunde, astronomie. 

Fana' (Ar.), broos, vergankelijk, 
zwak. Nëgëri jang fana, het 
land der vergankel^kheid, de 
aarde. 

Faradja (Ar.), meerv. Foeroedj), 
het mannelijk of vrouwelijk 
schaamdeel, spleet, kloof, de vrou- 
welijke scheede. 

Faranggi (of Fëringgi) (Ar.), 
Frank, Europeaan, Frankisch, 
Europeesch. 

Fardl (Ar.) of Fardloe, ook Për- 
loe, plicht, noodzakelijk, nood- 
zakelijkheid. 

Farisi (Ar.) (of Parsi), Perzisch, 
Perziaan. 

Fatah (Ar.), het teeken voor den 
klank a. 

Fatsal (Ar.), ontleding, scheiding, 
afzonderlijk gedeelte van iets, af- 
deeling, hoofdstuk, paragraaf, 
artikel. 

Fatwa (Ar.), uitspraak van een 
rechtsgeleerde, uitspraak of mee- 



100 



FEST. 



aADJ. 



ning van een geleerde of hei- 
lig persoon, heilzame leering, 
goede raad. 

Festa (ook Pesta), feest. 

Pibak (Ar.) (ook Pihak), ztjde kant ; 
Kadoe'^xrafihak^vanweerszyden. 

Fiklr (Ar.), overpeinzing, overden- 
king, overlegging, gedachte, mee- 
ning ; Berfikir, Mëmflkir, Më- 
mikir, denken, overdenken, pein- 
zen; Mëmfikirkën, Mëmiklr- 
kën, over iets denken, nadenken, 
peinzen, enz. ; Fikiran, overpein- 
zing, gedachte. 

Firasat, gelaat; ürnoe firasat, 
gelaatkunde, physiognomie. 

Firdaus (Ar.), paradijs. 

Firman (Ar.), bevel, last, gebod (van 
God), bevelen, gelasten, verkon- 
digen, afkondigen, een bevel uit- 



vaardigen, een last geven, een 
gebod bekend maken, enz. 

Fitnah (Ar.), laster, valsche beschul- 
diging, valsche aantijging, kwaad- 
sprekertj, ook lasteraar, laster- 
brok; Mëmfltnahkën, lasteren, 
belasteren, enz. 

Fitrah (Ar.) (of Pitrah), belasting 
in rflst of geld na de vasten (vóór 
het einde er van eigenlflk) aan 
den dorpspriester te betalen. 

Foekoer (Ar.) (ook Pëkoer), in 
diep nadenken verzonken, diep 
peinzend; Tërfoekoer ofTërpe- 
koer, in gedachten, in diep na- 
denken verzonken. 

Foma (Mol. Mal.), oven, fornuis, 
vorm ; Foma kapor, kalkoven ; 
Foma sagoe, vorm voor sagoe- 
koeken. 



Q. 



Qaba (of Gabab) (Jav.), losse rtJst- 
korrels in den dop of bolster. 

Gaba-gaba (Mol.), bladeren van den 
sagoe-palm, als vlechtwerk voor 
dakbedekking, enz. 

Gabas, grof, niet fijn, slordig af- 
gewerkt. 

Gaboeg (Jav. Bat.), onvrucht- 
baar (zoowel van planten als van 
menschen en dieren), kinder- 
loos, voos, zonder korrels (van 
röstbüv.). 

Gaboeng, bos nipah-bladeren of 
rotting; Mënggaboeng, Meng- 
gaboengi, rotting enz. tot bos- 
sen binden. 

Gaboes (of Kajoe gaboes), Al- 
stonia scholaris, R. Br. nat. fam. 
der Apocyneae, een bekende boom 
met zeer week en veerkrachtig 
hout, dat gebruikt wordt om 
snijdende voorwerpen als messen 
enz. te slapen, dus als aanzet- 
riem, enz.; Mënggaboes, een 
mes enz. op gaboes aanzetten, 
enz ; Gaboes, ook de naam van 



een gezonde en smakelyke zoet- 
watervisch. 

Gada, knots, knuppel ; Gada-gada, 
windwijzer op den top van een 
mast, enz. 

Gadang, Bërgadang, tobben, zich 
vermoeien, ook laat op bltjven, 
waken. 

Gade (of Gadai), pand, onderpand; 
Mënggade, verpanden, ook^in 
pand nemen; Mënggadekën, 
iets verpanden, iemand iets in 
pand geven, enz.; Gadean, wat 
in pand gegeven^ wordt, pand, 
pandgoederen ; Pënggadean of 
Pëgadean, pandhuls, lombard, 
pandjeshuis; Soerat gade, pand- 
brief; Orang tërgade, pande- 
ling. 

Gading, slagtand van een olifant, 
ivoor, elpenbeen ; Gading-ga- 
ding, spanten, kromhouten. 

Gadis, maagd, jong meisje. 

Gadjab, olifant; Gadjah mina, 
walvisch. 

Gadji, gage, loon, traktement. 



GADO. 

Gado (Jav.), snoepen, peuzelen, de 
by de ryst behoorende toespys 
alleen eten (zonder rijst); Gado- 
gado, een snoepery van diverse 
gekookte groenten met^ speciaal 
daarvoor bereide saxnbël, enz. 

Gadoeh, leven, lawaai, opschud- 
ding, tieren, lawaai maken, in 
opschudding komen, enz. ; Mèng- 
gadoebkën, verontrusten, in op- 
schudding brengen, storen, hin- 
deren, plagen, zich over iets on- 
gerust maken, enz.; Bërgadoeh, 
leven maken, opschudding ver- 
wekken; Përgadoehan, opschud- 
ding, lawaai, rumoer. 

Qadoeng, Dioscoreahirsuta, BI. nat. 
fam. der Dioscoreae, sUngerplant 
wier vergiftige knolwortels gege- 
ten worden, doch dikwerf gevaar- 
lek ziJn. 

Gagah, sterk, geweldig, ook fier, 
dapper; Mënggagahi, iets met 
kracht, met geweld doen, door- 
zetten, enz., forceeren, ook zich 
met kracht tegen iets verzetten, 
iets moedig aanvatten, enz. ; Ga- 
gah-bërani, moedig, fier en dap- 
per, dapperheid, enz. 

Gagak, kraai. 

Gagang, steel (van een blad bijv.), 
ook handvat, heft, greep. 

Gagap (of Mënggagap), stotteren, 
hakkelend spreken, stamelen. 

Gagau (ook Gogo), Mënggagau, 
tasten, rondtasten, met de handen 
naar iets zoeken, tasten, enz. 

Gagoe, stom. 

Gabar, Mënggahar , hard schuren, 
wryven, poetsen. 

Gahara, van vorsteiyken bloede, 
van vorstelijke afkomst. 

Gabaroe (ook Garoe, Kajoe 
Gapoe), verscheidene h outsoorten 
met welriekend hout en hars, die 
veel in den handel voorkomen, 
behoorende tot de nat. fam. der 
Aquilanneae, zooals de Aquilaria 
Agallocha Roxb, die het ware 
Aloëhout levert, tot de nat. fam. 



GALA. 



101 



der Euphorbiaceae, zooals de Ex- 
coecaria Agallocha, L., die een 
welriekende hars en olie geeft, 
— en tot de nat. fam. der Papilho- 
naceae, zooals de Aloexylon- 
agallochum Lour, die het beste 
Aloëhout en de beste hars levert. 

Gabi rook Gaja), kracht, sterkte. 

Galt, naak, weerhaak; Mënggalt 
of Mënggaet, iets door middel 
van een stok enz., die van een 
haak voorzien is, of haakvormig 
eindigt, naar zich toehalen, trek- 
ken, enz.; Galtan, haak, ook een 
stok, enz., als voren bedoeld; 
Gaïtan klamboe, beddehaak, 
gordynhaak. 

Gaja, manier,gedwongen,gemaakte 
gang, gemaakte toon of stem, 
melodie, rhytmus, enz., ook fop- 
perij, bedrog; Mënggajakën, 
iets op gemaakte wyze, met een 
gemaakte stem voordragen, enz., 
ook iemand foppen, iets diets 
maken, enz. Gaja ook Gabi. 

Gajal, veerkrachtig, taai (van etery, 
sptjzen, enz.) 

Gktjam, Inocarpus edulis, L. nat. 
fam. der Hernandiaceae, hooge 
boom met eetbare vruchten. 

Gajam (Jav.) (of Gajëm), Mëng- 
gajëm of Mënggajëmi, her- 
kauwen. 

Gajang, waggelend, niet vast op 
de beenen (van een beschonkene), 
zwaar in 't hoofd (door te weinig 
slaap). 

Gajoeng, schepper, voorwerp of 
middel om water enz. te scheppen. 

Gajoet, Mënggajoet, aan iets han- 
gen, vr\j, zwevend hangen (zooals 
een hanglamp bitjv.). 

Gküa, sterk, stevig, ook hars, gom; 
Gala-gala, stopverf, mengsel van 
hars en kalk om naden te dichten. 

Galagasi (Bat.), spinrag, draad van 
een spin, enz. ook de spin ^elf. 

Galagata, netelroos (ook BIdoer). 

Galab (ook Gala), lange stok (om 
er iets aan te hangen, of er iets 



102 



aALA. 



mede af te stooten, enz.), boom, 
scheepshaak. 

Galak, woest, wild, gretig, vurig, fel , 
happig (van dieren), ook dadelyk 
aanvallend, bytend, enz.;Mëiig- 
g^alakkën, aanvuren, aanhitsen, 
ophitsen, woest, wild maken, enz. 

Galang, onderlaag van balken enz. 
waarop iets, dat men niet met 
den grond of iets anders in aan- 
raking wenscht te brengen,^ ge- 
plaatst wordt, stut, steun; Mëng- 
galang, een voorwerp door zulk 
een onderlaag steunen, enz. 

Galëngan (Jav.), dykje ter afschei- 
ding der verschillende vakken 
gronds, waarop ryst enz. geteeld 
wordt. 

Qalgal, min of meer getroubleerd 
ztjn, met molentjes loopen, eenigs- 
zins, af en toe krankzinnig. 

Gali, Mënggali, graven, delven, 
uitgraven, enz.; Galian of Pëng- 
galian, wat uitgegraven is, ook 
kuil, gat, loopgraaf, enz. 

Galir, gemakkelijk gaand, niet 
stroef (btJv. van een haan van 
een geweer), los, waggelend (van 
een tand, enz.), verloopen (van 
een schroef). 

Galoe, Mënggaloe, omgeven, om- 
ringen, omstuwen, omsingelen, 
(btjv. van een vorst door zyn 
gevolg, enz.). 

Galoer, verband, samenhang van 
't begin tot 't eind, ook golven 
die in ééne richting gaan, zware 
deining, enz.; Mënggaloer, iets 
in ztjn geheelen samenhang, van 
het begin tot het eind vertellen, 
ook in ééne richting golven, gaan. 

Galoet (ook Gëloet, Goelët), Bër- 
galoet, Mënggaloet, stoeien, 
worstelen, worstelend vechten, 
enz. 

Gamah, Mënggamah, bang, be- 
vreesd maken, iemand vrees aan- 
jagen. 

Gaman, verbluft, verbaasd, con- 
fuus, verbouwereerd. 



GAMP. 

Gaman (Jav. Bat.), (of Gëgaman, 
ook Sandjata), wapen. 

Gambang, inlandsch muziekinstru- 
ment bestaande uit platte staven 
hout of metaal, ook glas op een 
langwerpigen bak. 

Gambar (Jav.), afbeeldsel, teeke- 
ning, beeltenis, beeld, portret, 
schilderij ; Gambar orang, beeld, 
portret van een mensch; Gambar 
doenia, beeld, Jteekening, kaart 
der wereld; Mënggambar, af- 
beelden, teekenen, in teekening, 
in kaart brengen, portretteeren, 
enz.; Pënggambar, het teeke- 
nen, afbeelden, enz. ook teeke- 
naar, schilder, opnemer, pho- 
tograaf enz., (ook Toekang 
Gambar), Gambar sorot, pho- 
tógraphie, enz. (verg. Pëta). 

Gambëlok (Jav.) (of Gëmbëlok), 
buidel, zak; Mënggambëlok,al3 
een zak ergens aanhangen (zoo- 
als btJv. kinderen op den rug van 
iemand), enz. 

Gamblr, Uncaria gambir Roxb. 
nat. fam. der Rubiaceae, een slin- 
gerplant, uit wier bladeren de by 
het betelkauwen onmisbare gam- 
bir (een soort Catechu) getrok- 
ken wordt. 

Gamboeh, een soort van dans, ook 
de aan dien dans deelnemende 
dansers en danseressen. 

Gamelan (Jav.), stel muziekinstru- 
menten, vormende een Javaansch 
of inlandsch orkest, waarvan ver- 
schillende soorten bestaan. 

Gamit, Mënggamit, iemand een 
teeken geven, waarschuwen, enz. 
door hem even met den top van 
een vinger of met de hand aan 
te raken, iemand wenken, toe- 
wenken, enz. 

Gampang, zonder moeite, licht, 
gemakkelijk, niet bezwarend, zon- 
der bezwaar (te doen, enz.);Mëng- 
gampang ook Gëmampang, 
iets Jicht opvatten, gemakkelijk 
achten, enz.; Mënggampang- 



GAMP. 

ken» eenig werk licht, gemak- 
kelijk maken, verlichten enz. ook 
licht opnemen, etc. 

Gamparan (Soend. Bat.) (of Gëm- 
paran), houten klompen of san- 
dalen met een knop, ook met een 
lederen lus aan de voorzijde. 

Gampoeng, Mënggampoeng, le- 
zen, nalezen van na den groeten 
oogst op het veld nog achterge- 
bleven aren, die meestal kort af- 
gesneden worden; Gampoeng 
(Atj.) = E^ampoeng, dorp, ge- 
hucht. 

Ganal, evenbeeld, precies als, juist 
als. 

Ganas, rusteloos, onstuimig, voort- 
varend, woest, wild, alles aanval- 
lend (van wilde dieren), enz.; 
Binatang ganas, wild dier, ver- 
scheurend wild dier. 

Ganda, reuk, geur, ook veelvoud 
tweevoud. 

Gandang, vroolyk, opgewekt, 
lustig. 

Gandajria, Bouea gandaria BI. nat. 
fam. der Anacardiaceae, boom 
met fraai sterk hout en de beken- 
de meest in zout ingemaakte 
vruchten. 

Gandaroekëm, een soort hars, veel 
b\j het soldeeren gebruikt. 

Ganden (Jav.), groote hamer, 
moker. 

Gandeng, reiszak, ook naast of 
aan elkander liggend, enz. ; Mëng- 
gandeng of Mëngganding, aan 
elkander binden, verbinden, sa- 
menbinden, op sleeptouw nemen, 
enz. 

Gande'wa, boog. 

Gandik, voorhoofdsversiersel van 
een bruid, een versierde voor- 
hoofdsband, enz. 

Ganding,Mëngganding, een sloep 
enz. langs züde sleepen. 

(^andjak, Mënggandjak, ver- 
schuiven (van wapens bflv. door 
ze een weinig uit de scheede te 
trekken). 



GANG. 



103 



Gandjal (ook Gindjalof Gandjël), 

de nieren. 

Gandjal, (of Gandjël,) iets dat er- 
gens tusschengestoken, omgewik- 
keld wordt, ook onderlaag, stut, 
steun, enz.; Mënggandjal, het 
een of ander tusschen, onder, aan 
iets plaatsen enz. om het vast te 
zetten. 

Gandjaran (Jav.), belooning, ver- 
gelding, enz. 

Gandjll, oneven. 

Gandjoer, piek, lan», ook trekken, 
styf aanhalen, zonder spreken 
van iemand wegloopen. 

Gandoe, een soort zwarte boenen, 
waarmede men speelt. 

Gandoem, tarwe (Triticumvulgare, 
L. nat, fam. jier öramineae). 

Gandoeng, Mënggandoeng, han- 
gen van boomen of lasten aan 
weerskanten van een schuit enz. 
buiten boord en in het water, om 
het schommelen te beletten. 

Gang (Holl.), gang, smal straatje, 
steeg, enz. 

Ganggang, by, over of tegen 
vuur houden, om een weinig te 
schroeien, zengen of te doen 
drogen ; Bërganggang, zich by 
een vuur warmen. 

Ganggoe, Mëngganggoe, storen, 
plagen, lastig vallen, lastig maken, 
zich met iets bemoeien, ergens 
met de hand aan komen, enz. 

Gangsa, messing, klokkenmetaal, 
ook een geel-koperen presenteer- 
blad, en gans. 

Gangsa, Mënggangsa, verplaat- 
sen, overbrengen, overplanten, 
enz. 

Gangsing (Jav.), (ook Gangsi- 
ngan), tol (speeltuig). 

Gangsir (Jav. Bat.), aardkrekel, 
ook hol, opening in den grond; 
Mënggangsir, uitgraven, onder 
iets doorgraven, ondergraven 
(zooals dieven een muur, enz. 
bijv.) ; Gangsiran, ondergraving, 
opening door ondergraving ge- 



104 



GANG. 



GASI. 



maakt, om ergens in of uit te 
komen, enz. 

Oangsoer, effen, plat, gel\jk; Mëng- 
£^ang8oer, effen, gel\jk maken, 
effenen, enz. 

GantaDg, inhoudsmaat voor droge 
waren, gewoonlijk Va è, 7io pikoel 
(van 125 A. Ponden), soms ook 
minder metende; Mënggantang, 
met een gantang meten. 

Ganti, wat ter vervanging, tot ver- 
vanger, opvolger, schadever- 
goeding, enz. dient ;Mëngganti, 
vervangen, verwisselen, vergoe- 
den; Mënggantikën, iets tot 
schadevergoeding, vergoeding ge- 
ven, doen strekken, in de plaats 
van iets anders stellen, enz. ; 
Bërganti-ganti of Ganti-bër- 
ganti, heiirtelings, b\j beurten, 
elkander afwisselend enz. 

Ganting (Bat.), gestold, vast ge- 
worden ; Goela ganting, gestol- 
de suiker, nl. suiker, die na tot 
een dikke pap te z^n gekookt, 
tot een lenige vaste massa op- 
droogt. 

Gantjang, vlug, haastig. 

Gantoeng, Menggantoeng, han- 
gen, ophangen, afhangen; Bër- 
gantoeng, hangende z^n, ook: 
afhangen van, afhankelijk van; 
Tërgantoesg, hangend, hangen- 
de gehouden, onafgedaan, uitge- 
steld, verdaagd, enz.; Mënggan- 
toengkën, uitstellen, verdagen, 
enz.; Gantoengan, wat gehan- 
gen moet worden, ook galg; 
BLawin gantoeng (Jav.), uitge- 
steld huwlyk, d.w.z. huwelök tus- 
schen kinderen, wier samenle- 
ving als man en vrouw vanwege 
hunne jeugdigheid tot nader uit- 
gesteld wordt of is. 

Gaoeng, hol geluid, galm, weer- 
galm, echo (btjv. in een grot); 
Mënggaoeng,w6ergalmen, weer- 
klinken, een hol geluid geven, 
ook zwaar bassen, blaffen (van 
honden). 



Gaok (Bat.), kraai. 

Gapa (Bat.), goed kunnen mikken, 
goed kunnen raken (van iemand 
die knikkert). 

Gapoera, poort, hoofdpoort, hoofd- 
ingang van een gebouw, enz. 

Garam (of Garëm), zout, keuken- 
zout; Mënggaram, inzouten, ook 
met iets doen wat er aan of er 
mede gedaan moet worden; 
Mënggarëmi, met zout inwrij- 
ven, enz. 

Garang, grimmig, norsch, ruw, 
woest, wild, heftig, opbruisend, 
opstuivend van aard. 

Garau, zwaar, diep, vol (van een 
geluid), basstem. 

Garing, croquant, knappend, hard 
gebakken of gebraden, enz., ook 
goed droog, kurk- droog. 

Garis, kras, schrap, kerf, streep, 
lyn ; Mënggaris, lijnen trekken, 
strepen of krassen in of op iets 
maken, enz. 

Garoe, eg; Mënggaroe, eggen, 
met de eg bewerken. 

Garoeda, een mythische vogel, 
rydier van den^god Wishnoe. 

Garoek, krab; Mënggaroek, krab- 
ben, krauwen, met de nagels be- 
werken, enz. ook schrapen, bö- 
eenschrapen (van een woekeraar), 
enz. 

Garoeng, Mënggaroeng, het uit- 
schreeuwen van p\jn of schrik. 

Garpoe (Bat.), vork, tafelvork. 

Gasak, Mënggasak, hard wry ven, 
met kracht op iets werken, iets 
ter dege doen, raken, enz. 

Gasal, oneven. 

Gasang, sterk belust, sterk ver- 
langend (naar den coïtus), wel- 
lustig, geil, manziek (van een 
vrouw), ritsig, tochtig (van een 
vrouwelijk dier). 

Gasap, zie Kadap. 

Gasing, zie Gangsing. 

Gasir, braak, inbraak, ondergra- 
ving ; Gasirao, braak, ondergra- 
ving, de gemaakte opening, enz.; 



aATA. 

Mënfi^pasir^ braak plegen, enz. 
Zie Qangsir. 

Gtotak, draaien in een hellenden 
stand (zooals bjjv. een tol doet). 

Gatal (of Gatël) jeuk, jeuk hebben, 
ook wulpsch, geil, wellustig zyn, 
een aandrang tot wellust, wulpsch- 
heid gevoelen. 

Ga;wsdf iets doen, verrichten; Pë- 
gawai, ambtenaar, beambte, 
werktuig, gereedschap. 

Gëbang, Corypha umbracilifera, L. 
nat. fam. der Palmae, hooge palm, 
waarvan de bladeren tot dakbe- 
dekking, hoeden, enz. gebezigd 
worden. 

Gëbar, sprei, dekkleed. 

Gëbër, gewapper (van een vlag), 
ook portière,^kleed voor een deur, 
voorhang; Gëbër-£:ëbëran, wap- 
peren. 

Gebóek (Jav. Bat.) (of Gëboegf), 
slaan, ranselen (met een stuk 
hout, enz.). 

Gëbos (Bat.), iemand toesnauwen, 
ruw een standje maken, af- 
snauwen. 

Gëdabir, loshangen, bengelen,heen 
en weder slingeren, ook: lel van 
een haan of kalkoenschen haan. 

Gehang, groot. 

Gtöde, groot, aanzienlek, voornaam. 

Gëdëbloeg of Gëdëboeg, klank- 
nabootsing van het geluid, dat 
een groot, zwaar lichaam by het 
vallen veroorzaakt; neerploffen, 
nêersmakken (Mëziggëdëbloeg, 
ook Mënggëdiblëg of Mënggë- 
dëblag). 

Gëdëboeng, vierkant lapje, waarin 
de voor het gebruik medegeno- 
men sirili-pruimen gewikkeld 
worden. 

Gëdëbong (Jav.), (ook Gëdëbog 
of Gëdebok en Gëdëbongan), 
pisangstam. 

Gëdëboes, zeker spel met scherpe 
werktuigen. 

C^ëdëk (of Gëdëg), (Bat.) haten, 
een afkeer van iets hebben, het 



aELA. 



105 



land op iemand hebbes, enz. 

Gedepg^ (Jav.), bos, schoof, bo^je 
padi of uien van 5 tot 10 katties 
gewicht. 

Q^ogan (Jav.), stalling (voor 
paarden). 

Gëdcmg, steenen gebouw, (ook Be- 
dong), luier waarin een klein 
kind gebakerd wordt; Mënggë- 
dong, bakeren, in een luier wik- 
kelen. 

Gëgam (of Gënggam), de gesloten 
hand, vuist; Mënggëgam, in de 
vuist houden, in de volle hand 
nemen. 

Gëgaman, zie Gaman. 

Gëgar, dreunen, trillen, schudden 
(van een stoomboot byv.). 

Gëgarës (Bat.), vreten. 

G«ger,opschudding, in opschudding 
zyn, lawaai maken, razen, tieren, 
ook Gegerin (Bat.), iemand een 
flink standje schoppen, berispen, 
beknorren. 

Gëladak, zolder, zoldering, dek 
(van een schip), ook (als scheld- 
woord) gladakker, schavuit, boef, 
oneerbaarmensch,ontuchtige,enz. 

Gëladir, sl^jm. 

Gtölagrah, Saccharum spontaneum, 
L. nat. fam. der Gramineae, hoog 
rietachtig gras. 

Gëlagar, balk, rib. 

Gëlakak (ook Ngakak) (Bat.), 
schateren (van lachen). 

Gëlalar,zich onwillig heen onweder 
bewegen, wentelen, enz. (zooals 
een onwillige hond, die aan een 
ketting wordt voortgetrokken). 

Gelang, armring, armband, enkel- 
ring; Përgëlangan, de plaats 
aan het lichaam, of het lichaams^ 
deel, waaraan een ring of band 
gedragen wordt, pols-, hand- of 
voetgewricht. 

Gëlanggang,besloten ruimte, ring, 
kampplaats, strijdperk; Gelang- 
gang BOBBoe; de bruine kringen 
om de tepels. 

Gtölantoeng (Bat.) (ook Gëlan- 



106 



GELA. 



ting), MënggëlantoeDg, benge- 
len, los hangen, slingerend han- 
gen. 

Gelap; donker, duister, duisternis; 
Barang gëlap, smokkelwaar, 
iets, waarvan de herkomst ^niet 
bewezen kan worden, enz.; Mèng- 
gëlapkën,donker, duister maken, 
verdonkeremanen, verduisteren. 

Gëlar, eerenaam, titel, naam die 
aan kinderen van groeten gegeven 
wordt, na of bU hun besntJdenis ; 
Mënggëlar, een eerenaam, titel, 
enz. geven. 

Qëlar, Mënggëlar, spreiden, uit- 
spreiden, enz. (van een mat); 
Oëlaran, mat, iets, dat uitge- 
spreid wordt. 

Gëlas, glas, aardewerk, drinkglas ; 
Gëlas aboe (een scheldwoord), 
licht goed, niet veel waard. 

Gëlatik, rtjstdiefle. 

Gëlatoek, klappertanden, bibberen. 

Gëlëbar, uit elkander stuiven, 
vliegen. 

Gëlëbaran, lel (btj gevogelte). 

Gëlëdang, sttjf (van de armen of 
beenen) van vermoeienis, enz. 

(Geleding, Mënggëlëding, krom 
trekken (van houtwerken, enz.). 

Gëiègar, vloerbalk, bintbalk onder 
den vloer, waarop de planken 
bevestigd worden, ligger. 

Gëlëkak, losgaan, loslaten, los- 
springen, enz. (van pleisterwerk, 
enz.). 

Gëlëmboeng, waterbel, blaas, op- 
borreling, zwelling, opzetting (van 
den buik); Mënggëlëmboeng, 
in blazen opborrelen, zwellen (van 
den buik), opzetten, enz. 

Gëietak, onordelijk neerliggend, 
verspreid, enz.; Mënggëletak, 
onverschillig, onvoegzaam neer- 
liggen, onordeiyk ergens gede- 
poneerd zijn; MënggëletaJckëii, 
iets onordelijk laten liggen, neer- 
leggen, enz., ook een kind enz. 
op den rug zonder verdere zorg 
neerleggen, enz. 



GELO. 

Gelgel (ook gelgelan) (Jav. Bat.), 
bibberen, sidderen, rillen (van 
koude). 

Gëli (Bat.), vies van iets z\jn, een af- 
keer van iets hebben, — ook een 
gevoel van kitteling, aandrang 
tot lachen hebben; Gëli-gëli, 
nieren ; Pënggëlian, geen kitte- 
ling kunnen verdragen, iemand, 
die niet tegen kittehngen kan, 
ook die van alles vies is, enz. 

Gëliang (ook Gëliat, Gëlioet), 
zich krommen, uitrekken (als een 
slang, die gevangen of gekneld 
wordt). 

Gëlibar, fladderen, klapperen, wap- 
peren, heen en weder slaan of 
slingeren(zooals van een vlag enz.). 

Gëlimbir (of Gëlember), slap 
neerhangen (van wangen byv.). 

Gëlindoeng, voorwerp, waarop iets 
draad- of touwvormigs gewonden 
wordt, ^klos, spoel, haspel, rol, 
enz. ; Bënan^ gëUndoeng, klos- 
jesgaren; Menggëlindoeng, ga- 
ren of touw om een klos, rol, 
enz. winden. 

Gëlintir, een klein balletje, rolle- 
tje, wat met de hand tot een 
balletje of rolletje is gerold. 

Gëlintdir, (ook Këlintjir, Gëlang- 
sir, Gëlasar, Gëlongsor), gle- 
den, uitgleden. 

Gëlisah, Mënggëlisah, onrustig 
zijn (ook in den slaap), woelen, 
heen en weder schuiven, zich 
niet op ztjn gemak gevoelen, heen 
en weder wentelen (van iemand 
die den slaap niet kan vatten). 

Gëlitik, sterk naar iets verlangen, 
een gevoel van kittehng hebben. 

Gëloedoeg, donder, rommelend dof 
geluid, donderen. 

Gëloegoer, voren, scbroefgangen, 
(in den loop van een geweer bflv.) 
— ook lange balken, enz. waarop 
iets rust of ligt, enz. 

G^loegoet, sterk beven, rillen, 
bibberen (van de koorts, enz ). 

G^loemang, van alle kanten be- 



GELO. 

smeerd, met vuil bestreken, be- 
dekt, enz. 

Oëloembang, golf, hooge golf, 
deining, baar. 

Gëloeng, rol, bos, bundel, haar- 
wrong; Mën£rgëloeng, tot een 
rol, bundel, wrong samenvoegen, 
enz. 

Gëloengsoer, gleden, langs iets af- 
gleden, enz. 

Gëloet (Bërgëloet), worstelen, el- 
kander omstrengeld houden, enz. 

Gëlotak (ook Këlotok), Mënggë- 
lotak, vruchten met een harden 
dop, zooals de kokosnoot, van 
dien dop ontdoen, — ook afvallen, 
afschilferen(vanpleisterwerk,enz.) 
) Gëma, dreun, dof, hol geluid, echo. 

Gëman, een rilling krtjgen (van 
afkeer, enz.). 

G^mar, verlangend, gretig, begee- 
rig, justig, vrooiyk, verheugd; 
Kagëmaraii,Just, begeerte. 

Gëmas (of Gëmës), vergramd, 
nijdig, kwaadaardig, ook onstui- 
mig, met onstuimigheid behan* 
delen, enz. 

G^mbira, opgewonden, driftig, 
strijdlustig, ook: vurig (van een 
paard) enz. 

Gëmboer (of Gëxnbor), los, niet 
vast, beiu-sch, papperig, voos, 
slap, ook heesch (van de stem). 

Gtombol, wratachtige uitwas aan 
den wortel of stam van een boom, 
opgezet (van de wang btJv. waar- 
in een pruim steekt), ook iets 
onder de kleederen dragen, zoo- 
danig, dat een bult daarin zicht- 
baar is, enz. 

Gëmbreng, koperen bekken. 

Gëmël (Jav.), iets in de gesloten 
hand, in een bos of bun del houden, 
tot een bos samenbinden. 

Gëmëntar (of Gëmëtar, Gëmë- 
tër), beven, rillen, sidderen, 
schuddende zijn. 

Gëmërëntdang (ook Gëmërën- 
tjing), kletteren, rinkinken, ram- 
melen (van glaswerk b^jv.) 



GEND. 



107 



Gëmërësik (ook Gëmërisik, Gë- 
mërët^Jik), een knarsend, schui- 
felend, ritselend, schurend geluid 
voortbrengen, maken, enz. (böv. 
van grof zand, wanneer men 
er op loopt, enz.) 

Gëmërlap, schitteren, flikkeren, 
glinsteren, vonkelen. 

Gemilang, flonkeren, glinsteren, 

Gëmoek, vet, dik, lijvig, gezet 
(van menschen en dieren), vet, 
humusriJk (van den grond), vet, 
welig, enz. (van planten), ook 
vet, smeer, reuzel, enz. 

Gëmpa, aardbeving. 

Gëmpal, welgedaan, vol, rond (van 
het lichaam), ook afgebrokkeld, 
afgescheurd, enz. (van een stuk 
aarde» bijv. dat uit een dijk enz. 
valt). 

Gempel, aan elkander geplakt, ge- 
kleefd, enz. (bijv. van haren); 
Bërgempel, dicht aan elkander 
zitten, plakken, kleven, enz. 

Gëmpita (of Goemplta), bulde- 
rend, daverend (van een geluid). 

Gëmpoel, kluitvormig, in kluiten. 

Gënap, voltallig, heel, geheel, even 
(van een getal); Menggënapi, 
iets volvoeren, ten einde bren- 
gen, voltallig maken; Mënggë- 
napkën, iets voltallig maken, 
enz. 

Gëndang (ook Këndang), trom, 
inlandsche trom. 

Gëndëng, simpel, met molentjes 
loopen, gek, krankzinnig, ook 
dwaas, enz. 

Gendexig, Mënggendeng,8leuren, 
met zich voortsleuren, op sleep- 
touw nemen, ook aan elkander 
verbinden, binden, enz. (zie Gan- 
deng). 

Ginder, een muziek-instrument 
behoorende tot den Gamelan. 

Gëndëraag, trom, trommel ; Gën- 
dërang përang, oorlogstrom. 

Gëndi (of Këndi), waterkruik 
(meest van aarde). 

Gëndoel, groote flesch. 



108 



GEND, 



GERE. 



Gëndoet, dik on neerhangend (van 
den buik), dikbuikig, enz. 

Gëndon (Jav. Soend. Bat.), larven 
van wormen of kevers, die in 
rotting, palmboomen, enz. zitten 
of gevonden worden, ook de z.g. 
koningin der witte mieren. 

Gendong, Mënggendong, iets op 
de heup, in een doek ter z\Jde 
van het lichaam dragen. 

Gënggam, de gesloten hand, vuist, 
wat of hoeveel daarin vastgehou- 
den kan worden, handvol; Mëng- 
gënggam, in de hand, in de ge- 
sloten hand of vuist houden, enz. 

Gënis (of Gënih), slagtand van een 
olifant. 

Gënit, nuflSg, koket, verliefd van 
aard, fatterig, enz.; Mata gënit, 
guitige oogen, iemand, die graag 
mooie meisjes ziet, haar lonkjes 
geeft, enz. 

Gënta, bel, klok, metalen bekken, 
waarop geslagen wordt. 

Gëntajangan (Bat.), zwermen, 
naar alle kanten zich verspreiden 
(bflv. van byen). 

Gëntala, verbazend groot, monster- 
achtig. 

Gëntang (Pont.), gevlekt, zwart en 
wit geverfd byv., enz. 

Gëntas, gedaan,afgedaan, ten einde, 
op; Mënggëntas, iets met de 
toppen der vingers afnemen, af- 
plukken. 

Gëntat, aan eene z^jde ingedeukt, 
naar binnen loopend, ingedrukt 
(btjv. van een arm, waarin het 
litteeken van een diepe wond is). 

Gentel, balletje, pil, iets dat tus- 
schen de vingers tot een balletje 
gedraaid wordt, iets kleverigs; 
Bëgentel, aan iets bl\jven han- 
gen of kleven (btjv. als een bloed- 
zuiger aan het lichaam); Mëng- 
gentel, iets tusschen de vingers 
tot een balletje enz. draaien. 

Gënteng (ook G^ndeng), dakpan; 
Ro^nah gënteng, huis met 
pannen gedekt. 



Gënting, ingedrukt, ingedeukt, ge- 
groefd (btjv. een vinger, waarom 
heen een touwtje stevig gewon- 
den is, zoodat daarin een groef 
te zien is), moet, groef. 

Gëntjër, herhaaldelyk, aikwyls, 
druk, ook vlug, rap. 

Gëntoes, Mënggëntoes, stoeten, 
ergens tegen aankomen (b^jv. met 
het hoofd^Tëp^ëntoes). 

Gëpoek, Menggepoek (Jav.), iets 
plat slaan, aan kleine stukjes, tot 
gruis slaan, enz. 

Gepeng, plat, dun, platgeslagen, 
platgedrukt; Mënggepengkën, 
platslaan, plat maken. 

Gëra, Mënggëra, iemand door 
woorden, enz. vrees aanjagen. 

Gëragas-Mënggëragas, verward 
uitkammen (met de vingers byv.). 

GëragaUy soort van kleine garna- 
len. 

Gërah (Bat.), een warm, drukkend 
warm gevoel hebben. 

Gëraham (ookBahamofBaam), 
kies. 

Gërajang, Mënggërajang,tasten, 
rondtasten, betasten, bevoelen, al 
tastend rondzoeken. 

Gërak, beweging ; Bërgërak, zich 
bewegen, zich verroeren ; Mëng- 
gërak, jets bewegen, verroeren; 
Mënggërakkën, iets doen be- 
wegen, in beweging, in opschud- 
ding brengen, enz. ; Gërak hati, 
het geweten. 

Gëram, vergramd, verwoed, zich 
niet meer kunnen beheerschen, 
in woede ontstoken, enz. 

Gerat (ook Gëret), knarsend ge- 
luid, kras, schrap, enz.; Gërat- 
gërat, knarsetanden; Gëretan 
api, lucifer, zwavelstok. 

GëredJaJPort.), kerk. 

Gërëgëtën, ntjdig z\jn, zich ver- 
bijten, zich ergeren, wrok heb- 
ben, enz. 

Gtörëmang, te berge r^zen, over- 
eind staan (van de haren). 

Gërëndëng, Mënggërëndëng, 



GERE. 



GETA. 



109 



mopperen, mompelen, onduidelijk 
en boos praten, enz. 

Gërepe, Mënggërepe (Bat.), met 
de handen overal aankomen, 
alles aanraken, betasten, bevoe- 
len, rondvoelen, rondgrypen. 

Gërepes, met uitgerafelde, door- 
boorde, gescheurde randen, enz. 

Gërëtak, Mënggërëtak, iemand 
doen schrikken, verschrikken, 
schrik of vrees aanjagen (door 
hem ruw aan te spreken, enz.). 

Gërëtap, flonkeren, schitteren, 
glinsteren (van sterren, enz.). 

G^retJokMënggërelJok (Bat.), 
lastig zijn, iemand plagen in zyne 
bezigheden, lastig vallen by zijn 
werk, enz. 

Gërgadji, zaag; Mëüggërgadji, 
zagen; Mënggërgadji angin, 
den wind zagen, d. i. laveeren ; 
Tahi gërgadji, zaagsel. 

Gëpgëlet,karaf,kruik,drankenzetje. 

Gërhana (of Grahana), eclips; 
Gërhana matahari, zonsver- 
duistering; Gërhana boelan, 
maaneclips. 

Gëriak, wemelen, krielen. 

Gëridik, Mënggëridik (Jav.), de 
handen niet stil kunnen houden, 
met de handen overal aankomen, 
enz., ook niet stil kunnen zitten, 
maar alles moeten aanraken, enz. 

Gërigis, geschaard, met scherpe 
punten, onefifen, enz. (bijv. van 
het lemmet van een oud en be- 
dorven mes). 

Gërimis, ook Oedjan of Hoedjan 
rildik-ritdik, motregen, motre- 

J:enen. 
rinda, ronde slUpsteen; Mëng- 
gërinda, op een ronden slijpsteen 
aanzetten, wetten. 

Gërinding, mondharp. 

Gtöring, mager, vermagerd, uitge- 
mergeld, uitgeteerd (door ziekte) 
ziek, krank, ongesteld. 

Gëringding, een scheef gezicht 
trekken enz. (bij het eten van 
echt zure dingen bijv.). 



Gërisik, Mënggërislk, ritselen, 
een ritselend geluid maken, voort- 
brengen, enz. 

Gërlap, schitteren, flikkeren, glin- 
steren. 

Gërling, woedend, met rollende 
oogen rondkijken. 

Gërobak(of Gerobag), kar, vracht- 
kar, kruiwagen. 

Gërobok, opborreling van water 
(bjjv. wanneer men een flesch 
onder water houdt), ook groote 
op wielen staande kist, etenskist 
of —kast, vliegenkast, enz.; 
Mënggërobok, door water of 
modder baggeren, loopen, enz. 

Gërodak, rommelen, rammelen. 

Gërodok, borrelen, opborrelen. 

Gëroedoek, rommelen (van de 
maag), ook het gerommel van den 
donder. 

Gëroes, Mënggëroes, glad maken, 
glad schuren, polijsten, ook fijn 
maken, fijn wreven. 

Gërohong (of Geronggrong), hol, 
met gaten, holte, groot gat, enz. 

Gëronjot, trekken, trillen (van de 
zenuwen). 

Gërowak (Bat.), open, wtjd open 
van een wond (bijv.); Mënggë- 
rowak, wijd open staan, open 
zUn, open scheuren, enz. 

Gësa, overhaast, haastig, ongedul- 
dig ; Mënggësa, overhaasten, ge- 
durig iets willen doen, op iets 
aandringen, enz. 

Geser (of Gisër), op zyde schuiven, 
verschuiven, opschuiven, enz. 

Geser, (Mol. Mal.) ook: weggaan, 
zich verwijderen, biJv. van een 
school visschen. 

Gësit (Bat.), schuw, niet tam, niet 
gemakkelijk te naderen, bevreesd, 
bang (bijv. van wild). 

Gësoe, wegjagen (zie Oesir). 

Gëtah, lijm, gom, plantenlijm,hars; 
Bërgëtah, gom-, hars-, lijm-hou- 
dend, kleverig, enz.; Gtötah për- 
tdah guttapercha. 

Gëtar^ beven, trillen, sidderen, enz. ; 






hi'f '■ 



110 



GEME. 



Gëmëtar of Goemëtar^ beven, 
sidderen, trillen, schudden, enz. 

Gëtas, broos, breekbaar, gemakke- 
lijk brekend. 

Getek (Jav.), vlot. 

Gëtët, moet, insnijding, kerf, ker- 
ven, insnijden, een kras in iets 
maken. 

Gëtir, wrang," harstig (van smaak). 

Gigii tand, ook rand, zoom, grens- 
lijn, enz.; Bërgigi, tanden heb- 
ben, getand z\]n, enz.; Mënggigi, 
aan de kim zichtbaar worden (van 
een vaartuig). 

Gigit, beet; Mënggigit, bijten, op 
iets byten, in iets bijten, enz., met 
de tanden vasthouden. 

Gljet, Bërgljët, Mënggijët, sterk 
op iets aandringen. 

Gila, gek, krankzinnig, zinneloos, 
dol, ook dwaas, verzot op iets, 
enz. ; Gila-gllaan, met molen- 
tjes loopen, van tyd tot t-ijd gek 
zün, enz.; Bërgiliirgilaaii, zich 
als een gek voordoen, gekheid 
maken, enz. 

Gilang, glinsterend, blinkend; Bër- 
gilang, Mënggilang, glinsteren, 
vonkelen, flonkeren, bhnken. 

Gilap, blinkend; Mënggilap, blin- 
kend maken^ —poetsen, polijsten. 

Gilë8,Mënggüës, plat,üjn wrijven, 
drukken, schuren, ook overrijden ; 
Gilësan, waschplank metrichels. 

Giling, Mënggiling, rollen, oprol- 
len, door een rol halen, malen, 
fijnmalen, fijnwrijven, enz.; Batoe 
giïhxgf wrijfsteen met rol, waarop 
men medicWnen enz. fijn wrijft 
of maalt; Penggilingan, molen, 
machine om iets fiin te malen, 
te persen, enz.; Penggilingan 
tëboe, suikerrietmolen, ook sui- 
kerfabriek; Penggilingan ajër, 
waterrad, waterscheprad, om wa- 
ter uit een rivier, enz., op een 
hooger gelegen terrein te brengen. 

Gilir, beurt; Bërgilir, om beurten, 
beurtelings; Giliran, beurt, aflos- 
sing, enz.; Mënggiliri, iemand 



GODO. 

vervangen, zijne beurt hebben, 
enz., ook (van mannen die meer 
vrouwen hebben), eene vrouw de 
beurt geven, door biJ haar te 
komen en te verblijven, enz. 

Gim (Bat, Chin.), gekarteld goud- 
draad. 

Gindjel, nier, de nieren, (zie Gan- 
djal). 

Ginggang, gestreept, geruit, ge- 
streepte stof. 

Gingser (of Gingsir), Mëngging 
aër, opschuiven, op zijde schuiven, 
verschuiven. 

Girang, verheugd, blijde, vreugde, 
blijdschap; Kagirangan, bl^d- 
schap, enz. ; Mënggiranken, 
blijde maken, vrooiyk maken, op- 
beuren, verheugen, enz. 

Giri (Sk.), berg. 

Giring, Mënggiring, drijven, opja- 
gen, een drijfjacht houden, enz., 
vooruitdrijven, aansporen. 

Giai (Bat.), met de knokkels der 
hand tikken, slaan (verg. DJitak). 

Gisiau (Chin.), als de Chineezen 
vechten, boksen, op zijn Chineesch 
boksen, enz. 

Gisir, zie G^ser, ook tegen iets 
aan schuren, schuiven, (ook 
Gesel, Mënggesel). 

Gobak, dikke platte koek. 

Gk>bang, twee-duit-, twee en een 
halve centstuk. 

Gobar, donker (van wolken), be- 
droefd (van gemoed). 

Gobet, in dunne plakjes, schijfjes 
snijden. 

Goda, plaag, bezoeking; Mëng- 
goda, plagen, bezoeken, enz.; 
Pënggoda, plaag, plaaggeest, ver- 
zoeker, verleider, verleiding, enz. 

Gk)dam,groote moker, smidshamer. 

Godeg (of Godek) (Jav.), baard, 
ringbaard. 

Godok (of Gk)dog), koken, warm 
maken, opwarmen. 

Godot (Bat), snijden, door het mes 
heen en weder te trekken, slach- 
ten, enz. 



GOEA. 



GOEN. 



111 



Q-oea (Chin.), ik, mtj, mtjn. 

Gtoebah (of Gobah), aaneenver- 
bonden bloemen, slinger of tros 
van in elkander gestoken en al- 
dus aan elkander verbonden 
bloemen. 

Gtoebal, spint (van het hout). 

Goebëmadoer of Goebëmoer 
(HolL), gouverneur. 

Gtoebloek (of Gëblëg), dom, on- 
bevattelijk, onnoozel, domoor, enz. 

Goeboek (Jav.), klein huisje, om er 
onder te schuilen, wachthuisje, 
kleine tfldeiyke v\roning, enz. 

Goedang, pakhuis, magazijn, pro- 
visiekamer, voorraadschuur. 

Goedel (Jav.), kalf of jong van een 
buffel; Tahi goedel, het vuil 
aan de pudenda. 

Goedig, schurft, uitslag, huiduit- 
slag; Goedigan, schurftig, schurf- 
tig zyn, de schurft hebben. 

Goedji, melkery, melkhuis, melk- 
inrichting. 

Goegoep, verward, in de war, ge- 
jaagd, verbouwereerd zyn, niet 
weten wat te doen, enz. 

Goegoer, afvallen, ontvallen, ontij- 
dig ter wereld komen; Mëng- 
goegoerkën, ontijdig doen afval- 
len, enz., een abortus bewerken, 
ook (in de rekenkunde) deelen. 

Goela, suiker; Goela batoe, klon- 
tjessuiker; Goela pasir, suiker 
in zandvorm, gewone gekristal- 
hseerde suiker; AJër goela, si- 
roop, suikerwater; Goela djawa, 
bruine door koking van palmwijn 
verkregen suiker, Javaansche 
suiker; Goelali, tot een lijvige 
massa opgekookte en in dunne 
stokjes gestolde suiker; Goela 
tjeng, ruwe stroopsuiker, keu- 
kenstroop, enz. ; Goela aren = 
Goela dJawa, Gtoela tëboe, 
suikerrietsuiker; Goela këlapa, 
suiker, verkregen door koking 
van van den kokospalm getapten 
palmwijn. . 

Goelai (of Goeie), naam eener met 



of van vleesch bereide, sterk ge- 
kruide toespijs by de rijst. 

Goelang of Goelang-goelang 
(Jav.), voorrijders, personen, die 
een met gevolg rijdend hoofd 
voorafgaan, enz. (meestal met 
kleine wimpels aan stokken in 
de hand of dergelijke kentee- 
kens). 

Goelat (of Goelët), worstelen, 
elkander omarmen, omstrengelen, 
enz. 

Goeling, rollen ; Bër^oellng, rol- 
len, voortrollen ; Menggoeling, 
wentelen, rollen^op zyde gooien; 
Mënggoelingken,iets wentelen , 
doen rollen, enz.; Bantal goe- 
ling, rolkussen. 

Goeloeng, rol, wat opgerold is; 
Mënggoeloeng, oprollen, zich 
oprollen, omkrullen, enz., een rol 
maken; Goeloengan, rolj^ pak 
van opgerold goed, enz.; Gëgoe- 
loengan, in elkander gerold (bijv. 
van vechtenden), ook zich op den 
grond wentelen, rollen, enz. 

Goemilang, blinkend, schitterend. 

Goemilap, blinkend, schitterend. 

Gk)6moel (van vechtenden), elkan- 
der omvatten en tegen den grond 
trachten te smakken. 

Goemoeroeb, lawaai, geraas, ge- 
tier, leven, donderend, enz. 

Goempal, zie Gëmpal. 

Goempita, zie Gëmpita. 

Goena, nut, deugd, nuttigheid, 
goede eigenschap, ook toover- 
middel (Goena-goena) ; Bërgoe- 
na, nuttig, van nut zijn, tot iets 
strekken, nut hebben; Mëmpër- 
goenakën, ten nutte maken, 
gebruiken, aanwenden. 

Goenawan, nuttig. 

Goenëm, Bërgoenëm (Jav.), met 
elkander praten, beraadslagen. 

Goendab, weifelend, twtjfelmoedig, 
wankelend. 

Goendal, merk, kerfjo, enz., dat 
men bU het tellen van iets maakt; 
ook: de geleider of verzorger van 



112 



GOEN. 



aOMB. 



een rypaard, enz., dat men ge- 
huurd heeft. 

Goondik (Jav.), byzit, bijwtJf, ook 
inlandsche of Chineesche huis- 
houdster (van een Europeaan). 

Goendoe, knikker van hoorn of 
ivoor of van de harde pitten van 
zekere vruchten. 

Gtoendoel, kaal, kaalhoofdig, glad- 
geschoren, glad van aanzien, 
kortharig, enz. 

Goeniy soort van vlas, verkregen 
door vvreklng van den bast van 
Boehmeria nivea, Gaud. nat. fam. 
der Urticaceae ; van dit vlas wor- 
den zakken, touw, enz. ge- 
maakt. 

Goenoeng, berg, bergketen;^Goe- 
noengr api, vulkaan; Pëgoe- 
noeng^an, gebergte, ook hoog, 
in het gebergte gelegen, boven- 
landsch. 

Goenting, schaar Tom te knippen) ; 
Mënggoenting, knippen, afknip- 
pen, enz. 

Goentjang (of Gontjang) Mëng- 
goentjang, sterk heen en weder 
bewegen, schudden, enz. 

Gtoentji, haarlok, slip. 

Gtoentoeng (ook Boentoeng), 
stomp, afgeknot, niet puntig uit- 
loopen (van vaartuigen). 

Gk>epëniëmen, gouvernement. 

Goepoeh, haast, groote haast, over- 
haasting, haastig, overhaast. 

Gk>erah, Mënggoerah, spoelen, 
uitspoelen (den mond, een flesch, 
enz.). 

Gk>erau, Bërgoerau, gekheid ma- 
ken, gekscheren, boerten, enz. 

€k>erda, zie Garoeda. 

Goerëm, duister, halfdonker, be- 
neveld, niet helder. 

Gk>eri, smakelijk, lekker, vetsma- 
kend, lekkersmakend, croquant. 

Gk>eriiidam,spreuk, spreukgedicht, 
enz. 

Gowita^ breed buik- of onderl\jfs- 
band voor kleine kinderen (ook 
voor vrouwen, die pas bevallen 



zyn), voorzien van strooken, die 
als afzonderiyke bandjes dienst 
doen. 

Goeroe, leeraar (inzonderheid van 
den godsdienst), meester, leer- 
meester, onderwtjzerj Bërgoeroe, 
b\j een goeroe in de leer ztJn, 
school gaan. 

Goeroeh, zwaar gerommel, ge- 
druisch, geraas, donder. 

Goesar, iets kwalijk nemen, euvel 
opnemen, euvel duiden, boos 
worden over iets, enz. 

Goesi, tandvleesch, ook gafifelzeil. 

Goesti, heer, meester. 

Goetjël (Jav. Bat.), sollen, aaien, 
spelen, stoeien, ravotten. 

Goetji, verglaasde pot, kruik, kan. 

Goewa, zie Goea. 

Goewah (beter Goeha), hol, grot, 
spelonk. 

Goewam, (ook Gom), spruw by 
zeer jonge kinderen zichtbaar aan 
de dik beslagen tong. 

Gogok, Mënggogok, vocht in de 
keel opvangen en zoo drinken. 

Gojang, ^schommeling, schudding, 
enz. ; Bërgojang, zich zacht heen 
en weder bewegen, enz. ; Mëng- 
gojang, schommelen, schudden, 
in beweging brengen, bewegen. 

Golik-Mënggolik, iets draaien, 
rollen, rondwentelen (btjv. een 
vogel aan het spit). 

Golok, kapmes. 

Golot, Mënggolot, garen of touw, 
in alle haast opwinden, oprollen. 

Gombak (Jav.), kuif, vlok, haar op 
het hoofd. 

Gombal, vod, versleten goed, lom- 
pen. 

Gombala,herder,veehoeder;Mëng- 
gombala, vee hoeden, naar de 
weide draven, enz. 

Gombang, verglaasde aarden pot. 

Gombeng, Mëngg^mbeng, eene 
opening wijder maken, verwtjden, 
enz. 

Gt>mbok, Mënggombok, iemand 
lekker maken, vleien, bepraten. 



GOMP. 



HADJ. 



113 



Qomplok, tros, rist, hoop, klomp, 
enz.; Bërgomplok, op een hoop 
b\j elkander zyn, trossen, risten, 
klompen vormen. 

Gondok (ook Gondong); gezwel 
aan den hals, krop, kropgezwel, 
de bof (Gondongan). 

Gondong, zie Gondok ;Gondong- 
an, baal, pak, pakket; Gondong, 
Mënggondong, ook wegpakken, 
wegdragen, inpakken, wegvoeren. 

Gong, groot koperen bekken met 
een knop in het midden, behoo- 
rende tot de inlandsche muziek- 
instrumenten. 

Gonggong, Mënggonggong, blaf- 
fen. 

Gonjeh, Mënggonjeh,ook Gonjel, 
Mënggonjel, kauwen, op ietsby- 
ten, enz. (van iemand zonder^tan- 
den of van een zuigeling), Mëng- 
gonjel, ook zacht op iets (b^jv. 
een puist of gezwel) drukken. 

Goreng, baksel, braadsel; Meng- 
goreng, bakken, braden. 

Goris, schram, kras, streep, kerf, 
l\jn; Mënggoris, krassen, strepen 
enz. maken, kerven. 

Gorok, Mënggorok, borende in 
iets, een gat maken, iets of iemand 
de keel afsnijden. 

Gosok, Mënggosok, wreven, boe- 



nen, poetsen, schuren, door wrij- 
ven schoonmaken, wetten, slypen, 
afvegen, enz. 

Gosong, aangebrand, geschroeid, 
verschroeid, verbrand, enz. 

Gosong, zandplaat, zandbank, ook 
rif, koraalrif, breede klip, die niet 
diep onder water ligt. 

Gotjo, vuist, vuistslag; Mënggo- 
tjo, met de vuist slaan, stompen ; 
Bërgotjo, boksen, met de vuist 
vechten. 

Gotong, Mënggotong, dragen; 
Gotongan, wat gedragen wordt, 
vracht, ook draagmiddel. 

Gra!b, verborgen, vreemd, ook: er- 
gens niet te krijgen (van goederen 
b\jv.): Ada saorang datang 
daripada graïb, er kwam 
iemand uit den vreemde; Barang- 
barang itoe gralblah disitoe, 
die goederen (artikelen) waren er 
vreemd (niet te krygen). 

Gredja (zie Gëredja), Boeroeng 
gëredja, musch. 

Grembeng of Grembengin(6at.), 
iemand by zyn kleed vasthouden 
(zooals een kind kan doen) en 
aanhoudend om iets vragen, enz. 

Grombong of Grombongan(Bat.), 
te wyd, te ruim, te groot (van 
kleederen). 



Habis (of Abis), op, niet meer 
voorhanden, gedaan, verbruikt, 
opgebruikt, ten einde, beëindigd, 
afgedaan, niets meer over, al, 
alles, geheel en al, afgeloopen, 
enz.; Mënghabiskën, opmaken, 
verbruiken, beëindigen, ten einde 
brengen, afdoen, een eind aan 
iets maken, enz.; Pënghabisan, 
einde. 

Hadap (of Adëp), zie Adëp. 

Badapan (of Hadepan) zie Adëp. 

Hadlah (Ar.), geschenk. 

Maleisob-Hollakds ch. 



Hadits (Ar.), nieuw, nieuwtje 
nieuws. 

Hadj (Ar.), de bedevaart naar 
Mekka. 

Hadjat (Ar.), noodzaak, noodzake- 
lijkheid, behoefte, ook voornemen, 
in dienst ztjn, bezigheden hebben; 
Bërhadjat, voornemens z^n, aan 
een behoefte voldoen, enz. 

Hadji, bedevaartganger naar Mek- 
ka; Naïk hadJi, ter bedevaart 
gaan naar Mekka; Mënghadji- 
kën, voor of in de plaats van een 

8 



114 



HADL. 



HAMZ. 



overledene, die daartoe niet in de 
gelegenheid was, de bedevaart 
naar Mekka maken of het geld 
daarvoor besteden. 

Etadlir (Ar.), tegenwoordig, tegen- 
woordigheid, aanwezig, voorhan- 
den; Bërhadlir, tegenwoordig 
zyn, bijwonen, enz.; Mëngha- 
dlirkën, tegenwoordig doen zyn, 
te voorschijn brengen, enz. 

Hadlirat (Ar.), tegenwoordigheid, 
majesteit. 

Haibah (Ar.), schenking bfl leven. 

Haibat (Ar.), geweldig, ontzagwek- 
kend. 

Hairan (Ar.) (of Heran), verwon- 
derd, verwondering, wonder, won- 
derlijk; Mèngrhairankën, ver- 
bazen, verbazing wekken, verba- 
zingwekkend. 

Haiwan (Ar.), dier, beest, vee. 

Haiwani (Ar.), dierlijk. 

Hak (Ar.), recht, rechtmatig bezit, 
wat iemand rechtens toekomt. 

Hakikat (Ar.), waarheid. 

Hakim (Ar.), rechter, magistraat. 

Hal (Ar.), toestand, staat, omstan- 
digheid, geval, zaak, gesteldheid 
van iets, enz. 

Halal (Ar.), wettig, geoorloofd, echt, 
erkend ; Anak halaL echt, wettig 
kind; Mënghalalken, wettigen, 
veroorloven, in het rechtmatig 
bezit van iets stellen, enz. 

Halaman, voorhof, voorplein, open 
plein (voor een gebouw). 

Halilintar, bliksemflits, bliksem- 
schicht, bliksemstraal. 

Halimboeboe, hoos, windhoos, 

' waterhoos. 

Halipan, vergiftige duizendpoot. 

Haloes (of Aloes), fijn, dun, tee- 
der, OOK welopgevoed, welgema- 
nierd, fatsoenlijk, geslepen, enz.; 
Baiigsa haloes, geesten, de gees- 
tenwereld; Mëi^haloeskën^iets 
fijn maken, polijsten, enz. 

Haloewan, voorstuk, voorsteven, 
voorste deel, voorhoede, ook rich- 
ting, koers. 



Hamba, dienaar, knecht, ook ge- 
bruikt voor: ik; Përhamba&n, 
dienstbaarheid, slavernij. 

Hambar(of Ainbar),zonder smaak, 
flauw van smaak, zwak (van een 
stem). 

Hambaro, [kaaimuur, houten be- 
schoeiing. 

Hamboer, MëngThamboer, zich 
verspreiden, uiteen, uit elkander 
gaan, enz. ; Mënghamboerkën, 
verspreiden, uit elkander jagen, 
drijven, ook gooien, zaaien, enz., 
zich op iets storten, op iets sprin- 
gen, enz. _ 

Hamboes of Hëmboes, zie Em- 
boes. 

Hamil, zwanger, j:wanger zün, 
zwangerschap; Mënsrhamilken, 
zwanger maken, bezwangeren, 
ook zwanger zijn van. 

Hamis, zie Amis. 

Hampar, uitgespreid; Mëngham- 
par, uitspreiden, zich in de breedte 
en lengte uitbreiden, enz.; Meng' 
hamiparkën, iets uitspreiden; 
Mënghamparkën tangan, de 
handen uitspreiden, d.w.z. mild 
zijn. 

Hampas, zie Ampas^ 

Hampëdal, zie Ampëdal. 

Hampëdoe, zie Ampëdoe. 

Hampëlas, zie Ampëlas. 

Hampir, dicht biJ, nabij, bflna; 
Mënghampir, dicht biJ zyn, ook 
op iets gelijken; Mënghampiri, 
iets nabij komen, naderen ;Meng- 
hampirkën, doen naderen, nader 
brengen, enz.; ook iemand uitnoo- 
digen te zijnent aan te komen, enz. 

Hampoes, dood, weg, weggeveegd, 
uitgedaan, enz.; Mënghsuoipoes, 
uitdoen, uitvegen, wegvegen, 
schrappen, enz.; Mënghampoes- 
kën, iets doeden, schrappen, uit- 
vegen, enz. 

Hamza (Ar.), het bekende teeken 
dat dient om den medeklinker 
alif te vervangen en van de wau 
en ya klinkers te maken, dan 



HAND. 



HATI. 



115 



wel in de plaats van een sluit- 
letter k te treden. 

Handai (of Ande), makker, kame- 
raad, vriend; Sobat-bandai, 
Handai-taulan, vrienden en 
makkers. 

Hangat (Hangët of Angët), heet 
(door vuur), lauwheet, lauw. 

Hanja, behalve, alleen, maar, 
slechts, tenz\j, ten ware. 

Hanjoet, zie Anjoet. 

Hantam (of Hantëm), Mënghan- 
tëm(Bat.), slaan, met krachtslaan, 
goed raken, beuken op iets, enz. ; 
Mënghantëmi, herhaaldeUjk 
slaan, een rammeling toedienen, 
ranselen; Mëngbantëmkën, met 
iets slaan, iets (een stok enz.) 
gebruiken om te. slaan, enz. 

Hantar (zie ook Antar), geleide, 
geleiden, escorteeren; Mënghan- 
tarkën, iemand of iets doen be- 
geleiden, ook iets langzaam naar 
voren brengen (byv. de voeten); 
Tërhantar, lang uitgestrekt lig- 
gen (byv. van lyken op een slag- 
veld); Hantaran, bruidsgeschenk, 
bezending (verg. Antar-an- 
taran). 

Hantjoer, verbrözeld, vergruisd, 
stuk, aan stukken, aan flarden, 
uit zyn verband, ook opgelost, 
ontbonden, verteerd; Mënghan- 
tjoerkën, iets stuk maken, aan 
gruis slaan, in flarden scheuren, 
enz., ook iets (byv. suiker in wa- 
ter) doen oplossen. 

Hantoe zie Antoe. 

Haoer-biroe = Haroe-biroe, (zie 
dit woord); Haoer-biroe-dida 
(Bandjerm.), geheel in rep en roer, 
in beroering, in onrust brongen, 
erg plagen, — verontrusten, enz. 
N.B. Het bijgevoegde dida dient 
tot versterking der uitdrukking 
en heeft dezelfde waarde als 
amat, enz. 

Hapëk (of Apëk), muf, vunzig, 
duf riekend. 

Haram (Ar.), verboden, volgens de 



wet ongeoorloofd, heilig, gewyd, 
enz. ; Anak baram of Haram 
dzadab, onecht kind, hoerekind ; 
Mëngbaramkën, iets verbieden, 
heilig verklaren, ook vervloeken, 
enz. 

Harap (of Harëp), hopen, hoop 
koesteren, op iets bouwen, ver- 
wachten, ^enz.; ^(Mëngbarep) 
Mëngbarëp-barëp, reikhalzend 
naar iets of iemand verlangen, 
op iets hopen, enz.; Pëngbarëp- 
an, hoop verwachting. 

Harga (ook Arga of Rëga), 
waarde, prys; Bërbarga, van 
waarde, een hoogen pr\]s hebben ; 
Mëngbargakën, den prys van 
iets bepalen, iets op prys stel- 
len, enz. 

Hari, dag, de tyd van zonsopgang 
tot zonsondergang; Sabari, een 
dag, op zekeren dag ; Hari-bari, 
Sabari-bari, of Sabën bari, 
eiken dag, dagelijks; Sabarian 
of Sabari-barian, gedurende een 
ganschen dag, het tijdsverloop 
van een geheelen dag, enz. 

Harimau (ook Rizuau), t^ger. 

Haroe, beroeren, verontrusten; 
Haroebiroe, beroering, opschud- 
ding, opstand, onrust, enz. 

Haroem (of Aroem), welriekend, 
geurig, geur, odeur, aroma. 

Haroes, stroom, strooming, ook 
geoorloofd, behoorlek, zooals het 
behoort, naar behooren, enz. 

Harta, zie Aita. 

Hartal, zie Artal. 

Hasta, zie Asta. 

Hata (Ar.), (meest verbonden met 
Maka tot Hata maka), en, nu, 
toen, daarna, wijders, voorts, enz. 

Hati (ook Ati), binnenste, lever, 
maag, hart, het inwendige, ge- 
moed, ook neiging, zin, enz.; 
Hati këtjil, kleinmoedig, moe- 
deloos; Këtjil bati, kwalijk ne- 
mend; Hati bësar of Bësar 
bati, hoogmoedig, hooghartig, 
naar hooger strevend; Sampai 



116 



HATS. 



hati, hardvochtig; Hantjoer 
hati, geroerd, aangedaan; Hati- 
hati, voorzichtig; Bërhati, een 
hart hebben, moedig ziJn; Me- 
ngambil hati, iemands hart, 
toegenegenheid winnen; Mem- 
bëri hati, iemand toegeven, aan- 
moedigen, enz.; Mèmpërhati- 
kën, iets ter harte nemen, met 
voorzichtigheid behandelen, enz. 

Hatsil (Ar.), (ook Hasil of AsU). 
product, voordeel, succes, op- 
brengst, ook belasting, cyns ; Bër- 
hatsil, productief zyn; Mëng- 
hatsilken, productief maken, 
doen voortbrengen, enz., ook 
belasting van iets heffen. 

Hawa (Ar.), lust, begeerte, ook 
lucht, klimaat, temperatuur; Ha- 
wa nafsoe of — napsoe, drift, 
hartstocht; Hawa pagoenoe- 
ngan, berglucht,^bergklimaat. 

Hedja, spelling; Mënghedja, spel- 
len. 

Hedjrah (Ar,), de Arabische telling, 
beginnende met het tydstip der 
vlucht van Mohammed. 

Hela, Mënghela, trekken, voort- 
trekken, sleuren, voortsleuren. 

Hëlai» blad, vel, enz. (dit woord 
wordt als hulpwoord gebruikt by 
het tellen van dunne, platte voor- 
werpen, enz. als papier, bladeren, 
enz.). 

Hemat, inspanning (van den geest), 
bezorgdheid ; Mënghematkën, 
iets met zorg behandelen (vergel. 
Himat). 

Hëmpa, ledig, ydel; Mënghëm- 
pakën, iets ledig maken, tjdel 
maken; Mënghëmpakën wak- 
toe, den tyd verbeuzelen, enz. 

Hempet, Mënghempet, boven op 
iets liggen, de bovenhand hebben, 
winnen, boven ztjn, enz., ook 
tegen iets aandrukken, duwen, 
dringen, enz. 

Btedak, willen, begeeren, ver- 
langen, wenschen, moeten, nood- 
zakelijk zijn, enz.; Kahëndak, 



HIKM. 

wil, wensch, begeerte, verlangen, 
bedoeling; Mënghëndaki, iets 
willen, begeeren, verlangen, be- 
doelen. 

Hëning, helder, klaar, doorschij- 
nend (van vloeistoffen, ook van 
het hart); Mënghëning, helder 
worden, enz. 

Hënti, Bërhënti, stilstaan, blflven 
staan, rusten, vertoeven, wachten, 
uitscheiden; Përhëntian, rust-, 
pleisterplaats, halte; Mëmpër- 
hëntikën, doen ophouden, doen 
uitscheiden, doen stilstaan, enz. 

Hëntimoen (meest Timoen of Kë- 
timoen), komkommer. 

Hewa, walgen van iets, iets ver- 
achten. 

Hiba, zie Iba. 

Hiboek (of Iboek), treurig, be- 
drukt, ongerust, kommervol. 

Hiboer, zie Iboer. 

Hidam, zie Idam. 

Hidang, Mënghidang, sp\js of 
drank opdisschen, klaarzetten; 
Hidangan, klaar gezette sp^'s 
en drank. 

Hidjau (of Idjo), groen. 

Hidoeng, zie Idoeng. 

Hidoep, levend (van planten en 
dieren), versch (van vleesch, enz.), 
leven, opgaan (van de zon) ; Ka- 
hidoepan, het leven, levenson- 
derhoud, enz.; Hënghldoepkën, 
het leven geven, doen leven, in het 
leven laten, verlevendigen, enz.; 
Mënghidoepi, in het leven laten. 

H|]ang (of EQang), godheid. 

Hya8,Mëngh|]as,versieren,tooien, 
verfraaien, opsmukken; Përhija- 
san, versiering, tooi,opschik,enz.; 
MënghUasi, iets versieren, tooi- 
en, opschikken, verfraaien, enz. 

H^oe, haai. 

Hlkadat(Ar.),geschiedenis,verhaal, 
vertelling; Bërhikajat, een ver- 
haal doen, een geschiedenis ver- 
tellen; Mëngl&ajatkën, van 
iets een verhaal maken. 

Hikmat (Ar.), wetenschap, kennis, 



HILA. 

kunde, geleerdheid, wijsbegeerte, 
geheime kunst, wondervermogen, 
too vermiddel; Mënshikmatkën, 
betooveren. 

Hilam (of Hilam-hilam), onduide- 
lyk, flauw zichtbaar, nevelig, 

Hilang, zie Hang. 

Hilir, zie Ilir. 

Himat of EOmmat (Ar.), overleg, 
met overleg, zorg, zorgvuldig, op- 
lettend, zuinig, berekenend, bere- ' 
kening,gissing,enz.;Mënghiniat- 
ken, iets met overleg enz. doen. 

Himpas (of Impas), geheel, alles, 
geheel afgedaan, geheel afbetaald; 
Mënghimpaskën, iets geheel 
afdoen, afbetalen. 

Himpoen, Mënghimpoen, b^een- 
brengen, verzamelen, vereenigen. 
Bërhimpoen, bijeenkomen, ver- 
gaderen; Mënghlmpoenkën, bij- 
eenbrengen, byeenroepen, verza- 
melen, vereenigen, vergaderen; 
Përhimpoenan, vereeniging, 
vergadering, verzameling. 

Hlna, laag, min, gemeen, gering, 
armoedig; Rajat- of Orang hina 
dina, gemeen, gering volk, het ge- 
meen, plebs; Përboewatan Jang 
hina, gemeene, lage handeling. 

Hind, Indiê, Voor-Indië. 

Hindi, Indisch. 

Hindoe, Hindoesch; Orang hin- 
doe, Hindoe. 

Hingga, grens, tot, tot aan, tot 
dat) zelfs, enz.; Sahingga, tot 
dat, zoodat, tot aan. 

Hinggap,6ërhinggap,zich ergens 
neerzetten, ergens op zitten, er- 
gens op neerstrijken (van vogels, 
die vliegen). 

Hintai (of Intai), Mënghintai, 
loeren op iets, beloeren, bespieden. 

Hintip (of Intip), Mënghintip, 
gluren, door eene kleine opening 
kijken, begluren. 

HiriB, zie Iris. 

Hiroe-hara, onrust, opschudding, 
verwarring, ontroering, enz. ; 
Bërhiroe-hara in onrust, in 



HOEK. 



117 



groote ongerustheid verkeeren, 
enz. 

Hisap, zie Isap. 

Hitam, zie Itam. 

Hitoeng, zie Itoeng. 

Hoeboeng, aaneengevoegd, ge- 
lascht, verbonden ; Mënghoe- 
boengkën, aaneenlasschen, ver- 
binden, samenvoegen, enz.;Mëng- 
hoeboengi, er iets aan toevoe- 
gen, hechten; Hoeboengan, aan- 
hechtsel, verlengstuk. 

Hoedang (of Oedang), garnaal, 
kreeft; Hoedang loeboek, ge- 
wone garnaal; Hoedang galah, 
groote zeegarnaal ; Hoedang 
karang, Hoedang pantjet, 
zeekreeft, rivierkreeft; Hoedang 
barong-sai (Bat. Chin.), groote 
zeekreeft, homard (Fr.). 

Hoedjan (of Oedjan), regen; 
Hoed]an rintik-rintik, regen 
bij enkele droppels; Hoed^Jan 
aboe of Gërimis, motregen; 
Hoedjan aboe, ook aschregen ; 
Hoedjan batoe, hagel; Hoe- 
djan panas,re^enbij zonneschijn; 
Hoedjan deras, stortregen, 
wolkbreuk ; Moesim Hoedjan, 
regentijd, regenmoesson; Mëng- 
hoedjani, beregenen ; Mëng- 
hoedjankën, in den regen bren- 
gen, —laten staan, enz. 

Hoedjat, laster, lastering; Mëng- 
hoedjat, lasteren, belasteren ; 
Mënghoedjatkën, iemand las- 
teren, belasteren, iets ten laste 
leggen; Hoedjat, ook bewijs, 
rechtstitel. 

Hoed joeng (of Oedjoeng), uiterste 
punt, uiteinde ; Hoedjoeng ta- 
nah, landpunt, kaap, hoek ; Hoe- 
djoeng mata, de buitenhoek van 
het oog. 

Hoekoem (Ar.), wet, wettelijke in- 
stelling, rechterlijke uitspraak, 
vonnis, straf, ook: regel, gewoon- 
te, bestuur, oppergezag; Hoekoe- 
man, straf; Mënghoekoem, 
straffen, uitspraak doen ; Meng- 



118 



HOEL. 



hoekoemkën (ook Mëndjatoh- 
ken hoekoem), een vonnis vel- 
len, uitspraak doen, straffen; 
Kapoetoesan hoekoem, vonnis, 
rechterlUke uitspraak; Hoekoem 
kisas, Hoekoem mati, dood- 
straf; Hoekoem siasat, geesel- 
straf; Hoekoem islam, Moham- 
medaansch recht. 

Hoeloe, voorste, spits, hoofd, be- 
gin, oorsprong een er rivier, boven- 
land, gevest, greep, heft; Hoeloe 
hati, maagholte; Hoeloe kapa- 
la, kruin ; Mëngboeloekën, zich 
aan het hoofd stellen, de spits 
vormen, voorafgaan, enz. 

Hoeloebalang, hoofd, legerhoofd, 
overste,krygsoverste,voorvechter. 

Hoeloebangsa, hoofdstam, oor- 
spronkeiyke stam. 

Hoeloer, Mënghoeloer,aanreiken, 
overreiken, toereiken, overgeven, 
zie ook: Oeloer. 

Hoema (Soend.), droog rtjstveld op 
het gebergte, dat na een ^twee 
beplantingen verlaten en braak 
gelaten wordt. 

Hoemba, schelden. 

Hoembalang, tuimelen ; Moe- 
soehpja bërhoembalangan, 
de vtJanden tuimelden door el- 
kander. 

Hoembar (of Oembar) (Jav.), los, 
vrü, in vryheid laten loopen (van 
vee, kleine kinderen, enz.), weiden. 

Hoen (Chin.), (gewicht) = Vio thail. 

Hoenoes, zie Oenoes. 

Hoeram, verduisteren, verduisterd 
ztjn. 

Hoeras, Mëngboeras, met water 
besprenkelen. 

Hoeroe-bara, opschudding, bewe- 
ging, beroering, getier, geraas, 
lawaai. 
^) HoeMef {AxX letter, letterteeken. 
^ Hóeroes (of Oeroes), geregeld 
geordend, in orde, klaar. 

Hoétan (of Oetan), bosch, woud, 



HORM. 

wildernis, wild; Orang-boetan, 
wilde,onbeschaafde,boschmensch, 
ook benaming voor de bekende 
apensoort; Babi boetan, wild 
zw^'n ; Ajam boetan, boschhoen. 

Hoetang (of Oetang), schuld, geld- 
schuld,verplichting;Bërboetangy 
schuld hebben, verschuldigd ziJn; 
Piboetang, schuldvordering ; 
Hoetang-piboetang, debet en 
credit; Mengoetangi of Mëm- 
bëri boetang, iemand crediet 
verleenen; Mëngoetangkën, iets 
aan iemand leenen, op crediet 
geven, enz. 

Hoewa (Ar.), Hy, God. 

Hoewap, zie Oewap. 

Hoewit, zie Oewit. 

Hokab, tabakspyp, waarby een 
waterbak om den rook door water 
te laten gaan. 

Honar, zie Qnar. 

Hopen (of Open) (Jav.). op iets let- 
ten, iets verzorgen, zich met iets 
bemoeien, voor iets interesseeren, 
zorgvol, enz., zich aan iets gelegen 
laten liggen, voor iets zorg dragen, 
iets met zorg behandelen, enz. 

Horas, tydstip, uur. 

Hormat (Ar.), eerbied, eer, achting, 
goede naam, reputatie, eerbewtjs, 
wat geheiligd is en niet geschon- 
den mag worden ; Mëngbormati 
of Mëmbëri bormat, eer bewe- 
zen, eeren, huldigen, achten, 
achting toedragen ; Mëngbor- 
matkën, iemand iets als bewijs 
van achting, eerbied, enz. aan- 
bieden, iets als bewijs van achting 
of eerbied aanwenden, ook ie- 
mand eer bewyzen, eeren, eer- 
biedigen; Bërbormat, eer heb- 
ben, ook eer bewijzen ; Tërbor- 
mat, geëerd zyn, in eere staan, 
enz.; Kabormatan, eer, eerbe- 
w^s, eereteeken, ook geëerd ztjn, 
enz.; Tanda kabormatan, eer- 
bewös, eereteeken. 



IBA. 



IGAL. 



119 



I. 



Iba, weemoedig, bewogen, ontroerd, 
weemoed, aandoening,ontroering, 
ook ongehoorzaam, weigerend, 
weigeren, en lichaam. 

Ibadat (Ar.), eeredienst, religie, 
godsdienst, godsvereering; Beri- 
badat, godsdienstig ziJn, trouw 
z\Jn godsdienstplichten vervullen. 

Ibarat (Ar.), gelykenis, voorbeeld, 
zinspeling, bedoeling, verklaring, 
uitlegging; Mëngibaratkën, iets 
tot voorbeeld, gelykenis, enz. ne- 
men. 

Iblis (Ar.), duivel, de duivel. 

Iboe, moeder; Iboe bapa, vader 
en moeder; Iboe nëgeri, hoofd- 
stad. 

Iboek, zie Hlboelc. 

Iboer, troost, vertroosting, ook hei- 
blok; Mèngiboer, troosten, ver- 
troosten, een leed lenigen; Iboe- 
ran, troost ; Pëngiboer , trooster, 
vertrooster. 

Ichtiar (Ar.), vrye keuze, jrrye wil, 
enz. ; Mëngichtiarkën, een 
keuze doen, vry handelen, enz. 

Idah (Ar.), geschenk (van een vrouw 
aan een man) tot aanknooping 
van minnehandel; Mëngidah, 
zulk een geschenk aanbieden, 
daardoor minnehandel aanknoo- 
pen. 

Idam, Mëngidam, sterk op iets 
belust z\jn, sterk naar iets ver- 
langen, grooten trek in iets heb- 
ben, enz. (b\jv. van zwangere 
vrouwen, die soms naar allerlei 
zaken kunnen verlangen). 

Idap, Mëngidap, langdurig lijden, 
kwijnen, sukkelen; Mëngidap- 
kën, langdurig doen lyden, lang 
over, met, om iets lijden, sukke- 

. len, enz; Idapan, Përidapan, 
langdurige ziekte,chronisch l\Jden, 
enz. 



Idar (of Idër), verandering van 
plaats, rondgang, enz.; Mëngidar , 
van plaats veranderen, rondgaan, 
rondloopen, omloopen, ronddraai- 
en, ronddrentelen, in de rondte 
gaan, rondreizen, rondtrekken, 
periodiek op dezelfde plaats terug- 
keeren, enz.; Mëngidari, om 
iets heen loopen, rondloopen, wen- 
telen, enz., ook iets omringen, 
omsingelen, enz.; Mën£^darkëii, 
iets rond laten gaan, enz.; Bin- 
tang bëridar, planeet, dwaal- 
ster; Përidaran, rondgang, kring- 
loop, omwenteling, rondtrekking, 
omsingeling, insluiting, processie, 
enz. 

Iddah (Ar.), (of Iddat), de töd,waar- 
in of gedurende welken een wedu- 
we (bestorven of onbestorven) niet 
hertrouwen, geen vleeschelyke 
gemeenschap met een man heb- 
ben mag. 

Idjab (Ar.), de oorzaak zijn van het 
ontstaan van iets, toestemming. 

Idjad, uitvinding, schepping. 

ïdjo, groen. 

Idjoek (Soend.) (ook Indjoek of 
Doek)« de borstelige vezels van 
den aren-palm, waarvan touw- 
werk enz. wordt gemaakt, en die 
ook veel voor dakbedekking wor- 
den gebruikt. 

Idjon (Jav.), voorschot op nog te 
veld staand gewas ; Mëngidjon, 
op nog te veld staand gewas geld 
geven. 

Idoeng, neus. 

Id2dn (Ar.), verlof, toestemming, 
inwilhging, bewllUging;Mëmbë- 
ri idsinof MëDgidzinkëD,verlof 
geven, veroorloven, bewilligen, 
enz.; Minta idzin, verlof vragen. 

Iga, rib. 

Igal (of Igël), Mëngigal, üer, sta- 



120 



IQAU. 



tig rondstappen, pronkerig rond- 
loopen (zooals byv. een kalkoen- 
sche haan kan doen), ronddansen, 
ronddraaien (met den staart uit- 
gespreid), enz. 

Igau (of Igo), Mëngigau, angstig, 
hardop droomen, in den slaap 
yien, praten, enz., slaapwandelen, 
de nachtmerrie hebben, enz. 

Diraxn (Ar.), vloek, banvloek, on- 
wettig, verboden; — de Moham- 
medaansche bedevaartskleeding, 
ook de tijd, gedurende welken die 
kleeding gedragen wordt en ver- 
scheidene verbodsbepahngen be- 
hooren in acht teworden genomen. 

ÏJa, hy, zt), het; IJa itoe, hy, zy, 
het, daar; dat is, te weten, name- 
lyk ; BëxtJa, iemand met tJa aan- 
spreken, enz. 

ïja, ja, welja, jawel. 

Ikal, krul, krullend, golvend. 

Ikan,visch, (soms ook voor vleesch); 
Ikanikan, logplankje; Mem- 
boewang ikan-ikan, loggen. 

Ikat, bundel, bos, verband, bindsel, 
omgeving, omwalling,enz.; Meng- 
ikat, binden, vastbinden, verbin- 
den, samenvoegen, inbinden, om- 
dyken, omwallen, in iets vatten 
of zetten, enz.; Mëngikatkën, 
met iets binden, vastbinden, vat- 
ten, samen voegen,verbinden, enz ; 
Bërikatkën, binden, in iets vat- 
ten, omdyken, omwallen, enz. 
Pëngikatan, waarin of waarme- 
de iets gebonden, aaneengevoegd, 
gevat, omdykt, omringd is, enz. ; 
Ikat piiiggang,gordelband,buik- 
band, enz. 

Ikoet, navolging, in navolging van ; 
Mëngikoet, volgen, navolgen, 
opvolgen, achternagaan, gehoor- 
zamen, onderhoorig zyn, behooren 
tot, nabootsen, nadoen, tot voor- 
beeld nemen, enz.; Bërlkoet- 
ikoet, herhaaldeiyk, opvolgend, 
achter elkander; Ikoetan, voor- 
beeld, nabootsing; Përikoet of 
Pëlikoet, volger, gevolg, stoet, 



INAN, 

trein, enz.; Pëngikoet, volger, 
nabootser; Pëngikoetan, navol- 
ging, gehoorzaming, nabootsing. 

I^am (Ar.), eer, eerbewys, eeren, 
eer bewyzen. 

Ikrar (Ar.), bevestigen, toestem- 
men, beiyden, bevestiging, toe- 
stemming. 

nam, zie Blilam. 

Hang, weg, verloren, vermist zyn 
of worden, ook verliezen; Mëng- 
hilangkën, wegmaken,verliezen, 
uitvegen, doen verdwynen, zoek 
brengen, zoek maken, enz. 

Hap, gedachteloos, door een plot- 
selingen schrik enz. zyne bezin- 
ning verliezen. 

nër, salivatie; Mëngilër, salivee- 
ren, kwyien, watertanden. 

Ilë8,Mëngilë8, treden, trappen, fijn 
trappen, met de voeten malen, 
door wryving fijn maken, enz. 
(verg. Gilës). 

nir, benedenloop eener rivier, de 
daaraan gelegen streek beneden- 
strooms; Mëngilir, een rivier 
enz. afzakken, afvaren, stroom- 
afwaarts gaan, enz.; Ilir, ook 
keukenwaaier, waaier van ge- 
vlochten bamboe, enz. 

nmoe (Ar.), wetenschap, kennis, 
kundigheden, ook tooverspreuk, 
tooverformulier. 

Imam (Ar.), priester, geesteiyke 
voorganger by den openbaren 
godsdienst. 

Iman (Ar.), geloof, godsdienstbeiy- 
denis, gods vereering, vertrouwen 
in God. 

Imat (Ar.), (of Himat), zorgvuldig, 
oplettend, met overleg, goed, wel, 
ter dege, ook inborst, karakter, 
beoordeeling, gevoelen, enz; 

Imboh (Jav.), (of Imboeh), toegift 
boven de maat, het gewicht of 
het getal; Mëngimboh, een 
toegift by iets doen; Mëngimboh- 
kën, iets als toegift by iets geven, 
enz. 

Inang, vrouweiyke volgeling, op- 



INAP. 

passter, meid van een vorstelijk 
kind. 

Inap (of Inëp), Mënginap, over- 
nachten, ergens den nacht door- 
brengen, overbleven, nachtver- 
blJijf houden; MënfiTinapkën, 
iemand nachtverblijf verleenen, 
iets een nacht laten staan, enz. 

Indang, Mëngindang, wannen, 
heen en weder schudden in een 
wan. 

Indarang, op eene z^de liggen. 

Indik, Mëng^dik, hurkend op iets 
loeren, naar iets toegaan, om 
plotseling op te springen en te 
grijpen. ^ 

Inding, Mengindiner, op iets loe- 
ren, wachten, stil op de loer 
liggen, stil naar iets luisteren. 

Indja (Sawan indja), stuipen (bij 
een kind). 

Indjak, Mëngindjak, treden, ne- 
dertreden, trappen, op iets trap- 
pen, vertrappen, met de voeten 
stampen. 

Indjap, trechtervormige ingang in 
een fuik. 

Ihdjil, evangelie, het Evangelie. 

Indjin (ook Indjën), as van een 
wiel, ook machine. 

Indoeng, lichamelijke moeder. 

Inga-inga, afgetrokken, distrait, 
onnoozel rondstarend. 

Ingar, geraas, lawaai, misbaar; 
Mëngiiigar, razen, tieren, lawaai 
maken; Mënfiringarkën, tegen 
iemand razen, tieren, uitvaren, 
enz., iets ruchtbaar maken, aan 
de groote klok hangen, enz. 

Ingat (of Ingët), denken, zich 
bewust ziJn, bewustheid hebben, 
zich herinneren, op iets letten, 
aandachtig zijn, voorzichtig, op 
zijn hoede zijn; Mëngingat, aan 
iets denken, zich iets herinneren, 
onthouden, enz. ; Mëngingat- 
kën, iemand iets herinneren, op 
iets attent maken, tot voorzich- 
tigheld aanmanen, enz. ook Iets 
onder het oog brengen; Ingatan, 



IRAM. 



121 



herinnering, enz. vermaning, ook 
denkbeeld, ^gedachte, oordeel, 
meening; Përingatan, herinne- 
ring, aandacht, geheugen, aan- 
teekening, nota, enz.; Tanda Për- 
ingatan, gedachtenis, souvenir. 

Inggëris, Engelsch, Engelschman. 

Inggoe, asa foetida, duivelsdrek, 
ook de wijnruit (Ruta grave- 
olens, L.). 

Ingin, begeeren, wenschen; Mëng- 
ingin, belust zijn op iets, sterk 
naar iets verlangen, iets begee- 
ren; Kainginan, Përingixian, 
wensch, begeerte, belustheid. 

Ingoes, snot, slijm uit den neus; 
Ingoesan, verkouden zijn, den 
droes hebben. 

Ini, deze, dit, hier, nu, thans, mo- 
mentelijk, tegenwoordig, enz. 

Inja (Bandj.), = ianja, hij, ziJ, 
het, hun, haar. 

Inaja' (Ar.), indien hij gewild heeft. 

IneiJa'-AIlah JAr.), zoo God wil. 

Intan (of Inten), diamant. 

Intik, vlek, spikkel, sproet, puistje. 

InUl, Mëngintil, iemand enz. over- 
al volgen, achterna loopen. 

Intip, zie Hintip; ook aanbaksel 
van rijst. 

Intit, Mëngintit, verstoppen, ver- 
bergen, achterbaks houden. 

Intjar, drilboor; Mëngintjar, met 
een drilboor bewerken, boren, enz. 

Intjar (Bat.) (of Intjër), Mëng- 
intjar, mikken, op iets mikken, 
doelen, enz. 

Intjoet, scheef, kreupel, mank 
(van gestalte, enz.), verkeerd (van 
de uitspraak) ; Mëngintjoet, 
scheef-, mank-, kreupel gaan, 
woorden verkeerd uitspreken (ook 
Mëngintjoeti). 

Ipap (ooklpër), zwager, zwagerin; 
Përiparan, zwagerschap. 

Iram, verkleurd, van kleur ver- 
anderd (van het gelaat uit ver- 
legenheid, enz.), beschaamd, ver- 
legen, confuus ; Kalraman, 
schaamte, verlegenheid. . 



122 



IRAS. 



Ipas, uit één stuk, niet gelaseht of 
aaneengevoegd (byv. een ijzeren 
styi, enz.); Mëngiras, uit één 
stuk maken, in één stuk door- 
loopen, tegelijkertijd iets afdoen, 
enz. 

Irau, Mëng[irau, zich met iets be- 

. moeien, zich voor iets interes- 
seeren, notitie van iets nemen, enz. 

Iri, Mëngiri, iets wenschen te be- 
zitten, te hebben, te krijgen, wat 
een ander reeds heeft, — iets 
benijden. 

Irig (ook Irik) (Jav.), zeef, groote 
zeef, om gewasschen of gekookte 
groenten enz. te laten uitdruipen. 

Irik, Mënsririk, trappen op iets, 
iets met geweld (door er op te 
trappen bijv)., door iets heen 
persen of duwen, padi van de 
aren losmaken door er op te 
treden, enz. 

Iring, Mëngiring, volgen, begelei- 
den, vergezellen, ook achter elkan- 
der gaan, evenwijdig aan iets 
loopen, enz., — ook zijde, flank; 
Iringan, gevolg, begeleiding; Pë- 
ngMng, volgeling, begeleider; 
Pënfi:iriiigan,begeleiding,gevolg, 
stoet, aanhang; Bëriring, achter 
elkander, in colonne marchee- 
rend, enz. 

Iris, afgesneden stuk, schijf; Më- 
ngiris, in schijfjes snijden, ker- 
ven (van tabak), ontleden (van 

. gevogelte), voorsnijden; Irisan, 
wat in schyf jes of stukken ge- 
sneden is, die schijven of stukjes 
zelf, enz. 

Iroep, Mëngiroep (Bat. Soend.), 
slorpen, opslorpen. 

Iroes, spaan, houten kooklepel. 

Isap, MëngLaap, zuigen, inzuigen, 
opzuigen, uitzuigen, rooken, schui- 
ven, aantrekken (van lichamen 
onderling) ; Isapan, wat gezogen, 
gerookt, geschoven wordt, enz.; 
Përisapan, rook-, schuifgereed- 
schap. 

Isëxig, uit verveling iets ter hand 



ISTL 

nemen, doen, enz. ; Isëxig-isëiig, 
tot tijdverdrijf zich met iets amu- 
seeren, enz. 

Isl, inhoud, vulsel, wat in iets zit 
of^ besloten is, gevuld, enz.; isi 
nëgëri, de bewoners eener stad, 
de gemeente; Isi përoet, inge- 
wanden; Isi roemah, gezin, de 
gezamenlijke huisgenooten, de be- 
woners van een huis; Isi soerat, 
de inhoud van een geschrift ; Isi 
bëdil, de lading van een geweer; 
Bërisi, vol, gevuld zijn, iets in- 
houden, bevatten; Mëngisi, vul- 
len, laden. 

Isin (Jav.), beschaamd, schaamte, 
beschaamd, bloo, bescheiden zijn; 
Mëngisin-isin, ook Mëngisin- 
kën, iemand beschaamd maken, 
enz. 

Isit, tandvleesch. 

Isja (Ar.), begin van den nacht, het 
tijdstip na zonsondergang, waarop 
het avondgebed moet worden 
opgezegd. 

I^jarat (Ar.), gebaar, wenk, teeken; 
Mëngistjaratkën, wenken, door 
teekens of gebaren iets te ken- 
nen geven, enz. 

l8lam(Agama islam) (Ar.),Moham- 
medaansch geloof; Orax^ islam, 
Mohammedaan. 

Isnen (Ar.), (of Sënen), Hari Is- 
nen, de tweede dag (der week). 
Maandag. 

Iso, darmen, voornamelijk de kleine 

. darmen waarvan sësate enz. ge- 
maakt wordt. 

Istëri, vrouw, echtgenoote,gemalin, 
vrouwelijk; Bëristëri, gehuwd 
zijn, een vrouw hebben, een vrouw 
nemen, met een vrouw gaan trou- 
wen; Mëngistërikën» Mëmpër- 
iBtërikën, een vrouw tot zijne 
echtgenoote maken, tot vrouw 
nemen; Anak istëri, vrouw(en) 
en kinderen, huisgezin. 

Istiadat (Ar.), gewoonte, gebruik 

Istimewa, voornamelijk, inzender-, 
heid, bijzonderlijk, in het bijzon- 



ISTI. 



JOGIJ. 



123 



der, te meer, zooveel te meer, 
des te erger, enz. 

Istirahat (Ar.), rusten, rustnemen ; 
Bëri8tirahat,non-actief zijn,geen 
betrekkingvervullen,rustendez\jn. 

Itam (of Item), zwart, donker van 
kleur, zwarte, donkere kleur; 
Itam lëgam, pikzwart; Itam 
moeda,donkerblauwz wart ; Itam 
mani8,lief el\jk bruin; Mëngitam, 
zwart worden; Mëngitamkën, 
zwart maken, zwart verven, enz. ; 
Itam-itaman of Sëmoe itam, 
zwartachtig, naar het zwarte 
zweemende. 

Itik, eend. 

Itil, kittelaar, clitoris (van het 
vrouwelijk schaamdeel); ItiMti- 
lan, de huig (van de tong). 



Itoe, die, dat; Ija itoe, dat^ Is, 
namelijk, te weten, enz. ; Karëna 
itoe, om die reden, daarom; 
Itoepon, dat namelijk, doch, mits ; 
Itoelah, diO; dat, daarom, juist 
daarom. 

Itoeng, Mëngritoeng, tellen, natel- 
len, rekenen, berekenen, afreke- 
nen, achten, in aanmerking ne- 
men, enz.; Bëritoenfi^an, met 
elkander afrekenen, over en weder 
de rekening opmaken ; Itoengan, 
wat geteld is, de uitkomst, het 
resultaat van het tellen, rekenen, 
enz. ; Përitoengan, telling, reke- 
ning, berekening, afrekening ; II- 
moe pëidtoengan, rekenkunde, 
cyferkunde, enz. 

Itsnaln, zie lenen (Ar.). 



j. 



Ja, (uitroep, meestal van aandoe- 
ning of verbazing) O, ach, hoel 

Jahoedi, Jood, Joodsch; Orang 
Jahoedi, Jood. 

Jfiji (Jav.), jongere bloedverwant, 
jongere broeder of zuster. 

Jakin( Ar.), ernst, ernstig,overtuigd, 
overtuiging, oprecht, oprechtheid; 
Mëjakinkën, iets ernstig opne- 
men, met overtuiging opvatten, 
in alle oprechtheid behandelen. 

Jakoet (Ar.), hyacinth, rob^n, 
topaas, saf&er, chrysolieth, enz. 

Jang, die, dat, wie, welke, dewelke, 
welk, hetwelk, waarvan, ook ge- 
bruikt als voegwoord «dat" en 
soms als bepalend lidwoord „de" 
of „het". 

Jani = Ja ini, die, deze, dezelfde. 

Jatim (Ar.), wees; Mëijatimkën, 
iemand tot een wees maken, als 
zoodanig behandelen. 



Jaum (Ar.), dag; Jaumoelalha, 

de dag der offeranden, nl. de 30e 
van de maand Dzoelhidjah, 
waarop men ter gedachtenis aan 
Abraham een schaap slacht. 

Jodjana (ook Oedjana of Joe- 
djana), zoover als men zien kan, 
de afstand waarop men een voor- 
werp nog kan onderscheiden, ge- 
zichtsverte. 

Joenanoe, volk der Grieken (vóór 
Constanten). 

Joesir, (van een vlieger) losge- 
scheurd van het touw en in de 
lucht met den wind medegevoerd, 
zwevend, schootgaand, enz. 

Joeta (Sk.) (of DJoeta), millioen; 
Sajoeta, een millioen 

Jog^a (ook Jogja, Sajoegja), be- 
hoorlijk, betamelijk, gepast, naar 
behooren, zooals het behoort, het 
is betamelijk dat, enz. 



124 



KA. 



KAFI. 



Ka (of Kë), naar, tot, — dient ook 
tot vorming van het passief en 
van verbaalnaam>voorden enz. 
met het achtervoegsel an. 

Ka' of Kak (Chin.), lym (in bladen). 

Ka&bah (Ar.), de heilige tempel in 
Mekka. 

Ka&da&n, zie Ada. 

Kabadjikan, goedheid, deugd, wel- 
daad, goede daad, welvaren, voor- 
spoed. 

Kabaja, lang jak met lange mou- 
wen en van voren geheel open. 

Kabajan (of Këbajan), bode, or- 
donnans, ondergeschikt politie- 
beambte-, Nènèk këbajan (aan 
Mal. hoven), opzichteres over de 
vrouwen en jonge meisjes, meest 
een vertrouwde vrouweiyke be- 
diende van den vorst, enz. 

Kabar, zie Ohabar. 

Kablr, groot, meerderjarig, oud, 
machtig. 

Kabir, Mëngabir, een drJijvend 
voorwerp met een stok, pagaai, 
enz. naar zich toe halen. 

Kaboel (Ar.), welgevallig, welge- 
vallen, toestemming, instemming, 
enz.; Mëngaboelkën, goedkeu- 
ren, goedvinden, bewilligen, aan- 
nemen, toestemmen, inwilligen, 
enz. 

Kaboeli, Nasi kaboeli, r^jst met 
vleesch, visch, eieren, specerijen 
en andere ingrediënten toebereid. 

KaboenfiT, hoofddoek, hoofdom- 
windsel van wit goed, ook een 
lenjgtemaat van 1*/» vadem; 
MSiïgahoeng, zulk een hoofd- 
doek dragen, met een kaboeng: 
meten. 

Kaboeog (Soend.) (of Elawoeng, 
ook Ênau en Lontar), Borassus 
flabelliformis, L. nat fam. derPal- 
mae, hooge palmboom, waarvan 



de bladeren dikwjjls voor papier 
gebruikt worden, en de palm- 
wijn zoete suiker oplevert. 

Kaboepaten (Jav.), regentschap, 
ook regentswoning, wat door een 
boepati beheerd, bewoond wordt, 
enz. 

Kaboer (ook Lamoer), niet goed 
van gezicht, niet goed kunnen 
zien, niet duidelijk ziend, dof, 
nevelig (van de oogen). 

Kaboes, flauw zichtbaar, nevel- 
achtig. 

Kaboet, nevel, nevelachtig, mist, 
mistig, onduidelijk te zien, flauw 
zichtbaar, niet te onderscheiden, 
donker, duister; Këlaxn kaboet, 
ook Kalang- kaboet, stikdonker, 
ook verward, door elkander, niet 
uit elkander te onderscheiden, enz. 

Kadal, gras- of tuinhagedis. 

Kadang, bloedverwant, familie- 
leden van hetzelfde bloed. 

Kadang, w^jle, poos; Kadang- 
kadang, ook Tërkadang, by 
wyien, soms, somtyds, nu en dan, 
af en toe, by tusschenpoozen, een 
enkelen keer, enz. 

Kadar, zie Këdar. 

Kadjang, matten van lange pan- 
dan- of bëngkoeTvang-blade- 
ren, ook dek, overtrek, vel 
(papier) enz. 

Kadji = Adjl en Hadji, zie aldaar. 

Kadli (Ar.), rechter. 

Kadoeng, geschied, niet te ver- 
animeren; Kadoengan biasa, 
gewoonte is een tweede natuur, 
niet te veranderen. 

Kadoet, grof matwerk voor zak- 
ken, zeilen, enz. 

Kaëdanan (Jav., Soend., Bat.), gek, 
verzot, dol zijn op. 

Kaflr (Ar.), ongeloovige, nie^mo- 
hammedaan, kaffer. 



KAGcA. 



KAKE. 



125 



Kaga (Bat.) (ook Bngga), neen, 
niet. 

Kagret, schrik, schrikken, ook ver- 
stomd, verbaasd, verbluft ztjn, 
staan, enz. ; Mënfi^agetkëii, doen 
schrikken, verschrikken, aan het 
schrikken maken, enz. 

Kah, aanhechtsel, dienende om een 
vragenden zin te vormen. 

Kabar, kar zonder veeren, vracht- 
kar ; Kahar pir, kar met veeren, 
— op veeren. 

Kahëndak, zie Hëndak. 

ELahwa (Ar.), koflae. 

Kali, haak, vischhaak, vischtuig; 
Tali kaïl, hengelsnoer, lyn om 
te visschen; DJoeran kaïl, Ka- 
joe kail, hengelstok; Mëngail, 
hengelen, visschen met een hen- 
gel; Pëngall, hengelaar; Përa- 
hoe pënfi^all, hengelaarsbootje 
of —schuitje. 

Kaïn, doek, geweven stof, Ijjnwaad, 
geweven katoen, onderlyfskleed 
(waarvan de uiteinden aan elkan- 
der genaaid zyn, ook Saroeng 
genaamd); Kaïn pandjang, zulk 
een kleed, doch langer en waar- 
van de. uiteinden niet aan elkan- 
der bevestigd z^n; Kaïn batik, 
uit de hand beteekende en ge- 
verfde kleedjes; Elaln tjapan, 
geverfde kleedjes, waarop de figu- 
ren machinaal zö'n aangebracht; 
Kaïn kotor, de menstruatie; 
Bërkaln, een kain aanhebben, 
enz.; Bërkaln kotor, menstru- 
eeren, de regels hebben. 

Kals, Mëngals, krabben, krabbelen 
(zooals b|jv. de kippen doen) schar- 
relen, byeenschrapen. 

Kalt, (ook Galt), haak, haak aan 
een steel, scheepshaak ; Mëngalt 
of Mënggaït, met een haak gre- 
pen, vatten, naar zich toe halen, 
door middel van een haak vast- 
houden, aanhaken, aanklampen, 
enteren, ook haken, bly ven haken, 
enz.; Têrgedt, aan iets bleven 
haken, vastgehaakt z\)n, enz. 



Kaja, als, zooals, gel^ijk, evenals, 
gelijkvormig aan, alsof, enz. 

Kaja, rtjk, gegoed, bemiddeld; 
Orang kaJa, een r\jke, ryk 
mensch, ook titel van hoofden; 
Kakaja&n, rijkdom, r^kdommen, 
schatten; KakaJaiLn Allah, de 
wonderdaden Gt^ods; Mëngaja- 
kën, r\jk maken, verrijken. 

Kajah (Bandj.) by, aan. 

Kajangan, (of Kahjangan), go- 
denverbltjf, de hemel der goden, 
enz. (Verg. Hjang). 

Kajap (of Kajab), gevaarlijke huid- 
uitslag. 

Kajau, zwaard of kapmes der kop- 
pesnellers; (ook Mandau); Mëng- 
ajau, koppensnellen, met een 
kajau iemand het hoofd afslaan, 
enz.; — Mëngajau, ook naar iets 
steken, dat onder water ligt en 
niet zichtbaar is. 

Kajoe, hout, houtgewas, boom, 
balk, enz., ook stuk goed (dat om 
een plankje gewonden is); veel 
gebruikt in verbinding met 
benamingen van vele houtsoor- 
ten, b\jv.; Kajoe manis, kaneel, 
zoethout, enz.; KaJoe bakar, 
brandhout. 

Kajoeh, riem, roeiriem, pagaai; 
Mëngajoeh, roeien, pagaaien, 
met een roei- of schepriem roeien; 
Mëngajoehkën, een vaartuig 
door roeien vooruitbrengen, enz. 

Kajoman, beschaduwd, onder scha- 
duw. 

Kaka (ook Kakak, Kakang), 
oudere broeder of zuster ; Kakan- 
da, hetzelfde in hoflyken sttjl en 
tegenover vorstelijke personages. 

Kakak, geschater, gesnater, geka- 
kel; Mëngakak, schateren, het 
uitschateren van lachen, snateren, 
kakelen, enz. 

Kakanda, zie Kaka. 

Kakang, zie Kaka. 

Kakatoea, nijptang; Boeroeng 
kakatoea, kakatoe. 

Kake (Jav.,Soend.,Bat.) (of Kakek, 



126 



KAKI. 



KALI. 



ook Aki, Kaki), grootvader, oud 
man, vadertje. 

Kaki, voet, been, poot, klauw, voet- 
stuk, fondament, ook een maat 
van ± 32 c.M.; Bërkaki, met 
voeten, enz., voeten enz. hebben, 
op een fondament rusten ; Mëng- 
aki, met den voet uitmeten; 
Kaki kanan,rechtervoet, —been, 
-poot, enz.; Kaki kiri, linker- 
voet, —been, enz.; Kaki goe- 
noeng, voet van een berg; Bi- 
natang bërkaki ampat, vier- 
voetig dier. 

Kakoe, styf, verstijfd, hard, taai, 
onbuigzaam, ook: lomp, linksch, 
enz., hardvochtig, niet minzaam, 
enz. 

Kakoes (Holl.), kakhuis, latrine. 

Kala, t\]d; t\jdstip; Ada kala, er 
z\jn tijden, somwijlen, somtyds; 
Dahoeloe kala, oudtijds; eer- 
tijds; Apa kala, Mana kala, 
Kala apa, Kala mana, op wel- 
ken tijd, wanneer; Sëdia kala, 
eertijds, in vroeger tyd; Barang 
kala, onverschillig wanneer, enz.; 
Tatkala, toen, ten tijde dat, 
wanneer, tijdens. 

Kala of Kala djëngking, schor- 
pioen. 

Kala, strik, valstrik; Mengala, 
strikken zetten, met strikken 
vangen. 

Kalah (of Kala), verhes, verhezen 
(zoowel bij het spel als in een 
gevecht); Mëngalah, onderdoen, 
de verhezende party zijn, voor 
een ander de plaats ruimen, aan 
een ander geven, wat men eigen- 
lijk voor zich zelf behouden kan, 
enz. 

Kalahi, Bërkalalii, vechten, pluk- 
haren, twisten, in onmin leven 
met, enz. 

Kalakian (meest verbonden met 
maka), voorts, vervolgens, wij- 
ders, verder. 

Kalakoean, zie Lakoe. 

Kalam (Ar.), pen, schrijfpen, pen 



gemaakt van de harde nerven van 
het doek of de harige vezels van 
den aren-palm; ook woord, ge- 
zegde, en het vuil dat biJ het 
smelten van goud te voorschijn 
komt. 

Kalamaja, een soort duizendpoot, 
die sterk phosphoriseert, z.g. 
oorwurm. 

Kalamari (of Kalamaren, ook 
Këmaren), gisteren; Kalama- 
ren doeloe, eergisteren. 

Kalang, niet vleezig (van vruchten), 
rand, versiersel, randversiering 
(zooals in sommige schrifturen), 
smalle dijkjes of paadjes langs 
rijstvelden, ook op eene helling 
halen, trekken, enz. (Mënga- 
lang); Kalangan, helhng, werf, 
dok. 

Kalap, dol, krankzinnig, niet meer 
weten wat men doet. 

Kalas, strop, waardoor een roei- 
riem gehaald en vastgehouden 
wordt. 

Kalasi, matroos. 

Kalau (of Kaloe), zie Djikalau, 
Kalau-kalau, als maar niet, zoo 
soms, weUicht, indien, ingeval, 
het zou kunnen dat, enz. 

Kaldai (of Kalde), ezel (dier). 

B^aldoe, bouillon, vleeschnat. 

Kaleng, blik, blikken, van blik; 
Barang kaleng, blikken voor- 
werpen, enz. ; Toekang kaleng, 
bhkslager. 

Kalënger, in flauwte vallen, het 
bewustz^n verliezen, buiten ken- 
nis ztjn, enz. 

Kali, rivier. 

Kali, maal, keer, reis; Sëkali, 
eenmaal, eens; Sëkali-kali,e6ns, 
eenmaal, zeer, volstrekt; Së- 
kalian, in eens, in zijn geheel, 
heelemaal, alles te zamen, alles, 
allegaar, enz. 

Kalik: Kalik-kalik dalem ba- 
djoe, het achter de mouw heb- 
ben, niet oprecht zijn. 

Kaliinaja, zie Kalamaja. 



KALI. 

Kalimat (Sk.), woord, gezegde, 
spreuk, formulier, tooverformu- 
lier, enz. 

Kalimbadja (ook Bianglala), 
regenboog. 

Kalis, niet blinkend, zonder glans, 
dof, vuil, met een laag vuil be- 
dekt (van metalen, glas, enz.); 
Orang kalis, nomadische Da- 
jaks (Borneo^s Westeraf deeling). 

Kaliwara (Jav., Soen., Bat.), heim- 
wee, melancholie, heimwee heb- 
ben, melancholisch zyn, ziek door 
sterk verlangen of door droef- 
heid, enz. 



KAND. 



127 



lur: 



Kaloear, zie Loear. 

Kaloek, bocht, kromming, kromme 
Hjn, krul, gebogen Itjn, enz. 

Kaloengr, halsband, halsketen, col- 
lier; Bërkaloeng of Bërkaloe- 
ngan, een halsband, enz. aan- 
hebben ; Mëngaloengkën, ie- 
mand of iets een halsband om- 
doen, enz. 

Kaloet, onverstaanbare klanken 
voortbrengen (van een stervende); 
ook leven maken, lawaai, ge- 
druisch, getier, rumoer. 

Kalong, de vliegende hond, een 
soort vleermuizen. 

Kamar, kamer; Kamar bola, bil- 
jartzaal, sociëteit; Kamar xnan- 
di, badkamer; Kamar tikoes 
(zie ook: Roemah tikoes), 
cel (voorn, in een gevangenis). 

Kamar (Ar.), maan, ook gordel, 
sjerp. 

Kambang, dry ven, bovendrijven, 
zweven, zich zwevend bovenhou- 
den (zooals gieren, enz. door het 
strak uitspreiden hunner vleugels). 

Kambi, raam (van een deur, enz.), 
raamwerk, enz. 

Kambing, geit, schaap; Elambing 
djawa, geit ; ECdmbing wlanda, 
Kambing biri-biri, schaap ; 
Kambing kibas, schaap met 
dikken vetstaart. (Verg. Domba). 

Kamboe, weder ingestort, weder 
instorten (van een zieke die be- 



terende was), (zie ook Bëntan). 

Kamedja (Port), hemd; Kamedja 
dalem, onderhemd; Blamedja 
panas, flanellen of wollen hemd. 

Kami, wy (met uitsluiting van den 
aangesproken persoon), soms 
ook: ik. 

Kamitëtëp, aardvloo. 

Kamoe, gU, gijlieden. 

Kamoes (Ar.) (Kitab kamoes), 
woordenboek. 

Kampak, byl, groote byl, ook roe- 
vers, die in gewapende benden 
hun slag slaan; Mëngampak, 
vellen, omhakken, met de byl 
bewerken, ook in benden roeven, 
plunderen, enz. 

Kampil, zak, ter bewaring van *t 
een of ander, geldzak. 

Kampit, klein zakje van matwerk, 
geldzak, enz. 

Kampoeng, buurt, wijk, dorp, ge- 
hucht, bewoonde plek, enz. ; Bër- 
kampoeng, in een buurt wonen, 
verzameld ztJn, enz., een dorp 
enz. vormen, stichten; Më- 
ngampoengkën, bijeenbrengen, 
verzamelen, enz. 

Kampret, vleermuis. 

Kanak-kanak, klein kind, kindje. 

Kanan, rechts, rechtsch, rechter; 
Sabëlah kanan, aan de rechter- 
zijde, rechts; Tang^an kanan, 
rechterhand; Mënganan, rechts 
gaan, aan den rechterkant gaan, 
enz.; Mënganankën, rechtslaten 
liggen, ook naar rechts overbren- 
gen, enz., rechts aanhouden. 

Kanda = Kakanda, zie Kaka. 

Kandang, hok, stal, kraal, inslui- 
ting; Mëngandang, in een hok, 
stal, kraal, enz. doen; Mëngan- 
dangkën, iets in een hok, stal, 
kraal, liJst, raam, enz. plaatsen, 
iets eene ruimte tot stal, enz. 

Kandara (of Këndara), rijden op 
of zitten in iets dat zich voort- 
beweegt; Këndaraftn, rijdier, 
rijtuig, voertuig, wagen, enz. 



128 



KAND. 



Kandas, aan den grond geraakt, 
gestrand, ook op een onderlaag 
liggen (biJv. van iets dat men 
door wil kappen op een stuk hout, 
enz.); Mëngraxidaakëii, een vaar- 
tuig, schip op den wal zetten, 
doen stranden, op een rif of klip 
doen stoeten, enz. 

Kandjar, Bërkandjar, trappelen 
van ongeduld, ook klikken, ver- 
klikken, overbrengen. 

Kandji, r^stwater, lymerig afkook- 
sel van riJst, dun, vloeibaar styf- 
sel; Mëng^andji, kleederen enz. 
daarmede stflven. 

Kandoel^ bocht; Mëngandoel, in 
bochten opbinden. 

Kandoeng, zak enz. waarin iets 
gedragen wordt ; Mëngandoeng, 
iets dragen in een zak of doek, 
enz., ook bevatten, inhouden; 
Mëngandoeng anak, zwan- 
ger z\jn van een kind, een kind 
in den moederschoot dragen. 

Kandoeri of Këndoerl,jaariyksch 
offermaal voor afgestorvenen. 

B^andoet, Mëngandoet, iets in den 
schoot verborgen dragen, iets in 
den schoot verbergen, enz. 

Kang, groote kuip, waterbak, ook 
toom, breidel, teugel, en verkor- 
ting van KakanfiT (zie Kaka). 

Kangën, reikhalzend naar iemand 
verlangen ; reikhalzend verlangen, 
iemand te zien, enz. 

Eanfirkans, w\jd uit elkander; 
Mengangkang of Mëkang- 
kang, wijdbeens loopen, staan, 
zitten, de beenen wfld uit elkan- 
der zetten, enz.; Këlangkang, 
de ruimte tusschen de dyen. 

Kaiigkoeiig,Ipomaea reptans,Poir. 
Nat. fam. der Gonvolvulaceae, een 
waterplan t,die veel gegetenwordt. 

Kanoen (Ar.), regel, voorschrift, 
wet; Hoekoem kanoen, wette- 
lijke bepalingen. 

Kantang, (van een riviermonding, 
een zeestraat, enz.), droog by 
laag water. 



KAPA. 

Kantjana (Jav.) (of Këntjana), 

goud, gouden. 

Kantjil, dwerghert, dwergree, klein 
gazelletje, (ook Pëlandoek). 

Kantjing, knoop, grendel, klink, 
sluiting; Mëngantjing, knoopen, 
grendelen, sluiten, dichtdoen, enz.; 
Roemah kantjing, knoopsgat. 

Kantjoet, kleed, doek^ enz. dat 
gedeeltelijk om den gordel en 
verder tusschen de beenen door 
gedragen wordt ; stondenlap ; 
MëngantiJoet, het beenkleed 
tusschen de beenen door halen, 
enz.; Bërkantjoet, ook Elan- 
tjoetan of Bërkantjoetan, met 
zulk een kleed tusschen de bee- 
nen, met een stondenlap loopen, 
enz. 

Kantong, zak, jaszak, broekzak, 
losse zak, beurs, suspensoir, enz. 

Kantor, kantoor, bureau, enz. 

Kaoek (Bat.) (of Kaok), ge- 
schreeuw, toeroep, toeroepen, 
toeschreeuwen;Kaoekin, iemand 
toeroepen, toeschreeuwen, enz. 

Kaoel, (Ar.), woord, plechtig woord, 
overeenkomst, gelofte; Bërkaoel 
of Mëngaoel, een gelofte doen, 
zijn woord geven, beloven; Mëm- 
bajar kaoel, eene gelofte ver- 
vullen,aan een geloftevoldoen,enz. 

EHaoem (Ar.), volk, familie, verwan- 
ten, ook benaming voor een onder- 
geschikt dienaar der moskee, of 
een ondergeschikt dorpsgeeste- 
lijke. 

Kaoes (of Kaos), kous, sok. 

Kaoet, Mëngaoet, bijeenschrapen, 
b^eenhalen, bijeenrapen, bijeen- 
trekken, enz. (biJv. van geld met 
de beide armen). 

Kaoets (Ar.), schoen. 

Kap, een touw vastmaken, ook 
kap, rijtuigkap; enz. 

Kapa (of Kapa-kapa), los ver- 
plaatsbaar dek of schut tegen het 
inslaan der golven, (op een vaar- 
tuig), meest van licht materiaal 
gemaakt. 



KAPA. 



KAPO. 



129 



Kapak (= E^ampak), b^jl, aks. 

Kapal, schip, ook: eelt; Kapal 
api, Kapal asëp, stoomschip, 
stoomboot; Kapal lajar, zeil- 
schip; Kapal përan^r, oorlogs- 
schip; Kapal dagang, koop- 
vaardyschip; Kapalan, eelt, ver- 
eelt, likdoren. 

Kapala, hoofd, kop, boveneind, het 
voornaamste, knop, opperhoofd, 
aanvoerder, woordvoerder, leider, 
enz.; Mëngëpalaï, zich aan het 
hoofd stellen, aanvoeren, leiden, 
in eene vergadering voorzitten, 
enz.; Kapala përaoe, voorste 
deel, voorsteven van een schuit; 
Kapala kain, hoofd, anders be- 
teekend deel van een kleed ; Ka- 
pala soerat, hoofd van een brief; 
Kapala koeda, hoofd van een 
paard, paardekop; Kapala ba- 
toe, styf kop, sttJf hoofdig, koppig ; 
Kapala-soa (Amb. Mal.), negory- 
(of kampong)hoofd, ondergeschikt 
aan den radja der negor^. 

Kapalang, ontoereikend, onvol- 
doende, niet genoeg, gedeeltelyk, 
ten halve, ook verhinderd, belet, 
enz.; Kapalangan, verhinderd, 
belet, gestuit, opgehouden, enz. 

Kapan, wanneer, als, immers; 
l^pan hari, onlangs, kortelings, 
verleden, laatst; Kapan tadi 
katazija bëgitoe, en zooeven 
heeft hy zoo gezegd, dat heeft 
hy immers zooeven nog gezegd, 
enz. 

Kapang, dobberen (van een vaar- 
tuig door windstilte). 

BLapangan (Bat.), verduistering, 
eclips, verduisterd. 

Kapar, wanordelijk door elkander 
liggend, uit elkander geworpen; 
Mengapar, wanordelijk door of 
uit elkander gooien, werpen, enz. 

Kaparat (Ar.), ongel oovige, (als 
scheldwoord ook) ellendeling, be- 
roerdeling, nietswaardige, scha- 
vuit. 

^pas> katoen, katoenplant, Otos- 
Maleisch-Hollandsch. 



sypium indicum, Lam. nat. fam, 
der Malvaceae; van deze katoen- 
planten bestaan verscheidene 
variëteiten, die min of meer goede 
katoen of wol geven. 

Kaper (of Këpër), nachtvhndertje, 
uiltje. 

Kapi, hijschblok, 

Kapialoe, zwaarte, koorts in het 
hoofd, typheuse koorts, typhus; 
Kapialoe njaman, geelzucht 
(ook: Sakit koening). 

Kapir (Ar.), zie Kafir. 

Kapiraa, teleurgesteld, teleurstel- 
ling ondervinden, verergerd, van 
kwaad tot erger vervallen, be- 
dorven, verknoeid, verloren, enz. 

Kapit, helper, dienstdoende bege- 
leider, adjudant. 

Kapitan, kapitein, gezagvoerder 
(op een vaartuig). 

Kapoe of Kapoe-kapoe, een wa- 
terplant, soort van vrij groot- 
bladig kroos, dat veel in visch- 
vijvers, meren, enz. voorkomt. 

Kapoek, boomwol, van den ran- 
doe- of kapoek-boom (Erioden- 
drum anfractuosum, D. C. nat. fam. 
der Sterculiaceae), meest gebruikt 
tot vulUng van kussens en ma- 
trassen. 

Kapoelaga, cardamom (Amomum 
cardamomum, L. nat. fam. der 
Zingiberaceae). 

Kapoer, kalk, kalkachtig; Kapoer 
tohor, EZapoer tembok, metsel- 
kalk, grove kalk; Kapoer sirili, 
fijne gebluschte kalk, die btj het 
sirih-kauwen gebruikt wordt; 
Kapoer mënta of mëntah, on- 
gebluschle kalk ; Kapoer mati^ 
gebluschte, ook onbruikbare kalk; 
Kapoer ^^landa, krijt; Kapoer 
baroes, kamfer (kalkachtige stof 
van Baros) ; Mëngapoer, kalken, 
bekalken, witten, met kalk bestre- 
ken; Pakapoeran,kalkbrandery, 
ook doosje waarin kalk bewaard 
wordt, kalkpotje in een sirih- 
doos, enz. 



130 



KAPO. 



KARP, 



Kapok, afgeleerd (byv. van een 
kind, dat met vuur speelt en zich 
leeiyk brandt), genoeg hebben, 
genoeg kragen van iets, er zich 
niet meer aan wagen, enz., leer- 
geld betalen, enz. 

Karah, aanzetsel (byv. van kalk 
achter de tanden), vlekken (op 
bladeren, enz.); Sëbatang karah, 
iemand die alleen op de v^ereld 
is, geen familie heeft. 

Karam, (van vaartuigen) zinken, 
verongelukken, vergaan, schip- 
breuk Iflden, (van schrift), ineen- 
loopen, vloeien, ook verderf, in 
het verderf raken, enz.; Mënga- 
ramkën, doen verongelukken, 
laten zinken, in 't verderf storten. 

Karamat(Ar.), heilig, wonderdadig, 
met wonderkracht bedeeld (van 
een persoon, gebouw, enz.), heilige 
plek, heilig graf, graf van een 
heihge, enz, 

Karana of Karëna (Sk.), oorzaak, 
reden, omdat, want, uithoofde van, 
ter wille van, voor, dewyl, aange- 
zien, naardien, vermits, enz. ; Ka- 
rëna .Allah, om G-ods wil, ter 
wille van God; ELarëna itoe, 
daarom, om die reden, enz. 

Karang, koraal, koraalrif, klip in 
zee, koraalbank, ook steenachtig 
aanzetsel; Bërkarang, met riffen, 
met een steenachtig aanzetsel, 
enz., een steenachtig aanzetsel 
hebben, kragen, voimen, enz.; 
Boenga kajrang, koraalbloemen; 
Kjirang boenga, spons; Pë- 
njakit karang, de steen, het 
graveel, ook venusziekte. 

Karang, Mëngarang, samenstel- 
len, opstellen, m geschrift stel- 
len, componeeren, een werk enz. 
schreven, enz.; Karangan, 
samenstelling, opstel, geschrift, 
enz. 

Karang (Jav.), wat gereed is ge- 
maakt, bewerkt, bestemd, afge- 
paald, enz. is, om iet.s te ontvangen, 
tot iets te dienen,enz.; Elarangan, 



de plaats onder een padischuur, die 
tot bergplaats van brandhout, enz. 
dient; Pëkarangan, erf. 

Karap, weverskam, kam van het 
weefgetouw. 

Karat, roest; Bërkarat, roestig, 
verroest, verroest zün. 

Karbau, (Kërbau, Këbo), buflel, 
karbouw. 

Karembong (Soend.), sluier voor 
vrouwen, vrouwensluier. 

Karet, guttapercha, gomelastiek, 
ook naam van den boom (Uros- 
tigma Karet en IJrostigma elas- 
ticum, Miq.); Gëtah-karet, gom 
van dezen boom, gomelastiek. 

Kareta, wagen, r^tuig, enz.; Bër- 
kareta, in een wagen ryden, 
met een wagen gaan, enz. 

Kari, kerry, een gerecht by de 
ryst, ook overblijfsel, overschot. 

ELaroean, vast, vastgesteld, zeker, 
bepaald, duidelijk, enz. 

Karoeng, zak, grove zak van mat- 
werk, goni enz., ook grof doek, 
zakkengoed, enz. baal, een zak, 
vol, enz. 

Karoenia(Sk.),gunst,genade,gunst- 
bewys, genadegift, geschenk, enz.; 
MëngaroeniaX, iemand begun- 
stigen, begiftigen, een gunst, ge- 
nade bewyzen, enz. ; Mëngaroe- 
niakën, iemand iets als gunst 
bewözen, geven, enz. 

Elaroet, verward, in verwarring, 
door elkander, ongeregeld, ook 
gevlekt, met krassen of vlekken, 
pokdahg; Mëngaroet, iets slor- 
dig doen, afdoen, enz. (byv. naai- 
werk), wartaal spreken, onzin 
uitkramen, enz. 

Karpai, patroontasch. 

E^arpati, groote luis, hondeluis, 
dierenluis. 

Karpek (of Karëpek, Kërpek), 
mand, reismand, enz. met een 
deksel dat er b^jna geheel over 
heen sluit. 

Karpoes, slaapmuts, ook ezels- 
hoofd van een mast, en ge- 



KARS. 



KATJ. 



131 



pleisterde nok van een huis. 

Karsik (of EZarisik), grof zand, 
fijn grint, ook de droge blade- 
ren van den pisang. 

Kartas (Ar.) (of Kërtas), papier; 
Oewan^ kartas, papiergeld, 
bankpapier. 

Kasa, gaas, fijn mousseline. 

Kasai, smeersel om de huid schoon 
en fijn te maken; Mëngasai, 
dit smeersel gebruiken. 

Kasap, ruig, ruw. 

Kasar, grof, ruw, onbeschaafd, 
lomp, ongemanierd, enz. 

Kasau (of Kaso), rib, dakrib, span- 
rib, lat, spaniat; Kasau mèlin- 
tang, ook reng, panlat, dwars- 
lat, waaraan de dakbedekking 
wordt bevestigd, enz. 

Kasi (Mëngasi) (Bat.), geven, af- 
staan, toestaan, inwilligen, be- 
willigen, toestemmen, enz. 

Ejislh, toegenegenheid, liefde, 
iemand genegen zyn, liefhebben, 
beminnen, mogen lyden, van 
iemand houden, enz.; Kasihan, 
toegenegenheid, enz., ook: deernis, 
medeltJden, enz. ; Pëngasih, min- 
naar, ook toovermiddel, om 
iemands toegenegenheid, enz. te 
winnen; Këkasih, beminde, ge- 
liefde; Mëngasihi, iemand lief- 
hebben, beminnen, enz., ook: 
iemand begnnstigen,voortrekken; 
Tarima kasili, dankbaar, dank- 
baarheid, dank; Mënërima ka- 
sih, danken, dankzeggen, dank- 
baar z\jn ; Mëngasihani, Mënga- 
sihankën, zich over iemand ont- 
fermen, medelyden met iemand 
hebben, enz.; Belas kasihan, 
deernis, medelijden, enz. 

Kasip (of Kasep) (Jav.), afgeloopen, 
op, over den tyd, te laat. 

Kasoer, bultzak, matras, gevulde 
zitting. 

Kasoet, Chineesche schoen of pan- 
toffel, Chineesche slof, ookhoef- 
yzer, wielband. 

Kasoewari, casuaris. 



Kastoeri, muskus. 

Kata, woord, uitgesproken woord, 
gezegde, enz. ; Kata-kata, gezeg- 
den, praatjes ; Bërkata of Bër- 
katakata, spreken, zeggen, pra- 
ten, redeneeren, enz., ook: uit- 
schelden, schimpen, uitmaken, 
enz.; Mëngataken, iets zeggen, 
uiten, iets van het een of ander 
zeggen, iemand iets onder het oog 
brengen, berispen, beschimpen, 
van iemand iets zeggen, op iemand 
iets aanmerken, van iemand iets 
vertellen ; Mëngata-ngatal, 
iemand uitschelden, beschimpen, 
allerlei gemeenheden toevoegen, 
bepraten, bespreken, enz. 

Katak, kikvorsch. 

Kate, kort, laag, klein, dwergach- 
tig; Orang kate, een mensch 
met korte beenen, dwerg; Ajam 
kate, dwerghoen, Bantamsch 
hoen. 

Katek (of Kateak), oksel. 

Katel (Jav.), aardspin, een soort 
tarentula. 

Katela, aardvrucht, eetbare knol, 
eetbare wortel, een soort aard- 
appel ; hiervan bestaan vele soor- 
ten. 

Kati, gewicht van 1 V* Amst. pond. 

Katil, bank, sofa, rustbank, ledi- 
kant. 

Katir, vlerken, of aan stokken be- 
vestigde en met een schuit ver- 
bonden, aan weerszoden daarvan 
op het water dravende boomen, 
enz. om haar voor omslaan te 
behoeden; Përaoe katir, vlerk- 
prauw. 

Katja, glas, spiegel; Elatja mata, 
bril; Bërkatja, zich spiegelen, 
in een spiegel kijken, enz. ; Katja, 
ook bladzijde van een boek, enz. 

Katjak, fier, trotsch, prachtig, heer- 
lijk, levendig, opgewekt, flink, 
ook kabbeling van water (bijv. 
door het bestaan van een rif); 
MëngatJak, iets met den voet, 
met de punt van den voet op 



132 



KATJ. 



KEBA. 



zijde slingeren, schoppen, enz. 

E^tiJang, naam van vele soorten 
van peulgewassen, boon, erwt, 
peulvrucht, aardaker, enz.; Ka- 
IJang: bo£ror, Yoandzeia subter- 
ranea, Thrs. met gezochte, onder 
den grond groeiende zaden ; Ka- 
tjang boentjis, Phaseolus vul- 
garis, L. de gewone boonen; 
KatiJang djogo, Phaseolus radia- 
tus, L. de Indische bruine boe- 
nen; Katjang idjo, Phaseolus 
Hernandesii, Savi en Phaseolus 
Xuaregii, Zucc. met kleine groene 
zaadjes; Katjaug pandjang, 
Vigna sinensis, Savi, met lange, 
ronde peulen; BZatJang tanah, 
Arachis hypogaea, L. de bekende 
aardakertjes of z.g. apeboontjes, 
enz. 

Katjapoeri, middelstuk, midden- 
deel van iets (bijv. van een huis, 
dat aan alle kanten bygebouwen, 
enz. heeft), kapiteel van een ko- 
lom of stfll. 

Katvlau (of Katjo), Mëngatjau, 
dooreen roeren, door elkander 
mengen, door elkander sm\jten, 
in de war brengen, enz., ook klet- 
sen, allerlei zottigheden vertellen, 
als een gek praten, den mond 
geen oogenblik stil hebben, ver- 
ward spreken, enz. 

Kat^l (Kaïn katji), fijn gebleekt 
wit katoen, shirting. 

Katjip, schaar om betelnoten door 
te knippen, betelschaar, ook knij- 
per, ntJptang. 

Katjir, zie Kotjar. 

Elatjoe, catechu, ook (Jav.); een 
maat b\] het koopen van linnen- 
goed, enz., = aan de breedte van 
het goed. 

Katjoek, vreemd, raar, linksch, 
enz., met een vreemden tongval 
(van de uitspraak); Bahasa ka- 
tjoekan, de taal met een vreem- 
den tongval. 

Ka^oeng (Jav.), knaap, knaapje, 
jongen, jongetje, ventje, enz. 



Katoeng, dobberen, dry ven. 

Katoep, dicht, gesloten, toe, toe- 
gedaan, dichtgemaakt; Mënga- 
toep, dicht doen, toe doen, slui- 
ten, dichtmaken, enz. 

Katok, zie Këtok (Jav.), ook korte 
broek. 

Kau, zie Angkau. 

Kawa, koffie; Kawa-kawa, spin. 

Kawah, groote yzeren pan, ook 
krater van een vulkaan. 

Ka'wal, bewaker, wacht. 

Kawan, makker, metgezel, volge- 
ling, bediende, bende, troep, hoop, 
ploeg, kudde, school, enz. 

Kawang (of Tëngkawang), Ho- 
pea, Rxb. spec. div. hooge, hars- 
r^ke boomen, die de bekende 
Minjak-kawang of Kawang 
olie leveren. 

Kawat, metaaldraad; Kawat bësi, 
ijzerdraad ; Kawat tëmbaga, 
koperdraad ; Soerat kawat, 
telegram. 

Kawin, huwelyk, paring, huwen, 
trouwen, een huwelijk sluiten, 
zich in het huwelijk verbinden, 
enz., paren (van dieren); Mas 
kawin, bruidsschat aan de bruid ; 
Bërkawin, trouwen, getrouwd 
zijn, enz. ook: (van menschen) den 
coïtus uitoefenen, (van dieren) 
paren ; Mëngawinkën, doen 
trouwen, uithuwelijken, in den 
echt verbinden. 

Kawoel (Soend.), zwam (van den 
aren- of sagueer-palm). 

Kawoeng (Soend.), de aren-palm, 
(zieAren),ook het blad daarvan,dat 
toebereid tot dekblad van inland- 
sche sigaretten wordt gebruikt. 

Këbabal (of Babal) (Jav.), jonge 
nangka- vrucht. 

Këbajau, zie Kabajan. 

Këbak, vol, gevuld. 

Këbam, loodkleurig. 

Këbar, waaier, om een vuurtje 
aan te wakkeren; Mëngëbar, 
met zulk een waaier een vuur 
aanmaken. 



KEBA. 



KEDJ. 



133 



Këbas, min of meer verdoof d,^ook 
schudding, uitschudding ; Meng- 
ëbas, uitschudden, schuddend 
reinigen, uitstoffen, enz. 

Kèbat, uitkloppen, uitslaan, enz. 
ook: ontwikkelen. 

Këbëk, onordelyk onder elkander, 
opeengedrongen, vol, overvol, enz. 

Këbën, bamboezen doos, doos van 
gevlochten bamboe, mand. 

Këbës (Këbës-këbës), iets met de 
vingers uit elkander halen, van 
elkander trekken, uitpluizen, enz. 

Këbet, blad, vel (papier, enz,). 

Këbiri, gelubd, ontmand, gesne- 
den; Mëngëbiri, lubben, ontman- 
nen, snyden; AJam këbiri, 
kapoen. 

Këbit (ook TJatoet), tangetje om 
de haren van den baard, enz. uit 
te trekken. 

Këbo, zie Karbau. 

Këboer, Mëngëboer, door omroe- 
ren troebel maken (van vochten, 
waarin bezinksel is). 

Këboet, stoffer, enz. ; Mëngëboet, 
afstoffen, vegen, uitkloppen, enz., 
ook de muskieten uit de gord\j- 
nen van een ledikant verjagen 
door er met een bezem, enz. heen 
en weder te zwaaien. 

Këbon, tuin, hof, boomgaard, be- 
plant erf, plantage; Mëngëbon, 
een tuin aanleggen, tuinieren, enz. 

KëbOB (of Këboes), zich branden 
(by het eten of drinken van heete 
spijzen of dranken). 

Këdai, winkel, kraam, stalletje; 
Bërkëdai, een winkel houden, 
openen, enz. 

Këdang, recht uitgestrekt; Më- 
ngëdangkën, recht uitstrekken, 
vellen (van een piek, enz.). 

Këdangkang (ook : Këdong- 
kong) beugel over den trekker 
van een geweer. 

Këdap, dicht (van een weefsel). 
Zie ook: Këdjap. 

Këdar (of K^dar) (Ar.), hoogach- 
ting, waardeering, schatting, be- 



schikking, voorbeschikking, nood- 
lot, waarde, hoeveelheid, maat, 
vermogen, macht, enz.; Sakëdar, 
alleen, slechts, alleen maar, naar 
gelang van, naar evenredigheid 
van, enz. 

Këdële, Soya hispida Mönch., de 
bekende Indische soya-boontjes. 

Këdëngkik, vel en been, tot den 
uitersten graad vermagerd. 

Këdep (Këdepkëdep),knipoogén. 

Këder, popelen, 

Këdi, manwgf, een vrouw, die als 
een man is en doet, ook een 
man, die zich als een vrouw 
kleedt, enz. 

Këdjai, de ledematen uitrekken. 

Këdjam, gesloten (van de oogen), 
bedekt, goedsluitend, geen reten 
vertoonend, enz., slapen, de oogen 
sluiten, bedekken. 

Këdjang, krampachtig styf (van 
een arm of been). 

Këdjap, knip met het oog, oogen- 
blik; Bërkëdjap of Këdjap- 
këdjap, knipoogen, de oogen 
open en dicht doen; Sakëdjap, 
een oogenblikje. 

KëdJar,MëngëdJar, nazetten, ver- 
volgen, enz. 

Këdjat, strak, styf; verstijfd (van 
een lichaamsdeel). 

Këdjen, ploegijzer, ploegschaar, 
ook wig, houten wig. 

Këdjër, stuiptrekking, zenuwtrek- 
king; Këdjer-këdjër, stuiptrek- 
ken, trekken (der zenuwen). 

Këdji, slecht, gemeen, laag; Më- 
ngëdjikën, voor slecht, enz. 
uitmaken. 

Kedjoe, kaas. 

Këdjoer, st^jf, onbuigzaam, steil 
(van haar), 

Këdioera (of Këdjora), Bintang 
këdjoera, de morgenster. 

Këdjoet, zenuwtrekking, schok 
van het lichaam, enz.; Tërke- 
djoet, schrikken, verschrikken, 
een schok door het lichaam voe- 
len, hartklopping krygen, enz. 



134 



KEDO. 



(door een plotselingen schrik); 
Mëngrëdjoetkën, iemand doen 
schrikken, aan het schrikken 
brengen, enz. 

Këdoek, Mëngëdoek, uitgraven, 
uitschoppen, uithalen, omroeren, 
omwerken, enz. 

Këdoeng, (Jav. Soend. Bat.), holte, 
diepte in een rivierbed, ook kolk, 
draaikolk. 

Këdoes, damp, walm, wasem; 
Mën^rkëdoes, dampen, wasemen 
(byv. van gaargekookte ryst). 

Këdoet = Këdjoet, zie aldaar, 
ook: rimpel, plooi, vouw, enz.; 
Këdoetan, op de eene of andere 
plek van het lichaam (meestal 
aan de oogen), zenuwtrillingen 
voelen, enz. 

Këdok, masker. 

KëdonjBTdong, een hooge boom, 
veel in omheiningen aangeplant ; 
enkele soorten hebben eetbare 
vruchten, zooals de Evia amara 
Comm. en de£viaborbonica,Lam. 
nat. fam. der Spondiaceae. 

Këkal, bestendig, duurzaam, voort- 
durend, eeuwig, onvergankeiyk, 
ook: sttjf, büna geen adem kun- 
nen halen (van voortdurend lachen 
b^v.), drukkingj)p de maag voelen, 
enz. (zie Këkël). 

Këkang, bit, gebit, stang. 

Rëkar, uit elkander, niet opeen- 
gehoopt, ^ niet aaneensluitend, 
open; Mëngëkar, uit elkander 
halen, openen (van de vrouwe- 
lijke schaamdeelen btjv.); Pë- 
Dgëkar, moederspiegel, instru- 
ment om de vrouwelijke schaam- 
deelen te openen. 

Këkara, Lablab vulgaris, Savi, 
nat. fam.der Papilionaceae,slinger- 
plant met eetbare vruchten. 

Kekël (Bat.), schudden van het 
lachen, daardoor ook ten laatste 
een ptjnlöke drukking op de 
maag voelen. 

Këkëp(Jav.), dek,deksel; Ngëkëpi, 
met iets dekken, met de armen 



KELA. 

' omklemmen en zoo dekken, onder 
een mantel, deken, enz. plaatsen 
en zoo dekken, (van een hen hare 
kuikens) onder de vleugels ne- 
men, enz. 

Këlabang, duizendpoot. 

Këlabët, bokshoornzaad, fenegriek. 

Këlaboe, aschkleur, aschkleurig, 
grauw, grtjs, grijsachtig. 

Këladak, droesem, moer, bezinksel. 

Këladi, een Colocasiasoort (Colo- 
casia antiquorum Schtt. nat. fam. 
der Ariodeae) waarvan de wortel- 
knoUen en de jonge bladeren 
gegeten worden. 

Këlagëpan, naar den adem 
zoeken, op het punt z\Jn van 
te stikken, het erg benauwd 
hebben, enz., ook stikken, ver- 
stikken. 

Këlahi, gevecht, strijd, twist; Bër- 
këlahi, vechten, strijden, twis- 
ten, krakeelen, plukharen, enz, 

Këlak, aanstonds, zoo met een, 
weldra, eens, te eeniger tyd. 

Këlakat, gevlochten bamboezen 
raam of zeef, die in een kookpot 
wordt geplaatst, om hetgeen 
daarop gelegd wordt, gaar te ko- 
ken zonder dit in directe aanra- 
king met het water te brengen. 

Këlam, donker, duisj;er, duisternis, 
donkere maan ; Këlam kaboet, 
pikdonker, stikdonker; Mëngë- 
lam, by donkere maan visschen, 
vischvangen met netten, enz. 

Këlamin, paar, man en vrouw, 
mannetje en wflf je, gezin, familie. 

Këlamboe, gordyn, bedgordyn, 
deurgordijn, enz, voorhang; Kë- 
lamboe tëmpat tidoer, bed- 
gorden; Këlamboe djëndela, 
venstergordtjn. 

Këlandjer, kher; Boewah Kë- 
landjër, kliergezwel; Këlan- 
djëran, klieren hebben, aan khe- 
ren ItJden, enz. 

Këlangkang, de ruimte tusschen 
de dflen. 

Këlantang (Jav.), touw, waarop 



KELA. 

goed te drogen wordt gehangen ; 
toestel, raam, kruis, enz. waarop 
een natte huid ter droging wordt 
uitgespannen, droogltjn, droog- 
raam, enz.; Mëngëlantang, span- 
nen, uitspannen, iets op een raam 
of kruis uitspannen om te dro- 
gen, enz. 

Këlapa (ook; Njioer), Cocos nuci- 
fera, L. Nat. fam. der Palmae, de 
cocospalm, ook de vrucht. De 
voornaamste soorten van dezen 
bekenden en nuttigen palm z\jn : 
Këlapa baU, Cocos nucifera, var. 
maxima ; Këlapa gading, Cocos 
nucifera, var. eburnea; Këlapa 
idjo, Cocos nucifera, var. viridis ; 
Këlapa koening, Cocos nuci- 
fera, var. alba; Këlapa poejoe, 
Coces nucifera, var, pumila; Kë- 
lapa radje, Cocos nucifera, var. 
regia, enz. ; Këlapa ingoesan, 
jonge cocosnoot met vleesch in 
zyn eerste vorming; Këlapa 
tjoengkilan, idem, met week 
vleesch ; Këlapa tëlinga kam- 
bing, idem, half riJp; Këlapa 
gontjang, idem, waarvan het 
water by schudding hoorbaar is; 
Këlapa bërgigi balang, idem, 
waarvan de j^oet zwart begint te 
worden; Këlapa toeba, idem, 
goed rüp ; Këlapa koetai, idem, 
met droge bast; Këlapa poean 
of Këlapa dimakan boelan, 
idem, waarvan het vleesch bry- 
achtig of klonterig is (veel als 
lekkernt) gebruikt) ; Këlapa hi- 
djaü, jang toenggal, een eenige 
cocosnoot aan den kolf zittend 
(als toovermiddel te gebruiken), 

Këlapir (of Këlapër), de zaadbal 
len, testiculi. 

Këlar, kerf, vore; Mëngëlar, ker 
ven, voren in iets trekken. 

Këlat, schoot, bras, (scheepsterm) 
Mëngoeloerkën këlat, den 
schoot vieren; Mënarik këlat, 
den schoot aanhalen. 

Kelder of Kerder: (Mol. Mal.); 



KELI. 



135 



jjanever-kist, ook : idem-flesch. 

Këlëboe (Jav. Bat.), vergaan, om- 
slaan, zinken, verongelukken (van 
een vaartuig). 

Këlëboet, vorm, leest. 

Këleh (Mëngëleh), zijwaarts k^- 
ken, van ter z\)de kyken. 

Kelek, oksel; Mëngelek, onder 
den oksel wreven, onder de vleu- 
gels (van een haan btjv.) wrijven 
(om hem tot vechten aan te spo- 
ren), ook iets onder den arm op 
de heup dragen, enz. 

Këlëmbak, rhabarber. 

Këlëmboeng, (zie ook Këm- 
boeng), opgezet, gezwollen, lucht- 
houdend, opgeblazen, blaas ; Kë- 
lëmboengan, blaas, de blaas. 

Këlëmoemoer, schilfers op 'thoofd, 
roos. 

Këlëmping, slap, slap neerhangend 
(van^ de borsten eener vrouw), 
Këlëmpingan, kleine glazen 
blaasbellen (kinderspeelgoed). 

Këlënengan (Jav.), muziek maken 
op koperen slaginstrumenten, ook 
tokkelen, (op een^piano, enz.). 

Këlëngër, zie Kalëngër. 

Këlentang, vruchten van den 
Këlor-boom (Moringa polygona, 
DC. nat. fam. der Moringeae), die 
veel als groente worden gebruikt. 

Këlëtik (of Këlëtëk), Këlëtikan, 
spartelen, (als een garnaal op 't 
droge, enz.), 

Këlëntit, kittelaar, clitoris. 

Këlewang, inlandsch zwaard, hou- 
wer, lang hakmes, sabel. 

Këliling, zie Koeliling. 

Këlim, zoom, smalle zoom aan een 
kleed; Mëngëlim, zoomen, een 
zoom aan een kleed zetten, naaien. 

Këlindan (of Këlindën), koord 
zonder eind tot het draven van 
een spinnewiel, enz. dry f koord, 
dryfriem, 

Këling, dejiust van Coromandel; 
Orang këling, Klingaiees. 

Këlingking, pink. 

Këlintlng, bel, rinkelbel, schelletje, 



136 



KELL 



klokje, enz.; (ook Këlintingan). 

Kelilip (Këlilipan), stof, enz. In de 
oogen krijgen. 

Këlintji, kon^n, ook haas. 

Këlip, het knippen van de oogen, 
het knipoogen, ook het flonkeren, 
glinsteren van de oogen, vonk, 
glinstering ; Këlip-këlip, flikke- 
ren, (van een vlam b^jv.), onop- 
houdelijk openen en sluiten (der 
oogen), beurtelings flikkeren en 
donker zijn (zooals by een vuur- 
vheg), enz. 

Këlir (Jav.), scherm by wajang- 
vertooningen. 

Këliroe (Jav.), verkeerd, fout, in 
de war, dwaling, vergissing. 

Këlisar (of Këlisal), mat, vloer- 
mat, voetmat (waarop men de 
voeten afveegt). 

Këlit, Bërkëlit, zich achter iets 
verbergen. 

Këloe, stom. 

Këloeh, zucht, ook ring, die door 
den neus van een buffel of rund 
gehaald wordt, om het dier beter 
te kunnen beheerschen; Mëng- 
ëloeh, zuchten, diep adem- 
halen. 

Këloek, bocht, kromming; Bër- 
këloek, Mëngëloek of Mëng- 
këloek, een bocht hebben, een 
bocht maken, zich buigen, enz. 

Këloempoek,opeengehoopt,opeen- 
hooping, vereeniging, verzame- 
ling, enz. ; Bërkëloempoek, op- 
eengehoopt ztjn, enz. bQ troepen 
of groepen, bjj scholen, enz. 

Këloeng, buiging, bocht, krom- 
ming (van buigzame voorwerpen 
als rotting, enz.); Mëngëloeng, 
ombuigen, zich buigen, kromtrek- 
ken, enz. 

Këloepoer (Këloepoeran), sparte- 
len, stuiptrekken (btjv. van een 
geslachte kip). 

Keloeroek, gekraai, kraaien (van 
een haan). 

Këloewëk, de vrucht van den 
Poetdoeng(Fangium edule, Bwd.) 



KEMB. 

die veel in toespflzen b\j de r\]st 
gebruikt wordt. 

Këloewih Artocarpus incisa. L. 
Nat, fam. der Artocarpeae, de 
broodboom. 

Këlongkong, de nog zachte dop 
van een cocosnoot, die door een 
eekhoorn, enz. uitgehold is. 

Këlontang, rammelaar, enz ; Kë- 
lontangsui, rammelen, met ram- 
melaars enz. leven maken, ook 
ledig rondloopen, drentelen, slen- 
teren, enz. 

Këlontong, rammelaar, ook Chi- 
neesche rondventer, marskramer, 
rondgaand koopman, die zyne 
komst door zulk een rammelaar 
aankondigt. 

Këlor, Moringa polygona. DC. Nat. 
fam. der Moringeae, middelmatige 
boom, wiens vruchten (zie Kë- 
lentang) en bladeren veel gege- 
ten worden. 

Këmam, Mëngëmam, iets in den 
gesloten mond houden. 

Këmamang (of Këmang), dwaal- 
lichtjes, beschouwd als geesten. 

Këmanakan, zusters kind. 

Këmaroek, hongerig, voortdm-end 
hongerig ztjn, vaak naar eten 
verlangen, enz. (zooals dikwijls 
met pas herstelde zieken het 
geval is). 

Këmbali, zie Kombali. 

Këmban (Jav.), (of Këmbën), doek 
der vrouwen, om er den boezem 
mede te bedekken,smal,lang kleed 
dat over de borst gedragen 
wordt. 

Këmbang (ook Boenga), bloem, 
ook open, geopend, uitgespreid ; 
Bërkembang, bloemen dragen, 
gebloemd zijn; Mëngëmbang, 
zich openen, openen, uitspreiden. 

Këmbar, aan eikander gelijk zijn 
en bij elkander behooren (van 
twee of meer zaken), tweeling, 
span, dubbel, enz. 

Këmboeng, opgeblazen, opgezet, 
gezwollen :(van de buik). Ikan 



KEMB. 

këmboeng, een soort gewilde 
zeevisch. 

Këmbok (of Kobokan), koperen 
vingerkom, koperen waschkom, 
waarin de vingers by het eten 
gewasschen worden, enz. 

Kemeh, urine; Bërkêmeh, uri- 
neeren. 

Këmëloet, beslissend oogenblik, 
crisis. 

Këmënjan, zie Mënjan. 

Këmiri, Aleurites triloba Frst. Nat. 
fam. der Euphorbiaceae, hooge 
boom, die de welbekende in vele 

; spyzen gebruikt wordende noten 
geeft. 

KëmiB (Hari këmis) (Ar.), Don- 
derdag; Malëm këmis, de nacht 
van Woensdag op Donderdag, 
Woensdagnacht. 

Këmit, wachter, waker, wachtvolk. 

Këmoedi, roer (van een vaartuig), 
kolf (van een geweer). 

Këxnoedian, daarna, vervolgens, 
naderhand, later, na, voorts, enz. 

Këmoekoes, Cubeba officlnalis, 
Miq. Nat. fam. der Piperaceae, 
staartpeper, cubebe. 

Këmoel, dek, dekkleed, deken; 
Bërkëmoel, Këmoelan, een 
deken gebruiken, omhebben, enz. 

Këmoening:, Murraya sumatrana, 
Roxb. Nat. fam. der Aurantia- 
ceae, middelmatige boom met 
geurige bloemen en goed hout. 

Këmoer, Këmoer-këmoer, Bër- 
këmoer, den mond spoelen. 

Këmberoep (of Këmoerëb), voor- 
over op den buik liggend, — lig- 
gen, enz.; Bërkëmoeroep, op 
den buik liggen, kruipen, enz. 
Këmoet, zuiging; Mëngëmoet, 
iets in den mond houden, aan 
iets zuigen, enz., ook zich openen 
en weder sluiten (zooals (bflv. de 
aars van een kip). 
Këxnol (Këmolkëmol), op en neer- 
gaan (byv. van de kaken b\j het 
eten). 
Këmpëlang (Bat.), (of Këmplang), 



XENA. 



137 



Mëngëmplang, met een stuk 
hout, enz. slaan, ranselen, afros- 
sen, enz., ook iemand iets ont- 
futselen, afhandig maken, bedrie- 
gen, enz. 

Kexupes, ingevallen, ledig, geslon- 
ken, plat (byv. van de borsten 
eener vrouw, een blaa^, enz.). 

Këxnpis, Bërkëmpiskëinpi8,een 
fluitend geluid doen hooren (byv. 
van iemand, die hard geloopen 
heeft), buiten adem zyn. 

Këmpoeng, ingevallen (van de 
wangen böv. van iemand die 
geen tanden meer heeft). 

Këmpoengan, de blaas, de onder- 
buik. 

Këna, geraakt, getroffen, aange- 
daan, enz., raken, treffen, aan- 
doen, enz., ook; juist, passend, 
enz., en kunnen, mogen, moge- 
lijk; Mëngënakën, iemand iets 
aandoen, iemand met iets aan- 
raken, raken, treffen, enz. ; Mëng- 
ënal, iemand door iets doen ra- 
ken, treffen, enz.; Tërkëna, ge- 
troffen, door den duivel bezeten, 
enz. 

Kënal, kennen, herkennen ; Mëng- 
ënal, kennen, bekend zjjn met, 
herkennen; Mëngënalken, doen 
kennen, zich doen kennen, her- 
kennen, enz. ; Kënalan, bekende, 
kennis; Bërkënalan, kennis ma- 
ken ; Mëngënali, iemand of iets 
herkennen ; Pëngënalan, her- 
kenning, kennismaking, enz. 
Kënan, behagen, welbehagen, wel- 
gevallen, instemming, goedkeu- 
ring ; Bërkënan, welbehagen 
scheppen, goed vinden, goedkeu- 
ren; Mëngënankën, iets goed- 
vinden, in iets behagen scheppen, 
iets goedkeuren, enz. ; BërkeziaD, 
behagen, welgevallen, goedkeu- 
ring, enz. 
Kënang, herinnering, verlangen; 
Tërkënang, Tërkënaiigkën, 
zich herinneren, enz. 

i Kënanga, Cananga odorate, Hk. 



138 



KENA. 



nat. fam. der Anonaceae, hooge 
boom met gezochte, welriekende 
bloemen. 

Kënantan, geheel wit; Ajam 
kënantan, een witte haan met 
witte pooten. 

Kënapa, waarom, waarvoor, waar- 
toe. 

Kënari, Canarium commune, L. 
nat. fam. der Burseraceae, hooge 
boom, met de bekende amandel- 
achtige vruchten. 

Këndaga, houten kistje, kleeren- 
mand, valies. 

Këndak (Jav.), minnaar, minnares, 
persoon, met wien men een onge- 
oorloofden, geheimen omgang 
heeft, boel, boeleerster; Bërkën- 
dak, minnehandel dryven, zich 
aan overspel schuldig maken, met 
iemand van een andere kunne 
geheimen omgang hebben. 

Këndali, toom, bit, gebit; Ken- 
dali doeri, inlandsch gebit voor- 
zien van scherpe stekels of pun- 
ten; Këndali katjip, gewoon, 
effen, in het midden buigbaar ge- 
bit, trens, enz.; Tali këndali, 
leidsel, teugel. 

Këndang, trom, Maleische trom. 

Këndati (Bat.), laat staan dat, al is 
het ook, ofschoon, z\j het ook, enz. 

Këndi, aarden waterkruik. 

Këndiri, zelf, alleen, persoonlijk, 
enz. Zie verder Sëndiri. 

Këndit (Jav.), buikband, buikriem, 
enz., ook: moet, indruksel (in 
eenig lichaamsdeel, by v. den arm, 
waaromheen een touw stevig 
gebonden is geweest), en een als 
een band rondloopende vlam in 
het hout eener krisscheede. 

Këndjar (ook Ngatjëng), staan, 
In erectie zi)n (van het manne- 
lijk lid). 

Këndoeng, Mëngëndoenfi^, iets 
in een doek of zak dragen. 

Këndor, slap, los, traag, niet ge- 
spannen, niet vlug, langzaam, 
niet bij de hand, enz. ; Këndorin; 



KENT. 

Mëngëndorkën, vieren, lang- 
zaam laten gaan, ontspannen, 
slap (los) maken, ontbinden, enz. 

Kengkang, Bërkengkang, Më- 
ngengkang, op den rug liggen 
met een been uitgestrekt en het 
andere opgetrokken. 

Kengkeng, gekef, ook de positie 
van een hond, bjjv. die bfl het 
urineeren een poot optilt; Më- 
ngengkeng, keffen, schel blaf- 
fen, ook een poot oplichten (als 
een hond by het urineeren). 

Këning, wenkbrauw. 

Kënja, maagd, jong meisje, ook: 
kauwen, wat voor het kauwen 
bestemd is; Sirih sakënja (of 
Sirih satampin), een klaarge- 
maakte betelpruim. 

Kënjam, Bërkënjam, met de lip- 
pen smakken (bijv. biJ het proe- 
ven van wün, enz.). 

Kënjang, verzadigd, vol, genoeg 
hebben, zat zijn van iets; Ka- 
kënjangan, overvol, oververza- 
digd, meer dan genoeg hebben; 
Mëngënjangkën, verzadigen, 
genoeg doen krijgen of hebben, 
enz. 

Kënjat, kleverig, plakkerig, enz. 
ook een gevoel hebben alsof men 
krimpt, verkleumen. 

Kënji, kleinzeerig, teeder van ge- 
stel, licht vatbaar voor ziekte, 
gevoelig voor koude, enz. 

Kënjoet, Mëngënjoet, zuigen, op 
iets zuigen, enz. 

Kënong, een koperen slaginstru- 
ment behoorende biJ den gamelan, 

Këntal (of Këntël), dik, lijmig; 
niet dun, niet vloeibaar, gebonden, 
gestold; Mëngëntalken, doen 
stollen, dik, brijig maken. 

Këntang, aardappel. 

Këntara, zie Ketara. 

Këntël, zie Këntal. 

Këntel, Mëngëntel, onophoude- 
lijk zuigen, aan de borst zitten, 
enz. (van een kind). 

Kentet (ook Kantet), aan elkan- 



KENT. 



KEPO. 



189 



der verbonden, vastzitten (zooals 
parende honden), aaneengescha- 
keld, enz. 

Kèntjang (ook Këntjëng), strak, 
gespannen, sttjfgespannen, styf- 
aangehaald, stevig bevestigd, 
hard, sttjf, stevig, sterk; Mëng- 
ëntjang, aanwakkeren, in hevig- 
heid toenemen (van den wind), 
ook streng z\jn, streng optreden, 
enz. streng op iets aandringen; 
Mëngëntjangkën, st\jf aanha- 
len, goed vastmaken, stevig bin- 
den, enz. ook streng optreden en 
maken, dat iets vlug afgedaan 
wordt, iets bespoedigen, verhaas- 
ten, iemand aansporen om iets 
vlug af te doen, enz. 

Këntjëng (Jav.), comptant. 

Kentjeng, groote ijzeren of kope- 
ren kookpan, ook Chineesche 
drilboor. 

Kêntjing, urine, pis, ookj)issen, 
wateren, urineeren ; Berkën- 
tjing, wateren, enz.; Mêngën- 
tjingi, iets of iemand bepissen; 
Tërkëntjing-këntjing, onwil- 
lekeurig pissen (btjv.^by groote 
vrees, enz.) ; Pëngëntjingan, 
blaas, pisblaas. 

Këntoet, veest, wind; Bërkën- 
toet, een veest, een wind laten, 
Mëngëntoetkën, iemand be- 
veesten, enz. 

Këpal (of Këpël), de gesloten hand, 
vuist, wat in een vuist gesloten, 
gekneed wordt, kluit, klont, enz. ; 
Mëngëpël, de hand tot een vuist 
samentrekken, iets in de vuist 
houden, iets tot een kluit, klont, 
bal, enz. kneden; Mëngëpalkën, 
iemand de vuist toonen, de vuist 
onder den neus houden, enz. 

Kepang, vlecht, vlechtwerk van 
bamboe; Mëngepang, vlechten 
(van haar), ook vlechtwerk maken 
van reepen bamboe, enz. 

Këpe (of Këpek), uit elkander 
halen, plukken, enz. ook afschil- 
feren, in schilfers af bladeren, enz. 



Këpek (Soend.), reismand of doos 
van de schutbladeren van een 
palmsoort en van bamboe en rot- 
ting gemaakt. 

Kepeng, halve duit, halve cent. 

Këpengin (of Këpingin), naar iets 
verlangen, trek, lust in iets heb- 
ben, behoefte gevoelen naar, be- 
lust zyn op, enz. 

Kepet, vuil, (van iemand, die een 
groote behoefte doet, zonder zich 
daarna te wasschen) ; Mëngepet, 
de billen niet afwasschen na het 
doen eener groote behoefte. 

Këpil, vlak b\) of tegen iets aan, 
zO aan z\j, enz.; Mëngëpilkën, 
dichtbjj brengen, aan iets laten 
raken, aansluiten, enz. iets vlak 
by iets vastleggen, meren (van 
vaartuigen), enz. 

Keping (Mol. Mal.), centen, geld. 

Këpit (ook Këmpit), geklemd 
tusschen den arm en het lyf, 
onder jien arm gedragen, enz.; 
Mëngëmpit, iets onder den arm 
tegen het lyf gedrukt dragen, enz. 

Këpiting, krab, zoetwaterkrab. 

Këplek, dobbelparty, dobbelspel, 
ook slag met de vlakke hand of 
met iets plats, mep, enz. ; Meng- 
ëplek, dobbelen, zich aan hazard- 
spelen overgeven, enz., ook met 
de vlakke hand slaan, een mep 
geven, met iets plats slaan, enz, 

Këpleset, uitgegleden, enz., zie 
Pleset. 

Këpoel, dicht, dik opeengepakt, in 
kolommen opstijgend (van rook), 
rookkolom, enz. ; Mëngëpoel, als 
een rookkolom omhoog stijgen, 
in dichte kolommen opstijgen, 
enz. 

Këpoeng, kring om iets heen, om- 
singeling, enz. ; Mëngëpoeng, 
omringen, omsingelen, omgeven, 
insluiten, belegeren ; Pangë- 
poengan, omsingehng, belege- 
ring, insluiting, enz. 

Këponakan, neef of nicht, broers- 
of zusterskind. 



140 



KEPO. 



Kepot, in elkander gedraaid, ge- 
frommeld, samengeplooid (van 
den mond), enz. 

Keprét, iets van zich afschudden, 
enz.; Mêngepret, Mëngepret- 
kën,iets8prenkelen,tegen iemand 
aan sprenkelen, van zich afschud- 
den, door schudden van zich af- 
gooien, enz. (zooals een hond bijv. 
die uit het water komt, dit door 
schudding weg doet). 

Kêra (ook Monjet), aap. 

Këraboe, inlandsch oorhanger, oor- 
bel, oorknop. 

Kérah, oproeping, ook tvrist, ge- 
twist, gevecht, vechten, twisten, 
enz.; Mëngërab, twisten, twist 
zoeken; Mëngërahkën, oproe- 
pen, bijeenroepen, verzamelen, 
(van ondergeschikten tot het ver- 
richten van eenig werk). 

Kërak, aanbaksel, korst (van r\jst 
in een pan), ook aanzetsel, vuil, 
roest, enz. ; Bërkërak, een aan- 
baksel aanbrandsel hebben, ook: 
vuil, roestig, enz. zt|n. 

Kërakal, grind, kleine rolsteenen, 
enz. (meest gebruikt voor bestra- 
ting, enz.); Hoekoeman këra- 
kal, pohtiestraf, ten arbeidstel- 
ling aan de publieke werken 
(waaronder ook het verzamelen 
en aanbrengen van grind, enz.)- 

Kërakap, de harde schutbladeren 
aan sommige planten of boomen, 
enz. 

Këramas, het hoofd met loog 
schoonwasschen, de haren reini- 

fen met loog, enz. 
pan (of Kërën), komfoor, test. 

Kërandjang, gevlochten mand, 
pakmand, korf, schanskorf, enz. 

Kërang, schelpdier, mossel. 

Kërangkang, een soort kleine 
krab met lange pooten. 

Kërangkeng, hok, kooi, met ste- 
vige, eenigszins van elkander 
staande tralies afgeschoten ruim- 
te, enz. (voor gevangenen, wilde 
dieren, enz.). 



KERE. 

Kërani, schrjjver, geheimschr\jver, 
Chin. schrijver of boekhouder. 

Kërap(of Kërëp), dikwerf, dikwyis, 
vaak, herhaaldelijk, telkens, dicht 
op elkander, dicht aaneen, enz. 

Këras, hard, vast, stevig, sterk, 
hevig, straf,^ streng, geweldig, 
enz.; Mëngërasi, dwingen, ge- 
weld aandoen, alle krachten tot 
iets aanwenden, iets met alle 
kracht aanvatten, enz., ook streng 
ztjn, iem^and^ streng behandelen, 
enz.; Mëngërasken, iets vast, 
hecht maken, vast aan iets hou 
den, veel werk van iets maken, 
met geweld iets bevorderen, ma- 
ken, dat iets gedaan wordt, enz., 
ook met strengheid optreden, enz, 

Kërasan (Jav.), (ook Bëtah),ergen8 
kunnen aarden, zich op zöii gemak 
gevoelen, het er kunnen uithou- 
den, enz. 

Kërat, snede, kerf, afgesneden, 
stuk, brok, deel; Mëngërat, 
kerven, afsnijden, in stukken 
yerdeelen. 

Kërawang, h jour bewerkt, open 
sniJ- of kant- en naaldwerk. 

Kërawit, aarswormen. 

Kërdja, arbeid, werk, bezigheid, 
handeling, verrichting, bedrijf, 
feest, feestviering; Bëkërdja, 
werken, arbeiden, in dienst z^n, 
iets doen, feestvieren, enz.; Më- 
ngërdjakën, aan iets bezig zijn, 
aan iets werken, arbeiden, iets 
verrichten, bearbeiden, ten uit- 
voer brengen, doen werken, aan 
het werk zetten, enz.; Pakër- 
dja&n, werk, arbeid, dienst, be- 
diening, ambt, daad, handeling, 
enz. 

Këre, voorhang van dunne bam- 
boelatjes die evenwijdig aan elk- 
ander verbonden, een soort van 
doorzichtig scherm vormen, veel 
gebruikt voor woningen in de 
plaats van zeilen. 

Këredong, zie Kërodong. 

Kerek, hijschblok, katrol, takel; 



KERE. 



KERO. 



141 



Mëngerek, met een katrol op- 
hyschen, optrekken. 

Kërëtn, op iets zittend, •— broe- 
dend; Mèngërëm, broeden, be- 
broeden. 

Kërëmëki, schilfers op het hoofd, 
roos; Kërëmëkian, roos, schil- 
fers op het hoofd hebben. 

Kërëmi, aarsmaden, Jileine inge- 
wandswormen; Kërëmian, inge- 
wandswormen hebben, door inge- 
wandswormen geplaagd zyn. 

Kërëmpoeng, de onderbuik ter 
hoogte van de blaas. 

KërëngjStreng van uiterlijk, streng, 
norsch, ruw, ongemakkelijk, ont- 
zag inboezemend, enz. 

Kërënjoet, knarsen van de tanden, 
enz., ook: pijnlyke zenuwtrekking. 

Kërëpek, mand, reismand, vahes. 

Kërëpot, het knappen der vingers 
by het trekken daaraan; Kërë- 
potin, de vingers laten knappen. 

Këret, hard over iets stryken, 
Këretan api, zwavelstok, luci- 
fer, (verg. Gëret). 

Këreta, zie^Kareta. 

Këi'ik, Mëngërik, krabben, af- 
krabben, ^afschrappen, radeeren, 
enz.; Kërikan, schrapsel, af- 
krabsel, enz. 

Kërikil, kleine keisteenen, (verg. 
Kërakal). 

Kërindjal; de nieren. 

Kering, droog, dor, enz.;Mëiigë- 
ringi, droogleggen, het water 
af laten loopen, enz.; Mëngë- 
ringkën, drogen, droogmaken; 
Këkëringan, uitgedroogd, droog 
geloopen, verdroogd, enz. 

Këringët, zweet, transpiratie, uit- 
waseming, wasem, enz.; Bër- 
këringët, zweet en, uitwasemen, 
enz.; Biang këringët; roode 
hond (uitslag). 

Kërintil, in bossen, in trossen, in 
groepen bijeen z^n, neerhan- 
gen (bUv. vruchten aan een 
boom). 

Kërinting (ook Këlinting en 



Kërintding),Kërintingan,schel- 

letjes, belletjes. 

Kërip, knappend, krassend geluid, 
geknaag ; Mëngërik, knagen, 
knabbelen aan iets (van muizen, 
enz.). 

Këripik, dunne, platte, ronde 
schijfjes van fijngestampte visch, 
garnalen, vruchten, enz. die als 
toespijs bij de rijst of als snoe- 
perij gegeten worden, 

Këripoet, gerimpeld, vol rimpels. 

Këris (Jav.Soend.), de Indische dolk. 

Kërit, krassend geluid, gekras, 
geknars. 

Këriting, gekroesd, (van het haar), 
gekruld, in krullen, kroesharig; 
Ramboet këriting, kroeshaar, 
gekruld haar. 

Kërintjing, zie Kërinting. 

Kërling, Mëngërling, even ter 
zijde, zijwaarts kijken, lonken, 
een lonk toewerpen. 

Këroeboeng, in menigte bijeen, 
opeengehoopt, opeenhooping; Më- 
ngëroeboeng, in menigte naar 
iets toe gaan, samenstroomen, 
enz.; Mëngëroeboengi, iets in 
menigte omringen, bedekken, enz. 
(zooals een zwerm bijen op een 
vrucht, enz.). 

Këroeboet, met zijn velen op iets 
aanvallen, iets aanpakken, enz.; 
Këroeboetin, iemand met zijn 
velen, lastig vallen, hinderen, aan- 
vatten, aanvallen, enz. 

Këroejoek, gekraai, kraaien (van 
een haan). 

Këroeng, holte, uitsnijding, uit- 
holling (btjv. van een lepel, enz). 

Këroepoek, toespijs bij de rijst 
(als Këripik), ook gemaakt van 
in dunne korte reepjes gesneden 
buffel- of runderhuiden. 

Këroet, rimpel ; Mëngëroet, rim- 
pelen, fronsen, inkrimpen, ook 
een trekkend, rekkend geluid 
voortbrengen; Bërkëroet, ge- 
rimpeld, vol rimpels zijn. 

Këroewan, zie Karoean. 



142 



KERO. 



KETI. 



Keroh, valsch, gemeen, slinksch, 
bedriegelük van aard. 

Kërojok, Mëngërojok (Jav.), in 
menigte met zfln velen op iets 
aanvallen,iemand aanpakken, enz. 

Kërok, roskam,^ ook een krabbend 
gelnid; Mèngërok, krabben, af- 
krabben, roskammen. 

Kërokot (ook Gelang), postelein. 

Këromong, koperen potvormig 
slaginstrumenten met knop. 

Kerong, loensch, scheef van ge- 
zicht. 

Kërongkong (ook Rongkong, 
Kërongkongan en Tëoggoro- 
kan), slokdarm. 

Këronijong, rinkelbel, schelletjes, 
enz., ook guitaar, guitaarspel, ge- 
tingel op een guitaar. 

Kërosang (Atj. Mal.)., borstspeld 
(in den vorm van een tak, enz. 
zooals vele inl. vrouwen dragen). 

Kërosok, ritselend, schuifelend ge- 
luid, ook de onderste bladeren 
der tabaksplant; Mëngërosok, 
ritselen, schuifelen. 

Kèrotjok, kletteren, ratelen (van 
kleine vallende of geschud wor- 
dende voorwerpen, btjv. hagels). 
Zie ook Kërojok. 

Kërpati, groote veeluis, hondeluis. 

Kësak, Mëngësak,opschuiven,op- 
schikken, op znde schuiven, enz. 

Kësal, zie Kësêl. 

Kësandoeng, tegen iets met den 
voet gestooten, — aangeloopen, 
gestruikeld, met den voet tegen 
iets aanloopen, over iets heen 
struikelen, enz. Zie Sandoeng. 

Kësat, ruw, niet glad, stroef, ruig. 

Kësël, vermoeid, afgemat, zich ver- 
velen, het land hebben, zich er- 
geren, iets moede, zat zijn ; Më- 
ngësëlkën, iemand het land op- 
jagen, ergeren, nijdig maken, enz. 

Këaet (ook Bëset), Mëngëset, 
villen, stroopen, het vel afstroo- 

f en, van de opperhuid ontdoen. 
slap (ECësiapan), erg schrikken, 
door schrik bevangen (bflv. door 



het zien van iets spookachtigs, 
enz.). 

Këskoel, etensbakje, ook beker, 
drinknap. 

Këeoema (of Koesoema) (Sk.), 
bloem (ook in figuurlijken zin). 

Kësoemba, Carthamus tinctorius, 
L. Nat. fam. der Compositae, mid- 
delmatige boom, die een roode 
verfstof levert. 

Kesot, Bërkesot, ook Mëngesot 
(Jav.), voortschuiven op den grond 
enz., schuiven (op zyn derrière, 
zooals kinderen doen, die nog niet 
goed loopen kunnen, enz.). 

Kesrah (of Kesra) (Ar.), het Arab. 
schryfteeken voor den i-klank. 

Këtam,^chaaf, ook krabbe, kreeft; 
Mëngëtam, schaven, met de 
schaaf bewerken. 

Këtan, Oryza glutinosa, Lour. Nat. 
fam. der G-ramineae, een aan 
kleefstof rijke rijstsoort, waarvan 
verscheidene variëteiten bestaan. 

Këtar (Mëngëtar), beven, rillen, 
schudden, sidderen. 

Këtara, gebleken, blijkbaar, duide- 
lijk, zichtbaar, aan den dag ge- 
komen, blijken, enz.; Mëngëtara- 
këo, doen blijken, laten zien, 
openbaren, duidelijk maken, aan 
den dag brengen, enz. 

Këteak, oksel. 

Ketel, ketel. 

Këtela, zie Katela. 

Keteng, een klein beetje, ook een 
halve duit of halve cent; Kete- 
ngan, bij beetjes, bij kleine hoe- 
veelheden (verkoopen, enz.). 

Këti (Sk.), honderdduizend, hon- 
derdduizendtal. 

Këtik, Mëngëtik, van zich afknip- 
pen, afstooten, enz. (bijv. met den 
duim en een der vingers, die na 
samengebracht te zijn, tegen iets 
^\ aan worden geknipt). 

Këtil, moeilijk, lastig, vervelend, 
langwijhg (van een fijn werk b^v.). 

Këtimoen, komkommer, augurk. 

Këting, gedeelte van het been 



KETI. 



KIJA. 



143 



boven den hiel tot aan de kuit; 
perat këting, Achillespees. 

Këtip, oogknip, — ook een dubbel- 
tje (Jav.); Mëngëtip^ knipoogen, 
met de oogen knippen, ook heel 
fijn met de nagels knijpen, enz. 

Këtir (of Këtar), min of meer 
rans of wrang (vergel. Gëtir). 

Këtjambah, uitgeloopen kiem van 
erwten of boonen. 

Ketjap, inlandsche soja, soja. 

Këtjap, smakkend geluid, gesmak, 
ook gezegde, enz.; Mëngëtjap, 
onder het eten smakken, een 
smakkend geluid maken. 

Këtjapi, harp, luit, ook naam van 
een^ vruchtboom. 

Këtjële (Bat), teleurgesteld, verle- 
gen, beschaamd, gefopt z\jn, zich in 
ztjne verwachting bedrogen zien. 

Këtjil, klein, gering; Anak këtjil, 
een klein kind ; Oewang këtjil, 
kleingeld, pasmunt ; Roemah 
këtjil, klein huis, huisje; Hati 
këtjil, kleinmoedig, beangst, be- 
vreesd, angstig; Këtjil hati, 
geraakt, nydig, kwaad, geërgerd 
ztjn, iets kwalijk nemen, enz.; 
Mëngëtjilkën, kleiner maken, 
verkleinon, verminderen, redu- 
ceeren ; Mëng^ëtjilkën hati, er- 
gernis aanbrengen, ergeren, enz., 
ook bang, beangst, ongerust ma- 
ken, enz. 

Këtjiwa (Jav.), teleurgesteld, be- 
schaamd, verlegen, enz. z\jn, bot 
vangen, een koopje snappen, enz. 

Këtjoeboeng, amethyst, ook : 
Datura alba Nees. nat. fam. der 
Solanaceae, een plant in Indië, 
welbekend om hare bedwelmende 
eigenschappen. 

Kë^oet (Jav.), zuur, ook wrang. 

Këtjoewaliy uitgezonderd, behalve, 
behoudens, tenz\j; Mëngëtjoe- 
'walikën, uitzonderen, met iets 
een uitzondering maken. 

Këtoek, koperen potvormig slag- 
instrument (met een knop), be- 
hoorende by den gamëlaxL 



Këtoel (Jav.), bot, stomp, ook door 
kramp samengetrokken (van pe- 
zen, enz.). 

Këtoembar, korianderzaad. 

Këtoembe, kleine schilfers of roos 
op het hoofd. 

Këtoemboehan, de pokken, kin- 
derziekte. 

Këtoepat, r^jst in van kokosbla- 
deren gevlochten zakjes gaarge- 
kookt. 

Këtok, slag, klop, ük, gekakel 
(van een kip) ; Bërkëtok-këtok, 
kakelen van een kip ; Mëngëtok, 
op iets kloppen, met de knokkels 
van de hand op iets slaan, tikken. 

Kewan, dier, beest; Kewan (Mol. 
Mol.), bosch; Kapala-kewan, 
boschwachter, opziener over de 
bosschen. 

Kewat, by de hand, snibbig, den 
mond goed kunnen roeren, enz. 

Kiai, oudje, vadertje, titel voor 
bejaarde en hooggeëerde mannen, 
enz., ook van leeraren van priester- 
scholen en van godsdienstonder- 
wijzers. 

Kibar, Bërkibar, wapperen (van 
vlaggen), fladderen, klapwieken, 
zweven (van vogels). 

Kibas, Mëngibas, met iets (btjv. 
een doek, een bezem), heen en 
weder zwaaien, met iets tegen 
iets slaan, ook kwispelstaarten. 

Kiblat (Ar.), streek, hemelstreek, 
kant, zyde, (voornamel\jk) de 
streek, waarin de heilige tempel 
te Mekka gelegen is, waarheen 
de geloovigen zich by het bidden 
richten moeten. (Ook de dooden 
worden in het graf met het ge- 
laat daarheen gericht, geplaatst). 

Kidang (of Kidjang), reebok, ree. 

Kidoel (Jav.), Zuid, het Zuiden, 
zuidelijk, (ook Sëlatan). 

Kidoeng, deuntje, liedje, zang, ge- 
zang. 

Ktjamat (Ar.), de opstanding, ook 
het laatste oordeel, de verwoes- 
ting der wereld. 



144 



KIJA. 



KIRI. 



K^an, gegeven of bepaalde groot- 
heid, dus, dusdanig, zoodanig; 
Sakian, zooveel; Doewakian, 
tweemaal zooveel ; Bërapa kian, 
hoeveel malen het gegevene, hoe- 
veel malen. 

KUas (Ar.), vergelijking, zinspeling, 
analogie, conclusie. 

K^ok (of Keok) (Soend. Bat), ge- 
schreeuw, gekakel (van een hoen); 
Mëngljok, kakelen, enz. 

Kikir, vfll, ook: gierig, vrekkig, 
schraapzuchtig, gierigheid, enz.; 
Mëngikir, vyien, afvijlen, met 
een vyl bewerken; Orang kikir, 
vrek, gierigaard, enz. 

Kikoék, linksch, boersch, gedwon- 
gen, niet op zyn gemak, stijf. 

Kilan (Jav.), span, de afstand tus- 
schen de toppen van den uitge- 
strekten duim en pink. 

Kilang, de rollen oener suikerriet- 
pers, ook het uitgeperste suiker- 
rietsap. 

Kilap, glimmend, blinkend; Meng- 
kilap, blinken, glimmen, glanzen, 
glinsteren. 

Kiiat, bhksem, weerlicht, weer- 
schfln, flikkering; Bërkilat, blik- 
semen, weerlichten, flikkeren, 
schitteren, blinken, enz. 

Kilik, met iets in een opening, 
holte, enz. peuteren, iets in een 
holte duwen en ronddraaien, met 
iets kittelen, enz. (ook Mëngilik) ; 
Kilik koeping, in het oor peu- 
teren (met een veertje, enz.). 

Eüma, een groote schelp. 

Kimpal, gedegen, massief; Mas 
kimpal, gedegen goud, goud in 
klompen of staven. 

Eliiiang(Jav.), een gereed gemaakte 
betelpruim; Mënginang, betel- 
pruimen. 

Kintal, erf, woonerf (Mol. Mal.). 

Elintja, dikke, brjjachtige zoete saus 
btJ sommige gebakken. 

Kintjir, waterrad, scheprad, om het 
water op te pompen of naar een 
hooger gelegen terrein op te voe- 



ren, ook : garenwinder, haspel* 

Kintjoep, een weinig open of ge- 
opend en puntig eindigend, half 
gesloten, (zooals byv. een bloem- 
knop), knop, bloemknop, ook: 
(van een vaartuig), smal, smal- 
buikig. 

Kiong (of Keong), schelp, schelp- 
dier. 

Kipai, Mëngipai-ngipai, kwispel- 
staarten. 

Kipas, waaier; Mëngipas, een 
waaier gebruiken, met een waaier 
waaien, met een waaier iets be- 
waaien. 

Kiprat, Mëngiprat, iets van zich 
afschudden, sprenkelen, bespren- 
kelen; Mënglpratkën, iets be- 
sprenkelen, enz. 

Kipsau (ook Kipsiau) (Ohin.), 
aarden thee- of koffiepot. 

Kira, denken, meenen, vermeenen, 
van meening zyn, zich verbeelden, 
gissen, vermoeden, achten, bere- 
kenen, overleggen, meening, gis- 
sing, enz.; Kiranja, toch, eilieve ; 
E[ira-kira,naar gissing,denkeiyk, 
vermoedeiyk, ook met mate, met 
overleg, gissing, J)erekening, be- 
grooting, enz. ; Mëngirakën, van 
een of aader iets denken, bere- 
kenen, enz. 

Eürabat, nabestaanden. 

Kiraï, een gevlekte komkommer- 
soort, ook een palmsoort, waar- 
van de bladnerven gebruikt wor- 
den tot het vervaardigen van de 
z.g. Bantamsche matten. 

Blirap, snelle op en neergaande 
beweging; Mëngirap, iets snel 
op en neer bewegen, uitslaan 
(bijv. van gewasschen goed by 
het ophangen),ui t8chudden,8chud- 
den van de veeren (zjooals kippen, 
enz. doen), ook klapwieken. 

Kiri, links, linkerzijde, linksch, 
linker; Sëbëlah kiri, links, ter 
linkerzöde; Mëngiri, links op- 
gaan, hnks uitwijken, links aan- 
houden, enz.; Mëngirikën, links 



KIRI. 



KOEB. 



145 



plaatsen links opstellen, links 
schuiven, enz. 

BLirik (Jav.), kleine hond, jong 
hondje, ook het te berge ryzen 
der haren, enz.; Mëngirik of 
Mëngkirik, rillen, tjzen,kippe vel 
krygen (van vrees, afschuw, enz.). 

Eliriin(Mëngirim,Bërkiriin), zen- 
den; Mëngirimi, iemand iets 
zenden, doen toekomen, ook iets 
aan iemand medegeven ; Mèngi- 
rimkën, iets aan iemand zenden, 
verzenden, sturen ; Kiriman, wat 
gezonden wordt. 

Kisa, gevlochten mandje, ook een 
netje ter bewaring van een of 
ander. 

Kisar (of Kisër), Bërkisar, in 
de rondte draaien, schuivend op- 
schikken, zich schuivend ver- 
plaatsen, zittend voortschuiven ; 
MëDgisar, in een molen of met 
een molensteen, die in de rondte 
draait, malen, vermalen, fijn wry- 
ven, enz., ook zich verplaatsen. 

Kifli, spil, roede, spyl, tralie; Kisi- 
kisi, tralies, traliewerk, raster- 
werk, hekwerk. 

Kisil of Kisilan, wr^Jf- of schuur- 
paal (voor dieren op de weide, 
enz.) ; Mëngisll, zich tegón dien 
paal aanwreven, schuren, enz. 
(van dieren). 

ELismiS) krenten, rozynen. 

Kisoet, gekreukt, gekreukeld, ge- 
rimpeld, verschrompeld, enz. 

Kita, wy (met insluiting van den 
aangesproken persoon), ook ik 
(wanneer de spreker zich hooger 
stelt dan de aangesprokene, ook 
in brieven). 

Kitab (Ar.), boek, geschrift (inzon- 
derheid van godsdienstigen aard) ; 
Alkitab, het boek btj uitnemend- 
heid, de Koran. 

Eitar (of Kitër)> Bërkitar, draai- 
en, wentelen, om een as, een 
middelpunt draaien; Mëngitar- 
kën, iets omdraaien, ronddraaien, 
doen wentelen, draaien. 
Maleisch-Hollandsch. 



Kiting, kruimpje, klein weinigje, 
enz., ook kromgetrokken (van de 
vingers door jicht, enz.). 

Klengteng, Chineesche tempel. 

Klëntit, de kittelaar, clitoris. 

Kloemit, beetje, w^einigje; Sakloe- 
mit, een bitter klein beetje. 

Klontang (of Këlontang, ook 
Këlontangan), vogelverschrik- 
ker, voorwerp om door geklep, 
enz., de vogels van de velden te 
jagen. 

Klontong, zie Kelontong. 

Kobar (Kobaran), in lichte laaie, 
in vlammen uitslaan, branden, 
af branden, verbranden, brand, enz. 

Kobër (Jav.), den tyd hebben, in de 
gelegenheid zyn of de gelegenheid 
hebben tot, convenieeren. 

Kobes, waar een splinter af is, 
beschadigd. ^ ^ kcd , q, t. a. c o ■,, c c,. / , 

Kobok, Mëngobok, door witer 
gaan, waden, ook in water spoe- 
len, wasschen, enz.; Kobokan, 
waschkom, vingerglas, ook stam, 
volksstam, party. 

Kodi, twintigtal, snees, twintig 
stuks. 

Kodja, Klingalees, Khngaleesch, 
Moor, Moorsch, Bengalees, Ben- 
galeesch; Pakodjan, wjijk of 
buurt, woonplaats der Kodja's. 

Kodok, kikvorsch, kikker, padde. 

Kodrat (Ar.), macht, almacht. 

Koe, verkorting van Akoe, zoowel 
pers. voornw. als bez. voornw. 
van den len persoon. 

Koeat, sterk, krachtig, ^stevig, 
hecht, vast, solied, enz.; Mëngoe- 
watkën, sterkpaken,versterken, 
enz.;MëDgoewat-ngoewatkën, 
met alle kracht iets doen, al 
z\jn krachten tot iets aanwen- 
den, zijn best doen, met al zyn 
v/ vermogen iets doen, enz. 
'Koebis, kool, koolgroente. 

Koeboe, schans, verschansing, 
aarden wal, borstwering; Më- 
ngoeboel, iets met aarden wallen 
of verschansingen insluiten, ver- 



146 



KOEB. 



KOEL. 



schansingen, enz. om iets heen 
aanleggen, maken. 

Koeboor (Ar.), graf, begraafplaats; 
Mëngoeboerkën, begraven, ie- 
mand begraven, in een graf neer- 
leggen; Pakoeboeran, begraaf- 
plaats. 

Koeda, paard; Koeda lëlaki, 
Koeda laki-laki, Koeda djan- 
tan, hengst, dekhengst; Koeda 
përampoean, Koeda istëri, 
merrie; Koeda këbiri, ruin, 
gesneden hengst; Koeda-koeda, 
schraag, stut, kruk, ook spruit 
(aan een dak) waarop de nokbalk 
rust; Koeda koeda&n, nage- 
maakt paard, hobbelpaard, enz.; 
Bërkoeda, te paard, te paard 
zitten, ryden, enz. 

KoediB, erg jeukende huiduitslag, 
roode hond, schurft, enz. 

Koedja, kruik, kruikje. 

Koedjoet, Mëngoedjoet, worgen 
(de straf voor overspoUge vrou- 
wen). 

Koedoe (Jav.), het moet, het be- 
hoort, het is noodig, noodzakelijk 
dat, enz. 

Koedoeng', verminkt van de lede- 
maten (zie ook Koetoeng), afge- 
kapt, stomp; ook een doek enz., 
dien men over het hoofd of om het 
lichaam draagt om dit te bescher- 
men, scherm, bescherming, enz.; 
Mëcgoedoeng, verminken; Bër- 
koedoecg, iets over het hoofd 
of het lichaam dragen by wyze 
van sluier, gesluierd gaan, ook 
zich onder de bescherming stellen 
van iemand,enz.;MëDgoedoengi, 
iemand een sluier over het hoofd 
slaan, beschermen, in bescher- 
ming nemen, enz. 

Koedoes, heilig; Roh'oelkoedoes, 
de heilige Geest; Mëngoedoes- 
kën, iets heiligen, heilig verkla- 
ren, als heilig beschouwen. 

Koekoe, nagel klauw; Bërkoekoe, 
nagels hebben, van klauwen 
voorzien. 



Koekoeh, stevig, vast, hecht, sterk, 
Mëngoekoehkën, sterk maken, 
versterken, staven in iets, enz. 

Koekoek, gekraai; Bërkoekoek, 
kraaien. 

Koekoek-bëloek, uil, nachtuil. 

Koekoep, aanshbbing aan de mon- 
ding van rivieren, enz., ook dek, 
dekkleed, bedekking, deksel; 
Mëngoekoepi, iets dekken, be- 
dekken, enz., ook beschermen, in 
bescherming nemen. 

Koekoer, gekir, ook klauw, krab- 
ber; Bërkoekoer, Jiirren, ook 
zich krabben : Mëngoekoer, 
krabben, afkrabben. 

Koekoes, damp, walm, wasem, 
stoom; Mëngoekoes. in stoom 
gaarkok^en, koken, distilleeren, 
enz. ; Bërkoekoes, dampen, uit- 
dampen, walmen, uitwasemen, 
enz ; KoekoesaD, trechtervor- 
mig mandje, waarin de ryst in een 
dandang wordt gaargestoomd. 

Koekoet (ook Kokot, Lantah), 
kram, oog, kromgetrokken, sa- 
mengetrokken (van de armen of 
vingers) — ook tam, mak, volg- 
zaam (van jonge diertjes, kuikens 
bt)v.); Mëngoekoet, aan of door 
een kram bevestigen, enz., ook 
byeenschrapen, met de als een 
hark omgebogen vingers tot zich 
halen, enz. 

Koel (of Kol) (Hol.Bat.)kool; Boeng- 
koes koel, een hoofddoek vastge- 
steven in den vorm van een kool. 

Koelah, vijver, kom, gemetselde 
(/ waterbak. 

Koelat, zwam, schimmel, mos, 
ook vuil aan de tanden. 

Koelawarga (ook Koelawangsa) 
(Sk.), famiUe, maagschap, bloed- 
verwanten. 

Koeli, daglooner, sjouwer, enz.; 
Bërkoell, Mëngpeli, als dag- 
looner werken, sjouwerdiensten 
doen. 

Koeliliog, rondom, in de rondte, 
omtrek, in den omtrek ; Bërkoe- 



KOEL. 

liling, rondgaan; Mëngoelili* 
Dgi, om iets heen gaan, iets 
omtrekken, omsingelen, inslui- 
ten, omgeven. 

Koelit, omkleedsel, omhulsel, be- 
kleedsel, huid, vel, schil, dop, 
bast, schors, enz.: ook bereide 
huid, leder, lederwerk, enz.; 
Koelit chatan, de voorhuid, heb 
praeputium. 

Koeloep, voorhuid, praeputium ; 
Bërkoeloep, van een voorhuid 
voorzien, nog niet besneden z^jn; 
Koeloep, ook als liefkoozings- 
woord voor jongens, die nog niet 
besneden zyn. 

Koeion (ook Barat), vrest, het 
westen, westelyk. 

Koembah, Mëngoembah, was- 
schen, spoelen, uitspoelen, ook 
iemand den mantel vegen, enz. 

Koembang. hommel, ook: groote 
tor (ook Koewangwoeng). 

Koemis, knevel, snor, ook sik. 

Koemoer, Bërkoemoer, den 
mond spoelen, gorgelen. 

Koempal (of Goempal), kluit, 
klonter, samengedrukte hoeveel- 
heid eener zachte, taaie zelfstan- 
digheid. 

Koempi(Bat.),overgrootvader,over- 
grootmoeder ; Anak koempi, 
achterkleinkind. 

Koempoel, verzameld, byeen ; 
Bërkoempoel, bijeen ziJn, byeen 
komen, verzameld, vergaderd z\Jn, 
vergaderen, zich verzamelen, enz. ; 
Mëngoempoelkën, bijeenbren- 
gen, verzamelen, te zamen bren- 
gen, vergaderen, opeenhoopen, 
enz. ; Koempoelan of Pakoem- 
poelan, verzameling, vergade- 
ring, bijeenkomst, enz., ook : som ; 
Tëmpat koempoelan, vergader- 
plaats, vergaderzaal, enz. (ook 
Pakoem-poelan). 

Koenang-koenang, de vuurvlieg, 
glimworm. 

Koendjoeng, eerbied, plechtig be- 
zoek;MèngoendJoengi,iemand of 



KOEP. 



147 



iets een plechtig bezoek brengen. 

Koening, geel; Koening toewa, 
donker geel; Koening moeda, 
lichtgeel; Poetih koening (van 
de huidskleur), blankgeelachtig, 
geelachtig blank;Sakit koening, 
geelzucht. 

KoeniDgan, geel koper. 

Koenir, zie Koenjit. 

Koenjah, Sirikauwsel. 

Koenjit, kurkuma, (Curcumalonga, 
L. Nat. fam. der Zingiberaceae) ; 
Iboe koenjit, de hoofdknol de- 
zer plant ; Anak koenjit, de btj- 
wortels. 

Koenjoek, aapje, jonge aap, kleine 
aap. 

Koenjoeng (Koenjoeng-koe- 
njoeng), eensklaps, plotseling.on- 
verwachts, op eens, onvoorziens. 

Koentji, sluiting, slot ; Iboe koen- 
tji, slot; Anakkoentji, sleutel; 

Koentji paha, de lies; Koen- 
tji maling, een looper die op 
alle sloten past; Mëngoentji, 
sluiten, op slot doen, met een 
sleutel dichttoaken, ook den sleu- 
tel in een slot steken, zoowel 
om te sluiten als om te openen. 

Koentjoeng, kuif, ook vlok of bosje 
haar, dat aan het hoofd van kleine 
kinderen gelaten wordt, ter hoogte 
van de fontenel (verg. Boeboeng). 

Koentjoep (of Kintjoep), geslo- 
ten, samengeplooid (van bloem- 
knoppen, enz.), knop, bladknop, 
bloemknop, enz. 

Koentoel, rond, stomp, ook : reiger. 

Koepang (Mol.), geld. 

Koepas, Mëngoepas, schillen, pel- 
len, van de schil, de huid, enz. 
ontdoen, ontbolsteren, de bast of 
schors van iets afnemen, enz. 

Koepe, Mëngoepe^ de schilfers 
of roefjes enz. afhalen (btjv. van 
een zweer), plukken, afschilferen, 
losmaken, enz. 

Koeping (ook Tëlinga), oor. 

Koepoe of Koepoekoepoe, vlin- 
der, kapel. 



148 



KOEP. 



KOEW. 



Koeprak (Jav.) (ook Koprak, 
Koprakan), klepper, klepma- 
chine, om vogels enz. te verdreven. 

Koera, milt; Sakit koera, milt- 
aandoening, opzetting van de milt. 

Koera-koera,schildpad,landschild- 
pad, ook de wreef van den voet. 

Koerai, aderen, vlammen (in mar- 
mer of hout). 

Koerasïgf ontoereikend, niet ge- 
noeg, te weinig, te kort, te mm, 
minder, ontbrekend, ontbreken, 
gebrek hebben aan iets, enz., af- 
nemen, verminderen, minder wor- 
den; lyiëngoerangi^ verminderen, 
minder worden, afnemen (byv. 
van een ladende); Mëngoerang- 
kën, iemand te kort doen, iets 
verminderen, enz.; Kakoera- 
ngan, te kort, gebrek, gebrekkig, 
noodiydend, enz. 

Koerap, ringworm. 

Koeras, katern, 5 a 6 vellen of 20 
a 24 bladzijden; Mëngoeras, ook 
uithoozen, het water uit een bak, 
enz. verwijderen en den bak te- 
gelijkertijd schoonmaken. 

Koerban (Ar.), offer, offerande. 

Koemia (Sk.), zie Karoenia. 

Koeroeng, besloten ruimte, hok, 
kooi, kajuit, gevangenis; Koe- 
roeng batang, lijkbaar, eig. het 
halfcilindervormig bamboezen ge- 
raamte dat over het l\jk wordt 
geplaatst en waarover het lyk- 
kleed wordt geworpen ; Mëngoe- 
roengkën, in een kooi, hok. ge- 
vangenis plaatsen; Koeroengan, 
kooi, hok. 

KoeroeB,mager,schraal,uitgeteerd. 

Koersi, zetel, troon, stoel. 

Koesir, koetsier. 

Koeskoes, gefluister, geheim ge 
sprek, enz.; Mëngoeskoes, fluis 
teren, iets zacht bespreken, smoe 
zen, enz. 

Koesoet, verward, in de war, 
Mëngoesoetkën, verwarren, in 
de war brengen. 

Koesta, melaatschheid, lepra, ook 



een erge graad van syphilis. 

Koetang, onderlyf, kortmouwige 
borstrok, een soort corset. 

Koetika, tijd, tydstip, wyl, oogen- 
blik, ten tyde, tijdens, toen, ter- 
wijl. 

Koetil, wrat, ook kleinigheid, enz.; 
Mëngoetil, kleinigheden weg- 
nemen, kapen, enz. 

Koetjai, een soort uien of prei 
(Allium uliginosum, Don. Nat. 
fam. der Liliaceae). 

Koetjar (Koetjar-katjir), in wan- 
orde verspreid, uit elkander ge- 
worpen, enz. 

Koetjing, kat. 

Koetjir (ook Koentjir, Boentoet), 
staart, lange haarvlecht der Chi- 
neezen. 

Koetjoep, kus, zoen; Mëngoe- 
tjoep, kussen, zoenen ; Mëngoe- 
tjoepi, iemand kussen, zoenen, 
enz. 

Koetoe, luis, mijt; Koetoe an- 
djing, vloo; Koetoe boesoek, 
wandluis; Koetoe lëmboe, run- 
derluis, tiek. 

Koetoek, vloek, vervloeking, ge- 
vloekt, vervloekt ; Mëngoetoek, 
vloeken, vervloeken, een vloek 
uitspreken ; Mëngoetoeki, ie- 
mand vervloeken. 

Koetoeng, afgekapt, afgehouwen, 
stomp (van een arm, enz.), zonder 
mouwen (van een jak, enz.), af- 
geknot, gekort (van een broek 
bijv.). 

Koewah, saus, nat, sop (van een 
gerecht). 

Koewaja, vergrooting der milt, 
galzucht. 

Koewak, gekwaak, diep, langge- 
rekt geluid, enz. ; ook diepe wonde, 
gapende wonde, deuk, diepe 
scheur, uitholling, uitgehold, diep 
ingevreten, enz.; Mëhgoewak, 
kwaken, een diep, gerekt geluid 
voortbrengen, enz. 

Koewiüa, monding eener rivier. 

Koewali, aarden of ijzeren kook- 



KOEW. 



KONa. 



149 



pan;^Toetoep koewali of 

Kèkëb, pandeksel; Pantatkoe- 
"wali, bodem van een pan, ook het 
daaraan zittende roet, zwartsel, 
enz. 

Koewalon (Jav.), stief-; Bapa- 
koe'walon, stiefvader ; Ma*-koe- 
^walon, stiefmoeder; Anak koe- 
-walon, stiefkind. 

Koevrasa, macht, vermogen, gezag, 
volmacht, gezaghebbend, sterk, 
krachtig, in staat tot, gevolmach- 
tigde, enz. ; Bërkoewasa, macht 
hebben; Mënfi^oe^wasani, gezag 
over iets uitoefenen; Mëngoe- 
wasakën, machtigen, volmacht 
geven, enz. 

Koewat, kracht, ook dikwyls, dik- 
werf. Zie verder Koeat. 

Koewatir (Ar.), vrees, angst, on- 
rust, bevreesd, ongerust, beangst, 
onrustig zyn, enz. 

Koewawa (Jav.), by machte, in 
staat, bekwaam, sterk genoeg tot, 
enz. 

Koewe, gebak, koek, snoepery. 

Koeweni, Mengifera foetida, Lour. 
een mangga-soort met sterk- 
riekende vruchten. 

Koe'wi, smeltkroes. 

Koewoeng (Jav.), (ook Bianglala), 
regenboog. 

Kojak, scheur, gescheurd; Më- 
ngojak, scheuren. 

Kojan, inhoudsmaat, kunnende 
bevatten 27 tot 30 picols van 
125 A. ^ gewicht. 

Kojo (Chin.), Chineesche trekpleis- 
ter. 

Kolak, met suiker gestoofde vruch- 
ten, een soort van gesuikerd moes, 

Kolam, vyver, waterkom. 

Kolang-kaling, vruchten van den 
aren-palm, waarvan confituur 
wordt gemaakt. 

Kolek, inlandsch vaartuig met 
binnenwaarta gebogen voor- en 
achtersteven. 

Kolong, ledige ruimte onder iets 
(bt)v. een bank, een huis, enz.), 



ook: myn, uitholling, onderaard- 
sche gang, enz.; Anak kolong 
(kazerneterm) soldatenkind, dat in 
de kazerne geboren is; Anak- 
tangsi, in tegenstelling van 
Anak soldadoe, een soldaten- 
kind in 't algemeen, en byzon- 
derltjk een, dat niet in de kazerne 
geboren werd. Anak kolong 
wordt ook als scheldwoord gebe- 
zigd in den zin van een „in ontucht 
geboren kind". 

Kolor, gleuf; Tali kolor, touw 
of band, die in een gleuf, sleuf 
of zoom (byv. van een broek) 
loopt, en dient om dien vast aan 
het lyf te binden. 

Kolot (Soend.), oud, bejaard. 

Kombali, terug, teruggekeerd, te- 
ruggekomen, enz. weder, op- 
nieuw, enz.; Mëngomballkën, 
teruggeven, terug doen gaan, 
terugzenden, enz., wederkeerig 
iets bewijzen, vergelden enz. 

Kombang, (zie ook Koembang), 
hommel, tor, kever. 

Kombara (Mëngombara), zwer 
ven, dolen, ronddolen ; Pëngom 
baraftn,ronddoling, omzwerving. 

Komëndoer (of Koemëndoer), 
commandeur, commodore. 

Koming, klein in zyn soort, ook 
hermaphrodiet, impotent. 

Kompëni, compagnie, de O.-I. com- 
pagnie, het gouvernement, de 
regeering. 

Kompes, Mëngompes, (Bat.), 
streng ondervragen, een streng 
onderzoek instellen, iemand een 
streng verhoor doen ondergaan. 

Konang, zie: Koenang. 

Kondangan, als genoodigde een 
feest bijwonen, naar een feest toe 
gaan. 

Kongkël, (ook Sëkongkël) (Holl.), 
konkelen, samenspannen, een ge- 
heime afspraak met elkander 
maken, enz. 

Kongsi (Chin.), vennootschap, 
maatschappij, vereeniging, com- 



150 



KONT. 



KWAR. 



pagnieschap, verbond; Roemah 
kongsi, gebouw, zetel van zulk 
een compagnieschap. 

Kontal-kantil, hangend slingeren, 
bengelen, heen en weder schom- 
melen, enz. 

Kontan, contant, comptant. 

Kontol, de testiculi, de ballen, ook 
de geheele penis, het geheele 
manneiyke schaamdeel. 

Kopek, slap hangend, ongevuld, 
(van de borsten eener vrouw), 
ook (Mëngopek), roefjes, schil- 
fers van een wond aftrekken, een 
vrucht enz. by kleine stukjes 
schillen, van iets kleine stukjes 
afrukken, aftrekken, enz. 

Kopl.kofffie, kofiöeboon, koffieboom; 
Poehoen kopi. kolfieboom ; Boe- 
"wah kopi, koffie vrucht; Ampas 
kopi, koflaedik, ook de by de 
"West-Indische bereiding der ver- 
sche vruchten achterblijvende 
schillen, enz. 

Kopjah, muts, pet, kalotje. 

KopJor,in wendig zacht van vleesch, 
met papperig vleesch, (van enkele 
vruchten). 

^opok, druiperig, nat, (van 
ooren); Kopokan, druipooren 
hebben, aan eene oorziekte Uj- 
den, waardoor het vuil er steeds 
uitloopt. 

Koran (Ar.), de koran, de heilige 
schrift der Mohammedanen. 

Korang, vischmand. 

Kored, wieden, het laatste scheutje 
wegnemen, schoffel, schoffelen, 
enz.; Koredan, het laatste beetje, 

Krestantje. 

Korek, Mëngorek, met iets 
scherps ofpuntigs uithalen, peute- 
ren, krabben, graven, enz. wroe- 
ten ; Korek koeping, oorpeuter- 
tje, oorlepeltje. 

iBLoreng, zweer, huiduitslag,schurft, 
enz. ; Korengan, zweren, enz. 
hebben, door zweren enz.geplaagd. 



Korma (of Choerma) (Ar.), dadel. 

Korok, uitholling, schroefgang, (in 
den loop van een geweer, enz ), 
mjjngang, enz.; Mengorok, een 
myn graven, enz. 

Korsi, (zie ook Koersi), stoel; 
Korsi doedoek, gewone zitstoel; 
Korsi gojang, wipstoel; Korsi 
malës, luier stoel, lange ligstoel. 

Kosak (Kosak-kasik), telkens 
van plaats veranderen. 

Kosek, Mëngosek, korrelige zelf- 
standigheden (als ryst, enz.) met 
de hand in het water rondroeren, 
om te wasschen. 

Kosen, dapper veel vermogend. 

Kosong, ledig, zonder inhoud, zon- 
der zin; Roemah kosong, een 
ledig huis; Omong kosong, zin- 
ledige beuzelpraat; Mëngosong- 
kën, iets ledig maken, ontruimen. 

Kosta, zie Koesta. 

Kota, versterkte plaats, burcht, 
vesting, fort, stad, door muren of 
andere versterkingen omgeven 
plaats. 

Kotak, vak, lade, doos, schakel 
van een metalen buikband, ook 
vak, terras (van rijstvelden). 

Kotërek (HolL), kurketrekker. 

Kotjak, verwaand, trotsch, veel 
praats hebben, snoevend zyn, bluf- 
fend, enz., ook schudding (van een 
vocht); Mëngotjak, schudden. 

Kotjok, Mëngotjok, schudden, 
(byv. water in een flesch). 

Kotor, vuil, onrein, smerig, morsig ; 
Kotoran, vuil, drek, onreinheid, 
enz. 

Kowak, doorgebroken, uitgehold, 
opengebroken, enz., zieKoevrak. 

Kowe (Jav.), gij, u, jy, jou, je. 

Krokot, postelein. 

Ksatria (Sk.), iemand uit de kr^jgs- 
manscaste. 

Kwartoe, Pakërdja&n kwartoe 
(Mol. Mal.), negorij, heerendienst 
ten behoeve van den radja. 



LABA. 



LAKI. 



151 



Laba, winst, gewin, voordeel; 
Bërlaba, winstgevend; Mëla- 
baken, productief, winstgevend 
maken. 

Laba-laba, spin; Sarang laba- 
laba, spinneweb. 

Labërak, Mëlabërak (Jav.), ran- 
selen, afranselen, afrossen, af- 
jakkeren. 

Labëran^:, scheepswant. 

Laboe, pompoen, kalebas, hiervan 
bestaan verscheidene soorten. 

Laboeh, afhangend, neerhangend, 
nedergelaten, enz. (van een kleed, 
gordijn, enz ) ; Bërlaboeh, anke- 
ren, ten anker liggen ; Pëlaboe- 
han, ankerplaats, reede, haven. 

Laboer, Mëlabóer (Jav.), met 
iets bestrijken, besmeren. 

Lada, peper. 

Ladang, bouwveld zonder kunst- 
matige bevloeiing. 

Ladëk, ongaar, alleen de buiten- 
zijde gaar. 

Ladenin (Bat.), om iets geven, 
notitie van iets nemen, werk van 
iets maken, enz. 

Iiading (Jav.), mes. 

Ladjoe, snel, vlug, vooruit, snel 
vooruitgaan, zich vlug vooruit- 
bewegen; Mëladjoekën, vaart 
of gang in iets brengen, snel 
doen vooruitgaan, enz. 

Ladjoer, rij, ruimte tusschen twee 
evenwijdige lijnen, baan, kolom 
(van een bladzijde), ook lijnblad. 

Ladoe, overstrooming, afstroomen- 
de lava uit een krater, vermengd 
met water, enz. 

Lafal (Ar.), woord, uitspraak; 
Mëlafalkën, uitspreken. 

Laga, manoeuvre, kuur, scherts, 
kortswijl ; Bërlaga, manoeuvree- 
ren, tegen elkander stoeten, 
vechten, ook gekscheren, gekheid 
maken, kxxren vertoonen, veinzen. 



Lagi, nog, meer, ook, zelfs, nog 
steeds, daarbij, bovendien, en, 
wijders, voorts, enz. ; Apa lagi, 
hoeveel te meer, enz. 

Lagoe, zangwiJs, melodie, air; 
Mëlagoékën, op muziek zetten, 
zingend voordragen, enz. 

Lagondër, dragonder. 

Labir(Ar.), geboren worden, te voor- 
schijn komen, openlijk, uitwen- 
dig; Mëlahirkën, ter wereld 
brengen, baren, te voorschijn 
brengen, openbaren, enz. 

Lalk, geschikt, gepast, passend, 
behoorlijk, betamelijk, waardig. 

Laïn, ander, anders, verschillend; 
Bërlaïnan, anders zyn, verschil- 
len, onderscheiden zün van, enz.; 
Mëiainkën, afzonderen, uitzon- 
deren, veranderen, uitgezonderd, 
behalve. 

Lajan, Mëlajan, terzijde staan, be- 
hulpzaam zijn, bedienen; Mëla- 
Jani,iemand helpen, bedienen,enz. 

Lajang, gezweef, gevlieg; Mëla- 
Jang, zweven, vliegen, door den 
wind medegevoerd worden, ook 
dichtvallen (van de oogon van 
iemand die slaap heeft) ; Laja- 
ngan, vlieger. 

Lajap, laag biJ den grond of op 
het water; Mëlajap, laag over 
den grond of het water strijken 
(van vogels), ook sluimeren, dom- 
melen. 

Lajar, zeil; Bëlajar, zeilen, zei- 
lende zijn, onder zeil gaan, uit- 
varen, reizen te water; Mëlajar- 
kën, doen zeilen, met iets weg* 
zeilen, iets zeilende vervoeren, enz. ^) 

Lajoe, verlept, verwelkt, verflenst. 

Lajon (Jav.), Itjk, vorstelijk lijk. 

Lald, gehuwd man, echtgenoot, 
mannetje van een vrouweijk dier; 
Laki bini of Laki istëri, man 
en vrouw; Bërlaki, gehuwd zijn, 



152 



LAKO. 



LAND. 



een man hebben of kragen, met 
een man trouwen (van een vrouw), 
een mannetje hebben (van vrou- 
weiyke dieren), met een mannetje 
paren ; Bèrlakikën, iemand tot 
man hebben j^ Mëmpërlakikën 
of Mëlakikën, uithuwen (van 
een meisje, enz.), doen paren, 
laten dekken (van een vrouwe- 
lyk dier) ; Laki-laki of Lëlaki, 
mannelijk, ook man; Orang laki- 
laki of Orang lëlaki, man, man- 
nelijk persoon. 

Lakoe, gang, loop, gedrag, han- 
delwijs, handel en wandel, enz., 
ook in zwang z\jn, gewild zyn, 
aftrek hebben, in den smaak zyn, 
enz.; Tingkah-lakoe, gedragin- 
gen, al het doen en laten van 
iemand, handel on wandel, enz., 
Bërlakoe, zich gedragen, enz., 
ook gangbaar zyn, in gebruik 
z\jn, gebeuren, aftrek hebben, ge- 
wild zyn, van toepassing zyn, van 
kracht zyn, enz.; Mëlakoekën, 
ten uitvoer brengen, doen, uit- 
voeren, in praktyk brengen, in 
zwang brengen, invoeren, enz. 

Lakon (Jav.), bedryf of episode uit 
deMythologie,enz.die ten tooneele 
wordt opgevoerd ; Wajang:-, stuk. 

Laksa (Sk.), tienduizendtal, ook 
een soort van Chineesche vermi- 
celli; Salaksa, tienduizend. 

Laksamana, vlootvoogd, admiraal. 

Laksana, gelykenis, voorbeeld, 
evenals,gelyk,ook handwerk,enz. ; 
Mëlaksanakën, vergelijken, ook 
in eenig handwerk bedreven zyn. 

Lalab, versche of gekookte groen- 
ten, enz. die men bij de rijst eet. 

Lalai, zorgeloos, onverschillig, on- 
achtzaam, onoplettend, zyn ge- 
dachten niet by elkander hebben, 
slaperig, bezwijmd, vergeetachtig. 

Lalat (ook Lalër), vlieg, de huls- 
vlieg ; Tahi lalat, sproet. 

Laloe, voorbij, over, gepasseerd, 
daarna, waarna, vervolgens, toen, 
enz., ook passeeren, voorbijgaan. 



voortgaan, verloopen (van tijd), 
heengaan, uit den weg gaan, af- 
wyken, enz. ; Mëlaloeï, iets voor- 
bijgaan, over iets heen gaan, 
overschrijden, overtreden, enz.; 
Mëlaloekën, voorbijvoeren, voor- 
bij brengen, een eind aan iets 
maken, iets verwijderen, enz. 

Lama, lang, lang geleden, lengte 
van tijd, duur van tyd, vroeger, 
eertijds, oudtijds, oud, vorig, lang- 
durig; SalamaDja, altyd, immer. 

Lamar, Mëlamar (Jav.), ten huwe- 
lijk vragen; Lamaran, huwelyks- 
aanvraag. 

Lambat, langzaam, lang van duur, 
langdurig, veel tijd eischend, 
traag, talmend, laat; Bërlambat, 
traag zyn, dralen, talmen, enz. ; 
MëlaxnbatkëD, vertragen, ver- 
dagen, uitstellen, op de lange 
baan schuiven, langzaam afdoen, 
lang aanhouden, enz. 

Lamboeng, zyde, flank (van het 
lichaam of een vaartuig). 

Lampang, een tijdelijk voor gasten 
gebouwd logis. 

Lampar, verspreid, uit elkander; 
Mëlampar, zich verspreiden (biJv. 
van het water by een overstroo- 
ming). 

Lampau, voorby', over den bepaal- 
den tyd, enz., verdergaand, te 
bovengaand, verder gaan, te ver 
gaan; Mëlampau, te ver gaan, 
de grens van iets overschrijden. 

Lampin, luier. 

Lampit (Jav.), mat, zitmat (meest 
van rotting). 

Lampoe, lamp; Lampoe gan- 
toeng, hanglamp ; Lampoe 
doedoek, staande lamp; Lam- 
poe tembok of Lampoe teplok» 
muurlamp. 

Landak, stekelvarken. 

Landas (kf Landës), onderlaag; 
Mëlandas, op een onderlaag 
plaatsen; Mëlandaskën, iets tot 
onderlaag geven ; Landasan, on- 
derlaag, stut, steun, ook aanbeeld. 



LAND. 

Landësan, zie : Landas. 

Landjam, ploegyzer, kouter. 

Landjoer, langdurig, gerekt; Ka- 
landjoeran, te laat, over den 
tyd ; Katèlandjoer, eenmaal ge 
schied. niet meer te veranderen, 
te ver ^gegaan, enz.; Mëlan- 
djoerkên, rekken, lang maken, 

Landjoet, lang, lang van duur 
langdurig, verlengd, gerekt; Më- 
landjoetkën, rekken, verlengen 
(van het leven byv.). 

Lang^ (Boeroeng lang) kiekendief, 
een soort valk. 

Langgana, onwillig, weerspannig, 
weerbarstig. 

Langgar (Jav.), bedehuis, bidkapel 
(zie Soerau). 

Langgar, Mëlanggar, tegen iets 
aanstooten, — loopen enz., ook 
aanvallen, een aanval doen, op 
iets aanloopen, enz., ook tegen 
iets zondigen, tegen iets hande- 
len, iets overtreden, enz.; Me- 
langgarkën, tegen iets doen 
stoeten, — aanloopen, — caram- 
boleeren, enz., ook (een vaartuig) 
op het land zetten. 

Langit, uitspansel, hemel ; Langi- 
tan, hemel van een ledikant, 
enz., ook verhemelte ; Mëlangit, 
hemelwaarts stygen, in de hoogte 
stygen, enz. 

Langkah, schrede, stap, pas, tred; 
Mëlangkah, stappen, schreden, 
enz., ook iets (wetten, enz.) over- 
schreden, overtreden; Mëlang- 
kahkën, over iets heenstappen, 
enz. 

Langkap, compleet, van het noo- 
dige voorzien, voltallig; Bër- 
langkap, uitgerust, van het noo- 
dige voorzien, voltallig, compleet 
z\jn; Mëlangkapkën, iets uit- 
rusten, van het noodige voorzien, 
voltallig, compleet maken, het 
ontbrekende aanvullen, enz. 

Langkaü, open plek op een 
veld, dat beplant is, btjv. op een 
ladang, enz. 



LANT. 



153 



Langoe, muf, duf, muffe, duffe 
lucht van iets. 

Langsai (of Langse), gorden, 
voorhang, draperie, portière. 

Langsëp (of Langaat), Lansium 
domesticum. Jack. nat. fam. der 
Meliaceae, boom met lekkere 
vruchten. 

Langsing, slank, tenger. 

Langsoeng, regelrecht door, recht- 
door, recht toe recht aan, recht 
op iets aanhouden, op iets afgaan ^ 
ook (van geluiden), fijn, schel. 

Lantai, vloer van een op palen 
staand huis. 

Lantak, laadstok ; Mëlantak, in- 
slaan, indryven, instampen, aan- 
zetten ; Pëlantak, laadstok, ook 
heiblok. 

Lantar (Lantaran), middel, oor- 
zaak, reden, om reden, ten ge- 
volge van, enz. 

Lantar, Tërlantar, plat op den 
rug liggen. 

Lantas, vervolgens, dadelyk, on- 
middellijk, onverwijld, terstond^ 
daarop, daarna, enz. ; Mëlantas- 
kën, doorzetten (van iets dat 
begonnen is). 

Lantera, lantaarn. 

Lantik, Mëlantik, openlijk in stal- 
leeren, inhuldigen (van een 
vorst.) 

Lanting, vlot, ook een vlothuis, 
dryvend huis, huis op een vlot. 

Lantja, een soort van groote boot, 
ook een groote spin. 

Lantjang (Jav.), voorbarig, durven, 
lange vingers hebben, brutaal 
handelen, enz. 

Lantjar, snel in beweging, vlug, 
vlot, rad (in het spreken, enz.)* 

Lantjip (of Lint^ip), puntig, spits, 
scherpgepunt, scherp eindigend; 
Mëlantjipkën, een punt aan 
iets maken, aanpunten, enz. 

Lan^oeng, vermengd met b^stof- 
fen (van goud, enz.) ook min of 
meer puntig, enz., kippendrek. 

Lantijoer (Jav.), halfwassen hoen. 



154 



LANT. 



LAT. 



ook uitspuiten van vocht (by v. uit 
een ptJp. 

Iiantjonfi:, Mëlantjong, rondkuie- 
ren, wandelen, drentelen, slente- 
ren, pierewaaien, ook by iemand 
een visite maken, te gast gaan, 
enz. 

Lantoeng, scherp, doordringend 
(van stank, een geluid enz.) ; 
Tëmbëlek lantoeng, stinkende 
kippendrek. 

Lantoer, Mëlantoer, kletsen, 
babbelen, wartaal, onzin spreken, 
enz. 

Lantoet, langzaam, langdurig, wat 
niet vlug vordert. 

Laoek, ook: Laoek paoek, al- 
lerlei toespijzen by de ryst. 

Laoet, zee; Laoetan, oceaan; 
Kalaoet, naar zee, zeewaarts; 
Angin laoet, zeewind ; Kapal 
laoet, zeeschip, schip voor de 
groote vaart, in tegenstelling van 
de kustschepen. 

Lap, lap, doek, stofdoek, vaatdoek; 
Mëlapi of Mëngëlapi, met een 
doek over iets heengaan, met 
een doek af- en schoonvegen, enz. 

Lapang, w^jd, ruim, open, vry, 
enz.; Tanah lapang, open 
vlakte, plein. 

Lapar, honger, honger hebben, 
hongerig zyn; Këlaparan, hon- 
ger lijden, verhongerd zijn ; Mati 
këlaparan, van den honger 
sterven, den hongerdood sterven ; 
Bëla këlaparan, hongersnood. 

Lapaü këdai (waroeng), winkel ; 
llapaü nasi, inl. restauratie 
waar gekookte eetwaren ver- 
kocht worden; Lapaü djaga 
moeda, idem, doch ongekookte 
eetwaren. 

Iiapik, onderlaag, onderhgger, wat 
onder iets geplaatst wordt, enz. 

Lapis, laag, bekleedsel, voering; 
Bërlapis, in lagen liggend, ge- 
voerd ztjn; Mëlapis, voeren, be- 
kleeden ; Koewe lapis, Indische 
spekkoek, waarvan de bestand- 



deelen laagsgewijs op elkander 
geplaatst ziJn. 

Lapoek, schimmel, kaam. 

Larang,. Mëlarang, verbieden ; 
Mëlarangkën, iets verbieden; 
Larangan, wat verboden is, ver- 
bod, verboden zaak; Barang 
larangan, verboden waar, smok- 
kelwaar. 

Larat, langzaam vooruitgaan, ver- 
loopen, afdwalen, slippen (van een 
anker), op zjjn anker drijven (van 
een vaartuig), afdrijven, enz. 

Lari, loopen, wegloopen, hardloo- 
pen, vluchten, drossen; Bërlari 
of Bërlari-lari, hardloopen ; Më- 
larikën, hard met iets wegloo- 
pen, iets op stok brengen, weg- 
voeren, ontvoeren, schaken, enz. ; 
Lari-larian, heen en weder hard 
loopen, ook de wallen om een 
stad, enz. ; Pëlarian, banket (van 
een vesting), opgehoogd jaagpad, 
bordes aan een huis, enz. 

Larik, streep, lijn, rij; Mëlarik, 
lijnen trekken, trekken of draaien 
op een draaibank; Fëlarikan, 
di'aaibank. 

Laris (Jav.), gewild, goed van de 
hand gaan, goeden aftrek hebben, 
goed verkoopbaar zijn (van koop- 
waren) ; Pënglaris, het op een 
dag 't eerst verdiende geld door 
den verkoop, ztj het ook met 
eenig verlies (van het een of ander) 
dat naar geloofd wordt, den ver- 
koop der andere waren en arti- 
kelen, die men bij zich heeft, 
gemakkelijk kan maken. 

Laroet, door water medegevoerd 
worden. 

Laron, vliegende witte mier. 

La^jkar, soldaat, matroos, scheeps- 
volk, leger. 

Lat, laat, te laat, over den tiJd, 
enz. 

Lat (of Lët), tusschenruimte (van 
tijd, enz.); Lat doewa hari, met 
een tusschentijd van twee dagen, 
om de drie dagen, op den derden 



LATA. 



LEKI. 



155 



dag na dien, waarop men spreekt, 
enz. 

Lata (of Latah) (Jav.), zenuw- 
achtige toestand, waardoor men 
alles nadoet, wat anderen doen 
of zeggen. 

Latar (Jav.), open grond, erf, plaats 
voor of achter een huis, (ook 
Pëlataran), effen plein. 

Latjak, (van een anker) langs den 
grond slepen en er niet in vast- 
grijpen. 

Latji, laadje, lade» vak. 

Latjoer, ongelukkig, misfortuinlyk, 
mislukt. 

liatoe (Jav.)» vonk, vuur. 

Lawa (of LëlaTva), vledermuis. 

La'wa-la'wa, spin, ook spinneweb, 
spinrag en cocon van een spin. 

Lawan, in stryd met, verzet, tegen- 
stander, ^tegenpartvj, mededinger, 
enz.; Mëla-wan, zich tegen iets 
verzetten, tegenweer bieden, te- 
genstand bieden, zich verweren, 
enz. 

La wang (Jav.), deur; Lawang 
sëketeng, open poort. 

Ijawar (of Lëlawar), gerecht by 
de rysttafel, gemaakt van kleine 
stukjes vleesch of gehakt met 
rëboeng, enz. 

Lawat, Mëlawat, iemand^uit deel- 
neming bezoeken ; Mëlawati 
kamatian, een condoleance-be- 
zoek by iemand afleggen. 
{/ Iia^^e (Jav.), grof, inlandsch garen. 
' Ijëbang, hoog zwanger, op het 
punt van te bevallen. 

Liebar, breed, w^Jd, ruim, breedte; 
Mëlebarkën, broeder maken, 
verbreeden. 

Lëbaran (Jav.), feest b\j het einde 
der groote vasten, gewooniyk ge- 
vierd als het ihlandsch nieuwjaar. 

Iiëbat, dicht, dicht b\jeen, dik op- 
een ; Oedjan lëbat, dichte regen. 

Lëbe (Jav. Soend.), dorpspriester. 

Lëbih, meer, te veel, over, over- 
schot, restant, enz.; Tërlëbih, 
uitermate, zeer, enz.; Mëlëbih- 



kën, meer geven, meer nemen, 
vermeerderen, vergrooten, zich 
verheffen boven, enz. 

Lëboe (of Dëboe), stof, stofje, 
straatvuil. 

Lëboer, gesmolten, ook aan gruis, 
in duizend stukken, vernield, enz.; 
Mëlëboer, smelten, omsmelten 
(van metalen). 

LëdOB, MëlëdoB, openspringen, 
barsten (van een zwaar gevulden 
zak). 

Lëga, ruim, ruimte, wyd, groot, 
verruimd (van gemoed), zich op 
zyn gemak gevoelen, lekker ziyn, 
voldoening smaken, opgeruimd 
zyn, enz. 

Legen (Jav. Soend.), palmwyn (ook 
Toe wak), het zoete sap, dat van 
den arenpalm getapt wordt en 
waarvan door koking de bekende 
bruine inlandsche suiker wordt 
verkregen. 

Lëgodjo, beul, scherprechter. 

Lëgok, deuk, gat, verzakking, in- 
gezonken deel, gedeukt, inge- 
deukt, verzakt, ingezonken, enz., 
laagte tusschen hoogten inge- 
sloten, vallei, enz. 

Leher, hals. 

Lëkah, scheur, spleet, opening; 
Mëlëkah, openscheuren, scheu- 
ren, zich openen, splyten. 

Lëkar (of Lëkër), opengewerkt 
mandje, waarop potten of pannen 
geplaatst worden, wanneer zü 
van het vuur worden afge- 
nomen. 

Lëkas, vlug, spoedig, haastig, snel, 
schielijk, gauw, dra, binnen kort, 
eerlang, haast, spoed, spoed ma- 
ken, haast achter iets zetten, enz.; 
Mëlëkaskën, bespoedigen, ver- 
haasten, enz. 

Lëkat, kleverig, plakkerig; Më- 
lëkat, kleven, op of aan iets 
blüven kleven, plakken,, . enz. ; 
Mëlëkatkën, op iets plakken, 
doen kleven, aanplakken. 

Lëkit (of Lëgit), taai, nog kleverig. 



156 



LEKO. 



Lëkoe, Mëlëkoe, met den elle- I 
boog op iets rusten. 

Lëkoeng, hol (van de oogen), zie: 
Lëkok. 

Lëkok, hol, gedeukt, ingedeukt, 
holte, kuil, deuk, indrukking; 
Iiëkok mata, oogholte; Mata 
lëkok, hol, holle oogen; Bër- 
lëkok of Lëkak-lëkok, vol 
deuken, gaten, kuilen, enz., on- 
eifen; Mëlëkokkën, indeuken, 
induwen, maken dat in iets kui- 
len, deuken komen. 

Lëlah, slap, mat, moe, vermoeid, 
afgemat. 

Lelang, vendutie, openbare ver- 
kooping, openbare veiling; Më- 
lelang, in het openbaar verkoo- 
pen, vendutie houden; Mële- 
langkën, iets op vendutie ver- 
koopen. 

Lëlap, v^eg, verdwenen, in diepen 
slaap, zonder bewustheid zyn, 
enz. 

Lele, een veel gegeten wordende 
visch, die in modderige wateren 
voorkomt. 

Leleh (of Lele), Mëleleh, vloeien, 
langzaam vloeien; Mëlelehkën, 
langzaam vloeibaar maken, lang- 
zaam doen vloeien (byv. gestolde 
was, enz.). 

Lëmah, zwak, niet sterk, slap, 
machteloos, op, afgemat, afge- 
werkt, impotent; Mëlëmahkën, 
verzwakken ; Kalëmaban, zwak- 
te, zwakheid, vermindering van 
krachten, enz. 

Lëmak, vet, reuzel, talk, smeer, 
enz., vet, machtig, lekker van 
smaak, smakelyk, zacht en aan- 

J:enaam van sraaak, enz. 
mang (of Lëmëng), r\jst of 
këtan (kleefryst) in een bam- 
boezen koker gaar gepoft. 
Lëmari (Port.), kast; Lëmari pa- 
kean, kleerkast; Lëmari maka- 
nan, etenskast; Lëmari boekoe, 
boekenkast; Lëmari gëlas, gla- 
zen kast, kast met glasruiten. 



LENG. 

Lëmas (of Lëmës), afgemat, zwak, 
geen kracht hebben, slap, mach- 
teloos, enz., ook verstikt, gestikt, 
gesmoord. 

Lëmbaga, model, oorspronkelijke 
vorm, type, kiem, eerste begin 
van iets, oorspronkelijk. 

Lembang, bies, hoog riet. 

Lëmbar, draad, streng, ook vel, 
blad; Tall tlga lëmbar, drie 
strengen touw; Kërtas doea 
lëmbar, twee vellen papier. 

Lëmbek, week, zacht, ook week- 
hartig, flauw. 

Lëmboe, rund,^koe. 

Lëmboeng, Mëlëmboeng, zwel- 
len, opblazen, opgeblazen zyn, zich 
als een blaas vertoonen. 

Lëmboet, week, zacht, buigzaam, 
lenig, veerkrachtig, zachtzinnig, 
gemoedelijk, gedwee, meegaand, 
teeder, enz.; Mëlëmboetkën, 
yerteederen. 

Lëmës, zwak, slap, krachteloos, 
malsch, buigzaam, enz., minzaam, 
welbespraakt, lief, goed kunnen 
spreken, enz. (verg. Lëmas). 

Lëmoesir (of Lëmoengsir), de 
nieren. 

Lempar, Mëlempar, gooien, sme- 
ten, werpen, wegwerpen, op den 
grond werpen,^ enz.; Mëlempari, 
bewerpen; Mëlemparkën, iets 
naar iemand enz. gooien, werpen. 

Lëmpëng, recht, rechtuit, recht-- 
door, rechtstreeks; Mëlëmpëng- 
kën, recht maken, zonder boch- 
ten maken, aanleggen, enz. 

Lempeng, plak, platte dunne laag, 
pak inlandsche tabak. 

Lëmpoeng, zacht, kneedbaar, klei, 
leem. 

Lënder, siymig, kleverig, siym, 
fluim, enz. 

Lëngan, arm, mouw (van een 
kleed). 

Lëngganan (of Langganan),vaste 
leverancier, iemand btj wien men 
geregeld koopt, ook abonné. 

Lenggang, slingerende beweging 



LENG. 



LETO. 



157 



van de armen; Bërlenggang: of 
MëleDggan^:, onder het loopen 
met de armen slingeren, de ar- 
men slingeren, de armen voor- 
en achterwaarts zwaaien. 

liênggang, rust, vacantie, ledige 
tyd, geen werk hebben, vry zyn, 
enz. 

Lenggok, zwaaiende, heen en 
weder buigende beweging. 

IjëDgkap, zie: Langkap. 

Lengkeng, Nephelium Litchi, 
Camb. nat. fam. der Sapindaceae, 
boom met zoete vruchten, die 
meest gedroogd worden gebruikt. 

Lengket, Mëleogket, kleven, 
plakken,zichhechtenaan,kleverig, 

Lëngkoeng, bocht, buiging, gebo- 
gen, gewelfd, enz. : Mëlëng- 
koeng, buigen, kromtrekken, in 
een bocht zyn, enz.; Pëlëng- 
koeng of Pëlëngkoengan, w^at 
gebogen, rond gebogen, omge- 
bogen is, eerepoort, enz. 

Lëngkoewas, Alpinia galanga, 
Sw. nat. fam. der Zingiberaceae, 
een plant waarvan de wortel- 
knollen zoowel in de inlandsche 
keuken als in de geneeskunde 
gebruikt worden (ook Laos). 

Lengos, Mëlengos, met minach- 
ting het gezicht van iets of 
iemand afwenden, enz. 

Lënjap, verdwenen, uit het gezicht 
verdwenen, verdwenen, 

Lënting, Mëlënting, blaasjes vor- 
men, een blaar vormen (byv. by 
waterpokken). 

Lëntvlit, Mëlëntjit, tusschen de 
vingers doorschieten, —glippen, 
—uitspringen (byv. van gUbberige 
pitjes). 

Lep of Lip, élève. by v : Tamboer- 
lep of Leptamboer, élève- 
tamboer. 

Lepa, pleister (van kalk, enz.); 
Mëlepa^ pleisteren, bepleisteren. 

Lëpas, los, losgelaten, losgemaakt, 
vrtj, niet vastgemaakt, niet ge- 
bonden, ontslagen, in vrijheid, 



voorby, over, enz.; Mëlëpaskën, 
loslaten, losmaken, losbinden, vrjj 
maken, in vryheid stellen, vry 
laten loopen, enz. 

Lëpat (of Lëpët), snoepery van 
ketan, in klapperbladeren ge- 
wikkeld. 

Lëpeh, vouw, plooi, gevouwen (als 
papier, waarin iets gepakt wordt); 
Mëlëpehkën, iets, dat men 
in den mond heeft, er uit stoe- 
ten, uit gooien, enz. 

Leper, ondiep, vlak, plat (van een 
bord, enz.). 

Lëpoe, Mëlëpoe, blaren vertoonen 
(byv. van een brandwond). 

Lepot, Bërlepot, bemodderd, be- 
vuild, smerig. 

Lësoe, loom, lusteloos, mat, flauw, 
slap, een gevoel van zwakheid 
hebben, lusteloos zyn, zich afge- 
mat gevoelen. 

Lësoeng, vyzel, mortier, rystblok. 

Lët, tuBschenruimte, tusschentyd. 

Lëtak, barst, scheur; Mëlëtak, bar- 
sten, springen, scheuren, stuk 
gaan, enz., ook (en Mëlëtakkën), 
op den grond neerzetten, iets op 
den grond^ leggen. 

Lëtis, Mëlëtis, besprenkelen, 
sprenkelen (van vochten). 

Lëtjak, slikkerig, modderig, glib- 
berig, doorweekt (van natten 
grond), ook verfrommeld. 

Lëtjat, spiegelglad. 

Lëtjeh, kleverig, plakkerig. 

LetJek,Mëletjek, fyn wry ven, fijn 
maken (byv. gekookte rijst). 

Lëtjëk, gekreukt, verkreukt, met 
kreuken en vouwen, niet glad 
(van waschgoed byv.). 

Leider (of Lëtjer), rauw, nat, wa- 
terig (van een wond, enz.). 

Letjet, geschaafd, geschramd, ge- 
kneusd (van de huid). 

Lëtjet, Mëlëtjet, uitglippen, uit- 
springen (byv. van een ghbberige 
pit, die tusschen de vingers vast- 
gehouden wordt). 

Lëtoek, Mëlëtoek, dof knappen. 



158 



LETO. 



kloppen, met een dof geluid open- 
springen.^— barsten, enz. 

Lëtoep, Mëlëtoep, springen, ont- 
ploffen. 

Lëtos, Mëlëtos, ontploffen, met 
een plof openspringen, ~ barsten. 

Liang, gat, opening, oog, nis ; Li- 
ang idoeng, neusgat; Liang 
^' djaroem, oog van een naald. 

Liat, taai, leemachtig, elastisch; 
Tanah liat, leem. 

Lidah, tong, ook het uitgesneden 
deel eener plank, dat in de gleuf 
der nevenplank past; Anak 
lidah, de huig; Lidah timbang- 
an, de evenaar, de naald eener 
vreegschaal; Ikan lidah, tong 
(visch). 

Lidi, nerf van een klapperblad; 
Sapoe lidi, bezem van deze ner- 
ven gemaakt. 

Lihat, Mëlihat, zien, kyken, bekij- 
ken, aanzien, opnemen, enz.; Më- 
lihati, bekaken, bezien, naar 
iemand zien, —-omzien, — kyken, 
enz. ook voorspellen, enz. ; Mëli- 
hatkën, iemand voorspellen, voor 
iemand in de toekomst zien, 
—lezen, enz.; Kalihatan, gezien, 
zichtbaar, in 't gezicht, te voor- 
schijn komen, enz.; Pënglihatan, 
het gezicht, hetgeen gezien is, 
inzicht, enz. 

H)o (Chin.), steenbakkerij, ook 
groote aarden pot, pottebakkery. 

Lila, inlandsch kanon van klein 
kaliber, klein koperen of bronzen 
kanon, draaibas. 

Lilih, zie Leleh. 

Lilin, was, kaars, waskaars, vet- 
kaars ; Lilin mëntah, onzuivere, 
ongekookte was; Lilin masak, 
gezuiverde was. 

Lilit, slinger, winding om iets heenj 
enz,; Mëlilit, om iets heen slin 
geren, kronkelen, enz. (als een 
slang, een slingerplant enz.); Më 
lilitkën, iets om iets heen win 
den, —slingeren. 

Lim, lym. 
f/Liar > *v/// 



LiNa. 

Lima, v\jf, vyftal; Bërlima, met 
zyn vyven zyn; Kalima, de (het) 
vyfde, ten vyfde; Mëlima, de 
(het) vyfde ztJn. 

Limau, limoen, citroen; Djëroek 
limau, Citrus limonelles Hassk, 
var. amblycarpa, kleine boom met 
geurige bladeren, die veel in spij- 
zen en in wasch water gebruikt 
worden, terwyl de vruchten ci- 
troensap leveren, dat den smaak 
van sambël verhoogt. 

Limas, pyramidevormig ; Roemah 
limasan, huis met vier schuins 
afloopende dakvlakken. 

Limbang, Mëlimbang, iets in een 
kom enz. met water omroeren 
om daardoor het vuil te verwij- 
deren. 

Limboeng, topzwaar, aan een kant 
zwaarder dan aan de andere, ge- 
makkelijk kantelend, enz. 

Limpa (of Limpah), de lever. 

Limpas, buiten de oevers treden 
(van een rivier), kleine overstroo- 
ming door te zwaren regen en 
het niet vlug genoeg afioopen 
van het water. 

Limpau, Mëlimpau, Mëlimpau- 
wi, om iets heen loopen, om het 
te ontwijken ; iets omtrekken, om 
het te ontwijken, enz. 

Lindoeng, beschermd, beschut, be- 
dekt, gedekt, verborgen, enz. ook 
aal, kleine soort paling; Bërlin- 
doeng, schuilen, zich beschutten, 
bescherming zoeken onder of bü, 
zich onder bescherming stellen 
van; Mëlindoeng, overschadu- 
wen, beschermen, beschutten; 
Mëlindoengi, Mëlindoengkën, 
beschermen, iets of iemand be- 
schermen, beschutten, bedekken; 
Përlindoengan, plaats, waar 
men schuilt, zich verbergt, enz. 

Linggam, phallus, ook rood, roode 
kleur. 

Linggis, breekijzer, koevoet. 

Lingsir (Jav.), het neigen of dalen 
der zon na den middag ; Waktoe 



LINO. 



LOEM. 



159 



lingsir, tusschen 2 en BV» uur 
na den middag. 

Linoe, zie: Ngriloe. 

Lintah, bloedzuiger, ook fig. ge- 
bruikt voor woekeraar, afzetter, 
enz. 

Lintang:, dwars, overdwars, in de 
breedte; Mêlintang, dwars lig- 
gen, dwars in den weg zyn of 
liggen, enz.; Mëlintangi, iemand 
dwarsboemen, enz.; Mëllntang- 
ken, iets dwars leggen, dwars 
plaatsen, enz. 

liinting, katoenen, of garen lampe- 
pit, enz. 

Lipat (of liipët), vouw, gevouwen, 
dubbel; Bërlipat, gevouwen, dub- 
bel ztjn; Mëlipat, vouwen, toe- 
vouwen. 

Ijipoer, troost, vertroosting. 

Lipoet, Mëlipoet, omvatten, be- 
vatten, behelzen, over iets heen 
liggen, enz. ; Mëlipoeti, iets om- 
vatten, bedekken, omgeven. 

Lirlk, lonk, zydelingsche blik; 
Mëlirik, lonken, zydelings kyken, 
zydelings een blik werpen, ook 
doorboren. 

Litjin, glad, glibberig, ook effen. 

Liwat (zie ook Laloe), voorby, 
over; Mëliwati, iets voorbygaan, 
voorbijvaren, enz., voorbystreven, 
overtreffen. 

Loa (Chin.), gr oote mand; TJina loa, 
Chineesche opkooper van en 
handelaar in oud roest, enz. 

Loba, begeerig, inhalig, begeerig- 
heid, inhaligheid; Mëlobakën, 
iets begeeren, aftroggelen. 

Lobak, Raphanus caudatus, L. nat. 
fam. der Druciferae, lange witte 
soort radUs. 

Lobang, gat, hol, holte, kuil, groeve; 
liObang idoeng, neusgat; Lo- 
bang pantat, aarsgat; Lobang 
roman, porie; Lobang djaroem, 
oog van een naald; Bërlobang, 
vol gaten, doorboord, poreus. 

Iiobilobi, Flacourtia rukam, Z. &M. 
nat. fam. der Bixacea, boom met 



zuurzoete vruchten, die een lek- 
kere gelei geven. 

liOdeh (Jav.), een soort sajoer 
(inlandsche groentesoep), als by- 
gerecht by de ryst. 

Lodërok, papperig (van vruchten, 
enz.), modderig, slikkerig, enz. 

Lodji, loge, factory, versterkt ge- 
bouw, woning van een hoogge- 
plaatst persoon, hoofdkantoor. 

Lodoh, beursch, papperig,bedorven. 

lioe (Chin.), gy, jy, jou, je, uw. 

lioeber, overloopen (van een te vol 
gevuld glas byv.), overvol zyn, 
overkoken, enz., ook smelten van 
metalen, als lood, enz. 

Loedah, speeksel, kwyi, spuug; 
Bërloedah of Mëloedah, spu- 
wen, kwylen; Mëloedahi, be- 
spuwen, op iets of iemand spuwen. 

Loedjoer (ook DJëloedJoer), Më- 
loedjoer, r^gen, met grove ste- 
ken naaien. 

Loegoet, de fijne, scherpe haartjes 
of vezeltjes aan de schutbladen 
van het bamboes-riet, die in 
slokdarm of maag opgenomen en 
vastgezet, een gevaarlijke ont- 
steking daarvan veroorzaken. 

lioeka, wond, gewond, gekwetst, 
kwetsuur ; Mëloekaï, Mëloeka- 
kën, verwonden, kwetsen, won- 
den toebrengen. 

Loekoe (Jav.), ploeg; Mëloekoe, 
ploegen. 

Loeloer, het haasje (van slacht- 
dieren). 

Loeloet, Mëloeloet, door wry ving, 
enz. het vuil van de huid ver- 
wyderen. 

Loemajan (Jav.), desnoods, bü ge- 
brek aan beter of meer, voorloopig 
voldoende, enz. 

Loemat, poeder, poeder vormig, fijn 
als poeder; Mëmpërloematkën, 
tot poeder wryven, tot poeder 
fijn maken. 

Loemba, wedy ver, wedstryd; Bër- 
loemba-loemba&n,metelkander 
om het hardst iets doen (loopen, 



160 



LOEM. 



LOEW. 



rtJden, enz.), wedijveren, wedren- 
nen ; Përloembaën, wedy ver, 
wedstrijd, wedren; Ikanloemba- 
loemba, bruinvisch. 

Xjoemboen^:, rystschuur. 

Loemoer, vuil; Bërloemoer, be- 
vuild, besmeerd, vuil zijn, met 
vuil bedekt zijn; Mëloemoer, 
vuil maken, met vuil besmeren, 
bevuilen, enz.; Meloemoerkën, 
iets op Iets smeren. 

Loemoet, mos, kroos, wier, schim- 
mel; Bërloemoet, bërloemoe- 
tan, loemoetan, met mos, kroos, 
wier bedekt, beschimmeld, door 
vocht uitgeslagen, enz. 

Loempang, rijstblok, vijzel; Loem- 
pang batoe, steenen vijzel. 

Iioempoeh (Jav.), verlamd, lam, 
(van leden, voornamelijk de boe- 
nen) ; Pënjakit loempoeh, lam- 
heid der beenen, beri-beri. 

Loexnpoer, modder, slijk, slib. 

liOenas, de kiel van een schip, enz. 
ook quitte, geheel afbetaald (van 
schuld, enz.). 

lioendjak Mëloendjak ook Nga- 
loendjak, omhoog springen, 
omhoog streven, zich verhoovaar- 
digen, ook brutaal, aanmatigend 
zijn, enz. 

Iioendjoer (of liondjor), uitge- 
strekt (van de beenen) bijv. biJ 
het zitten); Bëloendjoer of 
Mëloendjoer, met de beenen 
uitgestrekt zitten, onder het zit- 
ten enz. de beenen uitstrekken. 

Iioentoer (Bat.), verkleuren, de verf 
loslaten, verschieten (van stoffen). 

Iioepa, vergeten, zich niet meer 
herinneren, niet meer te binnen 
kunnen brengen, vergeten ziJn; 
Mëloepakën, iets vergeten, doen 
vergeten. 

Loepoet (Jav.), ontglipt, ontsnapt, 
ontkomen,vr]ü,bevrijd,verlost,mis, 
verkeken, mislukt; Mëloepoet- 
kën, verlossen, bevrijden, doen 
ontkomen, onttrekken aan, doen 
mislukken, enz. 



Loerah, groef, sponning, ook: 
hoofd, dorpshoofd. 

Loeri (of Noeri), roode papegaai. 

lioerik, sterke geweven, meest 
blauw of blauwwit gekleurde in- 
landsche stof, gestreept (van 
kleur). 

Loeroeh, op zijn tijd afvallen (van 
oude bladeren, rijpe vruchten). 

Loeroeng, weg, straat. 

Loeroes, recht, zonder bochten, 
oprecht (van gemoed). 

Loesa, den derden dag, overmor- 
gen, [ook: Hari loesa). 

Loetar, Mëloetar, iets gooien, 
werpen; Mëloetari, naar ^ iets 
werpen, iets bewerpen; Mëloe- 
tarkën, met iets werpen, iets 
ergens heen werpen, — gooien; 
Pëloetar, werptuig, werpmiddel, 
machine om te werpen, shnger, 
blijde, enz. 

Loetjoe (Jav.), aardig, grappig, gui- 
tig, koddig, kluchtig. 

Loetjoet, ontglipt, ontschoten, 
tusschen de vingers doorgeglipt, 
doorglijden, doorschieten, ontglip- 
pen, ontschieten, ontglijden, enz. 

Loetoeng, een zwarte aap. 

Loetoet, de knie; Bërloetoet, 
knielen, op de knie rusten, enz. 

Loe'wak, een soort bunsing of das. 

Loewang, stil, bedaard, rustig, 
windstilte. 

Loewap, Mëloewap, rijzen, gis- 
ten, zwellen, ook (van vlammen) 
hoog uitslaan. 

Loewar, buiten, uitwendig; Di 
loewar, buiten, uit, uitgenomen, 
uitgezonderd, behalve; Kaloe- 
vrar, naar buiten, buitenwaarts, 
naar buiten gaan, uitgaan, uit- 
komen, naar buiten komen, ook 
uit dienst gaan, den dienst ver- 
laten; Mëngëloewari, uittrek- 
ken, tegemoet gaan; tegemoet 
trekken; Mëngëloe-warkën, te 
voorschijn brengen, naar buiten 
brengen, voor den dag halen, 
—brengen, enz. uiten, zeggen. 



LOEW. 

Ijoewas, ruim, breed, wyd, uitge- 
strekt, ^ groot, mtgestrektheid, 
enz.; Mëloewaskën, wyd maken, 
verwijden, uitbreiden, vergrooten; 
BIaloe"wa8an,ruimte,uitgestrekt- 
heid, ook djiur (van tyd). 

Iioewek, Mêloewek, open, open 
zijn, gapen (van een wond). 

JjOgSLUif metaal, metalen. 

Iiogrrat, woordenboek, dictionnaire. 

Lohor, na den middag, de tijd voor 
het middaggebed. 

Ijojang, klokkenmetaal, messing, 
een mengsel van geel koper en 
zink, ook een koekvorm. 

holeng, papieren lantaarn. 

liOloh, een kind voeren, door het 
eten in den mond te duwen, 
enz. 

IjoIos, los, afgegleden (bijv. van 
een ring aan den vinger), loszitten, 
enz.; Mëloloskën, afnemen, af- 
halen, losmaken enz. 

Lombok (Jav.) (ook Tjabe), Spaan- 
sche peper, Capsicum annuum, L. 
nat. fam. der Solaneae, waarvan 
vele soorten bestaan. 

Iiombot (Mol. Mal.), afgemat, dood- 
af, doodmoe. 

liompat» sprong; Mëlompat of 
Bërlompat, een sprong maken, 
springen, huppelen ; Melompati 
of Mëlompatkën, over iets heen 
springen, iets overspringen. 

Londjong, lang en smal eindigend, 
scherp toeloopend, spits eindi- 
gend. 

liongerar, ruim, wijd, te wijd, los, 
loszittend; Mëlonggarkèn, wij- 
der maken, verwijden, losser 
maken, enz. 

liOngkah, los, loslaten, afschilfe- 
ren, afvallen (bijv. van boombast, 
opgelegd hout aan meubels, enz.). 

Xiongsor, Mëlongsor, in delengte 
afglijden, gleden, (bijv. van een 



LOTJ. 



161 



balk langs een helUng, het schui- 
felen van een slang, enz.). 

LoDtar, Borassus flabelliformis, L, 
een hooge palm. 

Lonte (Jav.), hoer, straathoer, pu 
blieke vrouw. 

Lontjat, sprong; Mëlontjat, Bèr 
lontjat, springen, met de beide 
voeten tegelijk van den grond, 
enz. opspringen, enz. 

Lontjeng, klok, hangklok, pendulOj 
bel, schel. 

Lontor, Mëlontor, het voedsel met 
gulzigheid opnemen, vreten. 

Lopak-lopak, tabakskokertje van 
matwerk, enz. ook dienende tot 
bewaring van betelpruimen. 

Lopis (Koewe lopis), zeker gebak 
van këtan. 

Lop (Jav.) (ook Oetara), noord, 
het noorden, noordelijk, ten noor- 
den. 

Lorek (Jav.), gestreept; Matjan 
lorek, de gestreepte tijger, ko- 
ningstijger. 

lioreng, zie: Lorek. 

Lorod, Mëlorod, ergens afglijden, 
zich laten afglijden, afzakken, 
glijdend afvallen, enz. naar be- 
neden komen. 

Losin (HolL), dozijn, twaalftal. 

Loteng, zolder, zoldering, vhering. 

Lotjeng, zie: Liontjeng. 

Lotjok, stang, die in een bus, enz. 
op en neer kan gaan ; Mëloijok, 
in iets op en neer gaan (van den 
stang eener pomp bijv.), vuig. 
ook voor den coïtus uitoefenen, 
eene vrouw beslapen,enz.; Lotjok 
ook: een busje met stamper, 
waarin ouden van dagen de sirih- 
pruim fijnstampen, om die te kun- 
nen gebruiken. 

Lotjot, los, losgelaten, opengereten, 
opengescheurd, afgevallen (van 
tanden, de huid, enz.). 



Maleisch-Hollakdsch. 



11 



162 



MA'. 



MAIN. 



M. 



Ma' (of Bmak), moeder, — - ook in 
't algemeen gebruikt tegenover 
bejaarde vrouwen. 

Ma&f (Ar.), vergeving, vergiffenis ; 
Minta ma&f, zich verontschul- 
digen, enz. 

Maboer (Jav.), opvliegen, wegvlie- 
gen, wegloopen, op stokgaan, enz. 

Mabok, dronken, bedwelmd, dron- 
ken z\jn, enz.; Mëmabokkën, 
dronken maken, bedwelmen ; Ma- 
bok laoet, zeeziek, zeeziekte; 
Mabok darab, flauw, bedwelmd 
door bloedlucht, — bloedverlies, 
— het zien van bloed ; Pëmabo- 
kan, dronkaard. 

Machdoem (Ar.) (of Makdoem), 
heer. 

Machloek (Ar.), schepsel. 

Madat (of Tjandoe), bereide opi- 
um ; Roemah madat, (ook Pë- 
madatan), amüoenkit; Pëma- 
dat of Pëmadatan, opiumschui- 
ver, iemand die verslaafd is aan 
het gebruik van opium; Minoem 
madat, opium schuiven. 

Madja, Aegle marmelos, Rub. nat. 
fam. der Aurantiaceae, hooge 
boom met eetbare vruchten. 

Madjëlis (Ar.), vergadering, raad, 
college, enz. ook audiëntie, audiën- 
tiezaal. 

Madjikan (Soend.), heer, baas, 
U chef. 

Madjir, onvruchtbaar, ongeschikt 
voor de voortteling. 

Madjoe, voorwaarts, vooruit, voor- 
uitgaan, vooruitkomen, tegen iets 
optrekken, enz.; Mëmadjoekën, 
doen vooruitgaan, vooruitbren- 
gen, enz. 

Madjoem, werk (om te breeuwen). 

Madoe, zoet, honig, ook mede- 
echtgenoot, medeechtgenoote 
(verg. Maroe), medeminnaar, me- 



deminnares; AJër madoe, honig- 
water. 

Madrasah (Ar.), school, godsdienst- 
school. 

MsLgBJOLg (Jav.), inlandsch volgeling» 
die dient zonder loon, doch in hei: 
vooruitzicht van te eeniger tyd 
aan eene vaste betrekking gehol- 
pen te worden, iemand die op 
het bureau van den een of ande- 
ren ambtenaar als leerling werkt, 
enz., ook overryp (van vruchten), 
op 't punt van te gisten (van 
vloeistoffen). 

Magël, halfgaar, half ryp, stokkerig. 

Magrib (Ar.), hot Westen, het tijd- 
stip waarop de zon onder de wes- 
terkim duikt, avondschemermg, 
tusschen licht en donker ; Sëm- 
bajang magrib, het avondgebed 
(even na zonsondergang). 

Maha, groot, best, uitmuntend, 
uitstekend, zeer, in hooge mate, 
enz.; Maha soetji, zeer rein, 
bU uitstek rein, reinst; Maha 
moelia, hoog, aanzienlijk, edelst; 
Maha dewa, de groote god, de 
hooge god, Siwah. (Dit maha 
wordt alleen in samenstellingen 
gebruikt en kan, zooals uit de hier 
aangegeven voorbeelden blykt, 
dikv^jls door den superlatief-uit- 
gangworden teruggegeven); lang 
maha tinggi, de Allerhoogste ; 
lang maha soetji, de Allerhei- 
ligste, enz. 

Mahal, duur, niet goedkoop, hoog 
in prys, ook moeilyk te kragen, 
zeldzaam, enz. ; Barang mahal, 
dure waar. 

Mahap, zie : Ma&f (Ar.). 

Maln, spelen; Bërmaln, spelen, 
zich vermaken, voor ziJn genoe- 
gen, enz. iets doen, zich voor zjjn 
genoegen met iets bezig houden. 



l c^ d (C iMOC' 



r^{ 



MAIT. 

op iets spelen, met iets spelen, 
iets bespelen, ook gekheid maken, 
gekscheren, boerten, enz.; Ber- 
midn bodo, zich dom houden; 
Main gila, gekheid maken, 
iemand voor den gek houden, enz.; 
Main kartoe, kaarten, kaart- 
spelen, dobbelen; Bërmaïn mata, 
elkander lonkjes geven, toelon- 
ken, enz.; Përmaïnan, spel, ver- 
maak, enz., ook speelgoed, speel- 
tuig. 
Maït (Ar.), lijk, menscheltjk lyk. 
Maja, schyn, schim, gezichtsbe- 
drog, ook schyn, weerschijn, glin- 
stering, enz. 
Majangr, bloemtros van palmen, 
ook benaming van zekere soort 
voor de vischvangst op zee ge- 
bruikte inlandsche vaartuigen; 
Këmbar majang, de twee of 
vier aan stokken bevestigde, veel 
van bloemtrossen der palmen 
hebbende pluimen , die by bruilofts- 
optochten voor in den stoet ge- 
dragen worden. 
Maka, en, dat, daarom, toen, zoo, 
zoodat, waarom; Maka itoe, 
Makanja, daarom, om die reden, 
dientengevolge, enz. 
Makam, verblijfplaats, zetel, graf. 
Makan, eten, vreten, invreten, 
dringen, indringen, snijden (van 
scherpe voorwerpen), bijten (van 
visschen), vatten, pakken (van 
raderen), trekken (van pleisters, 
enz.), nuttigen, gebruiken, rooken, 
opslurpen, slaan (bij het damspel, 
bijv.), enz.; Makan darah, zich 
opvreten van ergernis; Makan 
gadji, loon trekken; Makan 
naai, rijst eten; Makan of Me- 
makan ook invreten (van een 
wond, enz.), zich uitbreiden, over- 
slaan (van vuur bij een brand 
enz.), diep in den grond dringen 
(van boomwortels) ; Mak ana n , 
eten, eterij, spijs, voedsel, voeding ; 
Tëmpat makanan, etensbak, 
etensdrager; Toekang makan, 



MALA. 



163 



stevige eter, vreetzak; Tempo 

makan, etensuur, etenstijd. 

Maki (of Maki-maki), schelden, 

uitschelden, uitmaken voor al wat 

leelijk is, schimpen, beschimpen, 

enz.; Maki (Mol. Mal.), naam van 

een soort visch. 

Makin (ook Mangkin), zooveel te 

eer, zooveel te meer, des te eer, 

des te meer, hoe .... hoe, hoe . . . 

zoo, enz.; Makin lama, makin 

bësaPjhoe langer hoe gr ooter, enz. 

Makota, kroon; Makota radja, 

koningskroon. 
Maksoed (Ar.), doel, oogmerk, doel- 
wit, bedoeling, beteeken is, zin, 
geest. 
Maktoeb (Tërmaktoeb) (Ar.), ge- 
schreven. 
Mal (of Bmal), mal, vorm, model. 
Malah, te meer, des te meer, des 
te eer, zooveel te meer, wat meer 
is, enz. (ook: Malahan). 
Malaikat (Ar.), engel. 
Malam (Jav.), was. 
Malam (of Malem), de tijd na 
zonsondergang tot zonsopkomst, 
avond, nacht; Sëmalëm een 
nacht, ook van nacht, den afge- 
loopen nacht; Malëm Senen, 
Zondagavond, Zondagnacht, de 
avond (nacht) van Zondag op 
Maandag; Bërmalëm, ovemach- 
ten, een nacht overblijven, enz, 
ook een nacht jang opblijven; 
Mëmalëmkën, een nacht over 
laten blijven, gedurende een nacht 
laten staan; Malëman, (gedu- 
rende de vasten) een nacht (ge- 
woonlijk van den 21en, 23en, 25en, 
27en en 29en der vastenmaand) 
vieren door op te blijven en te 
illumineeren, alsmede offers aan 
de goden te brengen, enz.; Ka- 
malëman, te laat op den avond, 
door den nacht overvallen (wor- 
den). , , , 
Malëm (Jav.), vochtig klam, ook 

verflenst, verwelkt. 
Malang, dwars, dwars in den weg, 



164 



MALA. 



MAND. 



dwarsliggen,6nz.;KaJoemalang, 
dwarshout, dwarsboom; Oen- 
toeng malang, tegenspoed, on- 
geluk; Mëmalangi, dwarsboo- 
men, in den weg staan, enz., ook 
verhinderen, beletten. 

Malar, steeds, voortdurend, by 
voortduring, ook: malah (zie 
aldaar.) 

Malas (of Malës), lui, traag, vadsig, 
lusteloos, loom, niet actief, geen 
lust hebben om iets te doen, 
geen opgewektheid gevoelen tot, 
enz.; Pëmalës, luiaard. 

Malela, niet gebloemd, niet geda- 
masceerd, effen, glad (van wa- 
pens, enz.). 

Maligai, paleis, vorstelijk verbiyf, 
vorstelijke woning. 

Malih, verandoren, anders worden, 
van kleur, gedaante enz. veran- 
deren. 

Maling, dief (ook Pëntdoeri); 
Pintoe maling, achterdeur, ge- 
heime deur; Koentji maling, 
dievensleutel,looper; Mëmaling, 
een dief worden, als een dief doen, 
het handwerk van een dief uit- 
oefenen,stelen,diefstalplegen,enz. 

Maloe, beschaamd, verlegen, be- 
schaamd zijn, zich schamen, ver- 
legen zijn, schaamte, verlegen- 
heid, schande; MëmaloeX, zich 
over iets of iemand schamen; 
Mëmaloekën, beschaamd ma- 
ken,beschamen, tot schande strek- 
ken van, iets te schande maken, 
enz.; Kamaloean, beschaamd, 
beschaamdheid, schande, ook 
sch^Eiamdeel. 

lia'loem (Ar.), bekend, openbaar, 
bekend^ zijn met iets; Mëma'- 
loemkën, bekend maken, open- 
baren, kennis geven, blootleggen, 
enz., pubhceeren. 

Mamah, kauwen, fijnkauwen. 

Mamak, oom of tante, 

Mamanda, vorstelijke oom of tante. 

Mambang (ook Këmambang), 
drijven, bovendrijven, uit het wa- 



ter boven komen, drijvende zijn, 
op het water liggen, enz. 

Mamboe, stinken. 

Ma'moer (Ar.) (of Mahmoer), wel- 
varenjl, volkrijk, bewoond,bevolkt. 

Mampët, dicht, dichtgestopt, ver- 
stopt, vast in elkander gestampt, 
enz.; Mëmampëtkën, verstop- 
pen, stoppen, dichtstoppen, enz. 

Mampilai, bruid, bruidegom. 

Mampir, bij iemand aanloopen, aan- 
gaan, aankomen, aanwippen, een 
kort bezoek brengen, enz. 

Mampoe, in staat, bij machte zijn, . 
bemiddeld, gegoed, vermogend 
zijn, kunnen, vermogen. 

Mampoes (vuig.), dood, gestorven, 
gecrepeerd, verrekt, kapot. 

Mana, wat, welke, waar, hoe, enz. ; 
Di mana, waar, waar ter plaatse; 
Dari mana, van waar, waar van 
daan ; Kamana, waarheen, waar 
naar toe; Bagimani, hoe, op 
welke wijze; lang mana, wie, 
wat, welk; Roemah mana, welk 
huis; Mana boleh, hoe is het 
mogelijk, hoe kan het; Dimana- 
mana, overal, waar ook; Ka- 
mana-mana, waarheen ook ; Ba- 
gimana djoega, hoe ook, hoe 
het ook uitvalle. 

Ma'na (of Makna) ( Ar.),beteekenis, 
zin, geest, bedoehng. 

Manarah, minaret, toren (bij een 
moskee, enz.); Manarali,Manara 
of Menara (Mol. Mal.) gereed- 
schap, voornamelijk vischtuig. 

Mandalika, Artocarpus rigida, BI. 
nat. fam. der Artocarpeae, hooge 
boom met zuurzoete vruchten. 

Mandapa (of Pëndapa) (Jav.), open 
gebouw, voor en aan woningen 
van inlandsche hoofden, enz. 

Mandi, baden, zich baden, een bad 
nemen, ook vergiftig, het doel 
niet missend, gevaarlijk; Bër- 
mandi, baden, badende, zijn; 
Bërmandi darah of mandi 
darah, in zijn bloed baden, bloe- 
den, geheel met bloed bedekt zt(n. 



MAND. 



MANT. 



165 



enz. ; Mèmandikën, baden, laten 
baden, doen baden, een bad ge- 
ven, enz. (bijv. van een kind). 

Mandjat, zie: Pandjat. 

Mandjoer, vergiftig, venynig, doo- 
delyk (van een wapen, enz.), ge- 
vaarlek, sterkwerkend, doeltref- 
fend (van een geneesmiddel, enz ). 

Mandor, mandoor, (inlandsch) op- 
zichter over werkvolk. 

Mangap, den mond openhouden, 
opensperren, opengesperd houden, 
(in 't algemeen) open, openge- 
sperd, gapend, enz. 

Mangga, Mangifera, L. de om z\]ne 
lekkere vruchten bekende, tot de 
Nat. fam. der Anacardiaceae be- 
hoorende boom, die in vele ver- 
scheidenheden algemeen voor- 
komt en aangeplant wordt. De 
voornaamste soorten zyn: Mang- 
ga batjang, Mangifera foetida, 
L.j Mangga bëmbëm of Ka- 
bëmbëm, Mangifera laurina, L. ; 
Mangga bënggala, Mangifera 
indica, var. compressa. BI. ; Mang- 
ga daging. Mangifera foetida, 
var. mollis, BI.; Mangga dodol, 
Mangifera indica, var. dodol, BI. ; 
Mangga-kaer, Mangifera indica, 
var. Kayer. Grtn; Mangga ka- 
lapa,Mangifera indica, var.Kalapa, 
BI.; Mangga-kawini, Mangifera 
foetida, var. Kawini, BI.; Mangga 
oedang, Mangifera laurina, var. 
microcarpa, BI.; Mangga sëngir, 
Mangifera laurina, var. Sangir, 
BI. ; Mangga-tëlor, Mangifera 
laurina, var. Tëlor, BI. ; Mangga 
-wangi, Mangifera indica, var. 
gratissima, BI. 

Manggar, de steel der bloem- en 
vruchttrossen van palmsoorten. 

Manggis (of Manggistan), Gar- 
cinia mangostana, L. Nat. fam. 
der Clusiaceae, middelmatige 
boom met heerlijke, gezonde 
vruchten. 

Manggoet,knikken(ten teeken van 
bevestiging), ook knikkeboUen, 



knikken van ouden van dagen. 

Mangkak, uitdijen, zwellen, ook 
overrijp, meer dan gaar, enz. (van 
vruchten en spyzen), overmoedig. 

Mangkat, sterven, overlijden (van 
vorstelijke personen); Mangkat 
bëradoe, overlijden, ontslapen. 
Zie verder: Angkat. 

Mangkin, zie: Makin. 

Mangkok, kom, kop, kommetje, 
kopje. 

Mangoe (Tërmangoe-mangoe), 
in droef gepeins verzonken. 

Mangoet (Jav.), een wijze van 
bereiding van visch, zeker visch- 
gerecht. 

Mangsa (Jav.), zie: Moesim. 

Mangsa, Mëmangsa, mishan- 
delen, in het ongeluk storten, 
ongelukkig maken (Bandj.); DJi- 
kalaü njawa mëmboeka moe- 
loet, oenda mëmbakar lalang, 
njawa poenja tëmpat sëloe- 
koet dan diri dimangsa, als 
gy verklaart, dat ik de alang-alang 
in brand heb gestoken, dan zal 
ik uwe woning in vlammen doen 
opgaan en zult gü in het ongeluk 
worden gestort. 

Mani, sperma, menschelijk (dierlijk) 
zaad; Mëmantjar mani, zaad 
schieten. 

Manik (Manik-manik of Mani- 
mani), kleine kraaltjes van aller- 
lei kleur. 

Manikam, edelsteen, karbonkel, 
robijn. 

Manis, zoet, (ook van smaak), zacht, 
lief, minzaam, vriendelijk, lieftal- 
lig, aanminnig, innemend, beval- 
lig, aanvallig; Manjsan, zoetig- 
heid, confituren ; Pëmanis, wat 
zoet maakt, ook wat heftalligheid 
bijzet, bevallig, ^ lief, aanvallig 
maakt, enz. ; Mëmaniskën, te- 
genover iemand een lief gezicht 
zetten, hem lief, voorkomend, 
minzaam behandelen, enz. 

Manoe8ia(Sk.), mensch,de mensch. 

Mantat, zie: Pantat. 



166 



MANT. 



MASK. 



Mantega, boter. 

Mantëra, tooverspreuk, tooverfor- 
mulier. 

Mantëri, raadsheer, minister, ook 
titel voor bepaalde inlandsche 
ambtenaren van minderen rang ; 
Përdana xnanteri, eerste minis- 
ter, minister-president. 

Mantjawërna, veelkleurig, veel- 
soortig, van allerlei kleuren soort. 

Mantjing, hengelen, met den hen- 
gel visschen, (ook in fig. zin ge- 
bruikt), naar iets vorschen, achter 
iets trachten te komen, enz. 

Mantjoeng, het dikke schutblad 
van den bloemkolf der palmen, 
puntig, spits uitloopend, enz. (btjv. 
van een neus). 

Mantoe, schoonzoon of schoon- 
dochter. 

Mantok (of Mantoek), stil heen- 
gaan, weggaan, terug gaan, naar 
huis gaan, enz. 

Maoe, wil, willen, den wil hebben 
tot, genegen ziJn, verlangen, be- 
geeren, ook noodzakeiyk zyn, 
moeten geschieden, enz.; Maoe 
oedjan, het wil (zal) regenen, 
het dreigt te regenen ; Saia maoe 
poelang, ik wil naar huis gaan, 
enz.; Maoe ta' maoe, tegen wil 
en dank. 

Maoeng, onaangenaam, vochtig, 
muf, duf, enz. riekend, niet versch, 
bedorven, ook: schimmel, kaam, 
enz.; Bftaoengan, beschimmeld, 
met schimmel of kaam bedekt. 

Mapag,feestelök inhalen,tegemoet 
gaan, tegemoet komen. 

Mar (of &mar), metalen buikband 
der vrouwen. 

Mara, ongeluk, onheil, leed; Mara 
bahaja, gevaar. 

Marah, boos, kwaad, toornig, n\jdig, 
toom, kwaadheid; Mëmarahi, 
toornen, boos zyn op iemand, 
iemand een standje maken, be- 
knorren, enz. 

Marbot (Ar.), een ondergeschikt 
Mohammedaansch geestelijke. 



Mardjan, bloedkoraal. 

Marga, stam, volk, volksstam. 

Marhoem (Ar.), wylen, zaliger, (van 
een overledene gesproken). 

Marl (Këmari), herwaarts, hier- 
heen, kom hier, herwaarts komen, 
enz.; Kasana këmari, her- en 
derwaarts; Marl, kom, komaan, 
welaan ! 

Mariam, kanon; Boewah mari- 
am, kanonskogel; Mariam ko- 
dok, mortier. 

Marika (Marika itoe), z\j, zylie- 
den. 

Maroe (Jav.), mede-echtgenoot, me- 
de-echtgenoote. 

Martabat (Ar.), ambt, betrekking, 
bediening. 

Martil, hamer, moker. 

Mas, (ook Bmas), goud, gouden, 
verguld. 

Masa, tyd, tydperk, seizoen, ook: 
zou het, het zou wat, het mocht 
wat, toch niet, enz. 

Masak, gaar, ryp, gereed, klaar, 
enz., ook koken, gaar maken, enz. ; 
Masak nasi, r\jst koken; Ma- 
sak-maaak, allerlei gerechten 
klaar maken, kokerellen, enz. 

Masalat (Ar.), vraagstuk. 

Masam (of Masëm, Asem), zuur, 
zuur zyn, ook verzum^d, enz., en 
stroef, strak, boos (van het ge- 
zicht). 

Masdjid (Ar.) (ook Mësigit), mos- 
kee, Mohammedaansche kerk. 

Masih, nog, nog steeds. 

Masin (en Asin), zout, zoutachtig, 
ziltig. 

Masing-masing, ieder, ieder af- 
zonderlijk, een iegelijk, elk, elk 
afzonderiyk, enz. 

Maajgroel (Ar.), bekommerd, be- 
kommerd zijn, zich ongerust ma- 
ken over, ongerust ztJn, vervuld 
van, beslommering, enz. 

Masjhoer (Ar.), (ook TërmaaiJ- 
hoer), alom bekend, vermaard, 
beroemd (zyn). 

Maski (Blaski poen), alhoewel. 



MASO. 

hoewel, ofschoon, laat staan dat, 
zelfs al, enz. 

Masoek, ingaan, binnengaan, bin- 
nentreden, binnenkomen, behoo- 
ren tot, overgaan tot, ondergaan 
(van hemellichamen); Masoek 
kadalëm roemab, in huis 
gaan; Masoek islam, overgaan 
tot het Mohammedaansch geloof; 
Matahari masoek, de zon gaat 
onder ; Masoek pèlaboehan, 
een haven, reede binnen komen ; 
Masoek soldadoe, soldaat wor- 
den, zich als soldaat laten inle- 
ven ; Kamasoekan, iets binnen 
krijgen, doordrongen van iets, 
enz. ; Kamasoekan setan, door 
den duivel bezeten ; Mëmasoek- 
ken, iets ergens indoen, instop- 
pen, induwen, enz. 

Mata, oog, ook een klein gewicht 
voor kostbare zaken, als goud, 
opium, enz.; Mata ajër, bron, 
wel ; Mata angin, windstreek ; 
Mata bëdil» vizierkorrel van een 
geweer; Matadjaring, maas van 
een net; Mata gëlap, t\|del\jke 
zinsverbystering ; Mata-goen- 
ting, de oogen van een schaar; 
Mata-hari, de zon; Mata-ikan 
kleine puistjes met witte puntjes ; 
Mata-kajoe, kwast in hout; 
Mata kaki, de enkel; Mata- 
koetjing, een edelgesteente, ook 
een soort hars, katoog; Mata 
padoman,streek van een compas; 
Mata soesoe, tepel; TJërmin 
mata of Katja mata, bril; 
Mata-mata,8pion, ondergeschikt 
politiebeambte; Mata tadjëm, 
scherpe, scherpziende oogen ; 
Mata manis, zachte oogen ; 
Ajër mata, traan. 

Matahari, de zon; Matahari nalk 
(tërbit), de zon komt op; Ma- 
tahari masoek (toeroen), de 
zon gaat onder; Matahari hi- 
doep, het Oosten, Matahari 
mati, het Westen; Tjaliaja 
matsihari, zonneglans; Panas 



MEdA. 



167 



matahari, zonnehitte ; Sinar 
matahari, Sorot matahari, 
zonnestraal; Tërang matahari 

zonnelicht. 

Matëng, gaar, r^jp; Mëmatëng- 
kën, gaarkoken, gaarstoomen, 
ryp maken, rtjp laten worden, enz. 

Mati, dood, overleden, gestorven, 
dood gaan, sterven, overlijden, 
onbeweeglijk, stil liggen, uit, ge- 
ëindigd, enz. ; Orang mati, een 
doode; Harga mati, de naaste 
prijs; Mëmatikën, dooden, dood- 
maken, vaststellen (van een prijs), 
stil laten staan (byv. een klok), 
blusschen (een lamp, een vuur), 
enz. 

Matjam (of Matjëm), soort, mon- 
ster, vorm, model, staal, proef. 

Matjan (zie ook: Harimau), tijger, 
in 't algemeen alle dieren behoo- 
rende tot de tygerfamihe; Matjan 
lorek of — loreng, de gestreepte 
koningstyger ; Matjan toetoel, 
de gevlekte tijger, panter; Ma- 
tjan koembang, de zwarte 
tijger. 

Matoe, zeker goudgewicht, karaat; 
Bmas ampat belas matoe,goud 
van 14 karaat. 

Mauloed (Ar.), (of Rabf oelawal), 
de derde maand van het Moham- 
medaansche jaar, zoo genaamd 
naar Mohammeds geboortefeest. 

Maut (Ar.), dood, de dood, het 
doodsuur. 

Mawar, roos, rozestruik; Boenga 
mawar, roos (de bloem); Pokok 
mawar of Poehoen mawar, 
rozestruik ; Ajër mawar, roze- 
water; Minjak mawar, rozen- 
ohe; DJamboe mawar, zie 
onder: DJamboe. 

Medan, open plaats, plein, vlakte. 

Medja, tafel; Medja boender, 
ronde tafel; MedJa pësagi, vier- 
kante tafel;MedJa makan, etens- 
tafel; MedJa maln, speeltafel; 
MedJa toelis, schrijftafel. 

Mega, wolk. 



168 



MEGA. 



Më^rar (ook Mëkar), opengaan, 
zich openen, zich ontsluiten (van 
bloemen, aren, enz.), opkomen, 
ryzen, zwellen (van deeg), enz. 

Idegrék. (Jav.), afgejakkerd, afge- 
beuld (zi]n), onder een te zwaren 
last bezwijken, niet in staat zyn 
verder te gaan, enz. 

Mëkoer, hokvast, te huis zitten, 
hokken, niet uitgaan, enz. 

Mëlalnkën, zie : Laln. 

Mëlajoe, Maleier, Maleisch ; Oran^: 
mëlajoe, Maleier; Bahasa me- 
Is^joe, de Maleische taal, het Ma- 
leisch ; Tanah mëlajoe, de Ma- 
leische landen. 

Mëlantas, recht door heen, door 
en door. Zie: Lantas. 

Mëlantjong, pierewaaien, uitgaan, 
slenteren, lanterfanten, uitloopen, 
enz. 

Mëlar, uitgezet, gezwollen, uitdijen, 
uitzetten, zwellen ; Mëlarkën, 
Mëmëlarkën; doen uitzetten, 
uitrekken, in de lengte uitrek- 
ken, enz. 

Mëlarat, behoeftig, armoedig, ge- 
brek l\jdend, armoede, gebrek ly- 
den, enz., ook rondzwerven, do- 
len, enz. 

Mëlati, Jasminum Sambac, L. Nat. 
fam. der Jasmineae, de Indische 
jasmyn. 

Mëlek, de oogen open hebben, wak- 
ker zyn, wakende zyn, opblyven, 
niet slapen, wakende den nacht 
doorbrengen, enz. 

Mëlëk, treffend, frappant gelykend 
(van een portret bijv.). 

Mëlëkah,gespleten,gebarsten,8plij- 
ten, barsten, openbarsten, open- 
springen, opengaan, enz. 

Mëleng, onoplettend, nalatig, on- 
verschiUig, niet behoorlijk letten, 
passen enz. op hetgeen aan 
zijne zorg is toevertrouwd, enz. 

Mëlës^ niet goed dicht, niet goed 
sluitend (van een vloer biJv,), zoo- 
dat vocht enz. tusschen de voegen 
door kan sijpelen. 



MEMB. 

Mëlingkëp,ineengekronkeld liggen 
(als een slang), 

Mëlit, alles haarfijn willen weten, 
nauwkeurig naar iets vragen, in- 
formeeren, enz., ook: niet mild, 
niet geefsch, vrekkig, gierig, meer 
dan spaarzaam zijn. 

Mëliwis (Jav.), een kleine soort 
wilde eend, taling. 

Mëmadakën, zie : Pada. 

Mëmadamkën, zie: Padam. 

Mëmagëri, zie: Pagèr. 

Mëmagoet, zie: Pagoet. 

Mëmahat, zie: Pahat. 

Mëmakoe, zie: Pakoe. 

Mëmaksa, zie: Paksa. 

Mëmalang, zie: Palang. 

Mëmaloe, zie: Paloe. 

Mëmanasi, zie: Panas. 

Mëmandang, zie: Pandang. 

Mëmandjangkën, zie: Pandjang:. 

Mëmandjat, zie: Pandjat. 

Memang, (Bat.), van ouds, van 
nature, natuurlijk, van zelf, van 
zelf sprekend, uit den aard der 
zaak voortvloeiend, al vast, bij 
voorbaat, altijd, zoo behoort het, 
ook juist, zeker, enz. ; Memang: 
bëgitoe, het is zeker zoo, zoo 
behoort het, enz. ; Memang niat- 
nja bëgitoe, hij was dit ook 
juist van plan, enz. 

Mëmanggang, zie: Panggang. 

Mëmanggil, zie: Panggil. 

Mëmangkoe, zie: Pangkoe. 

Mëmarang, zie: Parang. 

Mémasang, zie: Pasang. 

Mëmatahkën, zie: Patah. 

Mëmatëri, zie: Patëri. 

Mëmaljak, zie: Patjak. 

Mëmatjoel, zie: Patjoel. 

Mëmatoek, zie : Patoek. 

Mëmatoet, zie: Patoet. 

Mëmbabar, spreiden, uitspreiden, 
ontrollen (ook Mëmbeber), ook 
baren, een kind ter wereld bren- 
gen, enz. 

Membajar, zie: Bajar. 

Mëmbalang, werpen gooien, slin- 
geren; Mëmbalangi, naar iemand 



MEMB. 

of iets werpen, iemand of iets 
bewerpen; Mëmbalangkën^met 
iets werpen, bewerpen, iets naar 
iemand of iets toegooien, enz. 

Membalës. zie: Balës. 

Mëmbalikkën, zie: Balik. 

Mëmbangrkit, zie: Bangkit. 

Mëmban^foezii, zie: Bang^oen. 

Mëmbarlngkën, zie: Baring. 

Mëmbasoeh, zie: Basoeh. 

Mëmbatalkën, zie Batal. 

Mëmbatja, zie: Bat ja. 

Mëmba-w^a, zie: Ba^va. 

Mëmbawah, zie: Bawah. 

Mëmbëbat, zie: Bëbat. 

Mëmbëdaki, zie: Bëdak. 

Mëmbëdoeng, zie: Bëdoeng. 

Mëmbëhagikën, zie: Bèhagi. 

Mëmbëhasakën, zie: Bëhasa. 

Mëmbejakën, zie: Beja. 

Mëmbëkalkën, zie: Bëkal. 

Mèmbëlah, zie: Bëiah. 

Mèmbèlaiidjakêp,zie : Bëlandja. 

Mëmbëli, zie: Bëli. 

Mëmbënarkën, zie: Bënar. 

Mëmbëri, zie: Bëri. 

Mëmbërita, zie : Bërita. 

Mëmbërkat, zie: Bërkat. 

Mëmbëtoelkëja, zie: BëtoeL 

Mëmbinasakën, zie: Binasa^ 

Mëmboengkëm, zie: Boengkëm. 

Mëmbongkar, zie: Bongkar. 

Mëmboenoeh,zie : Boeiioeh,moor- 
den, vermoorden, doeden, dood- 
maken, doodslaan, enz., ook uit- 
maken, uitblazen (van vuur of 
licht), uitvegen, schrappen, door- 
halen (van schrift); Pëmboenoeh, 
moordenaar. 

Mëmëdi (Jav.), spook, spootver- 
8chyning,geest,geestverschyning. 

MëmegaDg, zie : Pegang^ 

Mëmëliharakën, zie: Pëlihara. 

Mëmëloek, zie: Pëloek. 

Mëmëndam, zie : Pëndam. 

Mëmendekkën, zie: Pendek. 

Mëmëniran, zie: Mënir. 

Mëmênoehi, zie : Pënoeh. 

Mëmerangi, zie : Përang. 

Mëmëriksaï, zie : Përiksa. 



MEMP. 



16a 



Mëmërintah, zie: Përintah. 
Mêxuëtik, zie : Pëtik. ^ 
Mëmëtjahkën, ziej Pëtjah. 
Mëmëtjoet, zie: Pëtjoet. 
Mëmidjët, zie : Pidjet. 
Mëmikat, zie: Pikat. 
Mëmikir, zie: Pikir. 
Mëmikoel, zie : Pikoel. 
Mëmilih, zie : Pilih. 
Mëminang, zie: Pinang. 
Mêmindahkèn, zie: Pindah. 
Mëmindjam, zie: Pindjam. 
Mëminta, zie: Pinta. 
Mëmipis, zie: Pipis. 
Mëmiaah, zie: Pisah. 
Mëmoedja, zie: Poedja. 
Mëmoedji, zie: Poedji. 
Mëmoekoel, zie: Poekoel. 
Mëmoelangkën, zie: Poelang. 
MèxnoeDgoet, zie : Poengoet. 
Mëmoesar, zie: Poesar. 
MëmoesingkëD, zie: Poefdng. 
Mëmoetar, zie: Poetar. 
Mëmoetihkën, zie: Poetih. 
Mëmoetoes, zie: Poetoes. 
Mëmoewaskën, zie: Poe'was. 
Mëmohon, zie: Pohon. 
Mëmotong, zie: Potong. 
Mëmpëdal, zie: Ampëdal. 
Mëmpëlam, zie: Axnpëlam. 
Mëmpëlas, zie: Ampëlas. 
Mempër (Jav.), veel hebben van^ 

gel\jken op, geiykenis hebben 

met, enz. 
Mëmpëranakkën, (zie: Anak),. 

ook : ter wereld brengen, bevallen 

van. 
Mëinpërbanjakkën(zie: Banjak), 

vermenigvuldigen. 
Mëmpërdëngarkën(zie: Dëngar)^ 

doen hooren. 
Mëmpërgoendikkën (zie : Goen^ 

dik), iemand (een vrouw) tot 

byzit nemen. 
Mëmpërhainbakën(zie: Hamba)^ 

iemand tot dienaar, bediende aan- 

nemen,aanstellen,in dienst nemen. 
Mëmpërhinggakën(zie:Hiiigga)^ 

tot grens stellen, als grens aan- 
nemen, bepalen. 



170 



MEMP. 



Mëmpërolih, zie: Olih. 

Mëmpoenjaï, zie : Poenja. 

Mën, (verkorting van Mëna, zie 
dit woord). 

Mëna, reden, oorzaak, gissing, enz. 

Mënaboeh, zie: Taboeh. 

Mënaboer, zie: Taboer. 

Mënadah, zie: Tadah. 

Mënagrih, zie: Tagih. 

Mënahan, zie : Taban. 

Mënahi, zie: Tahi. 

Mënakar, zie: Takar. 

Mënakoetkën, zie: Takoet. 

Mënalak, zie : Talak. 

Mënambahkën, zie: Tambah. 

Mënambak, zie: Tambak. 

Mënambang, zie: Tambang:. 

Mënamboenkën, zie: Tamboen. 

Mënamoe, zie: Tamoe. 

Mënampak, zie: Tampak. 

Mënanak, zie: Tanak. 

Mënandaï, zie: Tanda. 

Menandak, zie: Tandak. 

Mënandang, zie: Tandang. 

Mënanding, zie: Tanding. 

Mënandoe, zie: Tandoe. 

Mënandoek, zie: Tandoek. 

Mënandoer, zie: Tandoer. 

Mënang, winst, overwinning, win- 
nen, overwinnen ; Kamënangan, 
winst, overwinning, wat gewon- 
nen is, teeken van overwin- 
ning. 

Mënangani, zie : Tangan. 

Mënangas, zie: Tangas. 

MënangiB, zie: Tangis. 

Mënanggalkën, zie: Tanggal. 

Mënanggoehkën.zie: Tanggoeh. 

Mënanggoeng, zie: Tanggoeng. 

Mënanggok, zie: Tanggok. 

Mënangkap, zie: Tangkap. 

MënangkiB, zie : Tangkis. 

Mënantoe, schoonzoon of schoon- 
dochter. 

Mënapis, zie : Tapis. 

Menara of Mënarah (Mol. Mal.), 
j?ereedschap, werktuig. 

Mënari, zie: Tarl. 

Mënarik, zie: Tarik. 

Mënaroh, zie: Taroh. 



MENE. 

Mënatoe, waschman, bleeker, zie 
ook : Tatoe. 

Mënav7ar, zie: Tawar. 

Mëndadak (Jav.), zie : Dadak, iets 
in alle haast doen, klaarmaken, 
klaarzetten, enz. 

Mëndamai, op iets geleken, aan 
i^ets gelyk zyn. 

Mëndap, bezinksel, drab, bezinken. 

Mëndëboeloeï, zie: Dëhoeloe. 

Mëndëkok, thuis zitten koeke- 
loeren, ook zich gekromd te sla- 
pen leggen. 

Mëndëlik, groote oogen opzetten, 
staroogen, de oogen wjjd open- 
zetten. 

Mëndëm (Jav.), dronken, bezopen, 
bed welmd(zyn) .Zie ook: Pëndëm. 

Mëndjadi, zie : DJadi. 

Mëndjaït, zie: DJalt. 

Mëndjak (Samëndjak), sedert. 

Mëndjangan (Jav.), (ook: Roesa), 
hert. 

Mëndjaroemi, zie: Djaroem. 

Mëndjëngat, achterover liggen, 
achterover slaan, achterover bui- 
gen, ook opengaan (van het dek- 
sel van een kist, bijv.), opwaarts 
openslaan,achterwaarts,opwaarts 
gericht, enz. 

Mëndjërit, zie: DJërit. 

Mëndoeng (Jav.), bewolkt, betrok- 
ken, regenachtig (van de lucht), 
wolk. 

Mènëbah, zie : Tëbah. 

Mënëbang, zie: Tëbang. 

Mënëbas, zie: Tëbas. 

Mënëboes, zie : Tëboes. 

Mëoëdoehi, zie: Tëdoeh. 

Mënëgahkën, zie : Tëgah. 

Mënëgoehkën, zie: Tëgoeb. 

Mënëgor, zie : Tëgor. 

Mënëkan, zie : Tëkan. 

Mënëlan, zie: Tëlan. 

Menembak, zie: Tembak. 

Mënembok, zie: Tembok. 

Mënempel, zie : Tempel. 

Mënëmpoeh, zie : Tëmpoeh. 

Mënëndang, zie : Tëndang. 

Mënëngah, zie: Tëngah. 



MENE. 

Menëngar, zie: Dëngar. 
Menenoen, zie: Tënoen. 
Mënënoeng, zie: Tënoeng. 
Mënëntang, zie : Tëntang. 
Mënëntoekën, zie; Tëntoe. 
Mënëpi, zie: Tëpi. 
Mënëpoeng; zie:jrëpoeng. 
Mënëpok, zie: Tëpok. 
Mënëraboeng, zie : Tëraboeng. 
Mënëradjang, zie: Tëradjang. 
Mënërangkën, zie: Tërang. 
Mënërap; zie: Tërap. 
Mënërbangkën, zie : Tërbang. 
Mënërbitkën, zie: Tërbit. 
Mënërima, zie: Tërima. 
Mënërka, zie : Tërka. 
Mënëroesi, zie: Tëroes. 
Mënëtapi, zie: Tëtap. 
Mënëtas, zie : Tëtas. 
Mëngaboerkën, zie: Kaboer. 
Mëngadakën, zie : Ada. 
Mëngadang, zie: Adang. 
Mëngadjak, zie: Adjak. 
Mëngadjar, zie : Adjar. 
Mëngadji; zie : Adji. 
Mëngadjoki, zie : Adjok. 
Mëngadoe, zie : Adoe. 
Mëngadoni, zie: Adon. 
Mëngaïl, zie : Ki^. 
Mëngait, zie: Kait. 
Mëngajak, zie : AJak. 
Më&gajakën, zie: Kaja. 
Mëngajëri, zie: AJër. 
Mëngajau, zie: Kajau. 
Mengajoeh, zie : Kajoeh. 
Mëngajoen, zie: AJoen. 
Mëngakak, zie: Kakak. 
Mëngakoe, zie: Akoe. 
Mëngalah, zie: Alah. 
Mëngalap, zie : Alap. 
Mëngalas, zie : Alas. 
Mëngalib, zie : Alib. 
Mëngalpakën^ zie : Alpa. 
Mëngamat-amati, zie : Amat. 
Mëngambang, zie: Kambang en 

Ambang. 
Mëngambil, zie : Ambil. 
Mëngamboel, zie: Amboel. 
Mengamboes, zie : Amboes. 
Mëngamoek, zie: Amoek. 



MENG. 



171 



Mëngampoe, zie : Ampoe. 
Mêngampoengkën, zie: Kam- 

poeng. 
Mengampoeni, zie: Ampoen. 
Mèngandoeng, zie: Kandoeng. 
Mèngandoet, zie: Kandoet. 
Mëngganggoer, zie: Anggoer. 
Mënganginkën, zie: Angin. 
Mëngangkang, zie : Kangkang. 
Mengangkat, zie: Angkat. 
Mëngangkoet, zie : Angkoet. 
Menganiaja, zie: Aniaja. 
Mënganoegërahakën, zie : Anoe- 

gëraha. 
Mëngantara, zie: Antara. 
Mëngantih, zie : Anteh of Antih. 
Mëngantjing, zie: Kantjing. 
Mëngantjoek, zie : Ant^Joek. 
Mëngantoek, zie : Antoek, slaap 

hebben, slaperig ziJn, enz. 
Mengap, zie: Mangap. 
Mëngapa, waarom, hoe komt het^ 

wat is er de reden van, enz. 
Mëngapakën, zie : Apa. 
Mëngapalakën, zie: Kapala. 
Mëngapoer, zie : Kapoer. 
Mengapoeskën, zie : Apoea. 
Mëngarak, zie: Arak. 
Mëngarang, zie: Ejirang. 
MëngaroeDg, zie Aroeng en 

Karoeng. 
Mëngaroeniakën, zie : Karoenia. 
Mëngaron, zie: Aron. 
Mëngasah, zie : Asah. 
MëngasUii, zie: Kasih. 
Mëngasoeb, zie: Asoeh. 
Mëngatakën, zie : Kata. 
Mëngatas, zie : Atas. 
MeDgatoer, zie: Atoer. 
Mëngawinkën, zie: Kawin. 
Mëngëbas, zie: Këbas. 
Mëngëdan, drukken, persen (b\J 

de ontlasting of by een bevalling). 
Mëngeh, benauwd, naar den adem 

snakken, hijgen, buiten adem z^n 

(ook: Mënggeb, Mënggeh- 

mënggeh). 
Mëngekah, zie : Këkab. 
Mëngëleb, zie: Këleh. 
Mëngëlek, zie: Këlek. 



172 



MENa. 



Mëngelek, zie: Kelek. 
Mëngëmasi, zie: Bmas^ 
Mèngëxnboenkën, zie: Emboen. 
Mëngëmboes, zie^Emboes. 
Mëngëmoet, zie : Êmoet en Kë- 

moet. 
Mëngënakën, zie : Këna. 
Mëngënalkën, zie : Kënal. 
Mëngendahkën, zie: Endab. 
Mëngënjoet, zie : Kënjoet. 
Mëngëntak, zie : Entak, trekken, 

pynlyk trekken, werken (van een 

etterbuil, enz.). 
Mëngëntjingi, zie: Këni^ing. 
Mëngëpi, stil thuis blyven, de 

kamer houden, in een kamer 

blijven, niet uitgaan, (van een 

zieke). 
Mëngëpit, zie : Këpit. 
Mëngëpoeng, zie :^Këpoeng. 
Mëngërak, zie : Kërak —om iets 

vechten (van honden). 
Mëngëraskën, ziej Këras. 
Mëngërat, zie: Kërat. 
Mëngërdjakën, zie : Kërdja. 
Mëngeret, zie: Eret. 
Mëngërisgkën, zie : Kering. 
Mëngëroeboeng, zie : Këroe- 

boeng. 
Mëngërti, zie: Arti. 
Mëngërtikën, zie:j^rti. 
Mëngëtam, zie: Këtam. 
Mëngëtjjilkën, zie: Këtjil. 
Mëngëtok, zie: Këtok. 
Mëngidar, zie: Idar. 
Mëngidjabkën, zie : Idjab. 
Mëngidzinkën, zie: Idasin. 
Mënglgal, zie: Igal. 
Mëngigau, zie: Igau. 
Mëng^akën, zie: Ija. 
Mëngikat, zie: Ikat. 
Mëngikir, zie: Kikir. 
Mëngikoet, zie: Ikoet. 
Mëngilir, zie : Uir en Kilir. 
Mëngindjak, zie : Indjak. 
Mëngingatkën zie : Ingat. 
Mëngipas, zie: fikipas. 
Mëngirakën, zie : Kira. 
Mëngiri, zie : Iri en Kiri. 



MENa. 

Mëngiring, zie: Iring. 

Mëngiroep, zie : Iroep. 

Mëngisap» zie: Isap. 

Mëngisi, zie: Isi. 

Mèngitoeng, zie: Itoeng. 

Mëngkal (of Mëngkël), half r^jp ; 
nog niet geheel ryp, beginnen te 
rypen (van vruchten). 

Mëngkara, kreeft, het sterrenbeeld 
de Kreeft, ook benaming voor 
zekere slagorde. 

Mëngkëroek, den kop (het hoofd) 
laten hangen, (van een dier, dat 
niet wel is, enz.). 

Mëngkoedoe, (ook Bangkoedoe 
of Koedoe), Morinda citrifolia, 
L. nat. fam. der Eubiaceae, mid- 
delmatige boom, die een roode 
kleurstof geeft. 

Mëngkoet of Mamëngkoet (Verg. 
Pangkoe — Mëmangkoe), op 
of in den schoot dragen, enz. — 
fig. ook: belast zyn met enz.; 
Mamëngkoet përentah, (Ban- 
djerm.), de uitvoerder zyn van 
bevelen, bevelen ten uitvoer bren- 
gen, enz. 

Mëngobah, zie: Obah. 

Mëngobati, zie: Obat. 

Mëngoebar, zie: Oebar. 

Mëngoedjar, zie: Oedjar. 

Mëngoedji, zie: Oedji. 

Mëngoedoengi, zie: Koedoeng. 

Mëngoedoet, zie: Oedoet. 

Mëngoekir, zie: Oekir. 

Mëngoekoep, zie: Oekoep. 

Mëngoekoer, zie: Oekoer. 

Mëngoekoes, zie: Koekoes. 

Mëngoelas, zie: Oelas. 

Mëngoeli, zie: Koeli. 

jüfltëngoelilingi, zie: Koeliling. 

Mëngoeloer, zie: Oeloer. 

Mëngoembab, zie: Koembah. 

Mëngoembalikën, zie: Kombali. 

Mëngoemboek, zie: Oemboek. 

Mëngoempil, zie: Oempil. 

Mëngoempoelkën,zieKoempoel. 

Mëngoendang, zie : Oendang. 

Mëngoendjoek, zie: Oendjoek. 

Mëngoendoerkën, zie: Oendoer. 



MENG. 



MENJ. 



173 



Mëngoenjah, zie: Koenjah. 

Mëngoentai, zie: Oental. 

Mengoentji, ziej Koentji. 

Mëngoentoekkën, zie : Oentoek. 

Mëngoepajakën, zie : Oepaja. 

Mëngoepamakën, zie: Oepama. 

Mèngoepas, zie: Koepas. 

Mëngoerai, zie: Oerai. 

Mëngoerangkën, zie: Koerang. 

Mèngoera-oera, zie: Oera. 

Mëngoerap, zie : Oerap. 

Mëngoeroeng, zie : Oeroeng en 
Koeroeng. 

Mëngoeroes, zie : Oeroes. 

Mëngoeroet, zie : Oeroet. 

Mëngoesahakën, zie: Oesaha. 

Mëngoesap, zie: Oesap. 

Mëngoesir, zie: Oesir. 

Mëngoesoeng, zie: Oesoeng. 

Mëngoesoetkën, zie: Koesoet. 

Mëngoetil, zie : Koetil. 

Mëngoetjap, zie: Oet^jap. 

Mëngoetjoepi, zie: Koetjoep. 

Mëngoetoeki, zie: Koetoek. 

Mëngoetoes, zie: Oetoes. 

MëngoewasajDi, zie: Koewasa. 

Mëngojak, zie : OJak en Kojak. 

Mengok (ook: Mengor^ Mengot), 
scheef, scheefgeplaatst, op zijde, 
schuin, enz. 

Mëngolok-olok, zie: Olok. 

Mëngopatakën, zie: Opah. 

Mëngorek, zie: Korek. 

Mëngotjok^^zie: Kotjok. 

Mëngotorkën, zie: Kotor. 

Mënimba, zie: Timba. 

Mënimbang, zie: Timbang. 

Mënimboelkën, zie: Timboel. 

Menlmboen, zie : Timboen. 

Mënimpa, zie: Timpa. 

Mënindas, zie: Tindas. 

Mënindih, zie: Tindih. 

Mënindik, zie: Tindik. 

Mënindjau, zie: Tindjau; ook 
Mënindjo of Mëlindjo, Qnetum 
gnemon, L. Nat. Fam. der Glne- 
taceae, een middelmatige boom, 
welks bladeren en vruchten veel 

fegeten worden. 
nindjoe, zie : Tindjoe. 



Mëninggal, zie: Tinggal. 

Mëninggikën, zie: Tinggi. 

Mënir, fijnkorrelige, gebroken r^jst, 
rystgruis ; Mëniran, Callicarpa 
cana, L. nat. fam. der Verbena- 
ceae(?) een kleine heesier met 
kleine, fijnkorrelige zaden, veel 
gebruikt in de inlandsche genees- 
kunde tegen vrouwenziekten ; 
Mëmëniran, een ziekte in den 
neus, waarby het neusvlies(?) dik- 
wijls kleine bobbeltjes vertoont, 
en neusbloeding plaats heeft (ook : 
Mimisan). 

Mënit, minuut. 

Mënitahkën, zie: Titab. 

Mënitik, zie: Titik. 

Mënitir, zie : Titir. 

Mënitis, zie : Titis. 

Mënjabit, zie: Sabit. 

Mënjaboet, zie: TJaboet. 

Mënjadiakën, zie: Sadia. 

Mënjaboet, zie: Saboet. 

Mënjajangkën, zie : Sajang. 

Mënjajoer, zie: Sajoer. 

Mënjakar, zie: TJakar. 

Mënjaksikën, zie: Saksi. 

Mënjala (of Mënjalab), vlammen, 
ontvlammen, opvlammen, vuur- 
vatten, ook afgaan (van vuurwerk, 
enz.); Mënjalaken, aansteken, 
doen ontvlammen, enz., aanma- 
ken (van vuur). 

Mënjalabkën, zie: Salab. 

Mënjalamatkën, zie: Salamat. 

Mënjalin, zie: Salin. 

Mënjamak, zie: Samak. 

Mënjamakën, zie: Sama. 

Mënjamar, zie: Samar. 

Mënjambat, zie : Sambat. 

Mënjamboeng, zie: Samboeng. 

Mënjamboet, zie: Samboet. 

Mënjampaikën, zie: Sampai. 

Mënjampoemakën, zie : Sam- 
poema. 

Mezdan, benzoë, wierook; Më- 
menjankën, met benzoë bewie- 
rooken, ook vermengen. 

Mënjangga, zie: Sangga. 

Mënjanggoepi, zie: Sanggoep. 



174 



MENJ. 



Mënjangka, zie: Sangka. 
Mëojangsaraken, zie : Sangsara. 
Menjapa, zie: Sapa. 
Mënjapoe, zie: Sapoe. 
Mënjaroengi, zie: Saroeng. 
Mënjasarken, zie : Sasar. 
Mënjawah, zie: Sawah. 
Mënjëbar, zie: Sëbar. 
Mënjëbërang, zie : Sëbërang. 
Mëojëboet, zie : Sëboet. 
Mëivjëdoeh, zie: Sëdoeh. 
Mënjeker, zie : TJeker. 
Mënjëlam, zie : Selam. 
Mënjëlësaikën, zie: Sëlësai. 
Mënjëlidik, zie: SëUdik. 
Mënjëlimpët, zie: Sëlimpat. 
Mësjëmbah, zie: Sëmbah. 
MëDjëmbajangi, zie : Sëmba- 



.ir- 



Mënjembëleh, zie: Sëmbëleh. 
MëDjëmboehkën, zie: Sëmboeh. 
Mënjëmboenikën, zie : Boeni en 

Semboexü. 
Mënjëmboer, zie: Sëmboer. 
Mênjëndal» zie: Sëndal. 
MëDjenderkën, zie : Sender. 
Mënjengget, zie: Sengget. 
Mënjeoje (Bat.), aldoor vochtig z\)n, 

vocht afgeven, vloeien (van een 

wond). 
Mënjëntak, zie : Sëntak. 
Mënjëpit, zie: Sëpit, ook DJëpit. 
Mënjëpoeh, zie: Sëpoeh. 
Mënjërahkën, zie : Serah. 
Mëajërampang, zie: Sërampang. 
MëDjësakkën, zie: Sësak. 
Mënjësal, zie: Sësal. 
Mënjewa, zie: Sewa. 
Mëniarapkën, zie: Tiarap. 
Mëojigërakën, zie: Sigëra. 
Mënjikat, zie: Sikat. 
Mënjiksa, zie: Siksa. 
Mëojimpan, zie: Stmpan. 
Mësjindir, zie : Slndir. 
Hëxijingkir, zie: SIngkir. 
Minjipat, zie : Sipat. 
Mëiidiram, zie : Stram. 
Mësjisik, zie: Sisik. 
Më^jisir, zie: Sisir. 
M&vloebitï zie: Tjoeblt. 



MENO. 

Mënjoekarkën, zie: Soekar. 
Mënjoeko^, zie: Tjoekoer. 
Mënjoelam, zie: Soelam. 
Mënjoeloehi, zie: Soeloeh. 
Mënjoembang, zie: Soembang* 
Mënjoempah, zie: Soempah. 
Mënjoempit, zie : Soempit. 
Mënjoenat, zie: Soenat. 
Mënjoerat, zie: Soerat. 
Mënjoeroeh^^zie : Soeroeh. 
Mënjoesahkën, zie: Soesah. 
Mënjoesoel, zie: Soesoel. 
Mënjoesoer, zie: Soesoer. 
Mënjoetik, zie : TJoetik. 
Mënjoetji, zie: TJoetJi. 
Mënjoetjikën, zie : Soetji. 
Mënjoewap, zie : Soewap. 
Mënjoga, zie : Soga. 
Mënjogok, zie: Sogok. 
Mënjorong, zie: Sorong. 
Mënjoso, zie: Soso. 
Mënjowek, zie: Sowek. 
Mënoeba, zie: Toeba. 
Mënoedjah, zie: Toedjah. 
Mënoedjoe, zie: Toedjoe. 
Mënoedoeh, zie : Toedoeb. 
Mënoekang, zie: Toekang. 
Mënoekar, zie: Toekar. 
Mënoells, zie: Toelis. 
Mënoeloeng, zie : Toeloeng. 
Mënoembak, zie : Toembak. 
Mënoemboek, zie: Toemboek. 
MënoempahkëD, zie : Toempah. 
Mënoempang, zie: Toempang. 
Mënoempoek, zie : Toempoek. 
Mënoen^oek, zie: Toendjoek. 
Mënoendoeng, zie: Toendoeng. 
Mënoenggang, zie: Toenggang. 
Mënoengging, zie: Toengging. 
Mënoenggoe, zie : Toenggoe. 
Mënoentoeiiy zie: Toentoen. 
Mënoer, roset, knop, bal, ook een 

soort vritte steen. 
Mënoeras, zie: Toeras. 
Mënoeroenkën, zie: Toeroen. 
Mënoeroet, zie : Toeroet. 
Mënoesoek, zie : Toesoek. 
Mënoetoek, zie: Toetoek. 
Mënoetoep, zie : Toetoep. 
Mënoewang, zie: Toewang. 



MENO. 

Menolih, zie: Tolih. 

Mënonton, zie: Tonton. 

Mëntah, rauw, onrijp, ongaar, on- 
gekookt, nog niet bereid. 

Mentang (Bat), al is het ook, is 
het omdat, terwijl. 

Mentega, zie Mantega. 

Mentimoen, zie: Ketimoen. 

Mèntja, zie: Pëntja. 

Mentjëret, dun afgaan, buikloop 
hebben, aan diarrhee lyden, dunne 
afgang, buikloop. 

Mëntjil, zie: Pëntjil. 

Mëntjoerat, uitgutsen, met een 
straal uitstroom en (byv. van bloed 
uit een ader). 

Mentjok, op een tak zitten, neer- 
strijken, enz. (als vogels), ook er- 
gens zyn verbiyf houden, zich 
vestigen, enz. 

Mentjong (of Mentjeng), schuin 
gaan, een schuine richting nemen, 
scheef staan, —liggen, enz. uit 
de rechte Ifln gaan, —vallen, enz. 

Mëntoewa, schoonouders, schoon- 
vader, schoonmoeder; Mëntoe'wa 
laki-laki, ^schoonvader; Mën- 
toe'wa istëri, schoonmoeder. 

Merah, rood; Merah toewa, don- 
kerrood, roodbruin ; Merah moe- 
da, lichtrood, karmozijnrood; Me- 
rah bëtoel, vuurrood, vermiljoen- 
rood; Merah tëlor, dooier van 
een ei, oranjerood; Mëmerahi, 
rood verven, ook langzaam aan 
rood worden. 

Mërak, pauw; Boentoet mërak, 
pauwestaart. 

Merang (Jav.), stroo, gedroogde 
halmen van de rijstaren; AJër 
xnërang, loog, getrokken uit ge- 
brande rystaarhalmen, gebruikt 
om de haren te wasschen. 

Mërapati, duif, gewone duif, huis- 
duif (ook: Boeroeng dara of 
Dërpati). 

Mërdoe, zacht, lief (van een stem). 

Mërëm, met gesloten oogen, de 
oogen sluiten, de oogen luiken 
(ook in fig. zin). 



MILI. 



175 



Mërëngoet, zuur zien, een zuur 
gezicht zetten, een ontevreden 
gezicht toonen. 

Méres, zie: Peres. 

Mërës, zie: Përës. 

Mëriam, zie Mariam. 

Mëriang (Jav.), koortsig, koorts- 
achtig, koortsig zijn, een koortsig 
gevoel over zich hebben,on wel z\j n, 
de koorts voelen opkomen, enz. 

Mëriap, zie: Riap. 

MërlDjo, schout, inspecteur van 
politie, ook een ondergeschikt 
inlandsch politiebeambte, een (op 
ondernemingen of landerijen) met 
de nachtwaak belaste persoon. 

Mëritja (of Lada), peper. 

Mëroewap, dampen, wasemen, 
naar alle kanten uitslaan, zich 
verspreiden (van damp, rook, 
enz.). 

Mërosot, glijden, uitglijden, afglij- 
den, glippen, uitglippen. 

Mèrtja, zie: Moertja. 

Mërtjoe, top, kruin, punt, het 
hoogste gedeelte van iets. 

Mërtjon (Jav.), vuurwerk, voetzoe- 
ker, klapper. 

Mërtoewa, zie: Mëntoewa. 

Mesan (Ar.), graf paaltje. 

Mesëm, glimlach, glimlachen. 

Mësigit (Ar.), zie: Maadjid. 

Mëski, zie: Maski. 

Mëshr (Ar.), Tanah mësir, Egypte. 

Mësoem, vuil, slordig, niet netjes; 
Anak mësoem, een vuil kind, 
een slordig kind, sloddervos,vuilik. 

Mëati, moeten, verplicht zijn, nood- 
zakelijk zijn, het moet, het is 
noodzakelijk, zeker, zekerlijk, enz.; 
Mëstinja bëgitoe, het moet, 
het behoort zoo, enz. 

Mewek (Bat.), pruilen, den mond 
plooien of vertrekken (van iemand 
die op 't punt staat van te schreien). 

Milik, eigendom; Mëmiliki, iets 
in eigendom bezitten, in bezit 
nemen, enz. ; Hak kamilikan, 
eigendomsrecht. 

Milir, (Jav. Bat.) stroomafwaarts 



176 



MIMI. 



MOED. 



gaan, een rivier afvaren, zeewaarts 
gaan, enz. 

Mimi, de stekelrog (verg. Belang- 
kas). 

Mixnis, hagel, jachthagel, schroot, 
mu8schenhagel,ganzenhagel,efiz.; 
Mimisan, een neusbloeding heb- 
ben, enz. (Zie ook: Mëmëniran 
onder Mënir). 

Mimpt droom; Bérmimpi, ook 
MënjBrimpi, dj-oomen; Bërmim- 
pikën of Mëng^mpikën, over 
iets droomen. 

Minantoe, zie: Mënantoe. 

Minatoe, zie: Mënatoe. 

Minbar (of Mimbar) (Ar.),de preek- 
stoel, de kansel, het spreekge- 
stoelte in een moskee. 

Minfa&t (Ar.), nut, voordeel. 

Min£:goe (Hari minggoe),Zond ag; 
Saminggoe, een week; Bër- 
minggoe, veeken lang (duren, 
enz.); Laln minggoe, een vol- 
gende week, de andere week. 

Mingkin, zie: Mangkin. 

Minjak, ohe, vet, smeer; Minjak 
tanah, petroleum; Minjak ka- 
lapa, kokosolie; Minjak ka- 
tjang, olie geperst uit aardakers ; 
Minjak wangi, odeur; BOlnjak 
mawar, rozenolie; Minjak ikan, 
traan, levertraan; Minjak kam- 
bing of gi, geiten- of schapenvet; 
Minjak babi, reuzel. 

Minoem, drinken, iets drinken, 
een drank innemen, gebruiken, 
enz.; Minoem anggoer, wiyn 
drinken; Minoem obat, medicön 
(drankje) innemen; Minoem 
madat, opium gebruiken, schui- 
ven, rooken; Minoeman drank, 
wat gedronken wordt; Tëmpat 
minoeman, drankenzetje, karaf, 
enz. 

Minta^ verzoeken, vragen, bidden 
om iets, naar iets solliciteeren, 
enz. ; Minta-minta, bedelen ; 
Pëimintaftn, verzoek, bede, sol- 
licitatie, zie verder Pinta. 

Mirah, robijn, karbonkel. 



Miring, hellend, schuin, schuin 
afloopend, hellen, overhellen, naar 
een kant neigen, schuin afloopen. 

Misan (ook: Misanan, Soedara 
misan), neef, nicht, broers- of 
zusters-kind. 

Miskin, arm, armoedig, behoeftig. 

Misoeh(Jav.),schelden,uitschelden, 
uitmaken; Misoehi of Mëmisoe- 
hi, iemand uitschelden, enz. 

Modal, kapitaal, bedrijfskapitaal, 
beginkapitaal, handelskapitaal, 
waarmede men een zaak begint, 
hoofdsom, inleg, fonds; Memo- 
dalkën, iemand bedrijfskapitaal 
verstrekken, enz. 

Modar (Soend.), dood, gestorven, 
gecrepeerd, verrekt. 

Modin (Ar.), een ondergeschikt 
geestelijke aan een moskee ver- 
bonden, die de geloovigen tot het 
gebed, enz. moet oproepen. 

Moe, bez. voornw. van den 2en 
pers., verkorting van Kamoe. 

Moe*ala (Ar.), verheven, subliem. 

Moe'alim (Ar.), leeraar, meester, 
ook: stuurman, loods. 

Moebal, uitslaan, omhoog waaien 
(van vlammen). 

Moebëng (Jav.), draaien, rondgaan, 
omloopen, om iets heen loopen, 
enz. 

Moeda, jong, jeugdig, onrijp (van 
vruchten), licht (van kleiar); 
Radja moeda, onderkoning, ook 
kroonprins; Bini moeda, van 
twee vrouwen (echtgenooten) de 
jongstgenomene, de jongstge- 
trouwde. 

Moedah, licht, niet moeilük, ge- 
makkelijk; Mëmoedabkën, iets 
licht opnemen, gemakkelijk ach- 
ten, geringHchatten, ook : gemak- 
kelijk maken, vergemakkelijken ; 
Moedah-moedaban, kan het 
zijn, zoo mogelijk, moge het ge- 
beuren, ook: van lieverlede, zoo 
mogelijk, enz. 

Moedik, een rivier opvaren, naar 
hooger gelegen streken gaan. 



MOED. 



MOEN. 



177 



Moedjoer» rechtuit, in een bepaalde 
richting recht uitgestrekt, enz. 
ook gelukkig z^n (in het spel 
b^v.), meeloopen (van Jiet geluk, 
enz.); Mëmoedjoerkën^ iets in 
een bepaalde richting recht uit- 
strekken, plaatsen, enz. 

Moega (of Moega-moega), moge 
(by wenschen). 

Moeharram (Ar.), de eerste maand 
van het Mohammedaanschë jaar. 

Moehoen, zie: Pohon. 

Moeka, gezicht, aangezicht, gelaat, 
voorzijde, buitenzijde, oppervlak- 
te, voor, vooraan; Di mpeka, 
voor, vooraan; Moeka ajër, op- 
pervlakte van het water, water- 
spiegel, enz. ; Ajër moeka, ge- 
laatsuitdrukking; Moeka manis, 
een lief, aangenaam,^ aantrekke- 
lyk gezicht; Mêmbëri moeka, 
toegeven, toegevend zyn; Mëm- 
boewat moeka, een hef gezicht 
toonen, huichelen, iemand lekker 
maken ; Moeka medja, het blad 
eener tafel; Moeka dëngan 
moeka, van aangezicht tot aan- 
gezicht, onder vier oogen. 

Moekadas (Ar.), heilig, gehei- 
ligd. 

Moekah, overspel, echtbreuk, boel, 
boeleerster, overspeler, overspeel- 
ster; Bërmoekah, zich aan echt- 
breuk schuldig maken, overspel 
bedrijven. 

Moekim, gevestigd, wonend, ves- 
tiging, verblijfplaats, woonplaats, 
inwoner, bewoner, ingezetene, 
gemeente, kerspel, enz. 

Moela, begin, oorsprong, reden, 
oorzaak, aanleiding, waarom, daar- 
om, eerst, aanvankelijk, enz.; 
Bërmoela, aanvankelijk, in den 
beginne, een begin hebben, aan- 
Tangen, ten eerste, omJ:e begin- 
nen, beginnen, enz.; Sabërmoela, 
ten eerste, in de eerste plaats 
(meest aan het begin van een 
verhaal); MëmoelaX of Moelal, 
iets beginnen, aanvangen, een 
Maleisch-Hollandsoh. 



begin met iets maken, enz.; Për- 
moela£Ln, begin. 
Moelas (of Moelës), roering, pijn- 
lijke roering, kramp (in den buik), 
koliek (hebben). 

Moelia, aanzienlijk, edel, luister- 
rijk, roemrijk, verheven, door- 
luchtig, heerlijk, geëerd ; Mëmoe- 
liakën, verheerlijken, hoogach- 
ten, eerbewijzen; Kamoelia&n, 
luister, verheerlijking, eer, eerbe- 
wijs, enz. 

Moeloed, zie Mauloed (Ar.). 

Moeloer, uitrekbaar, elastisch, zich 
kunnen verlengen, uitrekken, enz. 

Moeloet, mond, bek, muil, ope- 
ning, monding, gat, enz.; Moe- 
loet manis, een mond, die veel 
liefs kan zeggen; Moeloet kotor, 
vuilbek; Moeloet bëdil, opening 
van een geweerloop, enz. 

Moendar-mandir, heen en weder 
gaan, heen en weder loopen, op 
en neer gaan, enz. 

Moendoek-moendoek of Mën- 
dëk-mëndëk, kruipend naderen, 
in een hurkende of gekromde 
houding naar iets toe gaan. Iets 
of iemand bekruipen. 

Moenggahin (van een jong meis- 
je) naar de woning van haren 
beminde overloopen (verg. Ngë- 
bëroek). 

Moenggoek, heuvel, aanhooging, 
enz. 

Moengil, klein en üef, dotterig, 
f; aanminnig, om te stelen. 

Moengkir, loochenen, ontkennen, 
een belofte breken, meineedig ztjn, 
af valligzijn, zich terugtrekken, van 
iets niet meer willen weten enz. 

Moengoet, zie Poengoet. 

Moentah, braken, overgeven, vo- 
meeren, ook van kleur verschie- 
ten (van geverfde stoffen, verg. 
Loentoer), braaksel ; Obat 
moentah, braakmiddel; Moen- 
tah darah, bloedspuwing, bloed- 
spuwen; Mëmoentahkën, uit- 
braken, uitspuwen. 



j/(iocn^ 






Ü' 



f/:^ri^i^0///^ éff^ 



178 



MOEN. 



MONG. 



Moentjërat, spatten (van vochten 
door drukking, enz,). 

Moentji, benaming, die aan inland- 
sche of Chineesche huishoudsters 
van Europeanen gegeven wordt ; 
Moentji kari, (van het Eng. 
carry), koppelaarster, vrouw die 
voor een man een bedgenoote 
zoekt enz. 

Moerah, goedkoop, laag in prys, 
niet duur, mild, milddadig, gul, 
goedgeefsch, mededeelzaam, mee- 
gaand, grootmoedig; Kamoera- 
han, gulhartigheid, mildheid, 
goedheid, enz.; Mëmoerabkën, 
iemand verteederen. 

Moeratn, somber, zonder glans, 
droevig (van het gelaat), triest, 
donker (van den dag). 

Moerid, leerling, discipel. 

MoeriQfi^'XUoering:, uit z^n humeur 
zyn, pruttelen, brommen, grom- 
men, kwaad—, boos z^n, onte- 
vreden zyn, enz. 

Moerka, toornig, toorn, boosheid, 
woede. 

Moeroeng:, bedroefd, droevig, droef- 
geestig, treurig, neerslachtig, 
zwaarmoedig. 

Moeroep (of Moeroeb), vlammen, 
opvlammen, uitslaan (van vlam- 
men), ook vuurrood. 

Moertad (Ar.), renegaat, afvallige, 
afvallig worden of z\jn, een ande- 
ren godsdienst omhelzen, enz. 

Moertja, bezwtJmd, in flauwte, in 
zwym, buiten kennis, flauw val- 
len, bezwijmen, enz. 

Moesa (Nabi Moesa), Mozes, de 
profeet Mozes. 

Moeeang (of Moensacg), een^soort 
wilde kat; Moesang djëbat, 
civetkat. 

Moesim, jaargetijde, seizoen, moes- 
son, bepaalde t\jd voor iets, enz. ; 
Moeslm panas, de droge moes- 
son ; Moesim oedjan, de regen- 
tijd; Moesim pantjaroba, de 
tyd der veranderlijke winden, de 
kentering; Moesim boewah- 



boewah, de vruchtentyd, waarin 
vele en allerlei vruchten te kr\jgen 
zijn ; Moesim motong padi, de 
oogsttijd van de rijst, de tijd waar- 
in de rijst gesneden wordt, enz. 

Moesjawarat (Ar.), beraadslaging,, 
overlegging, ook raad (lichaam); 
Mëmoesja-waratkën, over iet& 
beraadslagen. 

Moesoeh, vijand, tegenstander; 
Bërmoesoehan, in vijandschap 
leven met, enz.; Mëmoesoeb,. 
iemand als vijand beschouwen,, 
vijandig ziJn, als vijand behande- 
len, (verg. Sëtëroe). 

Moestahil (Ar.), on-waarschiJnliJk,. 
onmogelijk, onbestaanbaar, on- 
denkbaar, absurd, — hoe is het 
mogelijk! het kan niet! enz. 

Moestardi, mosterd. 

Moestika, bezoarsteen, steenachti- 
ge zelfstandigheid uit het lichaam 
van menschen of dieren en uit 
planten afkomstig. 

Moetiara, parel; Koelit moetiara,. 
parelschelp, paarlemoer (ook : 

Ëndoeng moetiara). 
Moewara, uitmonding eener rivier,. 

riviermond, haven, reede. 
Moewat, bevatten, inhouden, ge- 
laden ziJn met; Mëmoewatkën,. 

op iets, in iets laden; Moewa- 

tan, lading, vracht. 
Mojang, grootvader; Nene-mo- 

jang, voorouders. 
Molek, mooi, lief, aanvallig, aan- 
minnig, bevallig ; Këtjil molek,. 

klein en lief, dotterig, allerliefst^ 

om te stelen. 
Moler (Bat.), bijzit, boel, minnares,. 

ook: slet, gemeen vrouwspersoon,. 

straathoer. 
Molor, slapen, slaperig. 
Momo (of Momok), spook. 
Momong (Jav.), op iemand (een 

kind, enz.), passen, letten, iemand 

dienen, bedienen, enz. 
Mondok, zie Pondok. 
Mongkar (of Moengkar), een der 

twee doodsengelen (de andere 



MONJ. 



NAMP. 



179 



heet Nakir), die de dooden in de 
graven ondervragen, alvorens zy 
tot den hemel worden toegelaten. 

MoDJet, aap; Roemah monjet, 
schilderhuisje, schildwachthuisje. 

Montjong, spits, spits toeloopend, 
kegelvormig, snuitvormig, voor- 
uitstekend. 

Montjor, diarrhee, dunne afgang, 
waterige stoelgang, dun afgaan, 
buikloop hebben, loslijvig zyn. 

Montok, mollig, poezelig, ook (van 
de borsten) : rond, opkomend, rij- 



zend, gezwollen, gevuld. 
Montor, een soort huiduitslag in 

den vorm van kleine bobbeltjes of 

puistjes. 
Morong, een soort pot of pan met 

een of twee handvatsels. . 
Mosa, slavin. 
Moslim (Ar.), Muzelman, Muzel- 

mansch, Mohammedaan, Moham- 

medaansch. 
Mota (Kaïn mota), grofdoek; zeil' 

doek. 
Mowa, paling, groote aal. 



N. 



Na, nu, ziet ge wel! (uitroep). 

Nabi (Ar.), profeet. 

Nachoda (Perz.), (of Nakoda, ook : 
DJoeragan), gezagvoerder van 
een handelsvaartuig. 

Nadi, pols, polsader. 

Nadjis (Ar.), onrein, vuil, morsig, 
wat onrein, vuil is. 

Nafas (Ar.), (of Napas), adem, 
ademhaling; MënafasofBërna- 
fas, ademen, ademhalen ; Mëna- 
faskën, inademen ; Mënarik na- 
fas, zwaar ademhalen, zuchten. 

Nafsoe (Ar.), (of Napsoe), lust, 
begeerte; Hawa-nafsoe, harts- 
tocht, drift, lust en begeerte; 
BërnafBoe,hartstochteltjk begee- 
ren, lust hebben in, enz. 

Naga, draak. 

Nagasari, Mesua ferrea, L. nat. 
fam. der Clusiaceae, hooge, fraaie 
boom met ijzersterk hout en 
aangenaam riekende bloemen. 

Nahas, ongeluk, tegenspoed, onge- 
lukkig voorteeken,onheil aanbren- 
gend, enz. 

Nalb, plaatsvervanger, titel van den 
geesteljtjke, die de functién van 
een pënghoeloe waarneemt. 

Nsdk, klimmen, opklimmen, sty gen, 
naar boven gaan, opgaan, naar 
de hoogte gaan, ook bevordering 



maken, enz.; Nalk toeroen, op 

en neder gaan, op enafkhmmen; 
Naïk di darat, aan wal gaan: 
Naïk kapal, aan boord, scheep 
gaan; Nalk koeda, te paard 
rijden; Naïk radja, koning wor- 
den; Naïk pangkat, promotie 
maken; Naïk harga, in prys 
stygen; Mënaïk, st\jgen, naar 
boven gaan, rijzen; Mënaiki, 
op iets gaan, op iets ^stygen, op 
iets zitten, enz.; Mënaïkkën, 
doen stygen, oplaten, enz.; Ka- 
naïkan,voertuig, vaartuig, rijdier, 
waarop men zit, rydt, enz. 

Nakal, stout, baldadig, ondeugend, 
stout zijn, ondeugend zyn, stou- 
terd, ondeugd; Kanakalan,stout- 
heid, baldadigheid, moedwillig- 
heid, stoute, ondeugende streken. 

Nama, naam,^ benaming, titel, ti- 
tulatuur; Bërnama, een naam 
hebben, heeten, geheeten zijn ; 
Mënamaï, noemen, een naam 
geven; Mënamakën, naar iets 
noemen; Tërnama, van naam, 
beroemd, befaamd. 

Namnam, Cynometra caeliflora, L. 
nat. fam. der Papilionacea, hooge 
boom met zuurzoete vruchten, 
die veel gegeten worden. 

Nampak, zie: Tampak. 



180 



NAMP. 



NGEL. 



Nampik, zie: Tampik. 

Nampin, zie: Taxnpin. 

Nan = lang; zie aldaar. 

Nanah, etter, Bërnanah, etteren, 
met etter zyn; Mëngangkoet 
nanah, etter vormen (van een 
zweer). 

Nanas, Annanassa sativa, L. nat. 
fam. der Bromeliaceae, de bekende 
Ananas, waarvan men in Indië 
verscheidene variëteiten kent. 

Nandjaky zie Tandjak. 

Nangka, Artocarpus integrifolia, 
L. nat. fam. der Artocarpeae, 
hooge, fraaie boom met mooi en 
sterk hout en aangenaam sma- 
kende vruchten; ook van dezen 
boom bestaan veel variëteiten. 

Nanti, straks, nog een oogenblik, 
spoedig, enz. ; Bërnanti en Më- 
nanti, wachten, opwachten, aj- 
wachten, blyven wachten; Më- 
nantlkën, op iets of iemand 
wachten, enz. 

Naoeng, lonjmer, schaduw, be- 
schutting; Bëmaoeng, zich onder 
lommer begeven, in de schaduw 
staan, ergens beschutting zoeken, 
enz. 

Napas, zie: Nafas. 

Napsoe, zie: Nafsoe. 

Naraka (Sk.), de hel ; Isi naraka, 
heibewoners, verdoemden. 

Nasi, gekookte r\jst, over de ver- 
schillende röstbereidingen als 
Nasi koekoesan, (in een koe 
koesan gaargestoomde rjtfst) 
Nasi liwet, (rtjst zonder koe- 
koesan in een pot gekookt) 
Nasi oelam, (r^st met kleine 
vischjes, eieren, Këmangi-blade- 
ren, enz.); Nasi kaboeli, (rj^jst 
met vet en vleesch, enz.); Nasi 
koening, (met kurkumasap geel- 
gekleurde r^'st); Nasi goerih, 
(rflst met bouillon en kip, enz.), 
zie de bestaande kookboeken. 

NaiBdbat (Ar.), vermaning, raad, toe 
passing of moraal van een ver- 
haal. 



Nasrani (Orang nasrani),Nazare- 
ner, Christen. 

Nata (Sk.), heer, vorst; Sangnata, 
de heer, de vorst. 

Natal, Hari natal. Kerstdag. 

Natar, vlak, effen, vlakke grond, 
waarop iets staat, bodem eener 
rivier, enz. 

Negara, zie: Nëgëri. 

Nëgari, zie: Nëgëri. 

Nëgëri, stad, hoofdstad, hoofd- 
plaats, Jand, gewest, rtjk, staat; 
Iboe nëgëri, hoofdplaats, hoofd- 
stad, zetel des ryks ; Anak në- 
gëri, ingeborenen, landzaten ; 
Pëdoedoek nëgëri,ingezetenen, 
burgers, landgenoot, medeburger, 
stadgenoot. 

Nenek (verkort Nek), grootmoe- 
der, oude vrouw, grootje, bes; 
Nenekmojang, voorouders. 

Nëntiasa, zie: Sënantiasa. 

Ng^oeb Ngajoebi, Ngajoeb- 
kën, iets of iemand beschaduwen, 
beschermen, beschutten. 

Ngakak, schaterend lachen, hard- 
op lachen, schateren. 

Nganga, open, opengesperd, wyd 
open; Mënganga, den mond 
opensperren, openhouden, ook 
open staan, wyd geopend z\in. 

Ngangoet, Mëngangoet, suffen, 
versuft zitten mymeren, ook den 
mond bewegen alsof men iets 
kauwt (zooals by oude lieden ge- 
zien wordt). 

Ngatjëng, staan, bandeeren, in 
erectie komen (van het manne- 
lijk lid). 

Ngëbëroek, overloopen van een 
minnaar naar het huis zy ner ge- 
liefde), verg. Moenggahin. 

Ngëboel, Mëngëboel, veel praats 
hebben, zwetsen, bluffen, enz. 
ook : rooken; Pëngëboel, bluffer, 
zwetser, grootspreker. 

Ngëdën, zie: Mëngëdan. 

Ngejong, Mëngejong-ngejong, 
mauwen van een kat. 

Ngëloe, een zwaar, drukkend ge- 



NQEN. 



NJAM. 



181 



Yoel in het hoofd hebben, hoofd- 
pijn hebben, enz. 

Ngëngap, naar den adem snakken, 
benauwd zyn. 

Ngëngët, mot, ook aardvloo. 

Ngêram, Mëngëram, broeden, 
op iets zitten, ook: achterblijven, 
blijven zitten, zich in het lichaam 
verzamelen (van ziektestoffen); 
Mëngëramkên, iets bebroeden, 
uij-broeden. 

Ngërës, grieselig, zanderig, stoffe- 
rig op het gevoel, zulk een gevoel 
hebben, ook aangedaan, ptjnltjk 
aangedaan, getroffen, bedroefd, 
enz., en: langzaam afnemen, uit- 
teren. 

Ngëri, ijzen, kippevel krijgen, hui- 
veren, bang worden, ijselijk, 
huiveringwekkend, vreesaanja- 
gend. 

Ngëriap, Mëngëriap, krielen 
krioelen, wriemelen, in myriaden 
door elkander loopen (zooals groo- 
te hoopen mieren, enz.). 

Ngibing (Soend.), Mëcgibing, 
dansen (met een dansmeid). 

Ngilër, Mëngilër, watertanden, 
sterk naar iets verlangen. 

Ngiloe, stroef, eggig, zoor (van de 
tanden bü het eten van iets 
scherpzuurs bijv.), ook een onaan- 
genaam tintelend gevoel in de 
ledematen. 

Ngiri, Mëngiri, iets benijden, ja- 
bersch zijn om iets, dat men een 
ander ziet^krygen, enz. 

Ngorok, Mëngorok, snorken. 

Niaga, handel, koophandel, ook 
inlandsch muzikant, inzonder- 
heid bespeler van inlandsche mu- 
ziekinstrumenten, tot den game- 
lan behoorende ; Bëmiaga, Më- 
niaga, handeldrijven, handelen; 
Përniaga&n, handel, koophan- 
del ; Barang pëmiaga&n, koop- 
waren. 

Niat, voornemen, plan, wensch, be- 
doeling; Bërniat, van plan ziJn, 
het voornemen hebben ; Mëniat- 



kën, een wensch koesteren, iets 
in zijn schild voeren. 

Nikah (Ar.), huwelijkssluiting, hu- 
welijk, echtvereeniging, het trou- 
wen voor den priester ; Mènikali, 
trouwen, in het huwelijk treden ; 
Mënikahi, iemand, met iemand 
trouwen, jemand tot vrouw ne- 
men ; Mënikahkën, (van den 
priester) trouwen, in het huwelijk 
bevestigen, het huwelijk sluiten, 
—inzegenen, ook: doen trouwen, 
uithuwelijken. 

Nila, blauw, donkerblauw, indigo- 
blauw, indigo (kleurstof en plant), 
Indigofera tinctoria, L. nat. fam. 
der Papilionaceae. 

Nimat (Ar.) (of Nikxnat), aange- 
naam, lekker, heerlijk, gemak, 
weelde, heerlijkheid, zaligheid. 

Nipah, Nipa fruticans, Wurmb. nat. 
fam. der Pandaneae, de moeras- 
palm, welks bladeren veel tot 
dakbedekking gebruikt worden. 

Nira (of Legen), ongegiste of on- 
gekookte palmwün, (verg. Toe- 
wak). 

Nista, smaad, verguizing ; Mënis- 
takën, smadelijk behandelen, 
verguizen. 

Nistjaja, zeker, zekerlijk, stellig, 
ongetwijfeld, vast, gewis, zonder 
twijfel. 

Nja, bez. voornw. van den 3en pers. 
(als achtervoegsel gebruikt), zijn, 
haar, hun, er van, ook dikwjjls 
terug te geven door ons bepalend 
hdwoord. 

Njaï, moeder, ook tante, ook : be- 
naming voor de huishoudster, 
(inlandsche of Chineesche), van 
een Europeaan. 

NJala, vlam, Bëmjala of Mënja- 
la, vlammen, ontvlammen, met 
een vlam branden, vlammend; 
Mënjalakën, doen ontvlammen, 
aansteken, aanblazen, enz. 

Njali, gal, Këlëmboengan njali, 
galblaas. 

NJaman, gezond, frisch, aange- 



182 



NJAM. 



Nosc; 



naam, lekker, opgewekt (van ge- 
voel). 

Njamoek, muskiet, mug. 

Njamploeng, Calophyllum, ino- 
phyllum, L. nat. fam. der Clusi- 
aceae, hooge boom met prachtig 
mooi en sterk hout. 

NJangket, kleverig, kleven (van 
verf, gom, enz.). 

Njanja, Mënjanja, iets bakken of 
braden in z^n eigen vet (zonder 
olie). 

NJanji, Mënjanji, zingen; Me- 
njs^ikën, iemand iets voorzin- 
gen, voor iemand iets zingen, ook : 
iemand of iets bezingen; Nja- 
njian of Pëmjanjian, gezang, 
lied, zang, zangstuk. 

Njarang, Mënjarang, zie: Sa- 
rang. 

Njaring, schelklinkend, helder, 
duidelijk, luid, ook : schel, schril, 
scherp (van geluiden), Mënja- 
ringkën soe'wara, de stem ver- 
heffen. 

NJata, duideiyk, blykbaar, klaar, 
gebleken, openbaar, waar, bekend, 
bitjken; Mënjatakën, duideiyk 
doen blijken, bekend maken, open- 
baren, bewijzen, verklaren, uit- 
leggen, aantoonen, duidelijk ma- 
ken, enz., ook een nauwkeurig 
onderzoek instellen naar het al 
of niet waar zijn, het al of niet 
bestaan van iets; Kanjata&n, 
blijk, bewijs. 

NJawa, ziel, leven, adem ; Poetoes 
Dja'wa, sterven, den geest geven. 

NJëdar, vast, diep (van den slaap). 

Njëlap, walgeiyk zoet;Mëiijëlap, 
zie: TJëlap en Sëlap. 

NJioer (of Kalapa), de cocospalm ; 
Boewah njioer, cocosnoot. Zie 
verder: Këlapa. 

NJiroe (of Niroe), rijstwan, zeef. 

NJonjah, mevrouw, benaming voor 
gehuwde Europeesche of Ohinee- 
sche vrouwen. 



Njonjong (ook Nonong), vooruit- 
stekend (van het voorhoofd, biJv.); 
MënjoDjong, vooruitstekend 
ztjn, ook bijv. de bovenlip vooruit- 
steken (zooals sommige dieren 
bü het ruiken doen), — pruilen. 

Noda, vlek, smet; Bëmoda, ge- 
vlekt, bevlekt, vuil. 

Noedjoem (Ar.), sterren; Achr 
oelnoedjoem, sterrenwichelaar ; 
Ilmoe noedjoem, sterrenwiche- 
larij; Mëlihat noedjoem, de ster- 
ren raadplegen ; Mëmboeka 
noedjoem, iemands lot uit de 
sterren lezen, voorspellen, waar- 
zeggen uit den stand der sterren. 

Noegëraba, zie: Anoegëraha. 

Noeh (of Nabi Noeh), Noach, (de 
profeet Noach). 

Noer (Ar.), licht, 

Noeri (Boeroeng noeri), de roode 
papegaai. 

Noesa, eiland. 

Nokta, of Noktah (Ar.), vlek, 
punt, stip, tittel. 

Nomor, nommer, nummer, cijfer. 

Nonah, jongejuffrouw, benaming 
van ongehuwde dochters van een 
Europeaan of Chinees (soms ook 
van inlandsche hoofden en andere 
vreemde oosterlingen). 

Nongkrong (Bat.), hurkend zitten, 
hurken, met debeenen naar boven 
gebogen zitten, zoodat de kin 
bijna op de knieën rust. 

Nono (Bat), vrouwelijk schaamdeel, 
kut. 

Nonong, rechtdoor loopen zonder 
om of hnks en rechts te kijken. 
Verg. ook : Njonjong. 

Nonton (Jav.), Mënonton, naar . 
een schouwspel kijken, een vertoo- 
ning bijwonen, naar een feest, 
een optocht, enz. kijken. 

Noachat (Ar.), origineel, copie, 
manuscript (waaruit wordt over- 
geschreven, enz.), voorbeeld 
model. 



OBAH. 



OEDI. 



183 



O. 



Obah, veranderd, anders geworden, 
verandering, ook beweging; Bër- 
obah, zich veranderen, anders 
worden, ook zich bewegen, in 
beweging komen; Mèngrobah, 
veranderen, anders maken,^wtj- 
zigen, ènz., ook : bewegen ; Mëng- 
obahkën, iets veranderen, ver- 
andering in iets brengen, enz., 
ook iets bewegen, iets in bewe- 
ging brengen, bewegen, enz. 

Obat (ook Pënawar), medicyn, 
geneesmiddel, ook middel, om 
iets te weeg te brengen, to o ver- 
middel, gif, tegengif, kruit, enz.; 
Bërobat, geneesmiddelen gebrui- 
ken, zich onder behandeling van 
een geneesheer stellen, enz.; 
Mêngobati, geneesmiddelen toe- 
dienen, medicijn geven (van een 
geneesheer), iemand behandelen, 
enz.; Mëngobatkên, iets tot 
medicijn geven, iets als genees- 
middel toedienen, enz.; Obat 
minoem, geneesdrankje ; Obat 
gOBok, wrtjf middel; Obat tja- 
tjing, wormpoeder, middel tegen 
ingewands wormen ; Obat pa- 
sang, kruit, buskruit; Roemah 
obat, apotheek, ook kruithuis. 

Obong, Mëngobong, (Jav.), bran- 
den, verbranden, in brand steken. 

Obor, fakkel, toorts, flambouw, ook 
fig. ophitsery, opstokery, enz.; 
Mëngobor, iemand ophitsen, op- 
stoken, enz.; Mëngobori, met 
een fakkel, enz. verlichten, met 
een fakkel, enz. naar iets rond- 
zoeken. 

Obrol (Jav.),^ praats, geklets, ge- 
zwets ; Mëngobrol, zwetsen, 
snoeven, kletsen, onzin uitkra- 
rcien, veel praats hebben, enz.; 
Toekang obrol, kletskous, zwet- 
ser, snoever, enz. 



Oeban, grys haar; Oebanan, gr^s 
haar hebben, grjjs worden. 

Oebar, los, open, uitgespreid; 
Mëngoebar, losmaken, losrollen, 
openrollen (van opgerold doek, 
btjy.). 

Oebeng, omtrek, kring, rondgang, 
ring om iets heen; Mëngoebëngi, 
om iets heen loopen, om iets 
rondloopen, ook: (een boom) rin- 
gen. ^ 

Oebër, Mëngoebër, achtervolgen, 
vervolgen, ^naloopen, opjagen; 
Oebër-oebëran, elkander naloo- 
pen, krijgertje spelen. 

Oebi, algemeene benaming voor 
aard vruchten en knollen, inzon- 
derheid voor die van planten be- 
hoorende tot de nat. fam. Dios- 
corianeae, Solanaceae, Convol- 
vulaceae en Euphorbiaceae. Van 
deze vruchten en planten bestaan 
vele soorten, Oebi dangdër, 
Oebi djendral, Janipha Manihot, 
de cassave; Oebi dja-wa, Batatas 
edulis; Oebi-ollanda of Kën- 
tang, Solanum tuberosum L. en 
Coleus tuberosus; Oebi lilin, 
Dioscorea alata; Oebi tjina, 
Dioscorea sativa, enz. 

Oebin (ook DJoebin), vierkante 
vloersteen, vloertegel, ook vier- 
kant, ruitvormig. 

Oeboeng, zie: Hoeboeng. 

Oeboer-oeboer, kwal,zeekwal,ook: 
franje (evenals de pooten eener 
kwal). 

Oedang, zie: Hoedang. 

Oedara (Sk.), de lucht, het uitspan- 
sel, het firmament, het luchtruim, 
de atmospheer. 

Oedik (Soend.), bovenloop eener 
rivier, de daaraan gelegen hoogere 
ötreken,de bovenlanden; Moedik> 
een rivier opvaren, naar de boven- 



184 



OEDJ. 



OELO. 



landen gaan, naar het gebergte 
opgaan, enz. 

Oedja, Mëngoedja, vechthanen 
tegen elkander ophitsen. 

Oedjah, zie : Oedji. 

Oedjan, zie : Hoedjan. 

Oedjar, gezegde, wat gezegd wordt ; 
Mengoedjar, zeggen, spreken, 
vertellen, enz. 

Oedji, het toetsen, proef, bewys; 
Mengoedji, toetsen, beproeven, 
enz.; Batoe oedji, toetssteen. 

Oedjoed, zie: Woedjoed. 

Oedjoeng, zie: Hoedjoeng. 

Oedoet (Jav.), wat gerookt wordt, 
sigaar, sigarette, pUp (tabak in een 
Pt)P). opium; Mëngoedoet, roe- 
ken, schuiven ; Pêngoedoet, roo- 
ker, schuiver. 

Oegët-oegët (Jav.), muskietenlarf, 
ook schimpnaam voor personen, 
die geen vast verblyf hebben, ook 
die van de eene vrouw naar de 
andere loopen, enz. 

Oegoet, Mëngoegoet, iemand 
door middel van wapens, enz. 
bang maken, om iets te doen. 

Oekir, Mëogoekir, graveeren, in- 
snijden, uitsneden, uitbeitelen, 
enz. (vaa figuren in hout, metaal, 
steen, enz.); Oekiran, sny- 
werk, graveerwerk, enz.; Pë- 
ngoekir, graveur. 

Oekoep, wierook; Mëngoekoep, 
met wierook berooken, bewie- 
rookon; Oekoepan, berooking 
met wierook, wierookvat. 

Oekoer, maat, lengtemaat; Më- 
ngoekoer, meten, afmeten ; 
Mëngoekoer tanah, landmeten; 
Oekoeran, maat, lengtemaat, 
ook afmeting, resultaat der me- 
ting. 

Oelama (Ar.), w^jze, geleerde. 

Oelang, herhaaldelijk, dikwijls, tel- 
kens; Mëngoelang, herhaalde- 
lijk hetzelfde doen. 

Oelar (of Oelër), slang, ook rups ; 
Oelër sawa, de python; Oelër 
bidoedak, de roodkoppige adder; 



Oelër daoen,^de groene boom- 
slang ; Oelër belang, de bekende 
vergiftige, zwart en wit gekleurde 
slang; Oelër doemoeng, de pof- 
adder; Oelër tanah, de zwarte 
adder; Oelër boeloe, de harige 
rups ; Oelër keket, een groote, 
groene, gehoj)rnde rups, enz. 

Oelas (of Oelës), omhulsel, sloop, 
bekleedsel, sprei, beddelaken, enz.; 
Mëngoelas, bekleeden,omhullen, 
bedekken; Mëngoelaskën, iets 
tot bedekking, bekleedsel, sprei, 
sloop, enz. aanwenden, gebrui- 
ken, enz.; Oelasan, bekleedsel, 
omhulsel, bedekking, sloop, sprei, 
dek, deken, enz. 

Oelat, worm, rups, made, larf; 
Oelat boeloe, rups; Bëroelat, 
wormstekig (van vruchten), vol 
wormen (van wonden, enz.) 

Oelëk (Jav.) (of Oelëg), lepel om iets 
om te roeren, stamper om iet» 
fijn te wrijven; Mëngoelëk, iets 
omroeren, iets door wrijving fijn 
maken, fijn wrijven; Oelëkan, 
wat omgeroerd, fijngewreven is, 
ook het werktuig dat daartoe 
gebezigd wordt. 

Oelët (of Woelët), taai, elastisch, 
moeilijk te breken. 

Oeli, een snoeperij van deeg, ge- 
kookt in klappermelk; Mëngoeli, 
kneden, deeg, enz. roeren, lang- 
zaam omroeren. 

Oelir, schroefdraad, kurketrekker, 
spiraal, schroef; Mëngoelir, 
schroeven, vastschroeven, los- 
schroeven, met een kurketrekker 
uithalen, een kurketrekker in een 
kurk draaien. 

Oelit,lief koozing; Mëngoelit, door 
liefkoozingen tot bedaren bren- 
gen, liefkoozen, aaien. 

Oeloe, zie Hoeloe. 

Oeloen, dienaar, onderdaan, ik, wij. 
hü, ziJ. 

Oeloeng-oeloeng, de kiekendief, 
een soort valk, 

Oeloep^ ankerkluis. 



OELO. 



OENa. 



185 



Oeloer, Mëngoeloer, vieren, los- 
laten, aflaten (van een touw, enz.). 

Oembal (Jav.), vrachtryder, vracht- 
schip, enz. ; Oembalan, wat aan 
vracht of passage betaald wordt, 
vrachtgeld, vracht, passagegeld. 

Oemban, werptuig, slinger, Më- 
ngoemban, wegwerpen, slinge- 
ren, wegslingeren, gooien. 

Oembara, Mëngoembara, rond- 
zwerven. 

Oembas, Mëngoembas, snel weg- 
loopen; Mëngoembaskën, weg- 
jagen. 

Oembi) het deel waarmede iets 
ergens aan of in zit, wortel. 

Oemboel (Jav.), bron, wel, opbor- 
reling. 

Oemboel-oemboel (Jav.), vaantje, 
vaandel, vlag aan een staak of stok. 

Oemboet (Soend.), palmiet, het 
hart in de kroon der palmen. 

Oemi, iemand die noch lezen, noch 
schryven kan. 

Oexnoer (Ar.), ouderdom, leeftyd, 
levenstyd, levensduur, leven; Ber- 
oemoer, den leeftyd hebben van, 
ook oud zyn, bedaagd zyn. 

Oempak, neut, voetstuk. 

Oempan (of Bmpan), aas, lokaas, 
lokspiJs, ook voeder. 

Oempat, achterklap, kwaadspre- 
kerU; Mëngoempat, kwaad- 
spreken, iemands naam beklad- 
den, enz.; ook, zich schuilhouden, 
zich verschuilen, enz. (zie : Oem- 
pet). 

Oempët (Jav.), stil, geheim, achter- 
baks;Mëiigoempët,zichverschui- 
len, zich verbergen ;^Mëngoein- 
pëti, Mëngpempëtkën, Iets 
verbergen, geheimhouden, achter- 
baks houden. 

Oempil, hefboom, wrik; Mëng- 
oempil, met een hefboom op- 
lichten, voortbewegen, voortdrU- 
ven, wrikken, pagaaien, roeien. 

Oemplëk, zie: Toemplëk. 

Oenap, alleen, persoonlijk, onver- 
zeld, zonder geleide. 



Oendak, Mëngoendak, zich be- 
wegen, maar toch niet van plaats 
veranderen, dobberen (van een 
vaartuig). 

Oendang, geroepen, uitgeroepen, 
gepubüceerd ; Oendang oen- 
dang, ordonnantie, publicatie, 
verordening, afgekondigd regee- 
ringsbesluit, wet; Kitab oen- 
dang-oendang, wetboek, ver- 
zameling van wetten en bepalin- 
gen, reglement; Mëngoendang, 
roepen, ontbieden, laten komen,, 
ook uitnoodigen, inviteeren, enz.; 
Mëngoendangkën, publiceeren, 
afkondigen, doen omroepen, uit- 
vaardigen, ter algemeene kennis 
brengen, enz.; Koendangan, of 
Kondangan, als genoodigde op 
een feest komen. 

Oendar, drilboor. 

Oendjoek, zie: Toendjoek. 

Oendjoek, aanbieding van iets^ 
enz.; Mëngoendjoek, aanbieden, 
aangeven, overreiken, overhan- 
digen ; Mëngoendjoekkën, iets 
overreiken, iets overhandigen, 
iets aanbieden, enz. 

Oendjoeng, vereering, verheerlij- 
king; Mëngoendjoeng,^ eer be- 
wy zen, vereeren ; Mëngoen- 
djoengi, iemand hulde, eer bewe- 
zen, verheerlijken, den kniekus- 
brengen als bewtjs van eerbied, 
enz. ; Mêngoendjjoengkën, het- 
zelfde, ook iets als huldeblyk 
aanbieden. 

Oendoer, achterwaarts ; Mëng- 
oendoer of Moendoer, ach> 
teruitgaan, aftrekken, retiree- 
ren, wyken, deinzen, heengaan, 
terugtrekken, zich verwijderen, 
weggaan ; Mëngoendoerkën : 
doen wyken, terugslaan, enz ; 
Oendoeroendoer,mi6renleeuw. 

Oengap, Mëngoenap, naar den 
adom snakken, den mond open en 
dicht maken om ad«m te halen 
(als een visch op het droge> 
iemand, die benauwd is, enz.). 



186 



OENG. 



OEPE. 



OenggBlf een, eenig, zie: Toeng- 
gal. 

Oengkap, Mëngoengkap, spre- 
ken, zich door woor<ien doen 
verstaan, iets in woorden te ken- 
nen geven, — uitdrukken. 

Oengkil, Mëngoenkil, iets door 
middel van een hefboom oplich- 
ten. 

Oengkit, Mëngoengkit, iets even 
van den grond enz. optillen, 
—opheffen, —opwippen; Oeng- 
kit-oengkitan, wip, wipplank. 

Oengkoel» Oengkoelin (Bat.), te 
woord staan; tevreden stellen. 

Oengkoet of Oengkoet-oeng- 
koet, krom, gebukt, langzaam 
loopen (door ouderdom). 

Oengoe, zie: Woengoe. 

Oenoes, zie: Hoenoes. 

Oenoet, spoor, teeken; Mëngoe- 
noet, een^ spoor volgen. 

Oentai, Mëngoentai, slap neer- 
hangen, bengelen, shngeren, beie- 
ren. 

Oental, pil, balletje; Mëngoentai, 
pillen draaien, ook inslikken, op- 
slokken. 

Oentll, klein, slingerend, hangend ; 
MëngoentU, hangen, slingeren, 
bengelen (van kleine voorwer- 
pen). 

Oentlng, Mengoenting, richten, 
mikken, stellen, waterpassen, in 
het lood hangen, verticaal han- 
gen; Oentlng-oenting, schiet- 
lood, waterpas, vizier, vizierkorrel. 

OentiJang, reistasch, reiszak, ne- 
cessaire. 

Oenljoei (of Oentjoewe) (Chin.), 
Chineesche tabakspijp. 

Oentoek, wat tot iets dient of 

. bestemd is, deel, aandeel, ook: 

. voor, ten behoeve van enz.; 

. Mëngoentoekkën, deelen, toe- 
bedeelen, een aandeel geven. 

Oentoeng, geluk, voordeel, fortuin, 
winst, lot, lotsbeschikking, baat, 
kans, noodlot; Oentoeng balk, 
geluk, voordeel, voorspoed; Oen- 



toeng djahat, Oentjoeng ma- 
lang (ook TJilaka), tegenspoed, 
ongeluk, schade; Oentoeng oen- 
toengan, op goed geluk af, het 
er op wagen, enz.; Bëroentoeng, 
gelukkig zyn, geluk hebben, voor- 
deel hebben, winst maken; Më- 
ngoentoengkën, voordeel aan- 
brengen, bevoordeelen (ook Më- 
ngoentoengl), beschikken, be- 
scheren. 

Oepah (of Opah), loon, belooning, 
werkloon, betaling voor gedaan 
of geleverd werk, enz. ; Mëngoe- 
pah, beloonen, loon geven, be- 
talen voor geleverd werk, enz.; 
Mëngoepahkën, iemand beloo* 
nen, — betalen, iets als loon of 
belooning geven, enz. 

Oepaja, middel, hulpmiddel, list, 
enz. ; Daja-oepaja, allerlei hulp-, 
redmidden, uitvluchten, enz,; 
Mëngoepajakën, iets als red- 
middel, hulpmiddel enz. gebrui- 
ken, zich van allerlei middelen, 
listen, uitvluchten bedienen. 

Oepak (of Opak), dunne, platte 
droge meelkoek, veel als snoe- 
pery gebruikt. 

Oepak, Mëngoepak, aansteken, 
opstoken, aanblazen (van vuur), 
ophitsen, stoken, aanmanen, aan- 
sporen, enz. 

Oepama (Sk.), bijvoorbeeld, gelflk 
als, voorbeeld, geljjkenis, parabel, 
enz.; Mëngoepamal en Më- 
ngoepamakën, met iets verge- 
leken, by iets vergelijken, aan 
iets gelijkstellen, iets ten voor- 
beeld stellen, enz.; Përoepa- 
mato, gelijkenis, ook spreek- 
woord, vergelijking. 

Oepas, vergif, plantaardig vergif, 
ook oppasser, politiebeambte, po- 
litieagent. 

Oepatjara (Sk. Jav.), rijkssieraden, 
kroonsieraden, staatsie, praal, 
pracht, eerbewijs, dienstbetoon. 

Oepëti (Sk.), schatting, cijns, ver- 
plichte belasting, verpUchte bijdra- 



OEPI. 



OESE. 



187 



ge als bewys van onderdanigheid. 

Oepih(Jav.), de bladscheede van den 
pinangpalm en enkele andere pal- 
men, veel dienende tot het maken 
van Këpek'B (zie dit woord). 

Oera, verspreid ; Tëroera-oera, 
wtjd en zyd verspreid; Oera- 
oera, gezang, hed, deun; Më- 
ngoera-oera, zingen, een deuntje 
zingen, enz. 

Oeral, los, losgewikkeld, losgebon- 
den, ontbonden, open, uit elkan- 
der gehaald, loshangend ; Mëng- 
oerai, los zyn, loshangen, losdra- 
gen, enz.; Mëngoeraikën, los- 
maken, ontbinden, losknoopen, los 
laten hangen (van het haar, b^v.). 

Oerak, Mëngroerak of Moerak, 
vervellen, ontvellen, ruien. 

Oerap, zalf, smeersel, enz., ook 
strooisel van geraspt kokos vleesch 
op spyzen, enz.; Mëngoerap, 
smeren, besmeren, met zalf in- 
smeren, — bestryken, enz., ook: 
geraspt kokosvleesch op iets 
strooien. 

Oeras, Mëngo^ras, met water 
sprenkelen, besprenkelen (verg. 
Koeras). 

Oerat, pees, zenuw, ader, vezel, 
draad, spier, rib (van een blad); 
Oerat nadi, polsader, slagader; 
Oerat pëmboenoeh of Oerat 
leher, de halsslagader. 

Gering, sikje op de bovenlip in de 
holte onder den neus; Oering- 
oering, pruttelen, grommen, 
mopperen, boos z\jn, (verg. Moe- 
ring). 

Oerip (Jav.), Hidoep. 

Oeroeg, aardhoop, aanaarding ; 
Mëngoeroeg, aanaardén, met 
aarde bedekken; Mëngoeroegi, 
iets met aarde bedekken, —aan- 
aardén, enz.; Mëngoeroegkën, 
met iets aanaardén, bedekken, 
ophoogen, enz. 

Oeroeng, zie: Woeroeng. 

Oeroes, geregeld, in orde, enz., ook : 
kras, streep, insnyding; Meng- 



oeroea, regelen, behartigen, na- 
gaan, ordenen, enz. ook: l\jnen 
trekken, schetsen, enz. ; Mëng- 
oeroesi, iets regelen, behandelen, 
ordenen, in orde brengen, enz.; 
Mëngoeroeskën, voor Iemand 
iets regelen, — in orde maken, 
—behandelen, enz.; Oeroesan, 
regeling, ordening, enz. ook wat 
tot de bemoeienis van iemand 
behoort, wat iemand op zich 
neemt te regelen;Oeroes*oeroeB, 
purgeermiddel, purgatie, laxans. 

Oeroet, in gelijke richting, in een 
en dezelfde richting, langs; Më- 
ngoeroet, masseeren, met de 
handen drukkend over een 
lichaamsdeel heenwrtjven. 

Oesah, noodig, noodig zyn ; meestal 
alleen gebruikt in : Tiada oesah, 
Tra'oesah, enz., het behoeft niet, 
het is niet noodig, onnoodig, enz. 

Oesaha (Sk ), arbeid, viyt, moeite, 
inspanning, bedryf, werk, enz.; 
Bëroesaha, arbeiden, aan iets 
werken, een bedryf uitoefenen, 
enz. ; Mëngoesaha, aan iets ar- 
beiden, iets maken, iets doen; 
Mëngoesahakën, werk van iets 
maken, moeite doen voor iets, 
zich bey veren, zich toeleggen op; 
Përoesaha&n, arbeid, werk, in- 
spanning, moeite, bedrflf, kost- 
winning; Përoesaha&n tanah^ 
grondbewerking, landbouw. 

Oesap, streek met de hand over 
iets heen, streeUng, enz.; Më- 
ngoesap, streelen, over iets heen 
wr\jven, enz.; Mëngoesapkën, 
iets met het een of ander inwrij- 
ven, besmeren, insmeren, enz., 
iets op het een of ander smeren. 

Oesar, Mëngoesar, wrflven, in- 
wreven, hard wryven (ook b\jv. 
van twee stukken hout tegen 
elkander, om vuur te maken). 

Oesër, middelpunt waarom iets 
draait of gedraaid is; Oesër- 
oesëran, het middelpunt van een 
draaikolk, ook haarwrong of haar- 



188 



OESI. 



OLAH. 



krul, haarkuiltje (op het lichaam 
van paarden, enz.), kruin op een 
menschelyk hoofd. 

Oesia (Sk.), leeftijd, ouderdom, le- 
vensduur. 

Oesik, Mëngoesik, plagen, hinde- 
ren, overlast aandoen, kwellen, 
zich met anderen bemoeien, enz. 

Oesir, Mëngoesir (Jav.), naloopen, 
najagen, verjagen, wegjagen, ver- 
dry ven,vervolgen,achternazetten. 

Oesoed (of Oesoet), Mëngoesoed, 
tasten, voelen, al tastend voort- 
gaan, — loopen, enz. 

Oesoeng, Meogoesoeng, met z^n 
velen transporteeren, —vervoe- 
ren, — wegdragen; Oesoengan, 
draagtoestel, draagstoel, draag- 
baar, enz. 

Oesoes, ingewanden, darmen. 

Oetak, hersenen (ook in fig. zin). 

Oetama, uitmuntend, zeer goed, 
best, voortreffelyk, aanzienlijkst, 
enz. 

Oetan, bosch, woud, wildernis, enz. 
Zie: Hoetan. 

Oetang, zie: Hoetang. 

Oetar-oetar, klein rond schild, 
ook een insect. 

Oetara, het Noorden, Noord, Noor- 
delijk (ook: Lor). 

Oetas, iiJn, snoer, koord, tros. 

Oetja (Bat.), Mëngoetja, Mëng- 
oetjaoetja, Mëngoetja-oetja- 
in, een hond op iets of iemand 
aanhitsen. 

Oetjap, gezegde, woord; Mëngoe- 
tjap, zeggen, spreken, uitspre- 
ken, opzeggen; Pëngoetjap, 
spraakvermogen, uitspraak, spre- 
ker. 

Oetoe, zie i Woetoeh (Jav.). 

Oetoes, Mëngoetoes, een gezant- 
schap zenden, iemand met een 
zending belasten ; Oetoesan, af- 
gezant, gezant, zendeling, bode. 

Oewak (of Oewa), oom of tante, 
oudere broeder of zuster van 
vader of moeder, en hunne res- 
pectieve echtgenooten, ook: oud 



oom of oudtante, oom of tante 
van vader of moeder. 

Oewan, zie: Oeban. 

Oewang (of Wang), geld, munt, 
muntstuk, ook een geldswaarde 
van 10 duiten of 8*/» cent, enz.; 
Oewang mas, goudgeld; Oe- 
wang perak, zilvergeld; Oe- 
wang tëmbaga, kopergeld; 
Oewang ^pëtjah, pasmunt ; 
Oewang bëlandja, traktement, 
gage, ook : geld voor dagelijksche 
uitgaven, huishoudgeld; Oewang 
boeta, wachtgeld, non-activiteits- 
traktement,pensioen, (ookWang- 
djasa). 

Oewap, damp,walm,wasem, stoom, 
uitwaseming, ook: geeuw; Më- 
ngoewap, wasemen, dampen, 
enz., ook geeuwen, gapen; Më- 
ngoewapi, Mëngoevrapkën, 
aan heoten damp, stoom bloot- 
stellen, enz. 

Oewar, openbaar,publiek,algemeen 
bekend ; Mëngoewarkën, publi- 
ceeren, algemeen bekend maken. 

Oewek, Mengoewek, kokhalzen^ 
een geluid maken alsof men bra- 
ken wil of braakt, enz. 

Oga (of Wëgah) (Jav. Bat.), niet 
willen, geen lust, geen zin hebben 
iets te doen, tegen iets opzien enz. 

Ogah, Mëngogah, iets, dat in den 
grond vast zit heen en weder 
schudden, —bewegen, om het 
los te maken of te krijgen. 

Ogam, Mëngogam, iemand door 
toovermiddelen in extase, geest- 
vervoering brengen. 

Ogel (Ogelogel), Mëngogel, kwis- 
pelen (van een hond), heen en 
weder wiebelen, waggelen (van 
de tanden), ook : de derrière heen 
en weder bewegen, een draaiende 
beweging geven, —draaien, heen 
en weder schudden. 

Ojod (Jav.), zie : Akar, ook : slinger- 
plant, liaan, enz. 

Olah, gesteldheid, manier van doen, 
enz. ; Mëngolah, allerlei kuren 



OLAK. 



ONTA. 



189 



of kunsten verkoopen, op allerlei 
wyzen handelen, enz., ook spyzen 
gereedmaken, koken. 

Olak (of Oelëk), draaiing, warre- 
ling, ronddraaiing ; Mêngolak, 
warrelen, ronddraaien, draaien, 
in de rondte draaien; Ang^n, 
bërolak, wervelvind, dwarrel- 
wind, windhoos; Olak ajër, 
draaikolk. 

Oleh, door, uit, uit kracht van, enz. ; 
Oleh karëna, om reden, omdat, 
krachtens, tengevolge van; Oleh 
sëbab, omdat, om reden, aange- 
zien ; Bëroleh, verkregen, erlan- 
gen, bekomen, in handen kragen ; 
Boleh, kunnen, mogen, krygen, 
verkrijgen, enz. ; Përolehan, wat 
gekregen of verkregen wordt, 
verwerving,erlanging,verkrö*ging; 
Mëmpëroleh, iets verkregen, 
verwerven, behalen, bereiken ; 
Mëmpëpolehkën,voor een ander 
iets verwerven, —gedaan kragen, 
iemand iets bezorgen, —doen 
krygen, enz. 

Oleng, rank (van vaartuigen), ook: 
het slingeren (van een schip of 
prauw). 

Oles, Mëngoles, Mëngolesi, iets 
met den vinger op iets strijken, 
—smeren, enz., iets met den vin- 
ger bestrijken, —besmeren. 

Oling, Mëngolingoling, heen en 
weder schommelen (van vaartui- 

Olit, Mëngolit, een kind sussen, 
—in slaap brengen, enz. door het 
op de knieën te wiegelen. 

OIo-olo, trotsch, verwaand, pedant, 
blufferig, fatterig, enz. (vergel. 
Olok). 

Olok, spot, uitjouwerU, voor-den- 
gek^houdery ; Mëngolok-olok, 
iemand uitjouwen, bespotten, 
voor den gek houden. 

Ombak, golf, baar, deining; Om- 
bak inëxnët^ali,brekende golven, 
brekers; Ombak bërsaboeng, 
tegen elkander in klotsende gol- 



ven ; Ombak mëmboenga lë- 
pang, golven met witte koppen ; 
Bërombak, golven, golvende 
zyn, in golvende beweging ko- 
men. 

Omel, zie: Tjomel. 

Omong, gepraat, gesprek, gezegde ; 
Hëngomong, praten^een gesprek 
voeren, spreken; Mëngomong- 
omong, keuvelen, babbelen, een 
praatjemaken,enz.;Mëngomong- 
kën, over iets spreken, iets of 
iemand bespreken, enz. 

Ompong, tandeloos. 

Onar, onaangenaamheden, ruzie, 
koopje, teleursteUing, verwarring 
in het een of ander ; Mëngonar, 
Mëngonari, iemand In moeilijk- 
heden brengen, last, moeite, on- 
aangenaamheden bezorgen, eene 
zaak in de war brengen, enz. 

Onde, een soort van gebak in den 
vorm van balletjes. 

Oneng (of Onengoneng), kind in 
den 5den graad, kleinkind van een 
achterkleinkind. De opvolging der 
nederdalende graden is: Ie graad 
Anak (kind), 2e graad Tjoetjoe 
of Poetoe (kleinkind), 3e graad 
Tjitji of Boejoet, (achterklein- 
kind), 4e graad Pioet (kind van 
een achterkleinkind). 

Onggas, vogel, gevogelte. 

Ongkak, kluisgat voor het anker- 
touw. 

Ongkos (HoU.), onkosten; Bërong- 
koB, kosten, onkosten veroor- 
zaken, —medebrengen ; Më- 
ngongkos, Mëngongkoskën, 
ten koste leggen, voor iets of 
iemand onkosten doen, enz. 

Onjot (ofBnJot),MëngoxiJot,aan 
iets (een touw, een tepel, enz.), 
trekken. 

Onta, kameel; Boeroeng onta, 
struis, struisvogel, ook casuaris. 

Ontak, Bërontak, opspringen, 
capriolen maken, bokkesprongen 
maken, zich trachten los te wer- 
ken, — los te rukken, enz. 



190 



OPAH. 



PADI. 



Opab» zie: Oepah. 

Opas, zie: Oepas. 

Opih, zie: Oepih. 

Opop, gefarceerd, gevuld gevogelte ; 
Mèngopor, gevogelte (meestal 
een eend) met vulsel toebereiden. 

Orak, schudding, geschud, enz.; 
Mëngorak, schudden (b^jv. een 
tak om er de bloemen of vruch- 
ten af te laten vallen); Orak- 
arik, Mëngorak-arik, alles 
door elkander schudden, —door 
elkander gooien, in wanorde door 
elkander werpen, schudden, enz. 

Orang, mensch, individu, persoon. 
Heden, menschen, volk, men, ook : 
onderhoorige, bediende, enz.; Sa- 
orang, een mensch, een persoon, 
iemand, alleen ; Dëngan saorang 
diri, op zmi eentje, geheel alleen ; 
Orang besar, een groot mensch, 
volwassen persoon, ook: groote, 
aanzienlijke, hooggeplaatst per- 
soon; Orang ketjil, een klein 
mensch, dwerg, ook: de kleine 
man, de geringe man, het volk; 
Orang baroe, nieuweling, nieuw 
aangekomene, baar; Orang ba- 
njak, de menigte, de groote hoop, 



het publiek ; Orang laki-laki of 
— lëlaki, man; Orang përam- 
poean, vrouw ; Orang kaja, eei> 
rtjke, bemiddelde, gegoede, ook 
titel van sommige Maleische hoof- 
den ; Orang miskin, een arme^ 
behoeftige;Orang koelit poetih,. 
een blanke,een Europeaan; Orang^ 
koelit hitam, een Afrikaan, een 
zwarte ; Orang oetan, een bosch- 
mensch, wilde, ook : benaming vaa 
een groote apensoort; Barang- 
saorang, een iegelijk, iedereen,, 
de een of ander, wie ook (ook : 
Sasaorang) ; Orang-orangan, 
wat op een mensch gelykt, pop 
standbeeld. 

Orgol, orgel. 

Orong-orong, een insect, de veen- 
mol. 

Oteng, het lieveheersbeestje. 

Oto, borstlap voor kleine kinderen 
in den vorm van een driehoek 
met afgeknotten top, dat aan 
den hals en om het middel met 
bandjes bevestigd wordt; Bëroto,. 
zulk een borstlap aanhebben, — 
dragen. 



p. 



Pa' (of Pak), verkorting van Bapa, 
vader. 

Pada, aan, op, naar, by, om, ter, 
— - ook gelyk, — dient verder om 
een collectief meervoud uit te 
drukken; Kapada, aan, tot; 
Daii pada, van, enz. ; Mëma- 
dakën, vergelijken, in overeen- 
stemming brengen, enz. zich ge- 
lijkstellen aan. 

Padami uit, uitgebluscht, uitge- 
doofd, opgehouden, bedaard, tot 
bedaren gekomen, enz. ; Mëma- 
damkën, uitdooven, uitmaken, 
blusschen, doen ophouden, doen 
bedaren, stillen ; Pamadam, 



bluschmiddel; domper, blusscher,. 
uitdoover. 

Padan,. passend, geiyk, evenredig^ 
partuur, gelyke, weerga. 

Padang, plein, veld, open vlakte 
Padang bëlantara, een vlakte 
tusschen bewoonde streken. 

Padat (of Padët), vast ingeduwd,, 
vast ingestopt, vastgestouwd ; 
Mëmadat, vast inpakken, vast 
in stouwen; Mëmadatkën, vast 
instampen (byv. aarde). 

Padëri, geestelijke, christengeeste- 
Itjke, priester, missionaris, pas- 
toor, predikant. 

Padi, Oryza sativa, L. nat. fam. 



PADJ. 



PAJO. 



191 



der Gramineae, de gewone op 
sawahs aangeplant wordende 
rijst, waarvan vele variëteiten 
bestaan ; Padjitjêrai, Oryzamon- 
tana, L. een spoedig rijpende 
soort; Paditipar, Oryzapraecox, 
Lour, een veel in het gebergte 
op de hellingen aangeplante soort; 
Padi këtan of Këtan, Oryza 
glutinosa, Lour. de kleefryst. 

Padjak, horde, om visch, enz. er 
op uit te spreiden en te drogen. 

Padjak (Jav.), (of Padjëk), belas- 
ting, cijns, pacht; Padjëk boexsi 
of Padjëk tanah, landrente; Pa- 
djëk pëntjaharian, bedrijfsbe- 
lasting, patentbelasting; Padjëk 
kapala, hoofdgeld ; Padjëk 
koeda, paardenbelasting ; Pa- 
djëk këndaraën, belasting op 
ry- en voertuigen; Padjëk tëm- 
bako, cijns op de tabak; Padjëk 
roemah, huistaks, verponding; 
Padjëk harta bënda, perso- 
neele belasting. 

Padjang (of Poewadai), troon 
voor bruid en bruidegom, ook: 
Patjang, (zie aldaar). 

Padjar (Ar.), dageraad, ochtend- 
schemering, licht, verlicht, enz. 

Padma, de lotus. 

Padoe, Mëmadoe, vergelijken, na- 
gaan of twee zaken of voorwer- 
pen biJ elkander passen, aan elk- 
ander sluiten, door vergelijking 
keuren, enz. 

Padoeka, schoen, schoeisel, voet; 
Seri padoeka of Padoeka, 
titel voor vorstelijke en hoogge- 
plaatste personen. 

Pagar (of Pagër), omheining, 
schutting, palissadeering, hek, 
haag, omwalling, muur, bewan- 
ding ; Pagër batoe, steenen 
muur, steenen omwalling; Pagër 
bëtek, schutting, enz. van ineen- 
gevlochten bamboelatten ; Pagër 
ploepoeh, bewanding van plat- 
geslagen bamboe; Pagër hidoep, 
haag van levende planten; Pagër 



bësi, ijzeren hekwerk; Mëma- 
gër, eenjomheining, enz. maken; 
Mëmagëri, een omheining enz. 
om iets maken. 

Pagi ochtend, ochtendstond, mor- 
gen; Pagi-pagi, 's ochtends, in 
de vroegte, in den ochtend, 
's morgens vroeg. 

Pagoet, Mëmagoet, pikken (vau 
vogels), bijten (van slangen). 

Péigon (Jav. Bat.), onveranderd, 
hetzelfde gebleven, gestadig, ge- 
durig, voortdurend. 

Paha, dij, dybeen, bout;ToelaDg 
paba, dijbeen; Pangkal paba^ 
heup. 

Pabala, verdiensteiyke handeling, 
verdienste, erkenning daarvan. 

Pabalawan, groot, sterk, dapper^ 
held, voorvechter, aanvoerder, 
legeraanvoerder. 

Pabam, zie: Fabam (Ar.). 

Pabat, beitel; Mëmabat, beitelen, 
uitbeitelen, met den beitel be- 
werken, enz. 

Pabit (of Paït), bitter van smaak» 

Pais, zie: Pepes. 

Pajab, afgetobd, afgebeuld, afge- 
mat, zwaar te dragen, moeilijk, 
enz. in moeilijkheden verkeeren, 
afgetobd, afgebeuld zijn, zwaar 
lijden, zwaar, doodelijk ziek zijn, 
enz.; loeka pajab, zwaar gewond. 

Pajang of Majang, zegen, groot 
net, sleepnet, waarmede men in 
volle zee vischt; Përaoe ma- 
jang een vaartuig dat biJ deze 
visscherij gebruikt wordt. 

Pajoe (Jav.), gewild zijn, goeden af- 
trek hebben, grif van de hand gaan, 
prijshalen, enz.; Mëmajoekën, 
iets aan den man brengen, ver- 
koopen, van de hand zetten, enz. 

PajoeDg,parasol,parapluie,scherra, 
zonnescherm, regenscherm ; Bër- 
pajoeng, met een zonne- of re- 
genscherm loopen; MëmajoeDgi, 
iemand een zonne- of regenscherm 
boven het hoofd houden, ook 
iemand beschutten, beschermen, 



192 



PAK. 



PANA. 



in bescherming nemen, enz. 

Pak, pacht ; Pak apioen, amfioen- 
pacht; Kapala pak, hoofdpach- 
ter, pachter ; Koewasa pak, ge- 
machtigde van den pachter. 

Pakai (of Pake), Mèmakai, ge- 
bruiken, aanhebben, aandoen, dra- 
gen, omdoen, zich kleeden met; 
Mëmakaikën, iemand kleeden, 
— aankleeden, —iets aandoen, — 
iets doen gebruiken, —iets aan- 
trekken, enz. ; Pakalan, wat ge- 
bruikt wordt, kleeding, dracht, 
enz. ; Bêrpakaian met iets ge- 
kleed gaan, iets aanhebben, iets 
dragen; Tërpakai, in gebruik, 
nuttig, bruikbaar; Tiada tërpa- 
kai, onnut, niet te gebruiken, enz. 

Pakal, breeuwsel, werk; Mëma- 
kal, breeuwen, naden met werk 
dichtstoppen; Pëmakal, werk, 
breeuwsel, breeuwer. 

Pakat (of Pëkat) (Ar.), overeen- 
stemming ; Sapakat, eensgezind, 
van dezelde meening, van het- 
zelfde gevoelen, enz. 

Pakoe, sp\)ker, nagel, draadnagel; 
Mëmakoe, spykeren, dichtspij- 
keren, vernagelen. 

Pakoe, collectiefbenaraing, voor 
alle varensoorten (ook Pakis); 
Pakoe adji, boomvaren (Poly- 
podium simile L. nat. fam. der 
Polypodiaceae). 

Paksa, dwang; Mëmaksa, dwin- 
gen, noodzaken, geweld plegen, 
gewelddadig tot iets brengen; 
Pëmaksa, dwang, geweld, ook 
geweldenaar, enz.; Pakërdja&n 
paksa, dwangarbeid. 

Pal, paal, afstand van 400 R. roe- 
den, of 1506.94 meters. 

Pala, Myristica fragrans, Houtt. 
nat. fam. der Myristiceae, de no- 
temuskaatboom; Boewab pala, 
muskaatnoot; Bidji pala, de 
eigenlijke noot, pit, kern; Boenga- 
of Kembang pala, foelie; Mi- 
njak pala, notemuskaatolie. 

Palang, boom, dwarsboom, sluit- 



boom, enz. ; Mëmalang, met een 
pé.lang sluiten; Mëmalangi, 
dwarsboom en, tegenwerken, iets 
met een palang afsluiten, den 
toegang tot iets versperren, enz.; 
Kapalangan, door iets verhin- 
derd zjjn, beletsel, moeilijkheid 
ondervinden, enz. 

Palet, zalf, smeer; Palet bibir, 
lippenzalf, lippenpomade ; Mëma- 
let, zalf enz. met den vinger op 
iets smeren. 

Paling, naar de andere zyde ge- 
keerd; Bërpaling, Mëmaling, 
zich naar de tegenovergestelde 
zijde wenden, koeren, enz.; Më- 
znalingkën, naar de tegenover- 
gestelde zyde wenden, keeren, 
draaien, enz.; Paling dient ook 
ter uitdrukking van den superla- 
tief, btjv. Paling bësar, grootst, 
het grootst, enz. 

Palis, paleis, ook: boosziend. toor- 
nig; Mëmalis, boos k^ken. 

Paloe, hamer, moker, in het alge- 
meen alle langwerpige en zware 
voorwerpen, waarmede men slaat; 
Mëmaloe,hameren,beuken,slaan, 
met een stok of knuppel, knup- 
pelen, enz. 

Palsoe, valsch, niet echt, nage- 
maakt, ook valsch van aard; 
Mëmalsoe, vervalschen, zich voor 
een ander uitgeven, iemand valsch, 
gemeen behandelen ; Mëmalsoe- 
kën, iets vervalschen, namaken. 

Paman, oom, jongere broeder van 
vader of moeder; ook gebruikt 
by het aanspreken van bejaar- 
de inlanders uit den geringen 
stand. 

Pamit (of Pamitan)(Jav.), afscheid, 
afscheidnemen. 

Pamor, damasceersel; Bërpamor, 
gedamasceerd : Mëmamor, da- 
masceeren. 

Panab, boog, ook p^l; AnakPanab, 
pUl; Mëmanab, boogschieten, 
met pgl en boog schieten; Më- 
manabkën, een p\jl ergens op 



PANA. 



PANa. 



19a 



afschieten, een pijl uit den boog 
schieten, enz. 

Panakawan (Jav.), volgeling, l\jf- 
knecht, bediende. 

Panas, heet, warm, verhit, hitte, 
warmte, zonnegloed, ook : driftig, 
oploopend, geërgerd; Dëxuam 
panas, heete koorts; Panas ma- 
taliari,zonnewarmte; Mëmanas, 
iemand warm, driftig maken, op- 
stoken, ophitsen, ook zich in den 
zonnegloed koesteren, in de zon 
loopen, enz. ; Mënxanasi, verhit- 
ten, driftig, boos maken, ergeren ; 
Mëmanaskën, opwarmen» warm 
maken, boven het vuur zetten, 
enz. ; Kapanasan, verhit zyn, 
het warm hebben, door te groote 
hitte geplaagd, enz. 

Panasaran, sptJt, teleurstelUng, 
iets tegen iemand hebben, iemand 
als de oorzaak beschouwen van 
zyn ongeluk, enz. 

Panau (of Panoe), min of meer 
lichte vlekken op de huid, een 
soort huidziekte. 

Panawar, medicijn, geneesmiddel; 
Ajër panawar, water, waarover 
door een doekoen een toover- 
formulier of gebed is uitgesproken 
en dat als geneesmiddel wordt 
toegediend; Panawar djambi, 
Cibotium djambianum Hassk. nat. 
fam. der Polypodiaceae en Cibo- 
tium glaucescens, Kaulf, —varen- 
soorten, wier harige aanhangsels 
aan den stronk, veel als bloed- 
stelpend middel gebruikt worden. 

Pandai, bekwaam, bedreven, knap, 
goed werkman, smid. 

Pandan, Pandanus odoratissimus 
L. nat. fam. der Pandaneao, mid- 
delmatige boom met zeer wel- 
riekende bladeren en bloemen. 
Tot deze familie van planten be- 
hooren vele soorten. 

Pandang, Mëmandang, aanzien, 

aankyken, beschouwen, — ook 

met het oog op, ter wille van, 

enz. ; Fëmandang, het bekijken, 

Maleisgh-Hollakpsch. 



beschouwing, enz.; Pëmanda- 
ngan, uitzicht, ktjkje, afstand 
van het gezicht, gezichtsverte,enz. 

Pandita, geleerde, godgeleerde, 
predikant, dominee, ook heilige, 
kluizenaar, enz. 

Pandjak (Jav.), het hoofd van een 
troep rondreizende danseressen, 
— ook medebespeler van inland- 
sche muziekinstrumenten, too- 
neelspeler. 

Pandjang, lang, uitgestrekt; Paü- 
djang boelët, cylindrisch, cy- 
linder ; Oemoer pandjang, 
lang leven, hooge ouderdom; 
Sapandjang djalan, langs de 
geheele lengte van den weg; 
Sapandjang hari, den geheeien 
dag ; Tangan pandjang, lange 
vingers hebben, diefachtig ztjn ; 
Lidah pandjang, een lange 
tong hebben, van kwaadspreken 
houden ; Roemah ' pandjang, 
hoerehok, bordeel;BërpandJang, 
zich in de lengte uitstrekken, zich 
verlengen, langwiJlig; Meman- 
djang, lang worden ; Mëman- 
djangkën, lang maken, verlen- 
gen. 

Pandjar (of Pandjër), handgeld, 
voorschot. 

Pandjat, Mëmandjat, klimmen, 
bekUmmen, zich kUmmend in de 
hoogte heffen, naar boven gaan, 
een hoogte opgaan, enz.; Pan- 
djatan, een hoogte, enz. die men 
beklimt. 

Pandji of Pandji-pandji, vlag, 
banier, standaard, ook wimpel, 
franje, enz. 
t/Pandoega, zie: Dosga. 

Pandoman of Padoman, oom- 
pas. 

Pane, ronde houten bak, waarin de 
half gaargestoomde rtJst om ge- 
roerd wordt, om daarna weder 
in den Koekoesan teruggestort 
te worden (ook Pëngaron). 

Panganan (Jav.), eteriJ, snoepory, 
versnapering. 



^94 



PANG. 



PANT. 



Pangeran, prins, titel van vorste- 
lyke personages. 

Panggal, afgehouwen stuk, brok; 
Mëmanggal, in stukken hakken, 
— houv^en, —kappen, —verdeel en. 

Panggang, geroost ; Mëxnang- 
gang, roosten, roosteren, aan het 
spit braden, boven vuur houden; 
Panggangan, wat geroost, boven 
het vuur gebraden, enz. is, ook 
rooster. 

Panggil, geroep; Mëmanggil, roe- 
pen, aanroepen, ontbieden, uit- 
noodigen, noemen. 

Panggoel, heup. 

Panggoeng, stellage, stelhng, een 
huisje enz. op palen, verheven 
wachthuis, enz. 

Pangkal, gedeelte dat het dichtst 
by den oorsprong is, begin, enz. ; 
Pangkal poehoen, begin, voet 
van een boom ; Pangkal tangan, 
handgewricht; Pangkal paha, 
het dikke deel eener djy ; Pangkal 
mata, de binnenhoek van het 
oog; Pangkal idoeng, de wortel 
van den neus; Pangkal tahoen, 
het begin van het jaar; Pang- 
kalan, begin, aandrang. 

Pangkat, trap, graad, rang, waar- 
digheid, bediening, ook: terras, 
verhoogde vloer, verdieping, enz. ; 
Pangkat radja, de vorstelijke 
waardigheid; NaXk pangkat, 
promotie maken, een hoogeren 
rang kragen, enz. ; Mëmbërl 
pangkat, iemand een rang toe- 
kennen, -— met een ambt begif- 
tigen,^ — tot iets benoemen. 

Pangkëng (Bat.), kamer, slaapka- 
mer, slaapvertrek. 

Pangkoe, schoot; Mëmangkoe, 
iets of iemand op den schoot 
nemen, —dragen, —houden, enz., 
ook; het beheer over iets voe- 
ren. 

Pangkoer, het zeepaardje, ook: 
middel ter voorkoming of gene- 
zing van impotentie. 

Panglima, hoofd, bestuurder, aan- 



voerder, krygsbevelhebber, vloot- 
voogd, enz. 

Pangling (Jav.), iemand niet her- 
kennen. 

Pangoeloe (of Panghoeloe),hoofd- 
priester aan een moskee, ook 
de met dien rang bekleede gees- 
telijken, die als adviseurs zijn 
toegevoegd aan inlandsche recht- 
banken. 

Pangoer, klapperrasp zooals die op 
Sumatra gebruikt wordt, (vergal. 
Paroet). 

Pangsa, stuk of deel, waarin som- 
mige vruchten, als byv. de sinaas- 
appel, verdeeld zyn, ook: muskei, 
spier. 

Pangsi, dunne Chineesche zyde. 

Panoe, zie: Panau. 

Pantai (ook Tëpi), zacht hellend, 
glooiend, strand, oever, zeestrand. 

Pantang, ontzegd, verboden, wat 
als niet goed verboden is, enz. ; 
Bërpantang, zich menageeren, 
zich onthouden van, dieet houden; 
Mëmantang, iets als schadelijk 
verbieden ; Pantangan, wat ver- 
boden is. 

Pantas (of Pantës), behoorlijk, 
betamelijk, goed staand, deftig, 
enz., ook ^handig, vaardig, vlug ; 
Bërpantës, zich netjes kleeden, 
—voordoen, —houden, enz. ; Më- 
mantës, zich deftig houden, 
— als heel beschaafd voordoen, 
den schyn aannemen van deftig 
enz. te zyn, ook fraai maken, 
verfraaien, opdirken, en:;^. 

Pantat, onderste deel, bodem, 
achterste, derrière, fondament, 
de billen, enz. ; Mantat of Më- 
mantat, (vulgair), een vrouw 
beslapen, den coïtus uitoefenen. 

Pantek, pen, nagel, spjjker; Më- 
mantek, een pen of spijker er- 
gens in slaan, nagelen, vernage- 
len, spijkeren; Mëmantekkën, 
iets ergens aan vastspijkeren. 

Pantja (Sk.), vyf; Pantjalima, 
wichelarij; Pantjadria, de vijf 



PANT. 



PARA. 



195 



zinnen; Pantja roba, kentering, 
waarin de winden uit alle hoeken 
waaien. 

Pantjak (of Ptpitjëk), op iets ge- 
plant, —gestoken, —vastgezet; 
Mëmantjak» iets (by v. een vlag- 
gestok op een huis) op iets plaat- 
sen. 

Pantjaka, brandstapel. 

Pantjar, straal; Mëmantjar, stra- 
len, spuiten, uitspreiden, enz.; 
Mëmantjarkën, doen spuiten, 
doen^ uitspuiten, uitspuiten. 

Pantjër (of Pandjër), penwortel. 

Pantjing:, hengel, haak, vischhaak ; 
Mantjing of Mëmantjing, hen- 
gelen, met den hengel visschen, 
ook in fig. zin: uitvisschen, uit- 
hooren, enz. 

Pantjoeng (of Pantjong), punt, 
spits, slip, enz. ; Mëmantjoeng, 
pikken, met iets puntigs raken, 
enz., ook een sleep hebben, in 
een puntige slip eindigen, enz. 

Pantjoer, straal van iets, dat vloeit ; 
Mantjoer of Mëmantjoer, met 
kracht in een straal ergens uit- 
spuiten ; Pantjoeran, fontein, 
water dat uit een goot of leiding 
enz. van zekere hoogte in een 
straal neervalt. 

Pantoen, gedicht, puntdicht, vers; 
Bërpantoen, zulk een gedicht, 
enz. zingend opzeggen; Mëman- 
toen, zulk een gedicht, enz. ma- 
ken. 

Paoek, zie: Laoek. 

Paoes (Ikan paoes), walvisch. 

Paoet, aan iets vastzittend, —vast- 
geklemd, — bevestigd ;Bërpaoet, 
aan iets vastzitten, zich^aan iets 
vastklemmen, enz.; Mëmaoet, 
iets goed vasthouden, met kracht 
aanvatten, —naar zich toehalen, 
—naar zich toetrekken, enz.; 
Pëmaoet, trekker (van een ge- 
weer). 

Papa, behoeftig, arm, armoedig, 
ellendig, verarmd, in armoedige 
omstandigheden verkeerend, enz.; 



Kapapad,n, armoede, verartning, 
ellende; Mëmapakën, verarmen, 

arm maken. 

Papah (Jav.), de steel, de hoofdnerf 
van palmbladeren, enz. 

Papak, effen, gel\jk, vlak ; Roemah 
papak, een huis met een plat 
dak; Mëmapakkën, iets vlak 
maken, effenen, enz. 

Papak (of Papag), Mapag (Jav.), 
tegemoet gaan ; Mapagi, iemand 
tegemoet gaan, iemand afhalen, 
— ijihalen, —tegemoet reizen ; 
Mëmapagkën, iemand een an- 
der of iets (byv. een rfltuig) te- 
gemoet zenden, iemand dóen af- 
halen, — doen inhalen. 

Papan, plank, deel, bord, blad, wat 
vlak en plat is, —ook plaats, waar 
iets ligt, gebeurt, enz.; Roemah 
papan, een planken huis ; Papan 
tjatjoer, schaakbord ; Papan 
toelis, schryfbord, lei, enz., ook 
het blad, enz,, waarop geschreven 
moet worden; Mapan, zich er- 
gens opstellen, —plaatsen, enz.; 
Mapankën, iets of iemand er- 
gens plaatsen, stationneeren, doen 
plaats nemen, enz. 

Papar, plat, gelyk, effen, geëfifend, 
vlak ; Mëmapar of Mapar; plat 
maken, vlak maken, de oneffen- 
heden van iets wegnemen, enz.; 
Mëmaparkën, iets effenen, — 
geiyk maken, — vlak maken, — 
van oneffenheden ontdoen, enz. 

Papoewa, kroesharige inboorling 
van Nieuw-Guinea en omstreken. 

Para, deel, gedeelte, enz.; dit 
woord dient ook om een collectief 
meervoud te vormen ; Para lima, 
vyfde deel, v\jfde ; Para mantëri, 
de gezamenlijke ministers, de 
ministers. 

Para-para, horde, rak, droograk 
van latten, latwerk, stelling van 
latwerk, om er iets op te dro- 
gen, enz. 

Param (of Parëm), een verzach- 
tend, geneeskrachtig smeersel; 



196 



PARA. 



PATA. 



Mëmaramkën, iemand met zulk 
een smeersel insmeren, de lede- 
maten met parëm besmeren, enz. 

ï^aran, richting; Mëmarani, naar 
iemand of iets toe gaan, iemand 
of iets tegemoet gaan, enz. 

Parang, hakmes, kapmes, houwer ; 
Parang-kajau, houwer waar- 
mede koppen worden gesneld,kop- 
pensneller (6andj.);Mëmarang, 
met een kapmes houwen, kappen, 
hakken ; Mëmarangrkën, een 
kapmes, sabel, enz. tot het toe- 
brengen van een houw bezigen, 
met, een kapmes, enz. houwen, 

Paras, gelaat, aangezicht, enz., ook : 
glad, effen, vlak, gelijk; Blok 
parasnja,^ haar (z^n) gelaat is 
schoon ; Mëmaras, geiyk maken, 
gel\)k strijken, glad maken, effe- 
nen, enz. 

Paii (Ikan pari), de rog. 

Paring: (Bandj.), het jav. Pring, 
bamboe; Paring batoeng, bam- 
boe bötoeng. 

Parit, gegraven kanaal, gracht, 
leiding, sloot, loopgraaf, mijngang, 
gleuf, groef, ook: dreg, enz.; 
Bërparit, gegroefd, gegleufd; 
Mëmarit, dreggen^ met een dreg 
ophalen, enz. 

Paro (Jav.), helft, gedeelte; Saparo, 
de helft, een gedeelte, half, gedeel- 
telijk; Maro, onder elkander ver- 
deelen (door twee personen), doe- 
len, in tweeën doelen, enz. 

Paroe (of Pëparoe), ook Paroe- 
paroe, long. 

Paroeh, bek (van een vogel); Ma- 
roeh of Mëmaroeh, pikken. 

Paroet (of Paroed,ook Paroedan), 
rasp; Mëmaroet, raspen. 

Pasang, paar, span, koppel, wat 
bfl elkander behoort, weerga, ook 
vloed, het wassen van het water, 
gettjde, enz.; Pasang, Masang 
of Mëmasang, uitzetten, inzet- 
ten, bezetten, spannen, aanspan- 
nen, aansteken, aanmaken, af- 
steken, enz; Mëmasang dja- 



ring, netten spannen,— uitzettên- 
s trikken zet ten; Mëmasang lam, 
poe, een lamp opsteken, —aan- 
steken; Mëmasang kareta, een 
rijtuig Inspannen; Mëmasang 
koeping, de ooren spitsen, goed 
toeluisteren; Ajër pasang, het 
water wast, ^het is vloed; Më- 
masang mëriam, een kanon 
afschieten ; Mëmasang kartoe, 
op een^ kaart inzetten; Mëma- 
sangkën, iemand strikken span- 
nen of zetten, voor iemand inzet- 
ten, iets als inzet neerleggen, enz. 

Pasar (Jav.), markt, marktplaats 
(zie: Pëkan). 

Paseban (Jav.), open huis of loods, 
voor regentswoningen waar zy ,die 
hunne opwachting by den regent 
wenschen te maken, wachten tot 
ztj geroepen worden ; hier moeten 
ook de administratief gestrafte 
inlandsche ambtenaren gedurende 
hun straftyd verbleven. 

Pasiar, wandelen, kuieren, een 
toertje te paard of per rijtuig 
maken, toeren. 

Pasir, zand, zandbank ; Goela pa- 
sir, gewone, gekristalliseerde 
witte suiker; Bërpasir, zanderig 
ztjn, van binnen korrehg zijn (van 
het vleesch van enkele vruchten, 
btJv. de Salak). 

Pasisir, strand, kust; Tanah pa- 
sisir, kuststreek, landen aan de 
kust; Orang pasisir, kustbe- 
woner. 

Pasmen, passement. 

Pasoe (of Paso), tobbe, groote 
kom, waschtobbe. 

Pasoek (of Pasoekan), bende, 
troep, corps, menigte. 

Pasoeng, blok, waarin gevangenen 
worden gesloten; Mëmasoeng, 
iemand in het blok sluiten. 

Pasti (of Pësti, ook Mësti), zeker, 
gewis, vast, stellig; MëstiLkën, 
of Mëmëatikën, vaststellen, vast 
op iets rekenen, enz. 

Patah, geknakt, gebroken, afge- 



PATA. 

knot, breken (van harde lange 
voorwerpen); Mëmatahkën, iets 
breken, —afbreken, —af knotten, 
—knakken, enz.; Patahmajang, 
natuurlijk golvend (van haar). 

PatalaiSk.),verdieping,laag,gewest, 
ook de onderwereld, de hel. 

Patar, groote vyl. 

Patek, de Spaansche pokken; Pa- 
tekan, de pokken hebben. 

Patëri, soldeersel; Matëri of Më- 
matëri, soldeeren, iets soldeeren. 

Pati (Jav.), het fijnste deel van iets, 
door persing enz., verkregen, 
bloem, zetmeel, essence, enz. 

Patih (Jav.), titel van een eersten 
minister of ryksbestierder, —op 
Java titel van den inlandschen 
ambtenaar, in rang volgende op 
den regent. 

Patik, slaaf, dienaar, ik. 

PatU, stekel (van een visch, enz.) ; 
Mëmatil, met den stekel ver- 
wonden. 

Patiman, verglaasde aarden of por- 
seleinen pot met deksel. 

Pating:, (ook Pantek), pen, houten 
pen, om er iets aan te hangen, 
enz. Dit woord dient ook om een 
meervoudige handeling, enz. aan 
te geven; Pating bërtëreak, 
algemeen en door elkander 
schreeuwen, gillen, enz. 

Patjak, Mëmatjak, iets aan het 
spit braden, ook een vaartuig op 
stapel zetten, en iets regelen, orde- 
nen, een regeling voor iets ma- 
ken. 

Patjangr (Patjangan) (Jav.), wat 
voor elkander bestemd is, verloof- 
den, geëngageerden, ook: verlo- 
ving, engagement,PëpatJangan, 
verloofd zyn, een verloofde heb- 
ben ; Mëmatjangkën, verloven, 
voor elkander bestemmen. 

Patjap, benaming van planten be- 
hoorende tot de nat. fam. der 
Balsamineae, Lythrarieae en Au- 
rantiaceae, waarvan vele verschei- 
denheden bestaan; Patjar, ook: 



PEDA. 



197 



pap van de bladeren van deze 
planten, als belegsel op de nagels 
om deze rood te verven; Mëma- 
tjar, de nagels met die pap rood- 
verven. 

Patjat (of Patjët); kleine bloed- 
zuiger, die springend op zyn prooi 
afgaat. 

Patjoel (Jav.), hak, de inlandsche 
hak voor degrondbewerking; Më- 
matjoel, met den hak werken, 
met den hak den grond bewerken ; 
MëmatJoelkën, Mëmatjoeli, 
den grond met den hak omwer- 
ken, —bewerken. 

Patoek, scherpe snavel, puntige 
bek (van vogels); Mëmatoek, 
pikken (van vogels), ook byten 
(van slangen), verg. Pagoet. 

Patoeng, pop, beeld, standbeeld, 
ook : deel, aandeel in iets; Bërpa- 
toeng of Bërpatoengan, voor 
gezamenlyke rekening iets doen, 
enz., een vennootschap sluiten, 
samen handelen, enz.; Mëma- 
tooDgkën, iemand een aandeel 
in iels geven, als vennoot opne- 
men, enz. 

Patoet, behoorlijk, betameiyk, pas- 
send, gepast, geschikt, yoegzaam, 
overeenkomstig enz.; Bërpatoet, 
zich voegzaam kleeden, zich netjes 
voordoen, ook by iets passend, 
voor iets geschikt z\jn, enz. ; Më- 
matoetkën, iets in overeenstem- 
ming brengen met, —passend 
maken, —doen harmonieeren, 
—opschikken, -versieren, —mooi 
maken, enz. 

Patok (Jav.), staak, paal, paaltje, 
dat tot merkteeken of om er iets 
aan vast te leggen dient; zie ook : 
Patoek. 

Patrëm (Jav.), kleine dolk (wapen 
der vrouwen). 

Pawaka (Sk.), vuur. 

Pawana, (Sk.), wind. 

Pëbejan, zie: Beja. 

Pëda (Ikan pëda), ingezouten 
visch, zoutevisch. 



198 



PEDA. 



PELE. 



Pëdab, voorteeken, beteekenis van 
een droom, enz. 

Pëdangr, sabel, houwer, zwaard, 
degen; Pëdang loeroes, rechte 
sabel, degen ; Pëdang bengkok, 
kromme sabel, Turksche sabel; 
Mëmëdang, met een sabel, enz. 
slaan, met een degen stooten; 
Mëmëdangkën, een sabel enz. 
gebruiken om een houw^toe te 
brengen; Bërmaïn pëdang, 
schermen, met sabels enz. vechten. 

Pëdar, rans, garstig, sterk van 
smaak, enz. 

Pëdas (of Pëdës), heet, sterk, 
bytend, prikkelend, scherp; Ma- 
kanan pëdas, heet, sterk gepe- 
perd eten, enz.; Përkata&n 
pëdas, een scherp woord, —ge- 
zegde, enz. 

Pëdati, kar, vrachtkar. 

Pedel (ook Penjet), plat, platge- 
jlrukt. 

Pëdih (of Përih), schrynen, steken, 
byten, zeer doen, enz. (van een 
sntJwond btJv. wanneer men er 
jenever op giet). 

Pëdjoe, zaad, menschelyk (dieriyk) 
zaad. 

Pëgal (of Pëgël), afgemat, moe, 
verstyfd, stram, ook wrevelig, 
baloorig, enz.; Mëgalkën, verve- 
len, ergeren, baloorig maken, enz. 

Pegang, Mëmegang, houden, in 
of met de hand houden, in de 
hand hebben, vasthouden, aan- 
vatten, onder zich hebben of 
houden, besturen, waarnemen, 
aanhouden, tegenhouden, enz.; 
Mëmegangkën, iemand iets in 
de hand geven, iemand iets laten 
vasthouden, enz.; Mëmegang 
parentah, het bestuur voeren, 
besturen, het bestuur in handen 
hebben; Pegangan, wat men 
houdt, bestuurt, beheert enz. 

Pëgat, Mëgat, Memëgat, 
iemand den weg afsneden, ergens 
afwachten en den doorgang be- 
letten. 



Pëgai^ai, ambtenaar, beambte, 
landsdienaar, ook gereedschap, 
enz.; Pëgawai masdjid, be- 
ambten aan een moskee ver- 
bonden; Pëgawai ma!n, speel- 
tuig, speelgoed, enz. 

Pëgël, zie: Pëgal. 

Pego (ook Pelo), onduideiyk spre- 
ken, stamelen (zooals kleine kin- 
deren). 

Pehak, zie: Fihak. 

Pejot, oud, defect, bouwvaUig, half 
omgevallen, gedeeltelijk gebro- 
ken, ook gerimpeld, gekreukt, 
enz. 

Pëkah, niet goed kunnen hooren, 
ook : niet goed hoorbaar, dof klin- 
kend (van metalen). 

Pëkasëm, zie: Bëkasem. 

Pëkat, dik, sterk, l^mig, bryig. 

Pëkat (Bandj.). rotting. 

Pëkatoel, zie: Bëkatoel. 

Pëkërti, aard, natuur, natuurlijke 
geaardheid, karakter, inborst. 

Pëkoeng, kanker. 

Pëladjar, zie: Adjar. 
^J?ëladjaran, zie: Adjar. 

"Pëlampang, tydelyke loods, om 
er in feest te vieren. 

Pëlampoeng, boei, dobber, dryver. 

Pëlandoek, een soort dwerghert. 

Pëlangi, een soort gestreepte zij- 
den stof. 

Pëlangki, palanktjn, ook een palan- 
kijnvormige draagstoel. 

Pëlanting, het onderste boven; 
Tërpëlantlng, het onderste bo- 
ven rollen, — - vallen. 

Pëlataran, erf, plaats voor of 
achter een woning, waar niets op 
groeit. 

Pëlatoek, de specht. 

Pëlëbagal, allerlei. 

Pëlebaja (of Pëlëmbaja), beul, 
scherprechter. 

Pëler, de ballen, testiculi. 

Pëles, flesch, bottel, stopflesch. 

Pëlësat, Mëlësat, met een vaart 
wegvliegen, — wegspringen, — 
weggestooten worden, enz. (b^jv. 

J r. !t%\e\r 



PELE. 



PEND. 



199 



een bal, dien men met den voefc 
wegschopt); Tërpëlësat^ weg- 
geslingerd, enz. 

Pëleset, Mëleset, glyden, uitgle- 
den, afglijden, het evenwicht ver- 
liezen, enz. ; Tërpëleset, uitge- 
gleden, enz. 

Pelet, vlek, gevlekt, ook : kleefmid- 
del, lym, vogellym, enz. en too- 
vermiddel, om iemand gedwee, 
meegaand enz. te maken; Kajoe 
pelet, gevlekt, gevlamd hout; 
Mëmelet, vogels, enz. door mid- 
del van Hjm vangen, ook : iemand 
door too vermiddeien tot zich laten 
komen, — aan ztjn wil onder- 
werpen, enz. 

Pëlëting, bamboezen kokertje. 

Fëlëtjoek, Tërpëlëtjoek, ver- 
stuikt, verzwikt. 

Pëli (Jav.), de penis, het manneiyk 
schaamdeel. 

Pëllh, de lever. 

Pëlihara (ook Piara), zorg, ver- 
zorging, onderhoud; Mëmëliha- 
ra en Mëmëliharakën, houden, 
onderhouden, iets onderhouden, 
verzorgen, opvoeden, kweeken, 
opkweeken, hoeden, behoeden, 
bewaken, bewaren; Pëmëliha- 
raë.n, verzorging, bewaring, be- 
hoeding, bewaring, opvoeding, 
opkweeking, fokkerij, enz. 

Pëlintir, gedraaid, gewrongen, enz.; 
Mëlintir, draaien, in elkander 
draaien, wringen. 

Pëlipis, de slaap van het hoofd. 

Pëllpit, schuifzoom, ook rand, 
zoom,zelfkant(aan een kleed,enz.). 

Pëlita (Jav.), lamp, nachtlamp, in- 
landsche lamp met pit. 

Pelo, zie: Pego. 

Pëloe, bewogen, aangedaan, treurig 
gestemd. 

Peloeh (Jav.), impotent; Sakit 
pëloeh, onvermogen, impotentie. 

Pëloeh, zweet, verdikte wazem of 
damp,^ die zich op iets afzet; 
Berpëloeb, zweeten. 

I^eloek (of Pëlok), omhelzing, om- 



arming; Mëmëloek, omarmen, 
omhelzen, met de armen omvat- 
ten, in de armen knellen, —ge- 
kneld houden. 

Pëloepoeh (Jav.), platgeslagen 
bamboe voor bewandingen, vloe- 
ren, enz. 

Pëloeroe (of Pelop), kogel, Pëloe- 
roe bësi lantai, kartets ; Pëloe- 
roe bolang-baling,kettingkogel; 
Pëloeroe api(zie ook : Për^oek), 
bom, granaat. 

Pëmadjangan (Jav.), (of Padjan- 
gan), bruidsvertrek, bruidsbed. 

Pëmali (Soend.), verboden, onge- 
oorloofd, onder verbod liggend, 
wat als ongeoorloofd en onheil- 
aanbrengend verboden is. 

Pëmbarëp (Jav.), de voorste, de 
eerstgeborene, het eerste kind, 

Pëmbawa zie: Bawa. 

Pëmbëlokan, zie: Bëlok. 

Pëmidangan, borduurraam. 

Pena, pen, schriyfpen. 

Pëna'war, zie: Panawar. 

Pëndaban of Pëndawan, werp- 
spies. 

Pëndapa, zie : Pandapa. 

Pëndaringan, bewaarplaats van 
rijst. 

Pendek, kort, niet lang, niet hoog, 
bekrompen^ (van verstand) ; Me- 
mendekkën, kort maken, be- 
korten, bespoedigen, verkorten. 

Pëndëm, Mëmëndëm, in den 
grond begraven, onder den grond 
stoppen, —verbergen. 

Pending, metalen plaat aan een 
buikgordel ; Tali pending buik- 
band, gordelband, dikwijls ook 
geheel uit metalen platen be- 
staande. 

Pendjara, kerker, gevangenis ; 
Adëmëndjara, ook: Mëmëndja- 
rakën, gevangen zetten, in de 
gevangenis stoppen, kerkeren, 
enz. 

Pëndjoenan, (Jav.), hoerehok, bor- 
deel, huis voor publieke vrou- 
wen. 



200 



PEND. 



Pendok (Jav.), metalen, omhulsel 
of overtrek van een Këris-scheede. 

PëneDgëran, gehoor, zie verder: 
Dëngar. 

Pëngadjar, onderwijzer, meester, 
leeraar, zie: Adjar. 

Pëngadjaran, onderwijs, leer, het 

J geleerde, zie: Adjar. 
^ngak, muf-,duf-,kwalökriekend. 

Pëngakoe, borg, iemand die voor 
een ander borg staat, goed spreekt, 
zie : Akoe. 

Pënganten, bruid, bruidegom, 
bruidspaar, ook: paar, by elkander 
hoorend ; Bëdil pënganten, een 
geweer met dubbelen loop. 

Fengaroe, gelukkig, door een ge- 
heimzinnige macht beschermd, 
enz. 

Pëngempang (of Empang), vijver, 
vischvyver, vischkom. 

Pëngëret, bint. bintbalk. 

Pënghoeloe, zie: Pëngoeloe. 

Pëngki (of Poengki), stalmandje, 
vuilnismandje, klein plat mandje 
ter verwijdering van afval en 
ander vuil. 

Pëngoeloe, zie : Pangoeloe. 

Pëning, duizelig, een licht gevoel 
in het hoofd, duizelig zyn, door 
een duizeling overvallen worden. 

Pëniti, speld, ook : borstspeld, haar- 
speld enz.; Bantal pëniti, spel- 
dekussen. 

Pënjakit, kwaal, ziekte, ongesteld- 
heid, zie: Sakit. 

Penjek, platgedrukt, geplet, ook: 
Penjet (Bat.). 

Pënjoe, zeeschildpad. 

Pënoedjoe, juist van pas, tydig, 
het goed treffen, ook: toevallig, 
tegeiykertyd, enz., terwyl. 

Pënoeh, vol, gevuld, in menigte 
ergens vereenigd; Mëmënoehi, 
vullen, iets vullen, een ruimte 
geheel ^bezetten, enz. ; Mëmë- 
noehkën, iets aanvullen, bevui- 
len, ook volmaken, gevuld doen 
ztjn, enz. 

Pëntal, Mëmëntal, slingeren, 



PEPA. 

wegslingeren ; Tërpëntal, weg- 
geslingerd, met een smak op een 
afstand neergegooid, enz. 

Pëntang, gespannen^, wat gespan- 
nen is, enz. ; Mëmëntang, span- 
nen, aan de beide einden strak 
trekken, iets breed en strak open- 
leggen (byv. van een huid die nog 
nat is en gedroogd moet worden). 

Pëntes (Jav.), welbespraakt, niet op 
het mondje gevallen, goed kunnen 
praten, ook snibbig, preutsch, bits. 

Pentil, knop, bloemknop, vrucht- 
knop, punt, ook tik met den 
tegen den duim aangedrukten en 
plotseling vooruitgeschoven vin- 
ger; Pëntil këmbang, bloem- 
knop; Pentil boewah, vrucht- 
knop ; Pëntil soesoe of Pëntil 
tetek, de punt der borst, tepel; 
Mëmëntil, met den vinger op 
de vorenbedoelde wyze tikken, 
knippen, ook : knikkeren; Mëmën- 
tilken, iets tegen iets anders 
y aan knikkeren. 

Pëntjak (of Pëntja), een Malei- 
sche dans, soort krijgsdans, waar- 
by de dansers met lange stokken 
en andere wapens gewapend zijn; 
Mëmëntjak of Ment jak, dien 
dans uitvoeren.^ 

Pëntjalang (Përaoe pëntja- 
lang), een groot handelsvaartuig, 
— ook een kruisboot. 

Pëntjing, overdreven nauwgezet, 
kieschkeurig. 

Pëntjet, knijpen, knellen ; Mëmën^ 
tjet, knellen, iets of iemand 
tegen iets aandrukken, enz. 

Pëntjok, (Jav.), een snoepery of ge- 
recht van diverse groenten. 

Pentjong, scheef, schuin; Men- 
tjong, scheef staan, van de 
rechte richting afwijken, enz. 

Pëntoeng, knuppel, knots; Më- 
mëntoeng, met een knuppel of 
knots slaan, knuppelen ; Mëmën- 
toengkën, iets als knuppel ge- 
bruiken om te slaan. 

Pëpaja, Carica papaya, L. nat. fam. 



PEPA. 



PERG. 



201 



der Papayaceae, middelmatige 
boom met lekkere, gezonde vruch- 
ten. 

Pëpak (Jav.)» voltallig, volledig (zijn), 
alles b\j elkander, geheel en al. 

Pëpare, Momordica charantia, L. 
nat. fam. der Cucm-bitaceae, een 
slingerplant, waarvan de vruch- 
ten veel worden gegeten. 

Pepe (of Pepek), het vrouwelijk 
schaamdeel (vulgair). 

Peper, iets waarmede men de 
derrière na de ontlasting afveegt, 
ook : het dwars afdrijven van een 
vaartuig; Meper, de derrière na 
de ontlasting met iets afvegen, 
of door over iets heen te schu- 
ren schoonmaken (zooals de 
honden bijv. doen) — ook : afdrij- 
ven (van een vaartuig). 

Pepes, (ook: Pepesan), visch of 
vleesch in een blad gewikkeld 
en zoo gaar geroosterd; Mepes, 
visch of vleesch aldus toeberei- 
den, 

PëpiUs, zie : Pilis (Jav.). 

Pèpoedjoe, de baarmoeder. 

Pëpoeroes, de blaas, zie ook : Poe- 
roes. 

Përabot, gereedschap, werktuig, 
huisraad, wat men noodig heeft, 
om te gebruiken ; Përabot roe- 
mah, meubilair; Përabot da- 
poer, keukengereedschap, enz. 

Përada, klatergoud, bladgoud, ook, 
zilver in dunne bladen, bladzilver: 
verguld, verguldsel. 

Përahoe (ook : Prahoe of Përaoe), 
inlandsch vaartuig, prauw. 

Perak, zilver, zilveren. 

Përampoean, vrouw, vjouwelyk, 
wijfje van een dier ; Përampoe- 
an djahat, publieke vrouw, 
hoer. 

Përanakan, zie : Anak. 

Përang, oorlog, gevecht, slag; 
Bërpërang, oorlog voeren, vech- 
ten, strijden, slag leveren; Pë- 
përangan, oorlog, veldslag, ook: 
slagveld, tooneel van den oorlog, 



—van den strfld; Përang sabiU 
de heilige oorlog; Kapal përang:, 
oorlogsschip ; Ilmoe pêvsjig, 
krijgskunde: Alat- of Përkakas 
pëpërangan, oorlogstuig. 

Përangkat (ook Përanggo), een 
compleet stel van iets (bijv. klee- 
deren, etc). 

Përanti, wat benoodigd is of wordt^ 
gereedschap, toestel; Përanti 
mëloekoe, het noodige voor het 
ploegen, ploeggereedschap, enz. 

Përapatan, viersprong, kruisweg, 
het punt waar twee wegen elk- 
ander snijden. 

Përapati, (of Përpati ook: Dër- 
patl en Mërpati), duif, huisduif. 

Përaa (of Përës), Mërës, uitper- 
sen, uitwringen; Mërëssoesoe, 
melken; Mërës këlapa, het melk- 
sap uit het geraspte vleesch eener 
kokosnoot persen; Mërës kaïn 
basah, een natte kaïn uitwrin- 
gen. 

Përat (of Përët), stroef, moeilijk 
gaand, nauw (van een schroef 
bijv. in de moer), ook wrang. 

Përawan, maagdom, maagd (ook 
Anak dara). 

Përbana (of Përbani), AJër për- 
bana, doodtij. 

Përbëbasa, (ook : Paribasa), gelij- 
kenis, voorbeeld, spreekwijze, 
spreekwoord. 

Përdoeli, zie: Fadloeli (Ar.). 

Përentah, last, bevel, gebod, ver- 
ordening, voorschrift, bestuurs- 
maatregel, enz.; Mërentab, be- 
velen, lastgeven, enz.; Mëmë- 
rentahkën, iets bevelen, last tot 
iets geven, een verordening uit- 
vaardigen, enz., regelen, bestu- 
ren, het bestuur over iets voeren, 
enz.; Pëmërentah, bestuurder, 
regelaar, bevelgever; Pëmëren- 
tahan, bestuur, regeering, enz» 

Përës, zie: Përas. 

Përët, zie: Përat. 

Përg^, gaan, weggaan, heengaan,, 
zich begeven naar, zich vervoe- 



202 



PERa. 



gen tot, enz.; Përgi-datang:, heen 
en weder gaan, Jieen en weder 
trekken, enz.; Bèrpërgian, uit- 
gaan, uitloopen, hier endaarheen- 
Jraan, enz. 
rgol, verguld. 

Përhamba&n, zie : Hamba. 

Pèrhingrga&n, zie: Hingga. 

Perl, wyze, manier, trant, staat, 
gesteldheid, toestand, omstandig- 
heden, eigenschap ; Pëii hal, de 
gesteldheid eener zaak ; Bërpëri, 
spreken, keuvelen over iets ; Më- 
mërikën of Mëmpërikën, iets 
tot het onderwerp van een ge- 
sprek maken, enz. 

Përi, nimf. 

Përidëran, omwenteling, rondwen- 
teling. Zie: Idar. 

Pëpigi, put, bron, wel, gegraven put. 

Përih, zie : Pëdih. 

Për^aji, inlandsch landsdienaar, 
ambtenaar. 

Përljoek, urnvormige, dikbuikige 
aarden of metalen kookpot; 
Përtioek api, bom, granaat. 

Përiksa, onderzoek, aanvraag ; 
Mëmëriksa, onderzoeken,^ een 
onderzoek instellen; Mëmërik- 
saï, iets onderzoeken, naar iets 
onderzoek, navraag doen, enz.; 
Pëmëriksa&n, ook: Pëpërik- 
sa&n, onderzoek; Koeraug pë- 
riksa, beleefde uitdrukking voor: 
ik weet het niet. 

Përinggi, Frank, in *t algemeen 
Europeaan. 

Përisti'wa, gebeuren, gebeurtenis; 
Sakali përistiwa, het gebeurde 
eens. 

Përlt (of Mmprlt), eene kleine 
soort rtJstvogel. 

Përltoengan, zie: Itoeng. 

Përkakas (ook Pëkakas of Bë- 
kakas en Pëpabot),gereedschap, 
werktuig, benoodigdheden ; Për- 
kakas roemab, huisraad; Për- 
kakas toekang kajoe^ timmer- 
mansgereedschap ; Përkakas 
përang, oorlogstuig, enz. 



PERN. 

Përkara, zaak, geval, omstandig- 
heid, onderwerp, punt, enz. ; Për- 
kara bësar, een groote, belang- 
rijke zaak, een voornaam punt 
(van behandeling), enz.; Bërpër- 
këra, een zaak, geding hebben, 
in een zaak gewikkeld z^n ; Mëm- 
përkara of Mëmërkara, van 
iets eene zaak maken, iemand 
voor het gerecht dagen, iemand 
eene zaak aandoen, in eene zaak 
wikkelen, enz. 

Përkasa, kloek, moedig, dapper; 
Orang përkasa, een dapper man, 
een om z^jn dapperheid beroemd 
man, enz. 

Përkoetoet, tortel, tortelduif. 

Përlaban of Përlaban-laban, ook 
Pëlan-pëlan,langzaam,langzaam 
aan, bedaard, zacht, zachtjes aan, 
niet te vlug, niet voorbarig, met 
geduld, enz.; Mëmpërlabsmkën, 
bedaard, langzaam doen gaan, enz. 

Përlak, verlakt. 

Përlente (Bat.), blufferig, nuflBg, 
koket, enz. 

Përloe, noodig, hoog noodig,jiood- 
zakelijk, verplicht, enz. ; Mërloe- 
kën of Mëmërloekën, iets nood- 
zakelijk achten, zich iets als nood- 
zakelijk ten plicht maken, zich 
voor iets beijveren, —moeite ge- 
ven, enz. ; Kapërloean, het noo- 
dige, het noodzakelijke. Zie ver- 
der : Pardloe. 

Përmadani, tapijt, tapijtwerk. 

Përmaisoeri (Sk.), vorstin, enz. 

Përmata, edelgesteente, juweel. 

Pëmab (Jav.), ooit, immer, ook: 
plaats, verhouding, graad ; Bëlotn 
përnah, nog nooit, nooit, nimmer 
(ook : Tiada pëmab) ; Pëmab 
kaponakan, in den graad, de 
verhouding staan van neef of 
nicht te ziJn (van iemand, die 
oom of tante genoemd wordt); 
Mëmpëmabkën, iemand of iets 
plaatsen, een plaats aanwijzen, 
enz. 

Pëmiaga&n, zie: Niaga. 



PERO. 

Përoenggoe, messing, klokken- 
metaal. 

PëroengoeS; opvliegend, driftig 
van aard, licht geraakt, een kruid- 
je-roer-ïne^niet. 

Përoepainad.n, zie: Oepama. 

Peroesaha&n, zie: Oesaha. 

Përoet, buik, onderbuik, ook inge- 
wanden; Isi përoet, ingevran- 
den ; Bërdoedoek përoet, zwan- 
ger ztjn; Sakit përoet, buikpijn, 
koliek in den buik, enz. 

Përoewan, ra aan een mast. 

Përolehan, zie : Oleh. 

Persen, precent, cadeau, geschenk, 
en percent, ten honderd, rente- 
ctjfer, enz. 

Përsero (beter; Bërsero), ook: 
Përseroan, voor gezameniyke 
rekening iets doen, een vennoot- 
schap aangaan, ook: vennoot, 
deelgenoot, aandeelhouder. 

Përsil, perceel. 

Përtama, eerste, de (het) eerste, 
ten eerste, in de eerste plaats, 
om te beginnen, enz. 

Përtja, Isonandra gutta, Hassk. 
nat. fam. der Sapotaceae, groote 
boom, die de bekende Gëtah- 
përtija, levert. 

Përtjaja, geloof, vertrouwen, ge- 
looven, vertrouwen; Kapërtja- 
Ja&n, geloof, vertrouwen, ver- 
trouwd, vertrouwd ztJn of worden, 
vertrouweling; Mërtjajakënjets 
aan iemand toevertrouwen. 

Përtijoema, nutteloos, vergeefs, te 
vergeefs, voor niets, om niets, 
gratis. 

Perwatin, titel van sommige Ma- 
Jeische hoofden. 

Pësagi; vierkant; Medjapësagi, 
een vierkante tafel. 

Pësan of Pësën, last, opdracht, 
aanbeveling, boodschap, wat een 
stervende als zijn laatste wil te 
kennen geeft, enz., ook: bestellen, 
ontbieden, enz.; Mëmësan, Bër- 
pësan, opdragen, aanbevelen, ge- 
lasten, als laatste wil te kennen 



PETE. 



203 



geven, enz., ook: bestellen, ont- 
bieden, enz.; Mëmësani, iemand 
iets aanbevelen, — iets ter harte 
drukken, enz., ook : iets bestellen, 
iets laten komen ; Mëmësankën, 
iemand een opdracht, bestelling, 
enz. medegeven, enz., ook: voor 
iemand iets bestellen, — ontbie- 
den. 

Pësanggëraban (Jav.), tydelijk 
logies, pleisterplaats, logies, lo- 
geergebouw, voor reizende ambte- 
naren, enz. 

Pësawat, werktuig, machine, 
stoommachine, drijfriem, koord, 
ketting, streng, enz. 

Pësèk, ingedeukt, plat (van den 
neus). ^ 

Peser, halve duit of halve cent. 

Pësing, pislucht, naar urine stin- 
^kend, vunzig. 

Pesisir, strand, zeestrand, kust. 

Pësok (of Pesok), ingedeukt, een 
holte of deuk in iets (bijv. in een 
koperen pan); Bërpësok, vol 
deuken of gaten, enz. 

Pesta, feest, bal, partij. 

Pësti, zeker, stellig, gewis, onge- 
twijfeld. 

Pëta, teekening, af beelding,portret, 
kaart, schilderij; Mëmëta, tee- 
kenen, afbeelden; Mëmëtakën, 
iets teekenen, iets schilderen, 
iets afbeelden, iets in teekening, 
— in kaart brengen, enz. 

Pëtak (Bërmain pëtak), krijger- 
tje spelen. 

Petak, vak, bed, tuinbed, door 
dijkjes enz. afgesloten stuk van 
een bouwveld, afgeschoten ge- 
deelte in het ruim van een vaar- 
tuig, enz. 

Pëtang, donker, duister, duisternis, 
avond, ook: de achternamiddag 
J:egen het dalen der zon. 

Petarangan, nest voor kippen. 

Pëtasan (of Mërtjon), vuurwerk, 
klappers, voetzoekers, enz. 

Pëte, Parkia africana, L. nat. fam. 
der Mimoseae, hooge boom, met 



204 



PETE. 



de bekende sterkriekende vruch- 
ten of boonen, die veel by de 
rijst gegeten wordt. 

Pëtel, dissel. 

Pëti, kist, koffer; Pëti oewang, 
geldkist. ^ 

Petik, Mëmètik, plukken, iets 
plukken, afplukken, ook ontlee- 
nen aan, tokkelen op een snaar, 
enz. 

Pëtir, ratelende donderslag, inslaan- 
de bliksem. 

Pètis, visch- of vleesch-extract op 
inlandsche wijze bereid. 

Pëtjah, stuk, kapot, gebroken, 
opengebroken, gebarsten, bedor- 
ven, enz. ; Pëtjah bëlah, in^stuk- 
ken en brokken; Barang pëtjah 
bëlah breekbare waar; Soesoe 
pëtjah, geschifte melk; Mëmë- 
tjah, doorbreken, (van een puist, 
enz.); Mëmëtjahkën, iets bre- 
ken, — verbreken, —afbreken, — 
stuk maken, enz. ; Pëtjahan, wat 
gebroken is, enz.; ook breuk (in 
de rekenkunde). 

Pëljat, ontslagen, uit zijne betrek- 
king afgezet, —ontzet; Mëmë- 
tjatkën, ontslaan, afzetten, uit 
een ambt ontzetten, enz. 

Pëtjël, op bijzondere wijze toebe- 
reide kip of visch, een toespijs 
bij de rijst. 

Pëldoet, zweep, karwats; Mëmë- 
tjoet, met de zweep of karwats 
slaan, zweepen, met de zweep 
klappen. 

Pet^ok, gedeukt. Zie: Pësok. 

Pëtjomberan (Bat.), modderpoel, 
poel, de vuilnishoek achter de keu- 
ken of het badhuis, enz., waar al 
het waschwater enz. in wordt 

Jregoten of geworpen. 
toeroes (Pont.), pand, onderpand, 
teeken, blijk (van overeenstem- 
ming, onderwerping, enz.). 
Pëtoewah,bovennatuurlijkemacfat 
door ascese verkregen. Zie: Toe- 
wah. 
Pëtok, Bërpëtok of Bërpëtok- 



PILI. 

j)ëtok, kakelen, (van een hen). 

Petongr, iets, dat als teeken, pand 

enz. wordt gezonden en terug- 

J gebracht moet worden. 
topan, speelhuis, dobbelhuis. Zie: 
Top. 

Petop(Port.),factoor,handel8beamb- 
te, hoofd van een post, gezagheb- 
ber. 

Pial, lel (van een haan), ook de kam. 

Pidit, dicht aaneengesloten, ge- 
drang. 

Pidjak, Mëmidjak, op iets trap- 
pen, op iets treden, op iets loe- 
pen, vertreden, enz. 

Pidjët (ook Pidjit), Mëmidjët, 
masseeren, met de vingers of 
volle hand drukken en kneden. 

Pidjëtan, zie : Lansat (of Iiang- 
sëp). 

Pihak, zie: Fihak (Ar.), 

P^agëm (Jav.), belasting, besluit 
van aanstelling. 

Ptiala, drinkbeker, bokaal, drink- 
glas, kelk, beker. 

PIJatoe, ouderloos, zonder familie- 
betrekkingen, alleen op de wereld. 

PJUoet of (Pejot), scheef, verdraaid,, 
verwrongen. 

Pikat, ^kooi met een lokvogel er 
in; Mëmikat, vogels vangen door 
middel van een lokvoge^ (Bandj.), 
ook: rotting (vergel. Pëkat;). 

Pikir, zie: Fikir. (Ar.). 

Pikoel, draagvracht voor een man, 
ook: Indisch gewicht van 125 
Amst. ponden of 100 Katiea; 
Mëmikoel, iets over den schou- 
der dragen, enz. ; Pikoelan, draag- 
stok. 

Pilëg, verkouden, verkouden ziJn, 
ook (van dieren), droes, de droes 
hebben. 

Pilih, keus; Mëmilih, kiezen, uit- 
kiezen, eene keuze doen, uitzoe- 
ken; Pillhan, keuze, wat geko* 
zen wordt; Pënülih, wie kiest, 
ook een kieschkeurige. 

Pllis,geneeskrachtigof verzachtend 
smeersel op het voorhoofd. 



PILO. 



PIPA. 



205 



Piloewang, stilte, windstilte. 

Pimpin, Mëmimpin, iemand lei- 
den, by de hand leiden. 

Pinang; Areca catechu, L. nat. fam. 
der Palmae, de betelpalm, welks 
rype noten by het sirih-kauwen 
gebruikt worden. 

Pinang, aanzoek, vrijery, gevry 
(van een jongeling bijv. door eene 
jonge maagd te verzoeken voor 
hem een betelpruim klaar te ma- 
ken) ; Mëminang ; een meisje ten 
huweiyk vragen, aanzoek doen 
om de hand van een meisje. 

Pindah, Bërpindah, verhuizen, 
van plaats veranderen, zich ver- 
plaatsen; Mëmindahkën, ver- 
plaatsen, op eene andere plaats 
zetten, overbrengen, enz., ook in 
een andere taal overzetten. 

Pindang, visch, kip, of vleeschmet 
een waterige pikante saus toebe- 
reid, een sausgerecht btj de ryst; 
Pindang ketjap, een dito ge- 
recht, waarbt) soja wordt gebruikt; 
Mëmindang, visch, kip of vleesch 
aldus toebereiden. 

Pindjam (of Pindjëm), geleend, 
het geleende; Mëmindjam, te 
leen, —in leen vragen, van iemand 
leenen ; Mëmindjamkën, aan 
iemand leenen, in leen geven. 

Pinggan (Jav.), schotel, bord, tafel- 
bord, ook groote kom. 

Pinggang, gordel^ middel, midden- 
lyf, de lendenen, Boewah ping- 
gang, de nieren ; Ikat pinggang, 
buikband, buikriem. 

Pinggir, rand, kant, zoom, boord, 
oever, kust; Pinggir laoet, zee- 
kust, strand; Pinggir kali, rivier- 
oever; Pinggir medj a, rand eener 
tafel; Pinggir përalioe, boord 
van een vaartuig, enz. ; Minggir 
of Mëminggir op zü gaan, langs 
den kant gaan ; Mëminggirkën, 
aan den kant van iets zetten, 
—plaatsen, op ztjde zetten, enz. 
langs den kant doen gaan. 
Pingit (Jav.), opgesloten, (by v* van 



een huwbaar meisje, dat in huis 
moét biy ven en niet vry uit mag 
gaan); Mëmingit, iemand opge- 
sloten, in huis houden, enz. 

Pingsan, flauwte, bezwijming, in 
flauwte, bezwijmd, flauw vallen, 
bezwijmen, buiten kennis zyn. 

Pinta, vraag, verzoek, bede; Minta 
of Mëminta, om iets vragen, ver- 
zoeken, bidden, smeeken, enz.; 
Minta-minta, herhaaldeiyk vra- 
gen, enz. bedelen ; Mëmintakën, 
voor iemand iets vragen; Më- 
mintal, van iemand iets vragen, 
eiïz.; Përminta&n, vraag, ver- 
zoek, bede; Soerat pëmiinta&n, 
verzoekschrift, rekest. 

Pintal, in elkander gedraaid, ge- 
tweernd, getwynd,^ gesponnen, 
samengedraaid ; Mëmintal, in 
elkander draaien, tweernen, spin- 
nen ; Pëmintal, machine daartoe, 
spinnewiel, spinrokken, enz. 

Pintar, zie: Pintër. 

Pintas, Mëmintas, den weg sny- 
den door een rechte ly n te nemen, 
den korsten weg nemen; Më- 
mintasi, iemand den pas afsny- 
den. b^dti 

Pintër, (ook TJërëdik, Bisa), knap, 
geleerd, bekwaam, bedreven, slim, 
sluw, by de hand, enz., slim zya, 
geslepen zyn, enz. 

Pintjang, mank, kreupel, mank 
loepen, kreupel zyn, enz. 

Pintoe, deur, poort, ingang, uit- 
gang, opening waar iets door 
heen kan gaan, ook blad, deur- 
blad, vensterblad, blinde, enz.; 
Pintoe dëpan, voordeur, voor- 
poort; Pintoe bëlakang, achter- 
deur; Pintoe maling, verborgen 
deur, achterdeur; Pintoe ajër, 
sluis. 

Pioet, kleinkind van een kleinkind. 
Zie: Oneng. 

Pioetang, inschuld, schuldvorde- 
ring, zie: Oetang. 

Pipa, pyp, tabakspyp, enz., ook vat, 
okshoofd, enz. 



206 



PIPI. 



POEL. 



Pipi, wang. 

Pipib, plat; TJatjing pipih, ook 
TJatjiDg pita, lintworm. 

Pipis(Jay.)fMëmipis,op een steen 
fijn wreven; Pipisan, wryfsteen 
met rol. 

Pipit, Mëmipit, olie uit kokos- 
noten, katjang, enz. persen; Pl- 
pitan, oliepers. 

Piring, schoteltje, bord, enz. (zie 
ook: Pinggan), Piring dalem, 
een diep bord, soepbord ; Piring 
tjeper, gewoon vlak bord, ge- 
woon tafelbord. 

Pisah, Mëmisali, zich afscheiden, 
zich afzonderen, ook: scheiden, 
afzonderen ; Mèmisahkën, schei- 
den, van elkander scheiden, af- 
zonderen, enz. 

Pisang, de banaan, behoorende tot 
de Nat. fam. der Musaceae, waar- 
van de voornaamste soorten zi)n : 
Pisang radja. Pisang mas, Pi- 
sang soesoe. Pisang ambon, 
Pisang radjasëri, of —radja- 
sereli, Pisang këpok, enz. 

Piskal, fiskaal, officier van justitie. 

Piso, mes, Piso medja, tafelmes; 
Piso boewah-boewah, dessert- 
mes; Piso bëlati, ook: Piso 
raoet, klein krom mes;^Piso- 
pidlina, pennemes; Pisopënjoe- 
koer, scheermes; Piso pënjoe- 
nat, mesje voor de besnijdenis. 

Pista, zie: Pesta. 

Pita, lint, koord, band; TJatJing 
pita, lintworm. 

Pitak, witte vlek aan het voor- 
hoofd van paarden, ook horzel, 
paardebrems; Koeda pitak, een 
paard met zulk een vlek, bles. 

Pitëna, zie: Fitnah (Ar.). 

Pitëra» zie: Fitrah (Ar.). 

Pitjak (Jav.), (of Pitjëk), aan één 
oog blind, ook geheel blind. 

PitjiS; kleine munt, munt, dubbeltje. 

Pitjoe, slot van een geweer. 

Po (of To-po), een Chineesch dob- 
belspel. 

Poedak, Pandanus moschatus 



Rmph. nat. fam. der Pandaneae, 
een pandan-soort met sterk geu- 
rende bloemen. 

Poedja (of Poedjaön), offer aan 
de goden; Mëmoedja, den goden 
een offer brengen, offeren. 

Poedji, prys, lof, loftuiting: Më- 
moedji, loven, prjjzen, ook op- 
hemelen, vleien, in de hoogte 
heffen, enz.; Mëmoedjikën, 
iemand iets toewenschen, enz.; 
Poedji-poedjian, loftuitingen, 
vleitaal, enz. 

Poejëng( Jav.),duizelig,een draaierig 
gevoel in het hoofd hebben, hoofd- 
ptJn hebben, enz. verg. Poesing. 

Poejoe, warrelen, ronddraaien; 
Angin poejoe, wervelwind, 
windhoos. 

Poejoeb, een soort van kwartel; 
Poejoeh gonggong of — geng- 
gong, de Indische patres. 

Poekal, klomp (byv. van goud); 
Mëmoekal, tot een klomp ma- 
ken, tot een klomp versmelten. 

Poekang, bout (van een geslacht 
dier). 

Poekat, zegen, groot trek- of 
sleepnet; Mëmoekat, met zulk 
een net visch vangen, — visschen. 

Poeki, vrouwelijk schaamdeel, kut. 

Poekoel, slag; Mëmoekoel, slaan, 
kloppen, ranselen, ook verslaan, 
beoorlogen, klop geven, bestor- 
men, enz.; Pëmoekoel, werk- 
tuig waarmede geslagen wordt, 
enz., ook de persoon die slaat. 

Poela, ook, opnieuw, wederom, 
weer, insgelijks, bovendien, enz. 

Poelan (of Poelen), deegachtig, 
min of meer kleverig of slijmerig, 
elastisch (van gaargekookte rijst). 

Poelang, terug, teruggaan, naar 
huis gaan, terugkeeren, weder- 
keeren tot, weder worden als in 
een vorig tijdperk, terugkeeren 
tot, enz. ; Mëmoelangkën, terug- 
geven, terugbrengen, terugbezor- 
gen, terugzenden, enz.; Poelang 
ka rahmat AHab, tot de barm- 



POEL. 

hartigheid Gods teruggaan, d. i. 
sterven. 

Poelas, glad ; Mëmoelas, iets glad 
wrjjven, glad schaven, enz., ook: 
wringen, omdraaien, enz. 

Poelasan (of Kapoelasan), Nephe- 
lium lappaceum, L. nat. fam. der 
Sapindaceae, een ramboetan- 
soort, waarvan de vruchten zeer 
gezocht zyn. 

Poelasari, Alyxia stellata, R. & S. 
nat. fam. der Apocyneae, een 
geneeskrachtige slingerplant,wier 
bast (alttjd met venkel of adas) 
veel in geneesmiddelen wordt 
gebruikt. 

Poelau (of Poelo), eiland. 

Poelës, vast in slaap, in vasten 
slaap, slapen , inslapen, vast slapen. 

Poelih, hersteld, tot den vorigen 
staat teruggekeerd (zyn); Me- 
moelibkën, herstellen, in den 
vorigen staat terugbrengen, enz. 

Poelip, gedraaid, in elkander ge- 
draaid, gekronkeld, getweernd, 
ook: geschroefd (van den loop 
van een geweer) ; Mëmoelir, in 
elkander draaien, tweernen, om- 
draaien, een schroefdraad in iets 
maken, een spiraal van iets vor- 
men, enz. 

Poeloeh, tiental ; Sapoeloeh, een 
tiental, tien ; Sapèrpoeloeb, een 
tiende deel, tiende ; Bërpoeloeh- 
poeloeb, b]j tientallen. 

Poeloeng, pil, balletje; Mëmoe- 
loeng:, tot pillen, balletjes draaien, 
enz., pillen draaien. 

Poeloet, Itjm, gom, kleefstof, kle- 
verige zelfstandigheid; Mëmoe- 
loet, iets met lym, enz. besme- 
ren (om byv. vogels te vangen), 
vogels, enz. met lym enz. vangen; 
Pëmoeloet of Poeloetan, lijm- 
stokje, enz. 

Poenah, op, schoon op, geheel weg, 
ook door het bijgeloof verboden, 
niet meer te gebruiken, enz. 

Poendak, schouder, schouderblad, 
bovenste deel van den rug;Më- 



POEN. 



207 



xnoendak, iets op den schouder 
hoog op den rug dragen. 

Poendi of Poendipoendi, beurs, 
geldbeurs,geldtaschje,zakje,tasch. 

Poeng£:awa, hoofd, bevelhebber, 
legerhoofd, ook groote, grande, 
hooggeplaatst staatsdienaar, enz. 

Poenggoeng, het dikke achter- of 
ondereind van iets, derrière, enz. 

Poenggoer, tronk, doode stam. 

Poengka, waaier, hangende of 
liggende waaier, machine om 
wind of tocht te maken, een 
machinaal bewogen wordende 
waaier. 

Poengki, plat, ondiep, vuilnis- of 
stalmandje. 

Poengoet, Mëmoengoet, van 
den grond oprapen, opnemen, 
plukken, nemen, afnemen, inza- 
melen, aannemen, adopteer en; 
Anak poengoet, een aangeno- 
men, geadopteerd kind. 

Poenja (of Ampoenja), hebben, 
bezitten, in bezit hebben, eige- 
naar z\jn van, enz.; Mëmpoenjal, 
iets hebben, iets bezitten, eige- 
naar van iets zUn, enz. ; E^poe- 
nja&n, bezit, bezitting, eigendom. 

Poenoek (Jav.), bult, dikke opeen- 
hooping van vleesch op het^chou- 
derblad of in den nek ; Bërpoe- 
noek, zulk een bult hebben. 

Poentianak, een spook in de ge- 
daante eener schoone vrouw 
zonder schaamdeelen of liever 
met een doorboring ter plaatse 
daarvan, vandaar ook de naam 
Soendël bolong (ook bekend 
onder den naam Soendël 
malëm). 

Poentjak, top, kruin, uiteinde van 
iets, hoogste punt van iets 
Poentjak goenoeng, bergtop; 
Poentjak roemab, nok van een 
huis ; Mëmoentjak, in een punt 
eindigen, spits uitloopen, enz. 

Poentoel (ook Toempoel), stomp, 
niet scherp, bot. 

Poentoeng, stompje, eindje, over- 



208 



POEP. 



POET. 



gebleven stuk, enz. ; Poentoeng 
rola^o, eind van een sigaar. 

Poepoe, graad van bloedverwant- 
schap in de zfllinie ; Sëpoepoe, 
bloedverwant in den eersten 
graad in de zijlinie, volle neef of 
nicht; Anak sëpoepoe, neef of 
nicht, broeders- of zusterskind. 

Poepoek, pap of smeersel, enz. op 
het voorgedeelte van het hoofd, 
of op de fontenel; Mëmoepoek, 
zulk een pap gebruiken ; Mëmoe- 
poekkën, iets tot zulk een pap 
aanwenden, ook iemands hoofd 
met zulk een pap beleggen of in 
het algemeen iets nats of nattigs 
daarop leggen, het hoofd com- 
pressen, enz. 

Poepoer, smeersel, blanketsel, poe- 
der (voor het gelaat), verg. Bë- 
dak. 

Poepoes, geheel en al op, ver- 
bruikt, enz. (van geld, btjv.) ook : 
de top, de kruin van palmen, de 
jongste bladeren (van andere 
planten). 

Poepoet, wind, geblaas, ook: ge- 
jaagd, haastig, enz.; Moepoet, 
gejaagd z\}n, iets haastig doen, 
enz. 

Poera, Poera-poera, het uiterlijk 
van iets aannemen, veinzen, hui- 
chelen, den schijn aannemen van, 
voorgeven, geveinsd, enz. ook 
gekheid, uit gekheid, gekheid 
maken. 

Poerba (Sk.), begin, oorsprong» oor- 
spronkelijk, vroeger, enz. ; Poer 
ba-kala, in vroeger ttjd, oudtijds, 
eertijds, in overoude tijden, enz. 

Poerl, binnenste deel van een 
paleis, burchtj binnenstad, vor- 
stelijk verblijf, enz. 

Poemama, vol; Boelan poer- 
nama, volle maan. 

Poeroes, spie of pen aan een balk, 
enz. die in een opening in een 
anderen balk enz. past, en waar- 
door de verbinding geschiedt, — 
ook (vulgair) de penis. 



Poesaka, erfgoed, erfenis, nalaten- 
schap, familiestuk, erfstuk, wat 
van ouder op kind overgaat, over- 
geërfde gewoonten, enz.; Ba- 
rang poesaka, erfstuk, erfgoe- 
deren; Adat poesaka, overge- 
ërfde gewoonten en gebruiken, 
enz.; Hak poesaka, erfrecht. 

Poesar (of Poesër), navel, gat of 
kuil, enz. door draaiing ontstaan 
óf gevormd, kolk, enz.;Mëinoe- 
sar, in de rondte of in een spi- 
raallijn ronddraaien; Poesar- of 
poesëran ajër, draaikolk ; Poe- 
sar kapala, de kruin, de spi- 
raalvormige draaiing der haren 
op het hoofd; Angin poesar, 
wervelwind, windhoos. 

Poesat (ook Poesër), navel, mid- 
delpunt. 

Poesing, duizelig, draaierig, rond- 
draaien, om een as wentelen, in 
de rondte draaien, enz. ; Mëmoe - 
singkën, doen draaien, rond- 
draaien, doen wentelen, enz., ook : 
iemand duizelig maken, hoofd- 
pijn bezorgen door hem te hin- 
deren, enz.; Poesing kapala, 
hoofdpijn, duizehgheid, enz. ook 
allerlei beslommeringen, muizen- 
nissen, enz. 

Poesoet, priem, els, lancet. 

Poespa, bloem. 

Poestaka, bezweringsformulier, 
wicbelboek. 

Poetar (of Poetër), draaiend, ge- 
draaid, enz.; Mëmoetar, draaien, 
in de rondte draaien, ronddraaien^ 
omdraaien, opwinden, opdraaien, 
ook uitvluchten te baat nemen, 
enz.; Poetëran, machine om 
iets te doen draaien, enz. rad, 
windas, haspel, enz.; Poetëran 
këmoedi, stuurrad; Bërpoetar- 
balik, draaien in zijne verkla- 
ringen, zijne woorden verdraaien, 
enz., ook : om iets heen drentelen. 

Poetëra (Sk.), vorstelijk kind, prins 
of prinses. 

Poeteri (Sk.), prinses, vorstin. 



POET. 

Poetih, wit, blank, zuiver, helder; 
Mëmoetih of Mèmoetihkën, 
wit maken, witten, bleeken. 

Poetjang, de stam van de Areca- 
palm. 

Poetjat (of Poetjët), bleek, ver- 
bleekt, flets van kleur. 

Poetjoek, punt, top, kruin, uiteinde, 
jonge spruit, teeder uiteinde van 
planten. 

Poetjöeng, Pangium edule, Rwdt. 
nat. fam. der Pangiaceae, hooge 
boom, waarvan de zaden als Kë- 
loewak in vele spyzen gebruikt 
worden. 

Poetoe, kleinkind (ook: TJoetJoe), 
ook : benaming van zeker meelge- 
bak. 

Poetoeng, gebroken, afgeknot, 
stomp, overgebleven eind, enz. 

Poetoes, gebroken, afgebroken, in 
tweeën (van touw, enz.), ook : af- 
gedaan, geëindigd, beëindigd; Më- 
moetoeskën, afbreken, afsne- 
den, enz., ook: een zaak afdoen, 
—afmaken, —beslissen, enz. (ook : 
Mëmoetoesi) ; Poetoes njawa, 
sterven, den geest geven, enz. 

Poewadai (of : Poewade); troon, 
zitplaats voor bruid en bruide- 
gom. 

Poewan, kwispeldoor, ook : klonte- 
rig; Këlapa poewan, een kokos- 
noot met klonterig vleesch. 

Poewas, verzadigd, genoeg hebben 
aan iets, voldaan z\jn, tevreden 
gesteld; Mëmoewaskën, verza- 
digen, bevredigen, tevreden stel- 
len, genoeg geven, enz. 

Poevrasa, de vasten, de Moham- 
medaansche vasten ; Boelan i>oe- 
Tvasa, de vastenmaand (Rama- 
dlan of Ramadan), de 9e maand 
van het Mohammedaansche jaar. 

Pohon (of Poehoen), plant, boom, 
ook: oorsprong, begin, grondslag, 
oorzaak, enz.; Pohon kadoe,boom 
(maar speciaal die hout levert),enz. 

Pohon (of Poehoen),verzöek, bede, 
enz.; Mëmohon, smeeken, bid- 
Malhsoh-Hollandsch. 



PONT, 



209 



den, verzoeken, vragen; Bërmo* 
hon, afscheid nemen; Përmo- 
honan, bede, verzoek, aanvraag; 
Soerat përmohonan, smeek- 
schrift, verzoekschrift, rekest. 

Pokang, bout van een geslacht dier. 

Pokeng (ook: Toekoeng), staar- 
teloos (van gevogelte). 

Poko, Piperomia javanica, Miq. nat. 
fam. der Piperaceae, een soort 
pepermuntplant; Minjak poko, 
olie daaruit verkregen. 

Pokok, plant, boom, stam, onder- 
eind van ^en stam of stengel, 
oorsprong, begin, hoofdzaak, ka- 
pitaal, inleg, inzet, enz., grond- 
slag, grondwoord, enz. 

Poleng ( Jav.Soend.Bat.), strepen op 
lynwaden, gestreept; Kaïn po- 
leng, gestreept goed. 

Poles, Mëmoles, polijsten, poli- 
toeren, enz. 

Polisi, policie. 

Polong, peulvrucht, peul, peulen, 
boontjes (ook: Ka^ang polong). 

Polos, glad, effen. 

Polpol, pap van fijngemalen blade- 
ren, enz. ter belegging van het 
voorhoofd of de slapen. Verg. 
Pilis. 

Pompa, pomp, spuit, brandspuit, 
ook: klisteer. 

Pon (of Poen), nu, ook, zelfs, enz. 

Pondok,ty deiy k verbiyf, logies, hut, 
enz.; Mondok of Mëmondok, 
ergens logeeren, — overblUven, — 
tydelijk verblyf houden ; Mëmon- 
dokken, iets of iemand t\jdel\jk 
onder dak helpen, iemand logee- 
ren, enz. 

Pongkol (of Pongkot), ondereind 
of onderste deel van iets. 

Pongpong, doorboord;Mongpong, 
Mëmongpóng, Mongpongi, 
doorboren, een gat iniets (b\Jv.in 
een kokosnoot) maken, — bijten. 

Pontang, afwisselend van kleur, 
regelmatig afwisselend gekleurd, 
gevlekt; Golok pontang, een 
kapmes waarvan de scheede op 

14 



210 



POPO. 



RADJ, 



geregelde afstanden met zilver 
is beslagen. 

Popok, luur, luier, kinderdoek. 

Popokan of Pokpokan, een soort 
spook. 

Popor, kolf (van een geweer, enz.). 

Porak (Porak-parik), verward 
door en uit elkander geslagen 
(van een leger byv.). 

Porët, port, portwiijn. 

Porok, vork. 

Poros (ook: Poeroes), as, wagen- 
as, enz. 

Potol, op, geheel op, verbruikt, ver- 
speeld, al zyn geld by het spel of 
door speculatie verliezen ,lens,plat- 
zak, straatarm, enz.,* Mëmotol- 
kën, iemand al zyn geld doen ver- 
liezen, —platzak maken, —straat- 
arm maken, enz.; Potol, ook: 
Poetoeng, en Protol ; zie aldaar. 

PotOBg, afgesneden, doorgesneden, 
stuk, afgesneden of afgenomen 
stuk of deel, enz.; Mëmotong, 
snijden, afsnyden, doorsneden, 
slachten, kelen, ook aftrekken, 
verminderen, van iets af houden, 
— ^ afnemen, enz. ; Mëmotong- 
kën, voor iemand iets snyden, 
slachten, enz., iets van iets af- 
trekken, enz. 



Praboe, vorst. 

Prabot, zie: Përabot. 

Pradana, geschenk, gift, edelmoe- 
dig, milddadig, ook voornaamste, 
eerste; Pradana mantëri, eerste 
minister, minister-president, r^jks- 
kanselier. 

Pradjoerit, soldaat, inlandsch sol- 
daat, voornamelijk gewapende 
politiesoldaten. 

Prameswari, zie: Përmaisoeri. 

Prasman, Franschman, Fransch; 
Daon prasman,Eupatorium afja- 
panna, Vent. nat. fam. der Com- 
positae, en Gendarussa vulgaris, 
Nees. nat. fam. der Acanthaceae, 
beide geneeskrachtige kruiden, 
die in de inlandsche geneeskunde 
veel worden gebruikt. 

Pravrira, heldhaftig, moedig, dap- 
per, kloek. 

Priaji, zie ; PërJiJaji (Jav.), ook in 
het algemeen titel of benaming 
voor inlanders van adellyke ge- 
boorte (op Java). 

Protol, kaal, zonder haar of veder, 
kaal door het uitvallen van de 
haren of vederen; Mrotoli, ruien, 
afvallen (van de haren of vede- 
ren), enz., kaal worden, enz. 



R. 



Raba, betasting, bevoeling, stree- 
ling, het strijken met de hand 
over iets heen; enz.; Mëraba, 
tasten, betasten, met de hand 
over iets heenstry ken, enz. ; Raba 
(Mol. Mal.), op goed geluk. 

Rabana» tamboerijn. 

Rabi*( Ar.), Heer (van God of tot God) 

Rabit, gescheurd, ingescheurd, uit 
gescheurd (bijv. een oorlel). 

Raboek, zwam, tondel, tonder, ook 
asch, mest, meststof, enz. 

Rad, raad, rechtbank, vierschaar 
gerecht; Rad sambang, om 



gaand gerecht, omgaand rechter. 

Rada, eenigszins, een weinig, wat 
—ook terug te geven door on» 
achtervoegsel: achtig. 

Raden (Jav.), adeliyke titel op Java; 
Raden- Adipati, de titel van de 
rijksbestuurders van Soerakarta 
en Djogjakarta, ook van regenten 
in de gouvernemenfcslanden op 
Java, in rang hooger dan de Toe- 
mënggoeng's. 

Radja, vorst, koning, ook: vorstin, 
koningin, —hoofd, voornaamste^ 
enz.; Radja moeda^onderkoning, 



RADJ. 



RAKS. 



211 



ook: kroonprins; Radja singa, 
syphilis, chancre; Radja poetib, 
witte vloed; Radja wali, arend, 
adelaar, enz.; Mëradja, zich als 
een vorst voordoen, den schyn 
aannemen van een vorst te ziJn, 
enz.; Mëradjakën, iemand als 
vorst aanstellen,— huldigen, enz.; 
Mëradjaï, iemand als vorst be- 
handelen, —erkennen, enz., ook 
als vorst heerschen, regeeren, 
enz.; Karadjaën, koningschap, 
koninklyke waardigheid, ook : ko- 
ninkryk, koninkiyk, vorstelyk. 

Radjah, de lijnen op de handpal- 
men, uit wier richting, enz. voor- 
spellingen gedaan worden ; Ilxnoe 
radjab, chiromantie, de kunst 
om uit de lynen der hand iemands 
lot te voorspellen, enz. 

RadjasiDga, zie: Radja. 

Radjat, zie: Dëradjat. 

Radjawali, zie: Radja. 

Radjin, vlijtig, yverig, naarstig, 
arbeidzaam, werkzaam (zyn) ; Më- 
radjinkën diri, zich bey veren; 
Këradjinan, yver, vlyt, werk- 
zaamheid, arbeidzaamheid, enz. 

Radjoek, Mëradjoek, pruilen, 
mopperen, ontevreden zyn, aan 
zijn ontevredenheid lucht geven. 

Radjoet, netwerk, zakje of beursje 
van netwerk; Mëradjoet, netten 
maken, knoopen, breien, haken. 

Raga, grof en doorzichtig of a jour 
gevlochten mand, ben of korf, 
ook bal van katoen of rotan voor 
het Sepak-raga, of voetbalspel. 

Ragam, manier, wtjze, luim, kuur, 
gril, ook: wflze (in de muziek), 
melodie, air, kleur, tint. 

Ragang, zie: Rëgang. 

Ragi, gist: Mëragi, met gist men- 
gen, gist in iets doen. 

Ragoe, verward, in verwarring, 
beteuterd. 

Ragoem, schroef, bankschroef. 

Rahang, keelholte, mondholte ; 
Toelang rahang, kaak, kake- 
been. 



Rahasia(Sk.),(ook:Rasia, Roesia), 
geheim, geheimenis; Mënjixnpan 
rahasia, een geheim bewaren, 
—eerbiedigen; Mëmboeka ra- 
hasia, een geheim openbaren, 
—bekend maken, —schenden. 

Rahat, spinnewiel, ook dr\jfwiel. 

Rahib (Ar.), monnik. 

Rahim (Ar.), barmhartig, grootmoe- 
dig, genadig, mededoogend, ook : 
de baarmoeder. 

Rahman (Ar.), barmhartig. 

Rabmat (Ar.), barmhartigheid, ge- 
nade, ontferming, mededoogen, 
enz. 

Raja, groot, voornaam, grootsch, 
heerlijk, enz.; Djalanraja, groote, 
voorname weg; Hari raja, een 
, groote dag, feestdag; Mëraja- 
kën, iets groot maken, vieren, 
feestvieren, feestelyk herdenken, 
verheffen, enz. 

Rajap (Jav.),witte mieren, kruipend 
insect; Mërajap (als de witte 
mieren), kruipen, overal heeri 
kruipen, zich kruipend, —lang- 
zaam voortbewegen, enz. ; Mëra- 
japi, op iets kruipen, bekruipen, 
enz. (van kleine insecten), (verg. 
Anai-anai). 

Rajat (Ar.), onderdaan, volk, het 
volk. 

Rakit, vlot, ook : wat aan elkander 
gebonden wordt, wat by elkander 
behoort, span ; Mërakit, samen- 
binden, aan elkander binden, op 
een vlot zitten of varen, enz,; 
Mërakitkën, tot een vlot samen- 
binden, tot het maken van een 
vlot aanwenden, aan elkander 
vast maken, enz. ; Roemah rakit, 
huis op een vlot, dravend huis; 
Koeda sarakit, een span paar- 
den. 

Rakoes, gulzig, vraatzuchtig. 

Raksasa (Sk.), reus, titan, daemon. 

Raksi, odeur, parfum, geparfu- 
meerd, welriekend ; Minjak rak- 
si, welriekend gemaakte olie, met 
odeur enz. vermengde olie; Me- 



212 



RAM. 



RANG. 



raksi, iets parfumeeren, welrie- 
kend maken, enz. 

Ram, raam, venster. 

Ram (of Bram), Mèngëram, broe- 
den, op eieren zitten, ook steeds 
thuis zitten, zjjn plaats niet ver- 
laten, enz. 

Rama, vader; Rama-adji, vor- 
stelijke vader. 

Ramadlan, de 9e maand van het 
Mohammedaansche jaar, de vas- 
tenmaand,ook Boëlan Poe'wasa, 
genaamd, zie: Poewasa. 

Ramai, zie: Rame. 

Ramal, horoskoop, voorspelling 
van iemands lot door het lezen 
en berekenen^ van allerlei tee- 
kens, enz.; Mëmbilang ramal, 
iemands horoskoop trekken, zyn 
lot voorspellen (ook : Mëmboeka 
ramal), door vaste berekeningen 
uit bestaande wichelboeken ie- 
mands toekomst voorspellen, enz. 

Ramas (of Ramës), Mëramas, 
kneden, met de handen kneden, 
—drukken, ook: krauwen, hard 
aanvatten (byv. van iemands ge- 
zicht). 

Rambak, in de breedte uitgebreid, 
—uitgespreid (van planten), het 
breed hebben, bemiddeld, gegoed 
z\jn(van menschen); Mërambak, 
zich verspreiden, — verbreiden 
(van planten), het er goed van 
nemen (van menschen). 

Rambat, kruipend, slingerend zich 
uitbreidend; Merambat, zich 
verspreiden, naar alle kanten uit- 
breiden, tegen of langs iets op- 
kruipen (van slingerplanten of 
planten met^ ranken, ook van 
insecten); Mërambatkën, een 
klim- of slingerplant tegen iets 
op laten klimmen, enz. 

Ramboet, haar, hoofdhaar, haar 
op het lichaam, manen, staart- 
haren; Beramboet, harig, be- 
haard (z|jn). 

Ramboetan, Nephelium mutabile, 
BI. nat. fam. der Sapindaceae, 



boom met lekkere vruchten. 

Rame (of: Ramai), levendig, druk, 
lustig, vroolük,wakker, lustig, ook : 
volkrijk, talrflk, met ztJn velen, 
enz. ; Rame-rame, met z^n velen, 
in talrijk gezelschap, enz. ; Bëra* 
me-ramean, zich onder of met 
elkander amuseeren, enz.; Mëra- 
miekën, opvrooltjken, verleven- 
digen, vrooltjk maken, een feest, 
enz. geanimeerd maken, enz. 

Rameh (of Rami), Boehmeria 
nivea Gaud. nat. fam. der Urti- 
caceae, heester, waarvan het 
Rameh-vlas of Gonl verkregen 
wordt. 

Rampai (ook: Rampe), mengsel ; 
Boenga rampai, mengsel van 
allerlei bloemen overgoten met 
welriekende olie. 

Rampas, Mërampas, met geweld 
afnemen, ontnemen, in beslag 
nemen, verbeurd verklaren, roe- 
ven, buitmaken, enz, Rampa- 
san, buit, roof, ook wat gecon- 
fisqueerd is. 

Ramping, tenger, slag, dun van 
middel, rank, schoon van leest. 

Rampok (of Rampog), Mëram- 
pok, met zün velen, op iets of 
iemand aanvallen, in benden op 
roof uitgaan, -^rooven, —kapen ; 
Rampok of Përampok, roover, 
kaper, vrybuiter; Kapala ram- 
pok, rooverhoofdman. 

Randa (of DJanda), weduwe (zoo- 
wel bestorven als onbestorven). 

Randjang (Soend. Bat.), ledikant, 
rustbank, ook vlechtwerk. 

Randjau (of Randjoe), voetangels, 
doorgaans van aangepunte en 
gebrande bamboe (ook Borang). 

Randoe (of Pobon kapoek), 
Eriodendrum anfractuosum, DC. 
nat. fam. der Sterculiaceae, boom, 
die de Elapoek, (boomwol) 
levert. 

Rangga (Jav. Soend.), ambtstitel 
van ondergeschikte Javaansche 
hoofden in de Vorstenlanden. 



RANG. 

Rangga, onvermoeid ; MërangTga 
onvennoeid bezig zijn, — werken, 
enz.; Mëranggakën diri, zich 
overwerken. 

Rangga, getakt, gewei; Roesa 
bërangga of Mëndjangan 
rangga, hert met een gewei. 

Ranggah, Mëranggah, alle 
vruchten plukken, —inzamelen, 
—oogsten. 

Ranggon (Jav.), klein wachthuisje 
op hooge stylen te midden der 
rijstvelden, een kleine Goeboek 
op hooge stijlen en met verheven 
vloer. 

Rangkak, zie: Rangkang. 

Rangkang, Mërangkang, op 
handen en voeten loopen, kruipen. 

Rangkap (of Rangkëp), dubbel, 
paar, enz.; Bërangkep, jlubbel 
ztjn, een paar vormen; Mërang- 
këp, twee zaken tegelyk doen, 
twee of meer ambten tegelyk 
waarnemen, enz. ; Rangkëpan, 
wat tot dubbele dient, voering, 
enz. 

Rangke (of Rangkai), tros, bos, 
wat samengebonden of samen- 
vereenigd een geheel uitmaakt; 
Mërangkai, samenbinden, sa- 
menvoegen, byeenbinden, ver- 
binden. 

Rangkeng (of Kërangkeng),krat, 
groote van stevige latten ge- 
maakte kooi (voor wilde dieren), 
ook afperking van een terrein 
door staketsel. 

Rangket, Mërangket, afranse- 
len, afrossen, met een karwats, 
stok, enz. ranselen, rietslagen 
geven. 

Rangkoem, hoeveelheid die men 
in eens nemen of opnemen kan ; 
Mërangkoem, met de beide 
handen of armen opnemen, sa- 
menvatten, enz. (ook: Mërang 
koep). 

Rangkoep, zie : Rangkoem ; ook 
aaneengesloten (van wenkbrau- 
wen). Verg. : Rangkap. 



RANT. 



213 



Rangkoet zie: Angkoet; Më- 
rangkoet, iemands eigendom, 
goed enz., by zyn eigen goed in- 
pakken en medenemen (wetend 
of onwetend). 

Rani^sang, opvliegend, driftig, enz.; 
Merangsang, op iemand aan- 
vliegen, iemand in drift attaquee- 
ren, enz. 

Ranoe (of Danau), meer, plas, 
waterplas, ook kraal voor wilde 
dieren. 

Ransoem, rantsoen, portie, enz.; 
Mëransoem, op rantsoen stellen, 
een bepaalde portie geven, enz. 

Rantang, mand of korf tot berging 
van eetwaren of keukengereed- 
schap. 

Rantau, streek, landstreek, uitge- 
strekte kust, kuststreek langs een 
zee, meer of rivier ; Mërantau, 
langs de kust varen, gaan, enz. 

Rante (of Rantai), ketting, hals- 
ketting,collier,keten; Rante mas, 
gouden keten; Badjoe rante, 
maliënkolder ; Rante orlodji, 
horlogeketting; Bërante, geke- 
tend, gekluisterd, aan een ketting 
vastgelegd, ^enz. : ketens dragen ; 
Mërantekën, ketenen, kluiste- 
ren, in de ketting sluiten ; Orang 
rante of Përantean, kettinggan- 
ger; Përantean of Roemah pë- 
rantean, kettingkwartier, kwar- 
tier voor kettinggangers. 

Ranting, twijgje, takje zonder bla- 
deren, ook spichtig; Mëran- 
ting, kaal worden, de bladeren 
verliezen (van hoornen of takken), 
ook : er spichtig uitzien, spichtig 
worden, en: snoeien, toppen, af- 
toppen, enz. 

Ran^ak, Mërantjak, snoeien; 
Mërantjakkën, een boom enz. 
snoeien. 

Rantijana, schriftelijk opstel, het 
geschrevene ; Mërantjanakën, 
iets schriftelük opstellen, —in 
schrift stellen, -opschrijven. 

Rantoenan (Bat. slagersterm), 



214 



RAOE. 



RAWA. 



het vleesch, dat aan de binnen- 
zijde der ribben tusschen dezen en 
de vetlaag om de darmen enz., zit. 

Raoeng, Mëraoeng) hard huilen, 
weeklagen. 

Raoep, zooveel als men in de aan- 
eengesloten handen kan vatten; 
Mëraoep, met de beide aaneen- 
gesloten handen iets opnemen of 
opscheppen, ook: het aangezicht 
w^asschen. 

Raoet, Mëraoet, met een mes de 
scherpe kanten van iets wegne- 
men ; Piso raoet, klein mes, dat 
daarvoor gebruikt wordt. 

Rapat, dicht, goed gesloten, dicht 
aanelkander,aaneengesloten,enz., 
ook: raadsvergadering, gerecht, 
rechtscollege;Mërapatken, dicht 
maken, doen sluiten, goed laten 
sluiten, goed bijeenvoegen, enz. 

Rapi (Bat.), netjes, geordend, alles 
op zyn behoorlijke plaats, enz. 

Rapoeh, broos, brokkelig, kruimig, 
kruimelig, vermolmd, verteerd, 
breekbaar, ^enz. 

Rarak, Mërarak, afvallen en 
verstrooid liggen (van bladeren 
enz.); Bërarak of Bëlarak, 
afgevallen kokosblad. 

Rarak (ook : Rërak of Rërëk), 
Sapindus rarak, DC. nat. fam. der 
Sa^indaceae, hooge boom met 
kleine vruchten, die veel in de 
plaats van zeep voor het was- 
schen van goed, enz. gebruikt 
worden. 

Raron (Jav.) (of Laron), vliegende 
witte mier. 

Rasa (ook : AJër rasa), kwikzilver. 

Rasa, gevoel, gewaarwording, 
smaak, gevoelen, meening, opinie, 
enz.; Bërasa, gevoelen, voelen, 
ook een smaak hebben ; Mërasid 
gevoelen, ondervinden, proeven; 
Mërasakën, iets doen gevoelen, 
iets ondervinden, iets proeven, 
enz. ; Përasa&n, het gevoel, de 
smaak, gevoelen, meening, enz. 

Rasamala, Liquidambar altingiana 



BI. nat. fam. der Hamamelideae, 
hooge boom met goed timmer- 
hout. 

Rase, civetkat. 

Rasla, zie: Rahasia. 

Rasoel (Ar.), gezant, afgezant; Mo- 
bammad rasoel Allah, Moham- 
med (is) de gezant Gods. 

Rat, vast, stevig; Mëngërat, vast, 
stevig binden; Mèngëratkën, 
een bindsel sterker aanhalen, enz. 

Rata, geiyk, vlak, effen, glad, plat, 
geiyk verdeeld, overal, gelijkel^k, 
enz. ; Mërataï, over alles en allen 
gelyk gaan, handelen, enz. gelij- 
kelijk bedoelen, overal heengaan, 
enz.; Mërataï sanëgëri, heel 
het land door bezoeken, enz.; 
Mëratakën, effen maken, effe- 
nen, gelijk maken, enz., ook : ge- 
lijkelijk verdeelen, enz. 

Ratap, rouwklacht ; Mëratap, 
jammeren, weeklagen. 

Ratib, voortdurend, zonder ophou- 
den ; Mëratib, zonder ophouden 
iets doen, bijv. de formule van 
de geloofsbelijdenis opzeggen. 

Ratjau, Mëratjau ook: Mëng- 
atjau of Mëngatjo, wartaal 
spreken, ijlen. 

Ratjik, fijngesneden, gekorven ; 
Mëratjik, fijnsnijden, kerven ; 
Mëratjikkën, Ingrediënten enz., 
voor het een of ander fijnsnij- 
den, —gereedmaken; Ratjikau, 
wat fijngesneden, gekorven is. 

Rattioen, vergif; Meratjoen ook 
Mëratjoeni, vergiftigen, verge- 
ven, vergif toedienen, enz. 

Ratna, edelgesteente, juweel. 

Ratoe, vorst, vorstin. 

Ratoes, honderdtal ; Saratoes, 
een honderdtal, honderd ; 
Bëratoed-rato68 oï Bëratoe- 
san, bü honderden. 

Rawa, moeras, poel, groote plas 
stilstaand water. 

Rawan, ongerust, angstig, bezorgd, 
enz. ; Mërawankën, angstig 
maken, bezorgd niaken, aandoen 



RAWA. 



REMB. 



215 



(van het gemoed), treurig stem- 
men, enz. 

Rawat, zorg, oppassing, orde, enz.; 
Mërawati, voor iets zorg dra- 
gen, iets oppassen, iets in orde 
houden, verzorgen, verplegen, 
onderhouden, behandelen, enz. 

Reak, fluim, kwalster; Bëreak, 
kwalsteren, fluimen ; Mêreak- 
kën, iets of iemand bekwalste- 
ren, — befluimen, —bespuwen. 

Reba, zie: Rëbah. 

Rëbab, inlandsche tweesnarige 
viool. 

Rëbah, omgevallen, in de lengte 
op den grond liggend, in de lengte 
uitgestrekt liggend, omvallen 
omvervallen, neerstorten, liggen, 
in de lengte uitgestrekt liggen 
enz.; Mërëbahkën, doen om< 
vervallen, doen nedervallen, vel 
len, in de lengte uitgestrekt 
doen liggen, enz.;Rëbah-rëbali, 
op zyn gemak liggen, hggend 
uitrusten, enz. 

Rëbana, tamboerm, handtrom. 

Rëbo (Ar.) (Hari Rebo),Woensdag; 
Malëm Rëbo, de avond (nacht) 
van Dinsdag op "Woensdag, 
Dinsdagavond (-nacht). 

Rëbpeng, jonge bamboespruit ; 
Mërëboeng, jonge spruitjes vor- 
men (van bamboe); Sajoer 
rëboene:, waterige toespys by 
de ryst, van rëboen^r gemaakt; 
Atjar rëboeng, zuur van 
rëboeng. 

Rëboes, Mërëboes, in water ko- 
ken; Rëboesan, wat iii water 
gekookt is. 

Rëboet, Mërëboet, met z^jn velen 
om iets vechten, trachten een 
ander voor te zjjn, ontrukken, 
schieiyk grepen, met geweld af- 
nemen, enz.; Rëboetan, twist- 
appel, het voorwerp waarom ge- 
vochten enz. wordt, ook met 
elkander om iets vechten, twisten, 
enz. en grabbelparttJ, naam van 
een Chineesch feest waarbij zulk 



een grabbelparty plaats heeft 
(ook: TJioko, Chin.). 

Rëdl (Har. of Sap.), sleepzaknet. 

Rëdjab (of Rëdjëb), naam van 
de 7e maand van het Mohamme- 
daansche jaar. 

Rëdjasa (of Timah), tin. 

Rëdjëki (of Rëzëkl) (Ar.), levens- 
onderhoud, dageiyksch brood, 
nooddruft,levensbehoeften, geluk, 
fortuin, enz. ; Rëdjëkinja dëras, 
zyn fortuin stroomt snel toe, hy 
verdient geld als water. 

Rëdjoek, Mërëdjoek, voorwaarts 
en in de hoogte springen, huppe- 
len (van vogels byv.). 

Rëga, zie: Harga. 

Rëgang:, styf gespannen, strak aan- 
getrokken, enz.; Mërëgan£:,strak 
spannen, uitspannen, rekken ; 
Përëgangan of Ragangan, 
raam, enz., waartusschen iets 
strak gespannen is, borduurraam, 
enz. 

Rëgëd (Jav.), vuil, smerig. 

Reges, kaal, zonder bladeren, 
schraal (van boomen). 

Rejal, reaal, ook benaming van 
zeker goudgewicht. 

Reka, maatregel, ook streek, jiit- 
vlucht, verzinsel, middel; Mëre- 
ka, iets uitdenken, verzinnen, 
kunstig samenstellen, enz. 

Rëkah(zie ook: Ijëkali),gebarsten, 
opengesprongen ; Mërëkah, bar- 
sten, openspringen (van vruchten, 
enz.). 

Rëmadja, halfr^p, bQna rjjp (ook : 
Mëngkël), aan het rijpen (van 
vruchten), bijna huwbaar (van 
een jongeling of meisje); Rëma- 
dja-poetëri, een meisje van 14 
h 15 jaren, dat btjna huwbaar is. 

Rëmang, overeind, te berge ge- 
rezen (van de haren). 

Rëtnat (of Rëmët), met de han- 
den kneden. Zie: Ramas. 

Rëtnbës, doorzagen, sijpelen, uit- 
zweeten, vochtig zijn, nat zfln. 

Rembet, Mërembet, kruipen. 



216 



REMB. 



RENO. 



voorlkruipen (van slingerplanten), 
zich naar alle kanten uitbreiden, 
naar alle kanten grjipen, enz., 
ook : (van een zaak byv.) telkens 
uitgebreider, ingewikkelder wor- 
den, enz. 

Rembo6g(Jav.),beraadslaging,over- 
leg,raad,raadgeving;B6rëmboeg, 
met iemand overleggen, beraad- 
slagen, enz.; MërëmboegkeD, 
iemand raden, — raadgeven, enz. 

Rëmën (Jav.) (of Dëmën), veel van 
iets houden, behagen in iets 
scheppen, liefhebben, beminnen, 
enz. ; Rëmënan, waar men veel 
van houdt, lievelingskost,geliefde, 
beminde, ook: in 't geheim min- 
nehandel draven, enz. 

Rëmëng (Rëmëngrëmëng), half- 
duister, schemering. 

Rëmës, zie : Ramas en Rëmat. 

Rëmoek, in gruis, vergruisd, ver- 
brjizöld, vermorzeld ; Mërëmoek- 
ken, stuk maken, verbrijzelen, 
vermorzelen, breken. 

Rëmpah (of Rëmpah-rëmpah), 
gedroogde medicinale kruiden, 
enz., drogeiijen, specerijen. 

Rëmpëlas, zie: Ampëlas» 

Rëmpëloe, de gal, galblaas. 

Rëmpoeh, Mërëmpoeh, zich met 
geweld ergens doorheen een weg 
banen. Zie ook: Tëmpoeh. 

Rempoh, afgemat, afgetobd, afge- 
jakkerd, afgewerkt, op van ver- 
moeidheid. 

Rëmpon (beter: Roempon), sta- 
ketsel of palen met tw^gen, enz. 
behangen midden in vischryke 
wateren, dienende om de visch 
daarheen te lokken en zoo ge- 
makkelijk te vangen. 

Rënasg, Bërënang, zwemmen; 
Mëmbërënangi, bezwemmen, in 
een rivier enz. zwemmen, naar 
iets toe zwemmen, enz., een ri- 
vier enz. zwemmend oversteken ; 
Mëmbërënangkën, iets laten 
zwemmen, op het water laten drij- 
ven, ook met iets wegzwemmen, 



iets zwemmend meevoeren, enz. 

Rënda,kant,kantwerk, speldewerk. 

Rëndah, laag, nederig, onderdanig, 
ootmoedig, bescheiden; Mërën- 
dahkën, lager maken, verlagen, 
vernederen, enz.; Karèndahan, 
nederigheid, onderdanigheid, be- 
scheidenheid ; Tanah rëndab, 
lage grond, lage streek. 

Rëndam, Mërëndam, iets in 
eenig vocht laten staan weeken, 
enz.; Bërëndam, in het water 
zitten, een zitbad nemen, enz. in 
het water gedompeld zitten. 

Rëndang (of Rëndëng), blader- 
rflk, vol bladeren, enz. (van boo- 
men); Moesim rëndang, het 
jaargetijde, waarin de hoornen zoo 
zyn, regenseizoen. 

Rëndang, baksel in vet of ohe; 
Mërëndang, in vet of olie bak- 
ken, fruiten. 

Reng (Jav.), panlat. 

Rëngas (ook: Rangas), een soort 
kleine witte mieren. 

Rëngas, Qluta benghas, L. nat. 
fam. der Anacardiaceae, hooge 
boom, waarvan het hout veel 
voor meubels gebruikt wordt, 
doch een scherp, zeer vergiftig 
melksap bevat. 

Rëngat, barst, spleet, gebarsten, 
gespleten, gescheurd (van harde 
voorwerpen), enz., ook kramp, 
snyding, stekende ptJn, enz., ook 
naam van een soort heel kleine 
vliegen (ook : Rëngit of Rëngët 
geheeten). 

Renggang, wjjd uit elkander, met 
een ruimte er tusschen, gesple- 
ten, gebarsten, enz., ook in fig. 
zin: verwijderd, vervreemd, be- 
koeld, koel; Mërënggangkën, 
losser maken, wijder maken, ver- 
wijden, van elkander aftrekken, 
enz. 

Rengges, zie: Reges. 

Rëngit, zie : Rëngat. 

Rengkeh, krom en mager door 
ouderdom of ziekte. 



RENG. 

Rëngoes, stuursch, norsch (zyn); 
Merèngoes, norsch, barsch, 
stuursch zyn, — k\]ken, enz. 

Rëngoet, Mërëngoet, een 
stuursch, barsch, norsch, onte- 
vreden gezicht zetten, pruilen, 
pruttelen, jnopperen, enz.; Më- 
rëngoetkën, tegen iemand een 
stuursch, enz. gezicht zetten, 
iemand barsch, norsch, enz. be- 
handelen. 

Rënjah, croquant, knappend, broos 
(zooals byv. versche komkom- 
mers). 

Rëntak (of Rëntëk), Mërëntak 
of Mërëntëk, tegen of op iets 
stoeten (van een vaartuig), ook 
bibberen, beven, kreunen, enz. 
(van een zieke, enz.). 

Rëntjana, ordelijke, behoorlijke 
schikking of samenstelling; Më- 
rëntjana, behoorlijk schikken, 
—samenstellen, —opstellen. 

Rentjong, aan een kant schuin 
of puntig toeloopend, een soort 
dolkmes. 

Reot of Reat-reot (Jav. Bat.), heen 
en weder wiegelend van ouder- 
dom, half defect, oud en scheef, 
op instorten staand, bouwvalhg. 

Rëpak (of Rëpas), broos, licht 
brekend, niet veerkrachtig, taai. 

Rëpeh, Mërëpeh, met de handen 
in stukjes breken, —brokkelen, 
enz. (byv. gebak). 

Repot, drukte, drukte maken, het 
druk hebben, enz. 

Rerok, Mërerok of Mëlerok, 
van terz\jde zien ; Mërerokkën, 
iemand van terzijde bekaken, ook : 
den blik van hem afwenden. 

Rerot, Mërerot, in een lange rij 
achter elkander gaan, — loopen, 
enz. 

Rësan, Mërësan, Mërësaakën, 
iemands woorden op zichzelf toe- 
passen, zich een gezegde aan- 
trekken, enz. 

Rësap (of Rësëp), Mërësap» er- 
gens binnendringen, (ook van 



RIDL. 



217 



vochten) indringen, doordringen, 
opgenomen worden. 

Rësëmi, manier, tweede natuur, 
wü*ze, ook byslaap. 

Rësi, heilige, heilige kluizenaar. 

Rëstoeng (ook Restroeng, Lës- 
troeng), syphilitische verzwe- 
ring in of aan den neus. 

Rëtak, barst, gebarsten; Mërëtak 
(ook: Mëlëtak),bar8ten,springen, 
splijten ; Rëtak tangan, del^nen 
in do handpalmen. 

Retek, Mëretek, knetteren (van 
gebakken zout, of een met water 
in aanraking geweest z^nde 
Lampepit). 

Rëtja, beeld, afgodsbeeld, ook : pop. 

Rëtjik, spat; Mërëtjik, spatten, 
in kleine druppels vallen, spren- 
kelen. Zie ook: Ritjik. 

Rëtjoep, Mërëtjoep, in massa 
opspringen (van kleine visschen 
byv.), in menigte uitbotten, enz. 
(van gras, enz.). 

Rëtna, zie : Ratna. 

Re'wang, kameraad, makker, hel- 
per, ook: (Mëre-v^ang), gieren 
(van een vaartuig). 

Rëzëki, zie: Rëdjëki. 

Riak, zie : Reak. 

Riam, stroomversnelling in een 
rivier. 

Riba (of: Ribadn), schoot^ ook: 
woekerrente, woeker; Mëriba, 
op den schoot houden, ook: woeke- 
ren, woekerrente innen, enz. 

Riboe, duizendtal; Sariboe, een 
dujzendtal, duizend; Bëriboe, 
Bëriboe-riboe, Bëriboean, b\j 
duizenden, b\] duizendtallen. 

Riboet, storm, ook: geraas (van 
een groote in beweging z^nde 
menigte), verward, in de war, 
beteuterd, verbouwereerd, enz.; 
Angin riboet, storm, stormwind, 
orkaan; Mëriboet, stormen; 
Mëriboetkën, iets of iemand in 
de war brengen, —sturen, enz. 

Ridla (Ar.), (of Karidla&n), gunst, 
tevredenheid, toestemming, goed- 



218 



RIJAP. 



keuring; Mëridlakën, toestem- 
men, goedkeuren, aan iets zjjne 
goedkeuring hechten, met iets 
tevreden zyn, enz. 

Ktlap, Mër\)ap, loshangen (van 
het haar b\jv.); Mërj|Japkën, los 
laten hangen. 

K^as, zie: H^as. 

Kimau, zie: Harimau. 

Rimba, woud, zwaar bosch. 

Rimbas, dissel; Mërimbas, met 
een dissel bewerken, — bekap- 
pen. 

Kindoe, sterk verlangen naar iets 
of iemand, zucht naar iets, wee- 
moed, heimwee, smachten naar 
iets of iemand, reikhalzen, enz.; 
Rlndoe dëndam, sterk, reik- 
halzend verlangen, enz. 

Ringan, licht, niet zwaar, verlicht 
(van ziekte enz.); Mëringankën, 
verhchten, hcht maken, ook: iets 
licht opnemen. 

Ringgit, inkervingen aan den rand 
van iets, —rijksdaalder, dollar, 
Spaansche mat; Ringgit boe- 
roeng, de Amerikaansche dollar; 
Ringgit mas, goudstuk ter 
grootte van een dollar. 

Ringik, Mëringik, dreinen, za- 
niken, aanhoudend op huilenden 
toon om iets vragen (zooals som- 
mige kleine kinderen kunnen 
doen). 

Ringkas (of Ringkës), samenge- 
trokken, bekort, beknopt, in 
kleiner volume teruggebracht, 
enz,, ook: netjes aan kant gezet, 
in of op orde gebracht, geregeld ; 
Mëringkas, bekorten, beknopt 
maken, tot een kleiner volume 
enz. terugbrengen; Ringkësan, 
samentrekking, enz., korte inhoud 
van iets. 

Rinti, Mërinti, stenen, kreunen, 
kreunend jammeren (van pfln, 
enz.). 

Rintik, spat, stip, vlak, vlekje, 
spikkel; Bërlatik, gespikkeld; 
Oedjan rintik-rintlk, regen die 



ROEA. 

met enkele fijne druppels valt, 
motregen. 

Rioeh, luidruchtig, levendig, woe- 
lig; Mërioeh, luidruchtig z^n, 
leven maken. 

Ririk, zie: Rerok. 

Risik, Bërisik, leven, leven ma- 
ken, luidruchtig z^Jn, zie ook: 
Bisik. 

Riwajat, verhaal. 

Robah, veranderd, gewyzigd, ook : 
beweging, verandering, enz. ; 
Bërobah, veranderen, anders 
worden, bewegen, zich bewegen; 
Mërobah, Mërobahkën, ver- 
anderen, wtjzigen, anders maken, 
wijziging in iets brengen, enz. 
ook : bewegen, in beweging bren- 
gen, —zetten, enz. 

Robek, gescheurd; Mërobek, 
scheuren, stuk scheuren, ver- 
scheuren. ^ 

Robok, Mërobok, opborrelen en 
tevens een klokkend geluid voort 
brengen (zooals een onder water 
gehouden ledige flesch). 

Roda, rad, wiel; Bëroda, op wie- 
len, met wielen, wielen hebben, 
ook in een op wielen rustend 
voertuig ryden, zitten, enz. 

Rodja, tuil, bouquet, ruikertje van 
aaneengebonden of gestoken bloe- 
men; Mërodja, bloemen aan- 
eenvoegen, tot een tuiltje, enz. 

Rodjol (Jav.), Mërodjol, uit eene 
opening plotseling of met kracht 
vooruitschieten (bijv. een kind bij 
de geboorte, enz.), uit eene opening 
schielijk te voorschijn komen, enz. 

Rodok, Mërodok, met een lang 
en puntig voorwerp in iets (een 
boschje, kreupelhout, eene wand, 
enz.), steken of poken, om wat 
daarin verborgen is er uit te 
drijven. 

Roe, een Rijnlandsche roede, maat 
van 12 voeten lengte. 

Roea, straat. 

Roeang, wi|d, ruim, ook: ruim van 
een vaartuig (verg. Petak). 



ROEA. 

Boeas, het gedeelte tusschen twee 
geledingen (byv. van de bamboe, 
enz.); Tëboe saroeas, een gele- 
ding suikerriet, d. i. zooveel als 
tusschen twee geledingen daarvan 
gelegen is. 

Koeba, fooi. 

Koeboeh, instorten, omvallen, in- 
vajlen,omvervallen ; Mëroeboeh- 
ken, omvervallen, vellen, doen 
omvallen, enz., ook: op iets vallen; 

Koeboehan, het omvallen, enz. 

Roeboeng, zie: Këroeboeng. 

Roec3Jab, Mëroedjab, met een 
puntigen stok, enz. naar iets 
steken, om het te kry gen of om 
te voelen, of het er is. 

Boedjah, snoepery, bestaande uit 
een mengsel van rtjpe of onrflpe 
vruchten enz., overgoten met een 
heete, zoete Spaansche pepersaus. 

Boedji, de dagelyksche hoofdspijs, 
d. i. (onder de inlanders) r\)st; 
—ook spaak (van een wiel), tralie 
(in een raam, enz.). 

Boedjoek, in overeenstemming 
zfln, overeenstemming, het goed 
met elkander kunnen vinden, 
welgezind, meegaand, enz. 

Boegi (en Karoegian), schade, 
nadeel, verhes; Kapoegian, scha- 
de Hjden, nadeel hebben, op iets 
verliezen; Mëroegikën, iemand 
schade berokkenen,— verhes doen 
lyden, — benadeelen, enz. 

Boegoel, Mëroegoel, schenden, 
onteeren(van eenvrouw of meisje). 

Boejoeng, de stam, het harde hout 
van palmboomen. 

Boekoen, steunpilaar, ook: over- 
eenstemming, enz. (verg. Boe- 
djoek); Boekoen islam, de v^f 
pilaren van den Mohammedaan- 
schen godsdienst. 

Boem, Griekenland, Byzantium, 
Turkfle. 

Boema, de fijne haartjes op den 
nek en het lichaam, dons. 

Boemah, woning, huis; Boemah 
kolong, een huis op neuten: 



ROEN. 



219 



Boemah makan, logement, ho- 
tel; Boemah bola, sociëteit; 
Boemah miskin, armenhuis, 
weezeninrichting, verzorgingsge- 
sticht; Boemah gila, krankzin- 
nigengesticht; Boemah setan, 
vry'metsela^rsloge; Boemahkoe- 
nhig of Boemah pandjang, 
bordeel, hoerehok ; Boemah 
monjet, schildwachthuisje; Boe- 
mah tembok, — gëdong, —ba- 
toe, een steenen gebouw; Boe- 
mah papan, een huis met plan- 
ken bewandingen, enz.; Boemah 
gëndeng, een huis met pannen 
gedekt : Boemah atap, een huis 
gedekt met atap (zie dit woord) ; 
Boemah papak, een huis met 
een plat dak; Boemah kan^ing, 
knoopsgat; Boemah tangga, 
huishouding, gezin, famihe; Isl 
roemah, de gezamenlyke bewo- 
ners van een huis; Bëroemah, 
een huis hebben, gevestigd zyn, 
wonen ; Boemah kantjin(g) 
(Mol. Mal.) een huis met houten 
geraamte en gaba-gaba-bewan- 
ding; Boemah tempo, tydelyk 
zieken verbiyf, ziekenzaal van licht 
materiaal opgetrokken; Boemah 
tikoes, cel, voornamelijk in een 
gevangenis, (zie ook: Elamar 
tikoes) en schildwachthuisje. 

Boembai (of Boembe), kwast, 
franje, neerhangend versiersel aan 
iets, enz. 

Boempoen, stoel, struik, enz. (van 
planten, die uitstoelen als de 
rystplant, de bamboe, enz.). 

Boempoet, gras, ook: onkruid; 
Boempoet kering, gedroogd 
gras, hooi; Toekang roompoet, 
grasverkooper, grassnijder, gras- 
leverancier. 

Boendjah, Mëroendjah, steige- 
ren, de voorpooten opheffen (van 
een paard, enz.). 

Boendjoeng, keprel, pyramide, ke- 
gelvormig; Meroendjoeng, ke- 
gelvormig ztJn,- omhoog loopend. 



220 



ROEN. 



ROKO. 



enz. (als een stapel kogels, byv.). 

Roenggai {ofRoenggé), aar, r\jst- 
aar, enz. 

Roensrkoek, ineengedoken, ge- 
kromd, er ouweltjk uitzien, veel 
van een oud mannetje hebben, 
enz. 

Roengkoep, schuin tegen elkander 
oploopend, als biJv. de twee vlak- 
ken van een vel papier, dat ge- 
vouwen is. 

Roentai (of Roenti), slordig neer- 
hangen, sleepen, enz, van iets 
(btjv. een touw) dat opgebonden 
of gerold behoort te z^jn. 

Roentoeh, invallen, instorten, ook: 
vallen, afvallen, verg. Rontog. 

Roentoehan, ook: Roentoekan, 
afval van een geslacht dier, als 
de ingewanden, enz. 

Roepa, uiteriyk, gedaante, vorm, 
uiterlijk voorkomen, gestalte, 
soort, schijn, wyze of manier van 
doen, enz.; Roepa-roepa, aller- 
lei, allerhande; Roepaoja, naar 
het schynt, de vorm, enz. er van 
is; Bëroepa, den vorm, de ge- 
daante, het voorkomen, enz. 
hebben, —aannemen, enz.; Me- 
roepakën, iets maken, een vorm 
enz., geven, enz. 

Roepiali, gulden, ropij ; Saroepiah 
perak, een gulden zilver, d. i. 
100 Ned. centen; Saroepiah tëm- 
baga, een gulden koper, d. i. 100 
oude duiten of 83 V« cent. 

Roeroet, afglijden, afglippen, af- 
vallen (van ringen bjj v.), ook : af- 
trekken, afstrilken (door iets met 
de hand vast te houden en deze 
daarover heen te trekken, bijv.: 
de afzonderlijke korrels van een 
aar), (ook: Mëroeroet). 

Roesa hert, edelhert; Roesa bë- 
rangga, hert met gewei; Babi 
roesa, hertzwijn. 

Roesak, bedorven, geschonden, ge- 
havend, beschadigd, vernield, te 
gronde gericht, ook: onteerd (van 
een meisje), bedorven, beschadigd 



raken, breken, stuk zijn, enz.; 
Mëroesakkën, bederven, be- 
schadigen, stukmaken, vernielen, 
te gronde richten, breken, ont- 
eeren, enz. 

Roesoeh, lawaai, geraas, geweld, 
opschudding, getier, leven, leven 
maken, razen, tieren, in opschud- 
ding zijn, enz. Mëroesoehkën, 
in opschudding brengen, door 
lawaai enz. hinderen. 

Roe'wah (Ar.), (ook: Arwah, SJa- 
ban of Saban), de 8e maand van 
het Mohammedaansche jaar waar- 
in de graven schoon worden ge- 
maakt; Mëroewah, aanroepen, 
toeroepen, ook: een offermaal aan- 
richten ter eere van de zielen der 
afgestorvenen. 

Roewak^ Mëroewak, zich uit- 
breiden, zich verbreiden, toene- 
men, enz. (van vuur, enz.). 

Roewam, uitslag in den vorm van 
kleine puistjes. 

Roewang, zie: Roeang. 

Roewas, zie: Roeas. 

Roewat, Mëroewut,onttoo veren, 
een offer aan de geesten aanbie- 
den, om het een of ander gedaan 
te krijgen; Mëroewatkën, voor 
of in het belang van iemand zulk 
een offer, enz. brengen. 

Rob (Ar.), geest, ziel; Rob'oelkoe- 
does, de heilige geest. 

Rogo, Mërogo, met de hand naar 
iets, dat in het water, in struik- 
gewas enz. verborgen is, tastend 
zoeken, —den arm in iets steken 
om wat te grijpen (biJv. van een 
vroedmeester om een kind voor 
den dag te halen), — in of door 
iets heen tasten (bijv. in een 
beurs). 

Rogol, Mërogol (Bat.), onteeren, 
eenvrouw of meisje onteeren (door 
bijv. in haar ledikant te gaan 
liggen, onverschillig of de bijslaap 
al dan niet uitgeoefend wordt). 

Roko, sigarette, strootje, sigaar; 
Roko manilla, een Manilla-si- 



KOMA. 



SABE. 



221 



"^ gaar, ook in 't algemeen, sigaar ; 
Boko kawoeng:, strootje met 
dek van IsKvroeng^ het gepre- 
pareerde blad van den arecapalm ; 
Roko klobot, idem gemaakt van 
het dekblad van de djagoeng* 
vrucht; Roko wangi, strootje, 
welks tabak vermengd is met 
een weinig benzoë. 

Roman, gedaante, vorm, uiterlijk, 
voorkomen, houding, verg. : Roe- 
pa. 

Rombak, omvergehaald, afgebro- 
ken, gesloopt, veranderd; Më- 
rombak, sloepen, afbreken, om- 
verhalen, uit elkander nemen, 
wijzigen, veranderen, anders ma- 
ken. 

Rombeng, gescheurd, aan flarden, 
stuk, in lappen; Rombengan, 
vod, oude gescheurde lap, enz. 

Rompang, geschaard, met schaar- 
den, ook: bijna geheel tandeloos, 
oneffen (van een gebit); Rom- 
pang-rampiiig,overal geschaard, 
aan flarden, enz. 

Rompjok, tros, bos (vruchten, 
sleutels, enz.); Bërompjok of 
Mërompjok, in trossen hangen. 

Ronda, ronde, nachtwacht, wacht- 
volk dat in de rondte gaat, pa- 
trouille, enz. 



Ronggeng, dansmeid. 
Rongkong, (ook: Kërongkong 
Kërongkongan, Rërongkong), 

strottenhoofd, slokdarm, lucht- 
pyp, ook: het achtergedeelte van 
den rug van vogels, enz. 

Rongsok, zie: Rosok. 

Ronjok, slap, zacht, verfrommeld, 
verkreukeld (van iets dat hard 
en styf was of moet zt|n). 

Rontak, Bërontak, Merontak, 
allerlei bokkesprongen maken, 
tegenstribbelen, zich verzetten, 
steigeren, enz. 

Rontog, afvallen (van haren, vruch- 
ten, enz.), uitvallen (van tanden). 

Rorot, Merorot of Mëlorot, af- 
gljjden, afzakken (van een broek 
bijv.). 

Rob, zie: Roeas. 

Rosok (Rosokan), oud, vervallen, 
afgeleefd, niet bruikbaar meer, 
oud afgelegd goed enz., vod, oude 
lappen, enz. 

Rosot, Mërosot, afgljjden, zich 
laten afgleden, glippen, ontglip- 
pen, enz. 

Rotan, rotting, rottingriet. 

Roti, brood ; Roti kismis, krente- 
brood; Toekang roti, brood- 
bakker; Roti manis, zoet brood; 
Roti item, roggebrood. 



s. 



Sa, voorvoegsel met de beteeke- 
nis: een, heel, gansch, geheel, 
enz. ; Sahari, heel een dag, een 
ganschen dag, een dag; Saroepa, 
een van gedaante, van dezelfde 
gedaante, enz. 

Sa&t (Ar.), oogenblik, tijdstip. 

Saban (Ar.), zie: RoewahenSa- 
bën. 

Sabar(Ar.),geduld,lankmoedigheid, 
geduldig, lankmoedig, geduldig 
ztJn, geduld hebben, geduld oefe- 
nen; Mënjabarken, met iets 



geduld hebben, —geduld oefenon, 
enz., geduldig op iets wachten. 

Sabda (Ar.), woord, gezegde; Bër- 
sabda, spreken, zeggen, bevelen. 

Sabëlab, zie: Bëlah. 

Sabëlas, elf. 

Sabën, iedere keer, telkens, tel- 
kenmale, elk; Sabën hari, eiken 
dag, dageiyks. 

Saberang, de overzijde, de over- 
wal, de overkant, (van een rivier, 
enz.) overwalsch, van de overzijde; 
Mënjabërang,naar den overkant 



222 



SABE. 



oversteken, enz. ; Mënjabëraxig- 
ken, iets of iemand naar den 
overwal overzetten, enz.; Pë- 
Bjabërangan, plaats, waar men 
oversteekt, —waar men over 
wordt gezet, ook wadde, waad- 
bare plek in een rivier, enz. en 
veer, veerschuit, pont; Përahoe 
pënjabërangan, schuit, enz. 
wa^armede men over wordt gezet. 

Sabët, slag met een lang voor- 
werp, striem, enz.; Mëcjabët, 
met iets langs slaan, zweepen, 
striemen, enz. ook : met een sabel 
kappen, — houwen. 

Sabil (Ar.), weg; Përang sabil, de 
heilige oorlog. 

Sabit, sikkel, ook: duidelijk, klaar; 
Mëzijabit, met een sikkel snij- 
den, ook, duideiyk, klaar aan den 
dag komen. 

Saboek, linnen of katoenen dan 
wel zyden band om den gordel, 
sjörp, gordelband, buikband ; 
Bërsaboek, een gordelband aan- 
hebben, enz. 

Saboen (Ar.), zeep;Më]3jaboen,zee- 
pen, inzeepen, met zeep wasschen, 
enz. 

Saboeng, vechthaan ; Bërsa- 
boeng, Mënjaboeng, vechten 
als hanen door tegen elkander 
in ^ te vliegen, vechten, enz. ; 
Mënjaboengkën, tegen elkan- 
der laten vechten, enz. ook twee 
voorwerpen tegen elkander slaan, 
—tegen elkander laten botsen. 

Saboer, niet goed uit elkander te 
onderkennen, gewemel, door 
elkander wemelend ; Mënjaboep, 
zich onder een wemelende 
menigte mengen. 

Saboet, harige of vezelige bast 
van een kokosnoot (ook: Saboek 
of Samboek). 

Sabtoe (of: Saptoe), Hari Saptoe, 
Zaterdag, de zevende dag der 
week; Malëm saptoe, Yi^jdag- 
avond (-nacht), de avond (nacht) 
van Yr^dag op Zaterdag. 



Sadia (of: Sëdia), klaar, gereed» 
bereid; Bërsëdia, zich klaar 
maken, zich gereed houden; 
Tërsëdia, klaar gezet, gereed 
gemaakt; Tërsëdiakën, klaar- 
gezet ^ voor, bestemd voor ; 
Mënjëdiakën, iets gereed ma- 
ken, klaar zetten, bereiden, enz.^ 
ook : iets voor het een of ander 
bestemmen. 

Sadiakala (of Sëdëkala), vroeger» 
oudtyds, eertyds. 

Sadja, zie: Sahadja. 

Sadjahtëra, voorspoed, welvaren, 
rust, vrede, veilig, rustig. 

Sadji, gerecht, spys, enz. gereed 
om opgedischt te worden; Më- 
Djadji, gerechten enz. op scho- 
tels enz. plaatsen en gereedma- 
ken, om jze op te disschen ; Më- 
Djadjikën, gerechten, enz. op- 
disschen, —op tafel brengen, enz. ; 
Sadjian, disch, maal, m^t^gd, 
wat opgedischt wordt. 

Sadoer, dunne laag metaal op het 
een of ander aangebracht; Më- 
Djadoer, een dunne laag metaal 
op iets brengen ; Sadoer mas, 
verguldsel. 

Safar (of Sapar) (Ar.), de 2e maand 
van het Mohammedaansche 
jaar. 

Saga, Abrus praecatorius, L. nat. 
fam. der Papilionaceae, een slin- 
gerplant, die veel in de inlandsche 
geneeskunde gebruikt wordt. De 
kleine pitjes worden gebruikt o. a. 
ook voor het wegen van edele 
metalen. 

Sagang, geveld, schuin of hellend 
gehouden, enz. ; Mënjagang, vel- 
len (btJv. een geweer, enz.), ook 
een stok of stut tegen iets plaat- 
sen, om dit tegen te houden of 
voor vallen te behoeden. 

Sagoe (of Sago), de sagoe, het 
bekende meel uit den sagoe-pahHy 
ook In 't algemeen meel ;Sago]i, 
versnapering veel hebbende van 
gebakken sagoe. 



SAH. 



SAKT. 



223 



Sah tAr.), gaaf, zonder gebreken, 
echt, juist, zeker, recht, geldig. 

Sahabat (Ar.), (ook: Sobat), vriend; 
Bërsahabat, bevriend ztjn, 
vriendschap sluiten, enz. 

Sahadja, slechts, enkel, alleen, 
eenvoudig, enz., ook: voornemen, 
wil, willens, opzettelijk (zie : Së- 
ngadja). 

Sahaja (gewoonlyk samengetrok- 
ken tot Saja), ik, ook terug te 
geven door ja, bijv. in een ant- 
woord als Sahaja; toe'wan, Uw 
dienaar, mijnheer I Tot uw dienst, 
mijnheer ! Ja, mijnheerl ook: slaaf; 
flamba sahajaDja banjak, hü 
(ziJ) heeft (hebben) vele dienaren 
en slaven. 

Sahib (Ar.), heer, meester. 

Sahoer, (in de vastenmaand) eten 
vóór het aanbreken van den dag. 

Sahoet, antwoord, wederwoord; 
Mënjahoet, antwoorden, ant- 
woord geven; Mënjahoetkën, 
op iets antwoord geven, iets be- 
antwoorden; Bërsahoet-sahoe- 
tan, elkander over en weder ant- 
woord geven (bijv. by het zingen). 

Saïd (Ar.), (of Sajid), heer, titel 
voor fatsoenlijke Arabieren, eigen- 
lijk voor nakomelingen van Mo- 
hammed. 

Salnff, Bërsaïng, samen varen 
(van schepen). 

Saïr, zie: Sjaïr (Ar.). 

Sais (O. K. V. Sum), paardejongen 
staljongen. 

Saja, zie: Sahaja. 

SaJa'(of Sajak), een vrouwendracht 
(voornamelijk onder de z.g. in- 
landsche Christenen), bestaande 
uit een stiJfgeplooiden saroeng, 
die als een rok gedragen wordt, 
niet met een jaquet maar met 
een Kabaja, waarvan de mou- 
wen aan de polsen vastgeknoopt 
zijn. 

Sajang, deernis, medelijden, sym- 
pathie, genegenheid, ook iets jam- 
mer vinden, —zonde vinden, be- 



gaan zijn met iets, enz., iets ont- 
zien ; Sajangsëkali koeda itoe 
mati, het is (zeer) jammer, dat 
het paard dood is, enz. 

Sajap, vlerk, vleugel; Bërsajap» 
gevleugeld (zijn), vleugels hebben. 

Sajoer, toebereide groente, enz.^ 
een soort van waterige inlandsche 
soep, als toespijs by de rijst; Sa- 
Joeran, groenten, moeskruiden, 
ook allerlei plantaardige toespij- 
zen; Mënjajoer, groenten enz. 
tot vorenbedoelde toespijs klaar- 
maken, —aanwenden, enz.; Sa- 
Joer-majoer, allerlei soorten 
groenten. 

Sakalian (of Sëkalian), alle, allen^ 
alles. Zie: ELali. 

Sakarang (of Sëkarang), nu, 
thans, op dit moment, tegenwoor- 
dig, enz. 

Sakëlat (of Sangkëlat)( Ar .), laken. 

Saking (Jav.), door, uithoofde van, 
omdat. 

Sakit, ziek, ongesteld, pijnlijk aan- 
gedaan, ziekte, kwaal, ongesteld- 
heid. Pijn, ziek zijn, pijn hebben, 
ongesteld zijn, enz.; Sakit ka- 
pala, hoofdpijn ; Sakit hati, er- 
gernis, hartzeer; Sakit-sakitan, 
dikwijls ziek, ziekelijk; Pënjakit, 
ziekte, kwaal; Pënjakit sampar, 
epidemie; Mënjakiti, iemand 
Pijnigen, martelen, ziek maken, 
enz. 

Sakoe, zak (in eenjas of broek, enz.). 

Sakai, getuige; Bersakai, getuigen 
hebben; Mënjaksikën, iets door 
getuigen laten bevestigen, iets 
door getuigen bewijzen, enz.; 
Mënjaksi, als getuige dienen, 
optreden, enz.; Mënjaksii, iets 
bijwonen, persoonlijk biJ de een 
of andere gebeurtenis tegenwoor- 
dig ziJn, enz., ook: als getuige 
omtrent iets eene verklaring af- 
leggen, —iets bevestigen of ont- 
kennen, enz.; Kasaksian, getui- 
genis. 

Sakti (Sk.), machtig, heilig, boven- 



224 



SALA. 



natuurlijke macht hebben, met 
wondermacht begaafd zfln, enz.; 
Kasaktian, bovennatuuriyke 
macht, wondermacht, heiligheid. 

Salah, mis, verkeerd, fout, misslag, 
dwaling, schuld, vergissing, het 
mis hebben, enz., verkeerd han- 
delen, zich aan een overtreding 
enz. schuldig maken, ook : niet b\j 
elkander passend, van elkander 
verschillend, enz.; Bërsalahan, 
schuld hebben, een fout begaan 
hebben, zich aan een misslag 
schuldig gemaakt hebben, enz., 
ook verschillen met, onderschei- 
den zyn van, niet passen by, enz. ; 
Mënjalahi, iemand de schuld van 
iets geven; op iemand de schuld 
gooien, enz. ; ook : zich verzetten 
tegen, niet voegen of passen by, 
enz.; Mënjalahkën, iemand be- 
schuldigen, schuldig verklaren, in 
het ongeiyk stellen, iets verwij- 
ten, enz.; ook: een slag of houw, 
enz. doen missen, — ontwöken, 
pareeren,etc.; B[a8alahan,schuld, 
fout, vergrijp, misslag, misdrijf, 
misdaad, onz. 

Salai, zie: 8ale. 

Salak, Zalacca edulis Rwdt. nat. 
fam. der Falmae, een lage palm- 
soort met zoetwrange vruchten, 
die veel gegeten worden. 

Salam (Ar.), vrede, heil, vredegroet; 
Mëmbërl salam, groeten, den 
♦vredegroet brengen; Bëraala- 
man, elkander groeten; Salam 
alaikoem of Assalam alai- 
koem, vrede zij over u (het ge- 
wone begroetingsformuher, dat 
beantwoordt wordt met) Wa 
alaikoem salam, en over u zij 
vrede I 

SalamAt (of Sëlamët), (Ar.), heil, 
voorspoed, gezondheid, welvaren, 
geluk, enz., ook gezond, ongedeerd, 
behouden, niets mankeerend,enz.: 
Sëlamëtan, een heiloffer, een 
ofifermaal voor het heil, enz. van 
iemand (geven, aanrichten, enz.); 



SAMA. 

Mënjëlamëtkën, voor, in het 
belang van, ten behoeve van 
iemand of iets een offermaal 
aanrichten, — aan de goden enz. 
offeren, ook iemand gelukkig of 
zalig maken, behouden, wel doen 
varen, enz.; Kasëlamëtan, ge- 
luk, welvaren, voorspoed, gezond- 
heid, enz. 

Salangr, mandje voor eetwaren. 

Salaiig, Menjalane, iemand 
krissen, met een keris doeden 
door hem tusschen de schouder- 
bladen te doorsteken. 

Salat (Ar.), gebed. 

Salawat (Ar.), gebeden; Salawa- 
tan, gebeden opzeggen. 

Sale, in de zon of boven het vuur 
gedroogd; Pisang sale, aan 
reepjes gesneden en in de zon 
gedroogde rijpe pisang (een 
snoeperij). 

Salib (Ar.), kruis, kruishout; Mën- 
saUbkën of MënJaUbkën, 
iemand kruisigen, aan een kruis 
nagelen, enz. 

Salin, verandering van kleeding, 
enz.; Mënjalin, verwisselen (van 
kleeding, enz), vervangen, ver- 
talen, overschrijven, overbrengen, 
overgieten, enz.; Bërsalin, ver- 
wisselen of veranderen van klee- 
deren, enz., ook in de kraam 
komen (van vrouwen), bevallen, 
baren ; Salinan of Përsalinan, 
wisselkleederen, ook : overzetting, 
vertaling, enz.; Salin (Bandj.), 
van meester veranderen; Mënja- 
linkan tanah kapada goeber- 
nëmen, grond afstaan aan het 
gouvernement, enz. 

Saling (Bat.), over en weder, el- 
kander ; Saling poekoel, over en 
weder, elkander slaan. 

Saloer of Saloeran, goot, dak- 
goot, buis tot afvoer van water, 
waterleiding, enz. 

Sama, gelijk, even als, eveneens, 
eenerlei, hetzelfde, tegelijk,8amen, 
te zamen, met; Mënjamal, aan 



SAMA. 



SAMP. 



22B 



iets gel\jk zyn, met iets of iemand 
overeenstemmen, —in overeen- 
stemming zyn, enz.; Mënja- 
maken, aan iets gelijkmaken, 
— geiykstellen, —gelijk achten, 
alles over een kam scheren, 
—gelijk behandelen, enz.; Bërsa- 

, xna>sama, te zamen met. 

Samak, run, looisel; Mënjamak, 
looien, leder bereiden; Toekang 
samak, leerlooier. 

Samantara, onderwijl, intusschen, 
enz. Zie: Antara. 

Samar, verborgen, niet duidelijk, 
vermomd, niet goed te onder- 
scheiden, enz.; Mënjamar, ver- 
momd zijn, onkenbaar zijn, enz,; 
Mënjamarkën, iets of iemand 
onkenbaar maken, vermommen, 
enz. 

Sambal (of Sambël), heete, sterke 
toespijs btj de rijst, waarvan de 
Spaansche peper een der hoofd- 
bestanddeelen is ; Sambal oelëg, 
fijngewreven Spaansche peper 
met een paar andere bijmengse- 
len ; Sambal goreng, een sterk 
gekruide toespijs, waarvan de 
bestanddeelen met elkander ge- 
fruit worden; Sambal-samba- 
lan, allerlei, als de sambal, 
meest sterk gekruide toespijzen 
bij de rijst, enz. 

Sambang, rondgaande beweging, 
draaiing, draaierigheid, enz. ; Rad 
sambang, omgaand rechter, om- 
gaand gerecht; Pënjakit sam- 
bang, duizeligheid, een soort van 
vallende ziekte. 

Sambar (of Sambër), Mënjam- 
bër, iets in snelle vaart grijpen, 
snel op iets aanvliegen of afko- 
men om het te grijpen (zooals 
roofvogels bijv. op een prooi val- 
len), treffen (van den bliksem), enz. 

Sambat, gejammer, geweeklaag, 
hulpgeroep; Mënjambat, wee- 
klagen, jammeren, om hulp roe- 
pen, enz., ook met iets buigzaams 
slaan, en aaneenlasschen, ver- 
Maleisch-Hollandsch. 



binden; Bërsambat of Bërsam> 
batan, weeklagen, enz. 
Sambët (Jav. Bat.), (Kasambët), 

door den duivel bezeten, door 
booze geesten geplaagd of ziek ge- 
maakt, plotseling ongesteld wor- 
den, een toeval krijgen, enz. 

Sambil, terwijl, tegelykertyd, iets 
tegelijkertijd, gelijktijdig met iets 
anders doen. 

Sambilan (of Sëmbilan), negen; 
Sambilan poeloeh, negentig; 
Sambilan ratoes, negen hon- 
derd, enz. 

Sambit (Bat.), worp; Mënjambit, 
werpen, naar Jets werpen, naar 
iets gooien ; Mënjambitkën, iets 
naar het een of ander gooien, 
enz., iets bewerpen met. 

Samboek, zie: Saboet (Jav.). 

Samboeng, verbonden, gelascht, 
aangezet, verlengd ; Mënjam- 
boeng, lasschen, verlengen, aan- 
zetten; Mënjamboengi, iemands 
verhaal enz. vervolgen, ^—aan- 
vullen ; Mënjamboengkën, iets 
aan iets anders verbinden, —las- 
schen, —aanzetten, iets met het 
een of ander verlengen, enz. 

Samboet, Mënjamboet, beleefd 
ontvangen, recipieeren, een gast 
inhalen, iots beleefd aannemen, 
—in ontvangst nemen, enz. ; 
Bërsamboetan,in overeenstem- 
ming zijn met; Samboetan, ont- 
vangst, beleefde ontvangst. 

Samoen, Mënjamoen, op het 
land, op eenzame plaatsen straat- 
of struikroof plegen; Pënja- 
moen, struikroover. 

Samoewa (of Sëmoewa), alle, 
allen, alles, het geheel, heel 
en al. 

Sampab (Jav.), allerlei droog en 
ander vuil, afval, enz. 

Sampal (of Sampe), gekomen tot, 
tot, tot aan, bij, aan, genoeg, 
genoegzaam, voldoende, toerei- 
kend, zoodat, zoo zelfs dat, tot 
iets komen, enz.; Menjami>ai- 

15 



226 



SAMP. 



SAND. 



ken, iets aan iemand doen toe- 
komen, tot of by iemand bren- 
gen, aan iemand bezorgen, enz,, 
ook iets vervullen, aan iets vol- 
doen, enz. ; MeDjampaikën për- 
djandjiansja, z^jne belofte ge- 
stand doen, daaraan voldoen, enz. ; 
Sampai taati, het hart hebben 
tot, hardvochtig z\jn; Sampai 
xnati, tot de dood (er op volgt, 
enz.); Sampai patah ta&gan- 
nja, totdat hfl den arm brak, enz. ; 
Bëlom sampai, nog niet ge- 
noeg, nog niet voldoende, enz.; 
Sampai djandjinja, z\jn ster- 
vensuur heeft geslagen. 

Sampan, een soort vrij groote 
inlandsche vaartuigen. 

Sampang, inlandsch verlak of 
vernis; Mënjampang, verlak- 
ken, vernissen, ook pagaaien (van 
een roeier, die op de voorplecht 
een er schuit zit). 

Sampar, pest, epidemie (onder 
menschen en vee). 

Sampi (Jav.), (of Sapi), rund, koe 
Sampi laki-laki, stier; Sampi 
këbiri, os; Sampi potongan 
slachtos, rund dat voor de slach 
ter^j bestemd is; Anak sampi, 
kalf; Pamotongan sapi, runder 
slachter^; Toekang sapi,b6dien- 
de, speciaal belast met de zorg 
voor de runderen ztJns meesters 
Toekangmotongsampi,slager, 
slachten van runderen; Soesoe 
sampi, koemelk. 

Sampil, bout van een geslacht dier. 

Samping, z\jd6, kant, ook een 
Saroeng, onderiyfskleed, been- 
bedekking; Di samping, ter 
ziJde, van ter zyde, aan den kant 
van; Mënjamping, ter z^de, 
langs den kant gaan, enz., verg. 
Simpang. 

Sampil*, Mënjampirkën, iets 
over iets heen, aan iets, enz. 
hangen, ophangen; Sampiran, 
kapstok,stelling enz. waaraan een 
en ander gehangen kan worden. 



Sampirin (Bat.), (of Ampirin), b\) 

iemand aangaan, aankeeren, aan- 
wippen, om hem af te halen, 
iemand gaan afhalen, enz. 

Sampoel, overtrek, sloop, kap of 
helm (waarmede sommige dieren 
en kinderen geboren worden), 
enveloppe ; Bërsampoel, van 
een overtrek, enz. voorzien ztjn; 
Mënjampoelkën, iets met het 
een of ander overtrekken, toe- 
dekken, insluiten, bedekken, van 
een overtrek voorzien, enz. 

Sampoema, volmaakt, zonder 
gebreken, volledig, voltooid ; Më- 
njampoernakën, volmaken, vol- 
tooien; Kasampoemaèln, volma- 

- king, volmaaktheid, volkomen- 
heid. 

Sampok, Mënjampok, tegen iets 
aanloopen, — aanstooten, enz. 

Sana, daar, ginds ; Di sana, daar, 
aldaar, ginds ; Kasana, daarheen, 
naar ginds toe ; Dari sana, van 
daar, ginds van daan. 

Sanak, nabestaande, bloedverwant, 
maag; Sanak soedara, bloed- 
verwanten, familiebetrekkingen. 

Sanat (Jav.), jaar. 

Sandang, bandelier, schouderriem, 
draagband over den schouder, enz. 
Mënjandang, iets omhangen, 
—aan een band of bandelier han- 
gend dragen (biJv. een zwaard, 
een ridderorde, enz.). 

Sandang (Jav.), (Sandangan), 
kleeding, enz. Zie: Pakai, Pa- 
kaian. 

Sandar (of Sender), geleund ; Bër- 
sender, leunen, geleund z\jn ; 
Mënjandarkën,iets doen leunen, 
—ergens tegen aan zetten; Pë- 
sandaran, waartegen geleund 
wordt,leuning(van een stoel, byv.). 

Sanding, naast, vlak naast, b0 de 
handliggend; Bërsanding, naast 
iets liggen, enz. 

Sandoeng, Mënjandoeng, met 
den voet stoeten, —aanraken, 
tegen iets stoeten ; Kasandoeng, 



SAND. 



SANT. 



227 



met den voet tegen iets stoeten, 
over iets gestruikeld zyn of strui- 
kelen, enz. aan iets blyven haken. 

Sandoeng, de trapper van een 
weeftoestel. 

Sandoengan, lussen in een rijtuig, 
om er de armen in te steken en 
zoo gemakkeiyker te kunnen 
zitten ; — ook : (van een paard enz.) 
dikwyls struikelend, niet vast op 
de beenen, enz. 

Sang, titel voor een godheid of 
doorluchtig persoon; in fabels ook 
gebruikt voor namen van dieren, 
enz. 

Sangat (of Sangët, ook Bangèt 
en Amat) zeer, uitermate, erg. 

Sangga, stut, drager, steun, wat 
belet, dat iets valt, enz., ook een 
hoeveelheid^van 5 gedeng's padi 
(ryst); Mënjangga, steunen, 
stutten, met de handen ophouden, 
tegenhouden, enz.; Sangga wèdi 
of Sangga-oedi, stijgbeugel. 

Sanggèrah, aderlaten. 

Sanggoel, opgebonden haarwrong, 
bijzondere wiJze van haardracht 
der inlandsche vrouwen. 

Sanggoep, iets op zich nemen, 
aannemen, aandurven, ^durven 
doen ,inst aan voor , en z. ; Mènj ang- 
goepi, voor iets instaan, aanne- 
men iets te doen, iets op zich 
nemen, enz. 

Sangit, aangebrand, branderig-rie- 
kend; Walang sangit, een in- 
sect, dat by drukking, enz., een 
scherp onaangenaam riekend, 
vocht afscheidt. 

Sangka, meening, vermoeden, arg- 
waan, veronderstelling, verden- 
king, gedachte, enz.; Mënjangka, 
vermoeden veronderstellen, ver- 
denken, meenen, enz. 

Sangkak, verhinderd, belet, be- 
letsel, verhindering, Mënjang- 
kak, verhinderen, beletten, tegen- 
gaan, tegenwerken, enz. 

Sangkal, Mënjangkal, ontken- 
nen, niet bekennen, niet erken- 



nen, loochenen, verloochenen; 
Mënjangkalkën, iets ontken- 
nen, enz., ook : weren, tegenhou- 
den, beletten, enz. 

Sangkar, steel of handvat van 
werktuigen (als dissels, enz.),kooi, 
ook ring om een houten voor- 
werp om het splijten te beletten. 

Sangket, gehaakt, vastgehaakt; 
Mënjangketkën, iets ergens aan 
vasthaken, aan een haak bevesti- 
gen, —hangen, enz. ; Sangketan, 
haak; Sangketan këlamboe, 
beddehaak, gordijnhaak. 

Sangkoer, bajonet. 

Sangkoet, vastgehaakt, hakend, 
vastzittend, enz. ; Tërsangkoet, 
Kasangkoet, ergens aan blijven 
haken, ergens aan vastgehaakt 
zijn, enz., ook: haperen, blij- 
ven steken; Mënjangkoetkën, 
iets ergens aan laten haken, 
—ergens aan vasthaken, —aan 
een haak hangen, enz.: Sang- 
koetan, haak, ook belemmering, 
beletsel, enz. 

Sanglir (Jav.),(van een paard, enz.), 
met een bal (testikel). 

Sangoe, leeftocht, mondvoorraad 
op reis, reisvoorraad, al wat men 
op reis noodig heeft en mede- 
neemt. 

Sangsang, Mënjangsang, aan 
iets blijven hangen of haken; 
Kasangsang, hetzelfde; aan iets 
vastzittend, —haken, enz. 

Sangsara, leed, kwelling^ plaag, 
marteling, lijden, enz. ; Mënjang- 
8arakën,iemandkwellen, plagen, 
pi|nigen,martelen,doen lijden, enz. 

Saniri, raadsvergadering van hoof- 
den (Mol. Mal.); Sanirl-nëgëri, 
raad van negory-hoofden; Saniri- 
tanah, raad van de verzamelde 
hoofden eener geheele landstreek ; 
Oetoeaan saniri, bode, deur- 
waarder bij zulk een raad. 

Santak, stomp, vuistslag; Më- 
njantak, stompen, stoeten met 
de vuist. 



228 



SANT. 



SARO. 



Santan (of Santen), kokosmelk, 
het uitgeperste sap van geraspt 
kokosvleesch. 

Santër, snel, vlug, driftig, onstui- 
mig, heftig, snelstroomend, enz. 

Santëri, leerling eener Moham- 
medaansche priesterschool ; ook 
vroom, enz. 

Saoedara, zie: Soedara. 

Saoeh, anker, dreg. 

Sapa (of Siapa), wie; Mënjapa, 
iemand vragen wie hfl is, iemand 
vriendelijk aanspreken, enz. ; 
Sapada (of Siapa ada), wie is 
daar? 

Saparo (Jav.), (of Sëparo), half, 
de helft, een deel van iets, ge- 
deeltelijk. 

Sapatoe (of Sëpatoe), schoen, 
laars, bottine, enz.; Toekan^ 
sëpatoe, schoenmaker. 

Saperti, als, gelyk, evenals, over- 
eenkomstig, geltjk als, zooals, als 
ware het, om zoo te zeggen, by 
voorbeeld, enz. 

Sapi, zie: SampiJJav.). 

Sapih (Jav.), Menjapih, heen- 
gaan, scheiden, spenen, enz.; 
Anak sapUian, een gespeend 
kind. 

Sapir, sappeur. 

Sapoe, bezem, veger, garde, kwast ; 
Mënjapoe, vegen, afvegen, met 
een bezem, enz. over iets heen 
strijken, de stof van iets afnemen, 
uitstoffen, afstoffen, afwisschen, 
enz., ook: iemand met een stok 
enz. op zijn derrière slaan, gee- 
selen, enz.; Sapoe-tangan of 
Sëtangan, doek, zakdoek, hand- 
doek, hoofddoek; Sëtangan 
kapala, hoofddoek; Sapoe lidi, 
bezem of garde van de harde 
ribben van palmbladeren; Sapoe- 
doek, bezem van de harige 
vezels van een aren-palm; Sa- 
poe mérang, keukenbezem van 
itjststroo. 

Sapoet, bedekt, duister; Më- 
njapoet, bedekken (van wolken). 



Sapoetangan zie: Sapoe. 

Sarang, nest; Sarang boeroeng, 
vogelnest; Sarang sëmoet, 
mierennest; Bërsarang, een 

nest hebben, genesteld ziJn; 
Mënjarang, een nest maken, 
nestelen, zich ergens vestigen, 
ergens verblijven, enz. 

Sarangan, de Indische kastanje- 
boom en —vrucht, (Castanea 
argentea, BI. Nat. fam. der Cu- 
puliferae). 

Sarap, huiduitslag (vooral bij kleine 
kinderen). 

Sarat, zwaar beladen, vol geladen, 
zijn volle dracht of lading heb- 
bend; Boenting sarat, hoog 
zwanger. 

Saratoes, zie: Ratoes. 

Sarekat, medephchtig aan, aan 
iets deelnemen, enz. (Pont.). 

Sari, het fijne van iets, de essence, 
bloem, enz. ook fig. voor: vrouw, 
meisje. 

Saring, doorgezegen, gefiltreerd; 
Mënjaring, filtreeren, door laten 
zügen; Saringan, leksteen, fil- 
treer, filter; Ajër saringan, 
gefiltreerd water. 

Saring (ook Njaring), schelklin- 
kpnd. 

Saroe (Jav.), niet passend, ongepast, 
onbetamelijk, leelijk, enz. 

Saroeng, overtrek, scheede, koker, 
huisje van iets, hulsel, omhulsel, 
sloop, hoes, ook het bekende 
onderlijfskleed, welks einden aan 
elkander genaaid zy'n (ook: 
KiOn saroeng); Saroeng pë- 
dang, scheede van een sabel; 
Saroeng bantal, kussensloop; 
Saroeng kërosi, hoes over de 
rugleuning van een stoel; Sa- 
roeng tangan, handschoen ; 
Bërsaroeng, een saroeng heb- 
ben, —aanhebben, daarvan voor- 
zien zijn; Mëxijaroeng,^ een 
saroeng aantrekken; Mënja- 
roengkën, iets in een saroeng 
steken, —een saroeng aandoen, 



SARO. 



SEBA. 



229 



—van een saroeng voorzien, 
iets tot saroeng aanwenden, 
enz. 

Saron (Jav.), muziekinstrument be- 
hoorende tot den gamelan en 
bestaande uit platte metalen 
staven, die op een hollen bak 
rusten. 

Sarsar (of Sarsaran), dwaas, min 
of meer getroubleerd, zot, enz. 

Sasak, grof vlechtwerk van bam- 
boelatten, ook vlot van bamboe. 

Sasar, schyf, doel, schietschijf, 
ook: niet wel by het hoofd, 
verward, in de war, de goede 
richting missend; Kasasar of 
Kësasar, verdwaald, verdwalen 
(vergel. Sasat). 

Sasat (of Sësat), verdwaald, ver- 
dwalen ; Mënjasatkën, doen 
verdwalen ; Sasatan of Kasa- 
satan, dwaling, verdwaling. 

Saaie (Sap. en Har.) verbod, be- 
perkende bepaling (eig : een krans 
van bladeren om boomen in 
bosschen of negoryaanplantin- 
gen, ten teeken, dat het verbo- 
den is, van de vruchten te pluk- 
ken (gedurende eenigerv tyd, nl. 
zoolang de Sasie aan de boo- 
men bevestigd is), Mënaroh 
saaie, zulk een verbod op iets 
leggen, uitvaardigen; Mëmboe- 
ka aaaie, zulk een verbod op- 
heffen. 

Saatra (Sk.) letter, boek, heilig 
boek, wichelboek. 

Sastrawan, (Sk.), geletterde, 
iemand die in geheime weten- 
schappen bedreven is, wichelaar, 
astroloog. 

Saté (of Sësate), gebraden of 
geroosterd vleesch, enz. aan 
speetjes gestoken. 

SatlJa, trouw, getrouwheid ; 
SatlJawan, getrouw. 

Sato, (Jav.), dier, beest, wild dier. 

Satoe, een (verk. van Soewatoe, 
dikwtjls nog verkort tot Sa) ; Sa- 
orang voor Satoe orang, een 



mensch, een persoon: Salfth 
satoe, een (onverschillig welk) 
van allen; Koeweh satoe, een 
soort droog gebak. 

Satroe, zie: Sëtëroe. 

Satwa, beest, dier; Mërgasatwa, 
wild dier. 

Saudagar, koopman, groothande- 
laar ; Bërsaudagar, koophandel 
drijven, handelen. 

Sawah (Jav.), rystveld van water 
voorzien, bewaterbaar rijstveld; 
Mënjawah, een sawah bebou- 
wen, beplanten, enz. 

Sawan, stuipen (by kinderen) ; 
Sawan tjeleng of Sawan babi, 
duizeligheid, epilepsie. 

Sawang, roetafzetsel, ook : spinne- 
web, cocon eener spin, enz. 

Sawat of Pësawat, middel—, 
machine om iets in beweging te 
brengen, beweegmiddel, drijfmid- 
del, veer, enz.; Pësawat aaëp, 
stoommachine; Pëaa-wat djan- 
tëra, dryfwiel, dryfrad, dryfriem. 

Sa^^ët (Jav.), band aan het juk van 
een ploeg, ter bevestiging daarvan 
aan of op den nek van het trekdier. 

Sawi (of Sëaawi), Sinapis alba, 
L. Nat. fam. der Cruciferae, de 
witte mosterdplant. 

Sawo, Mimusops kauki, L. Nat. fam. 
der Sapotaceae, groote boom met 
prachtig hout en eetbarevruchten ; 
Sawo manilla, Achras sapota, 
L. met lekkere zoete vruchten 
(sapodilla-pruimen of West-indi- 
^che mispels). 

Sëbab, reden, oorzaak, omdat, om, 
ter wille van, om reden, ter oor- 
zake van, wegens, door toedoen 
van, tengevolge van, enz. ; Bëraë- 
bab, tot reden, tot oorzaak heb- 
ben, enz.; Mënjëbabkën, ver- 
oorzaken, aanleiding geven tot, 
aanleiding zijn tot, enz., ook iets 
als oorzaak opgeven, —tot oor- 
zaak maken van, enz. 

Sëbak, overvol, overvloeiend, boor- 
devol, enz.; Mënjëbak; over iels 



230 



SEBA. 



heen stroomen, enz. (van water, 
enz.). 

Sëbal (of Sëbël) (Jav.), ongelukkig, 
misfortuinlyk, niet kunnen slagen 
in hetgeen men wenscht te 
krflgen. 

Sëbar, uitzaaiing, uitspreiding, uit- 
strooiing ; Mënjëbar, zaaien, uit- 
strooien ; Mënjëbarkën, iets 
ergens op zaaien, —ergens op 
uitstrooien, enz.; Sëbaran, het 
zaaien, het gezaaide. 

Sëbëlah, zie : Bëlah. 

Sëbërang, zie : Sabërang. 

Sëbërot, Mënjëbërot (Jav.), 
kapen, rooven, iets op den loop 
brengen, —loopend iets weg- 
kapen, met een snelle beweging 
iets van iemand afnemen. 

Sëbit, klein afgescheurd stuk, 
stukje, rafel; Mënjëbit, in kleine 
stukjes scheuren, uitrafelen, in 
stukjes uit elkander trekken, enz. 
Dendeng sëbit, een gerecht, 
bestaande uit in kleine stukjes 
gescheurd vleesch, in olie óf 
boter gebakken. 

Sëboet, vermelding; Mënjëboet, 
melden, vermolden, uitspreken, 
uiten, noemen ; Mëcijëboetkën, 
iets vermelden, iets noemen, van 
iets melding maken, iets mtspre- 
ken, iets uiten, enz.; Tërsëboet, 
vermeld; Sëboetan, wat geuit, 
uitgesproken wordt, vermelding, 
uitspraak, prononciatie. 

Sëdang, juist, juist van pas, juist 
goed, niet te groot, niet te klein, 
ook : middelmatig, terwijl, dewfll, 
daar, enz. ; Sëdang besamja, 
juist groot genoeg, juist goed van 
grootte, enz., ook : middelmatig 
groot. 

Sedap (of Sëdëp), lekker, aange- 
naam voor de zintuigen (behalve 
het gezicht), smakelijk, genoege- 
lyk, welriekend, enz.; Mënjë- 
dapkën, een lekkeren, aangena- 
men smaak aan iets geven; Sëdëp 
malëm (ook: Soëndël malëm), 



SEDO. 

Polyanthes tuborosa, L. Nat. fam. 
der AmarylUdeae, een soort van 
witte lelie met sterk riekende 
bloemen. 

Sëdar, zich van iets bewust zijn, 
bewustzijn hebben, tot bewustzijn 
komen, enz. (ook: Mënjëdar); 
Mënjëdari of Mëxijëdarkën, 
iemand tot bewustzijn brengen, 
doen bijkomen, ook waarschuwen, 
op iets wijzen, enz. 

Sëdëkah (Ar.), aalmoezen, ook: 
offermaal, offerande aan de goden, 
biJ alle belangrijke gebeurtenisseji 
in het leven gegeven ; Mënjëdè- 
kahkën, iets als aalmoes, gift, 
enz., geven, iets ten offer brengen, 
als offer aanbieden, enz., ook : voor 
of ten behoeve van iemand een 
offermaal aanrichten, om de goden 
gunstig te stemmen. 

Sedëkala, steeds, immer, altijd, te 
allen tijde, al den tijd, enz. ; Adat 
sedëkala, gewoonte van ouds- 
her, oude gewoonte, enz. 

Sëdërbana,de juiste maat hebbend,' 
het juiste midden houdend ; niet 
te veel, niet te weinig ; precies 
goed, enz. 

Sëdib, bedroefd, treurig, weemoe- 
dig, aangedaan, droevig gestemd 
zijn, spijt, leedwezen, hartzeer 
(hebben). 

Sëdija, zie: Sadija. 

Sëdikit, weinig, een weinig, ^een 
beetje, beetje, kleinigheid; Sëdi- 
kit-sëdikit, b\j beetjes, langzaam 
aan. 

Sëdjak (ook: Sëndjak, Sëmën- 
djak), sedert, sinds, van dien 
^.' tijd af. 

Sëdjoek, koel, frisch, koud, ver- 
koelend, verfrisschend, koude, 
koelte; Kasëdjoekan, kou vat- 
ten, het koud hebben, verkleumd 
zijn, koud geworden. 

Sëdoe, Mëstjëdoe, met kokend, 
heet water begieten, besproeien; 
Mënjëdoe teh, thee zetten. 

Sëdoet, onaangenaam gestemd, 



SEDO. 



SELA. 



231 



verdrietig, aangedaan, uit z\jn 
humeur. 

Sëdot, trek aan een sigaar, enz., 
inademing vaneden rook by het 
rooken; Mënjëdot, by het roe- 
ken den rook inademen, een trek 
doen aan een sigaar, enz. 

Sëgala, al, alle, geheel, gansch; 
Sëgala roepa, alle soorten, al- 
jerlei, enz. ^ 

Sëgar (of Sëgër), frisch, gezond, 
opgewekt, lustig, versch, welig, 
krachtig, verkwikt; Mënjëgar- 
kën, verkwikken, verfrisschen, 
enz. 

Sëgara, zee, oceaan. 

Sëgi, zijde, kant; Bërsëgi, of (ge- 
woonlük) Përsëgi of Pësagi, 
z^den of kanten hebben ; Axnpat 
pesagi of Pësagi, vierzydig, 
vierhoekig, vierkant. 

Sehat (Ar.), ^gezond, gezondheid; 
Mësehatkën, gezond maken. 

Sëhadja, zie : Sahadja. 

Sëhaja, zie: Sahaja. 

Seka, veger, stoffer, stoflap, waar- 
mede men stoft of afveegt, enz.; 
Mënjeka of Seka, afvegen, af- 
stoffen, schoonwrijven, schoon- 
maken, enz., ook met een lap of 
de hand enz. over iets heen- 
strijken. 

Sëkadar (of Sëkëdar), naarmate 
dat. Zie : Këdar. 

Sëkakër, gierig^ inhalig, niet mild, 
(ook: Kikip). 

Sëkalian, al, alle, geheel, gansch, 
allegaar, alles, enz. 

Sëkam, kaf, bolsters van gepelde 
r\jst, enz. 

Sëkarang, nu, op 't oogenblik, 
tegenwoordig, in dezen tyd, enz. 

Sëkati (Jav.), naam van een ga- 
melan. 

Sëkëp, Mënjëkëp, vruchten rijp 
maken, poffen, door ze te broeien 
of onder den grond te stoppen, 
ook een kind in de armen geslo- 
ten houden, om het tegen koude 
te beveiligen, een kind steeds 



binnenshuis houden, enz.; Sëkë- 
pan, wat door broeiing rijp is 
gemaakt. 

Sëkërobi, scheer je weg, schrob 
je weg, maak dat je wegkomt, enz. 

Sëkëroep, schroef. 

Sëk^an, aldus, zoodanig, zooveel, 
enz. Zie onder: E^ian. 

Sëkoetoe, deelgenoot, compagnon, 
lid, maat, handlanger; Përsë- 
koetoe'wan, deelgenootschap, 
maatschappij, compagnieschap, 
enz. ; MëDjëkoetoeï, iemand als 
compagnon helpen, enz. 

Sëkolah^(of Sëkolo), school; Ka- 
pala sëkola, hoofd eener school ; 
Anak sëkola, schoolgaand kind, 
leerhng eener school. 

Sëkongkël (of Sëkongkol), kon- 
kelen, knoeien, helen, knevelen. 

Seksek, houtkevertje, houtmot. 

Sela, ruimte, tusschenruimte tus- 
schen twee voorwerpen, enz. ; 
Sela paha, de lies. 

Sela, zadel. 

Sëlada, salade. 

Sëladang, wilde stier, (verg. 
DJawi). 

Sëladëri, selderij. 

Sëlah, zie: Sela. 

Selak, Mënjelak, op zijde schui- 
ven (bijv. een gordijn, enz.), op- 
schorten (een kleed), oplichten, 
opwerpen, om te zien wat er on- 
der of achter is. 

Sëlaka, zilver (ook: Përak). 

Sëlaloe, voortdurend, gedurig, ge- 
stadig, steeds door, onophoude- 
lijk, enz. 

Sëlam, Mohammedaansch; Orang 
sëlam, Mohammedaan, inlander, 

Sëlam (Mënjëlam), duiken, naar 
iets duiken (ook: Sëloeloep). 

Sëlama, zie: Lama. 

Sëlang, zie : Sela, ook ruimte van 
tijd, tusschentijd, tusschenpoos, 
terwijl, enz.; Mëpjëlang, afwis- 
selend werk verrichten, de eene 
bezigheid met de andere afwis- 



232 



SELA. 



selen, enz., ook tusschen twee 
voorwerpen iets invoegen, etc. 

Sëlangka, sleutelbeen. 

Sëlangkang (of Sëlangkangan), 
de liezen, ook de ruimte tusschen 
de dyen. 

Sëlapoet, dekvlies, netvlies (byv. 
om de hersens), ook : bedekt, ge- 
heel bedekt met (stof bijv.). 

Sëlasa(Hari8ëlasa) (Ar.),Dinsdag; 
Malëm sëlasa, de avond (nacht) 
van Maandag op Dinsdag, Maan- 
jlag avond (—nacht). 

Sëlasar, galerij aan een huis met 
een lageren vloer dan het midden- 
Jiuis. c 

Sëlasi, Ocimum ba'Jilicum, L. nat. 
fam. der Labiatae, heester met 
geneeskrachtige eigenschappen 
en waarvan de slymige zaadjes 
veel met siroop, enz. gebruikt 
worden. 

Sëlat, zeestraat, straat, zeeëngte, 
ook een benaming voor Singa- 
poera; Mënjëlat, door een straat 
varen. 

Sëlatan^ het Zuiden, zuid, zuide- 
Itjk, (ook: Kidoel), Anginsëla- 
tan, zuidenwind. 

Sëlawe (Jav.), vijf en twintig. 

Sëlëboe, onbegrensd, zonder gren- 
zen. 

Sëleder, slordig, slof, liederiyk. 

SëlëmpaDfiT, ongerust, bezorgd, 
bevreesd, bang, ongerust, enz. 
ztjn, vreezen, j)ok : iets niet ver- 
trouwen ; Menjëlëmpangkën, 
iemand bang, ongerust, bezorgd 
maken, gevaarlijk ziJn (bijv. van 
een huis dat op invallen staat), 
gevaar meebrengen, enz. 

Selempang (Jav.), bandelier, schou- 
derband waaraan iets (bijv. een 
sabel) gedragen wordt. enz. 

SëlendacfiT (Jav.), lang, smal schou- 
derdoek, lange sjaal die over den 
schouder gedragen wordt, soms 
ook dient, om er iets in te dragen, 
dan wel als borstkleed. 

Sëlendro(Jav.),een soort gamelan. 



SELO. 

Sëiëpa (Soend.), metalen doosje of 
busje dat men bij zich draagt en 
waarin tabak enz. bewaard wordt» 
ook sigarenkoker of beteldoosje 
van gevlochten matwerk, (ook: 
Sëlëpi). 

Sëlësai, (of Sëlëse, ook : Sëlësih), 
uitgemaakt, beslecht, ontward^ 
geschikt, vereffend, in orde, afge- 
daan, klaar, enz. ; Mënjëlësai- 
kën, uitmaken, beslechten, ont- 
warren, schikken, vereffenen, in 
orde brengen, afdoen, enz. 

Sëlidik, Mënjëlidik, nauwkeurig 
j)nderzoeken, zie: Sidik. 

Sëli^, korte werpspies, speer ; 
Menjëligi, met een speer werpen, 
een speer naar iets werpen. 

Sëlimoet, dek, dekkleed, mantel, 
deken, beddedeken;Bërsëli]uoet, 
Bërsëlimoetan, zich dekken, 
—bedekken, onder een deken lig- 
gen, een dekkleed of mantel ge- 
bruiken, enz.;MëDjëlimoetken 
iets of iemand toedekken, met 
een deken of mantel dekken, enz. 

Sëlimpët, Mënjëlimpët, een slip- 
per maken, stilletjes weggaan, 
zich heimelijk verwijderen. 

Sëling, zie : Sëlang. 

Sëlioe (Elasëlioe), verzwikt, den 
voet verzwikken, met den voet 
uitglijden, en dien verstuiken. 

Sëlir, bijwijf, bijzit. 

Sëlisik, Mënjëlisik, zoeken, uit- 
pluizen, ook : luizen, naar luizen 
zoeken en de veeren glad strijken, 
(van vogels). 

Sëlit, geklemd tusschen twee voor- 
werpen (bijv. een këris tusschen 
den gordelband en het lijf); Më- 
xijëlit, tusschen twee voorwerpen 
geklemd zitten (bijv. een stuk 
vleesch tusschen de tanden). 

Sëloear, (ook : Sëroewal en TJë- 
Jana), broek, lange broek. 

Sëloekoet (Bandj.), lichte laaie^ 
groote brand waarbij de vlammen 
hoog uitslaan; Menjëloekoet, 
in vlammen opgaan(doen opgaan). 



SELO. 



SEMB. 



23a 



in lichte laaie staan (doen staan). 

Sëloeloep, zie: Sëlam (Mëxijëlam). 

Sëloembat, aangepunt stuk hout 
of metaal tot het schillen van 
een kokosnoot; Mënjëloembat, 
een kokosnoot met zulk een voor- 
werp schillen. 

Sëloemoe, (ook : Saroeng oelër), 
afgeworpen slangenhuid. 

Sèloeroeh, geheel, gansch; Sëloe- 
roeh toeboeh, het geheele 
Hchaam. 

Sëloewar, zie: Sëloear. 

Sëloka, vers. 

Sèlokan, goot, sloot, waterleiding. 

Sëlompret, trompet; Mënjëloxn- 
j}ret, op de trompet blazen. 

Selongaong, (ook: Bëlongsong), 
peperhuisje, omhulsel van iets, 
enz. 

Sëmasëma (of: Sëlësëma), ver- 
koudheid. 

Sëmadja, alleen, enkel, slechts. 

Sëmajam, Bërsëmajam, zich 
ergens bevinden, ergens bleven, 
verbleven, zich ergens vestigen, 
enz. 

Sëmak, ruigte, struikgewas, ruig, 
dicht begroeid, wild, wildernis. 

Sëmamboe, Daemonorops grandis 
Griff, nat. fam. der Palmae, een 
groote en zeer gezochte rotting- 
soort. 

Sëmangka, Citrullus edulis, Spach, 
nat. fam. der Cucurbitaceae, de 
bekende groote watermeloen. 

Sëmantara, onderwyl, ondertus- 
schen,intusschen,enz.,zieAntara. 

Sëmbah (Jav.), eerbiedige groet 
door de tegen elkander aange- 
drukte handen ter hoogte van het 
voorhoofd op te heffen met de 
duimen tegen den neus aan ; 
MëDjëmbiüi, op bovenbedoelde 
wtjze groeten, aanbidden, huldi- 
gen ; Mënjëmbahkën en Mëm- 
përsëmbahkën, iets eerbiedig 
(van een sëmbah vergezeld) zeg- 
gen, melden, rapporteeren, aan- 
bieden, overreiken, enz.; Përsëm- 



baban, wat onder het maken van 
een sëmbah wordt gezegd, mede- 
gedeeld, aangeboden, enz., mede- 
deeling, bericht, geschenk, enz. 

Sëmbahjang: (meestSëmbaJang), 
vereering, aanbidding der godheid, 
gebed; Bërsëmbahjang, Më- 
njëmbabjang, bidden, een gebed 
uitspreken, de godheid aanMdden, 
enz.; ^Mëójëmbahjangkën of 
Mënjëmbajangi, voor iemand 
bidden, hij een lyk bidden, enz- 

Sëmbarang, elk, ieder, onverschil- 
lig welk of wie; Sëmbarcmgan, 
onverschillig zyn ; Mënjëmba- 
rangkën, iets of iemand met 
onverschilligheid behandelen, ten 
opzichte van iets of iemand on- 
verschillig z\jn. 

Sëmbari (Bat.), tegeiykertjjd iets 
(met iets anders) doen; Bemja- 
Dji sëmbari bërdjalan, onder 
het loopen (tegelyk) zingen. 

Sembat, Mënjembat, onder het 
voorbijgaan iets snel grypen^ 
■—pakken, —meenemen, enz. 

Sëmbëleh, MëDjëmbëleh, slach- 
ten, den strot doorsnijden. 

Sëmben (Jav.), bjjwerk, tydverdryf, 
tijdkorting; Pakërdjaëu sëm- 
ben, een werk, dat men uit tydver- 
jlr\jf verricht. 

Sëmber, onzuiver, onaangenaam 
trillend geluid, als btjv. van een 
gebarsten bekken, wanneer men 
er op slaat. 

Sëmbërani, een mythisch, gevleu- 
geld paard. 

Sembilan, negen ; Sëmbilan 
poeloeh, negentig ; Sëmbilaa 
ratoes, negen honderd. 

Sëmbodja, Plumeria acutifolia,. 
Poir. nat. fam. der Apocyneae, 
boom met schoone, geurige bloe- 
men, veel op begraafplaatsen 
aangeplant. 

Sëmboeh, genezen, hersteld,weder 
gezond; Mënjëmboehkën, ge- 
nezen, gezond maken. 

Sëmboeng, Conyza macrophylla» 



234 



SEMB. 



SEND. 



BI. nat. fam. der Compositae, een 
heester met geneeskrachtige 
eigenschappen. 

Sëmboeni (of Sëmboenji), ver- 
borgen; Bèrsëmboeni, zich ver- 
bergen, —verschuilen, zich ver- 
borgen houden (ook: MeDJëm- 
boeni); Mënjëmboenikën, iets 
of iemand verbergen, verschuilen, 
iemand een schuilplaats verlee- 
nen, iets achterbaks houden, enz. 

Sèmboep, bol, onnatuurlyk vol, 
gezwollen (van een gelaat). 

Semboer,Mëiijëmboer, spuiten, 
uitspuiten, bespuiten, spuwen, 
bespuwen (met water of medi- 
cament, zooals de inlanders doen). 

Sëmboejan, sein, teeken, signaal, 
wachtwoord, enz. 

Sëmboerit, Mënjëmboerit, pae- 
X/ derastie bedrijven. 

Sëmi (Jav.), jonge loot, jong takje, 
boomknop, enz. ; Bërsëmi, jonge 
loten hebben, jonge loten krtjgen, 
uitbotten. 

Sëmoe (Jav.), sch^n, bedrog, enz., 
ook : — achtig ; Semoe koening, 
geelachtig, min of meer geel, 
een gelen schyn hebben. 

Sëmoedra, zie: Samoedra. 

Sëmoeka (of Samoeka), eender 
van gelaat. Zie: Moeka. 

Sëmoet, mier; Sëmoetan of Ka- 
sëmoetan, inwendige tinteling 
der ledematen, het slapen der 
ledematen. 

43ëmoewa, zie: Samoewa. 

Sëmpal (Jav.), afgebroken, doch ge- 
deelteiyk nog vastzittend (byv.van 
een boomtak, die hangen biyft), 
geknakt (zyn). 

Sëmpana) gezegend, gelukaanbren- 
gend. 

Sëmpat, den t\jd tot iets hebben, 
gelegen komen, convenieeren, ge- 
schikte tyd. 

SëmpêroDfiT^ holle cylinder, open 
koker, kort blaaspijpje, waarmede 
het vuur in de keuken wordt 
aangeblazen, enz.; Sëmpërong 



Jampoe, lampeglas. 

Sëmpërot, spuit, lavementspuit, 
klisteer; Mënjëmpërot, spuiten, 
inspuiten, bespuiten, ook uitspui- 
ten, met kracht uit iets spuiten ; 
Mënjëmpërotkën, iemand of 
iets bespuiten, met het een of 
ander tegen iets aanspuiten, doen 
spuiten, enz. 

Sëxnpit, nauw, eng, bekrompen, 
smal, niet ruim, weinig ruimte 
aanbiedend. 

Sëmpok, Mënjëmpok, in het 
voorbygaan tegen iets aankomen, 
— aanstooten, enz. 

Sëmpoma, zie: Sampoema. 

Sen, cent. 

Sënak (of Sënëk), een drukkend, 
benauwd, mislyk gevoel in de 
maag (hebben). 

Senang (of Sënëng), kalm, tevre- 
den, rustig, gerust, op zyn gemak, 
vergenoegd. 

Sënant^asa, steeds, voortdurend, 
aldoor, altyd. 

Sënapan, geweer, snaphaan. 

Senapati (Jav.), legerhoofd, leger- 
aanvoerder. 

Sëndal, ruk naar boven, ruk^in 
opwaartsche richting; Mënjën- 
dal, met een ruk naar boven 
halen, met een ruk optrekken, enz. 

Sëndang, natuurlyke waterkom 
om een bron ofwel, —bron, wel. 

Sëndat,bekneld,beklemd,benauwd, 
verstopt (zyn). 

Sëndawa, salpeter, ook buskruit. 

Sender, zie: Sandar. 

Sëndi, gewricht, geleding, schar- 
nier, enz. 

Sëndiri, zelf, persoonlijk, alleen, 
eigen; Anak sëndiri, eigen kind; 
Ss^a sëndiri, ikzelf; Sëndirian, 
alleen, alleenig, zonder iemand 
anders er bij, enz. 

Sëndjata, wapen, ook geweer, 
vuurwapen, (Sëndjata bëdil, 
Sëndjata api); Bërsëndjata, 
gewapend zijn, ook met een ge- 
weer schieten ; Mënjëndjata, 



SEND. 

^chieten, met een geweer schieten. 

Sëndoe, bedroefd, treurig, wee- 
moedig. 

Sendok, lepel, potlepel, schepper 
ook troffel van een metselaar, al 
wat dient om te scheppen; 
Mënjendok, scheppen, met een 
lepel, enz. scheppen. 

Sënen (Jav.), (of Itsnain), Hari 
Sënen, Maandag, de tweede dag 
der week. 

Sëngadja, opzettelyk, met opzet, 
opzet, wil, voornemen, plan ; 
Mënjëngradja of Bërsëngradja, 
iets opzettelijk doen, —met opzet 
doen, enz., opzettelyk voornemens 
ztjn. 

Sëngal, stram, styf, pijnlek (van 
de ledematen). 

Sengget, Mëxijengget, iets dat 
hoog hangt, met een langen stok 
er af halen, —afhaken, —met 
een haak, enz. aflichten, plukken, 
enz. (bijv. vruchten van een boom); 
Sengget ook een putwip, (Seng- 
getan soemoer). 

Sënggoek (of Sënggoet), Bër- 
sënggoek, knikkebollen. 

Senggol, Mënjenggol, iets of 
iemand tegen het lijf loopen of 
stoeten, even aanraken. 

Senggot, zie: Sengget. 

Sëngkak, Mëxijëngkak, druk- 
kende, plotseling een duw op- 
waarts geven (bijv. den buik). 

Sengkel, Bërsengkelan apa apa, 
iets bijzonders uitvoeren, doen, 
enz. 

Sengkëlek, (van een arm of been) 
gebroken en er los of slap biJ 
hangend, zoodat er niets mede 
gedaan kan worden, zie ook: 
Bngkëlek. 

Sëngkëlit, lis of lus aan de voe- 
ten bö het beklimmen van boo- 

Sëni, fijn, dun ; Ajër sëni of Sëni, 
j)is, urine; Bërsëni, urineeren. 

Senjar, het tintelend gevoel in 
den arm bijv. wanneer men den 



SEPI. 



235 



elleboog ergens tegen stoot. 

Sënjoem, ghmlach; Bërsënjoem, 
glimlachen (ook : Mesëm). 

Sënoenoeh, betamelijk, behooriyk, 
gepast; Tiada sënoenoeh; on- 
gepast, onbetamelijk. 

Sëntak, ruk aan iets, ook : snauw, 
bits woord, enz.; Mënjëntak, 
rukken, trekken, met een ruk 
trekken, enz., ook: snauwen, toe- 
snauwen, bits en grof aanspre- 
ken, enz.; Mënjëntakkën, iets 
wegrukken, —met een ruk weg- 
trekken, enz., ook: iemand toe- 
snauwen, enz. 

Sëntiasa, zie: Sënantjjasa. 

Sëntil, zie: Djëntil en Tjëntil. 

Sëntiong, Chineesch kerkhof, 
Chineesche begraafplaats. 

Sëntosa(of Sëntausa, Santausa), 
rust, vrede, veiUgheid, veilig, 
vredig, rustig, gerust; Kasan- 
tosan, vrede, rust; Bërsëntosa, 
in vrede zijn, rustig zijn, veiUg 
zijn. 

Sëpah, betelkauwsel, uitgekauwde ^' 
betelpruim. 

Sepak, trap met den voet of poot, 
achterwaarts of ter zijde; 
Mënjepak, op die wijze trap- 
pen of slaan; Sepak-raga, voet- 
balspel. 

Sëpandri, infanterist 1^ klas. 

Sëpat (of Sëpët), wrang, bitter 
samentrekkend ; Ikan sëpat, 
gedroogde, gezouten visch, die 
veel wordt ingevoerd. 

Sëpatoe, schoen, laars, bottine, 
ook : schoen aan een rijtuig, enz.; 
Sëpatoe koelit, lederen schoen, 
enz.; Sëpatoe kaïn, ^stoffen 
schoen; Toekang sëpatoe, 
schoenmaker; Toko sëpatoe, 
schoenwinkel. 

Sëpërai, sprei, beddelaken. 

Sëpi, eenzaam, stil, kalm, verlaten, 
ledig, bedaard; Tëmpat sëpi, 
een eenzame, verlaten plaats. 

Sëpit, (zie ook: Sëmpit), tang, 
tangetje, wat als zoodanig dient; 



236 



SEPO. 



Mënjëpit of Mëndjëpit, met 

een tang grepen, knypen, knellen. 

Sëpoeh (Jay.), oud; Mënjëpoeh, 
metaal harden, aan goud of zilver 
een donkeren glans geven, ver- 
gulden, verzilveren, enz.; Pënjë- 
poeh, bad, waarin men metaal 
dompelt om het te harden, enz. 

Sëpoet, dof van kleur; — ook: 
spoed (op dienstbrieven, enz.). 

Sëpon, spons. 

Serah, overgave; Mëpjërahkên, 
overgeven, overhandigen, toever- 
trouwen, iets aan iemand over- 
laten, overleveren. 

Sërai (of Sëreh), een welriekende 
grassoort veel in de inlandsche 
keuken en geneeskunde gebruikt. 

Sëraja, terwyl, tevens, enz. 

Sërak, schor, schor z\jn, heesch 
zyn, ook benaming van een 
nachtvogel. 

Sëraka (of Sërakah), inhalig, 
hebzuchtig, moeilyk te voldoen, 
lastig. 

Sëram, zich samentrekken (door 
koude), staan, te berge ryzen 
(der haren), kippevel krygen. 

Serambah, Menjërambahkën, 
gelijkgesteld worden aan, verge- 
jeken worden met, enz. 

Sërambi, galerij, voorportaal, stoep. 

SërampangT) een soort van vork 
of harpoen, om te steken of te 
werpen; Mënjërampang, met 
een Sërampang steken of wer- 
pen, ook in 't algemeen met 
iets langwerpigs (een stuk hout, 
enz.) werpen. 

Sërang, stuurman aan boord van 
een inlandsch vaartuig, ook : 
verwoede aanval; Mëijërang, 
aanvallen, aantasten, bestormen, 
overvallen. 

Sërani, Christen, inlandsch^ Chris- 
ten, Masoek sërani, Christen 
worden; Mënjëranikën, als 
Christen doopen, in de Christelijke 
leer opnemen. 

Sërba, al, allerlei, geheel, compleet, 



SERE. 

geraad, enz.; Sërba djënis, 
.allerlei soort, allerlei; Sërba 
roemah, huisraad.^ 

Sërban (Ar.), (ook : Dëstar en Sor- 
ban), tulband. 

Sërbat, sorbet, een soort kruiden- 
drank. 

Sërbet, servet; Gelang sërbet^ 
jiervetring. 

Sërboek, poeder, pulver, stof, 
gruis; Mënjërboek, vermalen, 
tot poeder malen, —stampen, enz, 

Sërdadoe (of Soldadoe), soldaat; 
Sërdadoe sëpandri, infanterist 
der ie klasse; Sërdadoe kam- 
plr, geëmployeerd soldaat, d. i. 
een, die met byzondere diensten 
is belast, byv. schoenpoetsen en 
dergeiyk werk meer. 

Sërean, sergeant, ook benaming 
voor een ondergeschikt politie- 
beambte. 

Sërempet, Mënjërempet, rake- 
lings langs iets gaan, (byv. van 
een vaartuig langs den oever 
eener rivier, enz. 

Sërëng (Sërëngan), misnoegd, 
vertoord, boos, in hooge mate 
j)ntstemd (zyn). 

Sërengat, zie: SJariat. 

Sërënta (ook: Sërta), met, tevens, 
benevens, zoodra. Zie verder: 
Sërta. 

Sërëp(Jav.),kennis,bekendheid,enz; 
Mënjërëpin of Mënjërëpkën, 
iemand omtrent iets uithooren, 
in het geheim of langs omwegen 
enz, achter iets trachten te ko- 
men, in 't geheim een onderzoek 
naar iets instellen, enz. 

Sëresah, stof, vuil, rafels, afval, 
kruimel, enz. 

Seret, sleep, ook de vergulde stre- 
pen op de zonneschermen van 
inlandsche groeten en hoofden; 
Mënjeret, sleepen, meesleepen, 
achterna sleepen, sleuren, mee- 
sleuren. 

Sëret (Jav.), trek aan een sigaar of 
pijp ; Mënjeret, rooken, inzender- 



SERG. 



SETA. 



237 



heid amfioen rooken, amfioen 
schuiven, enz. 

Sërgah, door verschrikken plotse- 
ling doen stilstaan ; Marika itoe 
mënjërgah kidjang:, die lieden 
hebben dwergherten in hunne 
vlucht gestuit (door ze aan 't 
schrikken te brengen, enz.). 

Bërgap, Mënjërgap, iemand 
overvallen, onverwachts by 
iemand komen (ook: Përgok- 
Mërgrokkën). 

Seri, geiyk op, kamp op, geiyk. 

Seri, glans, luister, heerlijkheid, 
ook geplaatst voor vorstelijke 
namen en titels. 

Sër^awan, spruw, scheurbuik. 

Sërikaja, Anona squamosa, L. nat. 
fam. der Anonaceae, middelmatige 
boom met zoete, gezonde vruch- 
ten, ook de naam van^een soort 
inlandsch gebaksaus; Këtan sëri- 
kaja, kleefrijst metbedoelde saus. 

Sërindit, kleine, groene parkiet. 

Sering (ook: Sëring-sëring, Së- 
ring-kali), dikwerf, dikwjjls, her- 
haaldelijk, keer op keer, meer- 
malen. 

Sërit, ftjne haarkam (voornamelijk 
dienende om het vuil enz. uit de 
haren te verwijderen). 

Sërkoep, stolp. 

Sero, bamboezen staketseHn zee 
om visch te vangen; Mënjero, 
visch in zulk een staketsel vangen. 

Serod, Mëx^erod, glijden, afglij- 
den over iets zachts of glads, enz. ; 
Mënjerodin of Mënjerodkën, 
iets laten afglijden, langs een 
helling neerlaten, te water laten 
Jvan een schip, enz.). 

Sëroe, hard, luid (van een geroep, 
enz.); Bërsëroe, hard, luid roe- 
pen, leven maken, enz.; Mënjë- 
roe, iemand luid roepen, aanroe- 
pen, enz. 

Seroendeng, een toesp^sbij derijst. 

Sëroet, schaaf; Mënjeroet, scha- 
ven. 

Sëroetoe, sigaar. 



Seroewal, zie: Sëloear. 

Serok, schepper, ookj kleine inham 
of baai, enz.; Mënjerok, iets 
scheppen, met een schepper op- 
halen, enz. 

Sërombong (Jav.), cylinder van 
gevlochten bamboe, dienende om 
pas geplante of jonge boomen 
tegen beschadiging te beveiligen, 
of om, gevuld met groote steenen, 
een dam enz. te vomien. 

Serong, schuin, scheef; Mënje- 
rong, schuin gaan, scheef gaan, 
van de rechte richting afwijken. 

Sërta, met, benevens, mede, en, 
zoodra; Bësërta, met, beneyens, 
medegaan,vergezellen;Mënjërta, 
samendoen; Mënjërtal, samen 
met iemand zijn, iemand verge- 
zellen, met iets samen doen, aan 
iets deelnemen; Mënjërtakën, 
doen vergezeld gaan, medegeven, 
bijvoegen enz. 

Sësak (of Sësëk), nauw, eng, ge- 
drongen, beklemd, overvol, in het 
nauw; Mënjësakkën, benauwen, 
benauwd maken, overvol maken, 
alle ruimten innemen, enz. 

Sësal ^f Sësël), spijt, berouw; 
Mënjesal, spijt hebben, berouw 
gevoelen, berouw aan den dag 
leggen, enz.; Mënjësalkën, doen 
berouw hebben, doen spijten, enz. 

Sësap (of Sësëp), Mënjësap, er- 
gens onder kruipen, zich ergens 
onder verschuilen, enz. (zooals 
bijv. een slang onder een hoop 
vuilnis). 

Sësat, verdwaald, verdwalen ; Më- 
njësatkën, doen verdwalen. 

Sëtabëlan, artillerie, vesting-artil- 
lerie ; Orang sëtabëlan, artille- 
rist ; Sëtabëlan sëtringan, veld- 
artillerie; Sëtabëlan sëtiloor 
berg-artillerie. 

Sëtal, stal. 

Sëtamboel, Constantinopel. 

Setan (of Sjaitan), duivel, satan, 
geest, spook; Roemah setan, 
vrijmetselaarsloge. 



238 



SETA. 



SIKS. 



Sëtangan, doek, zakdoek; Sëta- 
ngan kapala, hoofddoek. Zie 
verder: Sapoe. 

Sëtanggi (of Istanggi), wierook. 

Seteng, puistje (strontje) aan het 
oog. 

Sëtëroe, vyand, persoonlijke vyand; 
Bërsètëroe, een vyand hebben, 
met een ander in vijandschap 
leven; Mënjëtëroel, iemand vy- 
andig zyn, —als een v^and be- 
schouwen, —behandelen: Për- 
sëtërpean, vjjandschap; Mëm- 
përsëtëroekën, iemand tot v\j- 
and maken. 

Sët^a, zie : Satjja. 

Sëtinggi, gording, geitouw. 

Sëti^^ël, s te vel, laars. 

Sëtolop, stolp» lampestolp. 

Sëtop, stoof, gestoofd gerecht. 

Sëtori, ruzie, onaangenaamheden, 
geschil, lawaai, enz. ; Bërsëtori, 
ruzie krijgen of maken, enz. 

Sëtreng, streng (aan een tuig voor 
een rytuig, kanon, enz.); Oracg 
sëtrengan, stukr^jder. 

Sewa, huur, pacht, huurpenningen^ 
pachtgeld; Mënje'wa, huren, 
pachten; Mënje'wakën, verhu- 
ren, verpachten, in huur geven 
enz.; Kareta sewa, huurrytuig, 
huurwagen; Roemah sewa, 
huurhuis ; Sewa roemah, huis 
huur; Përsewa&n, verhuurder^ 
(van rijtuigen, enz.)» ook: ver- 
huring, verpachting. 

Si, voorvoegsel voor eigennamen, 
enz., of: by een vraag: toch; Si 
Sidin, die (de bedoelde) Sidin; 
Apa si, wat toch? 

Sia (of Sia-sia), ödel, onnut, ver- 
geefs; Mënjia-Djia, met onver- 
schilligheid behandelen; Mënjia- 
njiaken, iets met onverschiUig- 
heid behandelen, —als onnut be- 
schouwen. 

Sial, ongelukkig in ondernemingen, 
enz., tegenspoed, tegenloopen, 
enz.; Sial dangkal, een echte 
ongeluksvogel, zeer ongelukkig 



in alles. 

Siang, dag^ daglicht, helder; Si- 
ang xnalëm, dag en nacht ; Ka- 
siangan, te laat op den dag,. 
y door den dag overvallen. 

Siapa, wie? Barang siapa, al 
wie, wie ook. 

Siar, Mënjiar, de voegen van 
iets aanstrijken, soldeeren, enz., 
ook: verspreid, verspreiden. 

Siasat, straf, lijfsdwang. 

Sidang, vergadering, bijeenkomst 
(vooral in de moskee). 

Sidik (ook: Sëlidik), nauwkeurig 
onderzoek; Mënjidik, Mênjëli- 
dik, onderzoeken, nauwkeurig 
onderzoeken, naspeuren, door- 
snuffelen, enz. 

Sifat (Ar.) (of Sipat), hoedanigheid, 
eigenschap. 

Sigar (Jav.), gespleten, in twee stuk- 
ken, ook: halve duit of halve cent 
(ook Peser). 

Sigëra, snel, vlug, spoedig, haas- 
tig, gezwind, onverwijld, dadelijk, 
enz.; Bërsigëra, ^zich haasten» 
spoed maken; Mënjigërakën, 
bespoedigen; Dëngan sigëra, 
met spoed, dadelijk, onmiddellijk. 

Sihat (Ar.) (of Sehat), volkomen ge- 
zond, welvarend, enz. welstand, 
welvaren. 

Sikap, postuur, gestalte, houding^ 

Sikat, kam, schuier, borstel; Si- 
kat ramboet, haarkam; Sikat 
sëpatoe, schoenborstel; Mënji- 
kat, kammen, uitkammen, bor- 
stelen, schuieren; Mënjikati, 
iets kammen, —borstelen, —schui- 
eren. 

Sikëp (Badjoe sikëp), nauwslui- 
tend buisje. 

Sikoe, elleboog, winkelhaak, hoek ; 
Sikoe-sikoe, kromhouten in een 
vaartuig, ook een ijzeren wapen- 
tuig ter lengte van een elleboog, 
en dat by het gebruik ook daar- 
tegen wordt gehouden. 

Siksa, straf, kastijding, pijniging, 
enz. ; Mënjiksakën, straffen » 



SILA. 



siNa. 



239 



kastijden, ^pijnigen, martelen. 

Sila, (Jav.) Bërsila, met de beenen 
onder het lyf gekruist zitten, 
zitten op de onder het lyf ge- 
kruiste^beenen. 

Silat, Bërsilat, Mënjilat, op z^jn 
inlandsch vechten of schermen, 
waarby zoowel handen als voeten 
dienst doen. 

Silau (of Silo), schemerend, ver- 
blind (van de oogen door het licht). 

Silir, zacht (van wind); Angin 
siliran, een zacht windje, zephyr. 

Siloe, aangedaan, geroerd, getrof- 
fen. 

Siloeman, geesten die zich in 
allerlei vormen vertoonen. - 

Silsilah, keten, serie, geslachtsiyst, 
geslachtsHnie. 

Simbar, een parasietplant, enz. 

Simpai (of Simpe), hoepel, beugel, 
band, ring om iets heen (b^v. om 
een vat). 

Simpan, Mënjimpan, bewaren, 
bergen, opbergen, wegleggen, in 
voorraad hebben of houden, op 
z\jde leggen, opleggen tot voor- 
raad, enz.; Simpanan, wat be- 
waard, opgeborgen, weggelegd, 
opgespaard, in voorraad gehou- 
den is, enz. 

Simpang, ter zjjde, afwekend van 
de rechte richting; Mënjimpang:, 
een zflweg inslaan, op zyde gaan, 
van de rechte richting afweken, 
enz., ook (b\j het afleggen van 
een verklaring, enz.): van het 
onderwerp afwyken, enz.; Më- 
Djimpangkën, iets terzijde bren- 
gen, —op zyde doen gaan, —een 
zijweg doen inslaan, enz. 

Simpat (Bat.) (Kasimpatan), iets 
in het verkeerde keelgat krygen, 
zich verslikken, enz. 

Simpir, de vleugels laten hangen 
(bijv. van vogels die ziek zfln). 

Simpoel, haarwrong, knoop in iets 
(bijv. een zakdoek); Simpoel 
mati, vaste knoop; Simpoel, 
idoep, schuifknoop. 



Sinar, straal, lichtstraal, schijn^ 
Sinar matahari, zonnestraal; 
Bërsinar, stralen, licht uitstra- 
len, glinsteren, flikkeren, flonke- 
ren, (bijv. van sterren); Sinar- 
tërang, dageraad. 

Sindir, zinspeling, bespotting, (ook r 
Sindiran), Bërsindir of Me- 
njindir,zinspelenop,stekenj)nder 
water geven; MëDjindirkën, op 
iemand zinspelen, iemand een 
steek onder water geven, bespot- 
ten, enz., glossen op iemand 
maken. 

Singa, leeuw; Radja singa, sy- 
philis, chancre. 

Singgah, Bërsinggah, ergens 
aangaan, aanleggen, aanwippen, 
een plaats aandoen, ergens tijde- 
lijk komen of vertoeven; Më- 
Djinggahi,bij iets aanleggen,enz.j 
Mënjinggahkën, iemand doen 
aangaan, —verzoeken aan te ko- 
men, enz.; Përsinggahan, pleis- 
terplaats. 

Singgang (Jav.), jonge riJsthalmen^ 
die na den oogst te voorschijn 
komen, of uitspruiten. 

Singgasana, troon, verheven zit- 
plaats. 

Singgat (Jav.) (of Bëlatoeng)^ 
wormachtige larven van vliegen, 
enz. in rottend vuil, enz. 

Singit, hellend, niet loodrecht, op- 
zijde liggen, scheef staan, aaa 
een kant zwaarder, enz. 

Singkap, opgelicht, weggeschoven^ 
opgeslagen, geopend (bijv. van 
een gordijn, enz.); Mënjingkap, 
Mënjingkapkën, iets oplichten, 
openen, openslaan, wegschuiven, 
enz. (om te zien wat er in of 
achter zit, dan wel om er door 
te gaan, enz.). 

Singke, volbloed Chinees, pas 
uit China aangekomen Chinees. 

Singkir, Mënjingkir, op zijda 
gaan, uit den weg gaan; Më- 
njingkirkën, op zijde zetten, op- 
bergen, bergen, aan kant zetten» 



240 



SING. 



SITO. 



Singsat, opgeschort, opgebonden, 
nauw aangehaald, enz. (van klee- 
b' ding). 

^ Sini, hier (ook: dl sini), hier ter 
plaatse. 

Sioeman, zich van iets bewust 
(zijn), bil zinnen, by zfln verstand, 
nuchter (zfln), bijgekomen (uit 
een bezwijming, enz.). 

Sioeng, (Jav.), slagtand. 
^' Sipat, lijn, streep, regel, rechte 
richting, enz.; Tall sipat, richt- 
snoer, timmermansli^n ; Sipat 
gantoengr, schietlood; Sipat 
mata, verf voor de oogleden; 
Mënjipat, met een lijn een streep 
maken, enz. ook meten, afmeten, 
richten, enz. 

Sipit, fijngespleten, niet wijd-open 
(van de oogen zooals die der 
Chinoezen). 

Sipoet, in het algemeen voor 
schelpdier, schelp, mossel, aüe- 
kruik, slak, enz. 

Siram, Mëxijiram, sproeien, be- 
sproeien, begieten; Mënjiranü, 
iets begieten, -^besproeien ; Më- 
Djiramkën, iets over iets heen 
gieten, —op iets gieten; Bërsi- 
ram, een bad nemen, baden (door 
het water over het lyf te gieten) ; 
Siraman of Panjiraman, gieter, 
gietemmer. 

Sirap, houten dakpan; Roemah 
sirap, een huis met houten dak- 
pannen gedekt. 

Sirat, Mënjirat, knoopen, samen- 
binden, breien, rijgen, enz. ook: 
een web maken (van spinnen). 

Sirat, straaltje van het een of 
ander vocht; Mënjiratkën, iets 
8prenkelen,iets besprenkelen, met 
het een of ander vocht sprenkelen. 

Sirëp (Jav.), stil, doodstil, ook : too- 
vermiddel om al wat levend is en 
in den omtrek gevonden wordt, 
in slaap te doen vallen of 
machteloos te maken; Mënjirëp, 
zulk een middel gebruiken; Me- 
Bjirëpkën, iemand door zulk een 



middel in slaap doen vallen of 
machteloos maken, enz. 

Sirih, Chavica betle, Miq. nat. fam. 
der Piperaceae, de betelplant, 
waarvan vele soorten bestaan; 
Tëmpat sirih, beteldoos; Ma- 
kan sirih, betel kauwen; Oe- 
wang sirih, fooi, geld om 
betel te koopen; Sirih masak, 
klaargemaakte betelpruim, be- 
staande uit twee a drie sirih- 
bladeren, waarover watgeblusch- 
te kalk gestreken is, een stuk 
gambir, een stuk pinang-noot, 
en een pruim tabak. 

Sisa, rest, restant, overblijfsel, over- 
schot, kliekje; Mënjisakën, iets 
voor een ander, enz. laten over- 
schieten, resten, enz. 

Sisi, zijde, kant, flank. 

Sisik, schub, vischschub, ook schub- 
big vuil op het lichaam, schilferig 
huiduitslag, enz.; en tabakspruim, 
waarmede de sirih-kauwer de 
tanden en lippen schoonmaakt, 
Bërsisik, schubben hebben, 
schubbig, geschubd zijn; Mënji- 
sik, schubben, afschubben, de 
schubben afkrabben, enz., ook: 
met een tabakspruim over de 
tanden of lippen wrijven. 

Sisip, tusschen twee voorwerpen 
gekneld, enz.; Mënjisip, tusschen 
twee voorwerpen gekneld zitten, 
vastzitten, enz.; Mënjisipkën, 
iets ergens tusschen steken, tus- 
schen twee voorwerpen in steken, 
knellen, enz. 

Sisir, kam (zoowel voor het hoofd, 
als voor het weefgetouw, enz.), 
ook; kamvormjg onderdeel van 
een tros pisangs; Mënjisii^) 
kammen, uitkammen; Pasisir, 
strand, kust. 

Sita, dagvaarden, dagvaarding; 
Soerat sita^ schriftelijke dag- 
vaarding, exploit; Mënjita, dag- 
vaarden, voor het gerecht dagen, 
enz. 

Sitoe (Di sitoe), daar ginds, daar 






al&. 



SITO. 

ter plaatse ; Ka sitoe, daarheen ; 
Dari sitoe, daar van daan, van 
daar. 

Sitoe (Soend.) (of Setoe), kom, 
vijver,kleiin meertje, gevormd door 
de Indyking van een riviertje, enz. 

Si-walan, vrucht van den Lontar- 
palm (Borassus flabelliformis, L. 
Nat. fam. der Palmae), ook voor 
den palm zelf gebruikt. 

Siwoer (Jav.), schepper, water- 
schepper (van den harden dop 
eener kokosnoot, blik, enz.), in 't 
algemeen, wat dient of gebruikt 
wordt, om water enz. te scheppen. 

Sjaban (Ar.) (of Saban, ook : Roe- 
wah of Arwah], de 8e maand, 
van het Mohammedaansche jaar. 

SJadjarah (of Sëdjarah),geslacht- 
l^st, geslachtboom, stamboom. 

Sjah, vorst. 

SJahadan (Ar.), voorts, verder, 
en, ook. 

Sjahadat (Ar.), getuigenis, belijde- 
nis, het geloofsformulier der 
Mohammedanen ; La ilaha illa 
Allah wa Mohammad rasoel 
Allah, er is geen god dan Allah 
en Mohammad is z^n gezant. 

Sjahbandar, havenmeester, hoofd 
der koopheden. 

Sjahwat (Ar.)(of Sahwat), begeer- 
te, lust (voornamelijk tot den 
bijslaap). 

SJaich (of Sech) (Ar.), adellijke Ara- 
bische titel, inzonderheid voor af- 
stammelingen van Mohammed's 
sahabat's. 

SJaJr, dichter, poëzie, gedicht, lied. 

Sjaitan, zie: Setan. 

Sjak, argwaan, achterdocht, twijfel; 
Mënarohsjak, twijfel koesteren, 
betwijfelen, argwaan hebben; 
Mëngadakën— , Mëndatëng- 
ken— of Mëndjadikën fijak, 
argwaan wekken, doen betwijfe- 
len, twijfel doen ontstaan, enz. 

Sjams, de zon. 

SJara (of Sjarat), goddelijke wet. 

SJarbat, zie: Sërbat. 
Malkisch-Hollandsch, 



SOEB. 



241 



Sjariat, godsdienstinsteUing, voor- 
schrift, wet. 

Sjarif (of Sjerif), adellijke Moh. 
titel. 

SJart, beding, voorwaarde, bepa- 
ling, voorschrift, reglement, wet ; 
SJart djabatan, instructie voor 
eenig ambt. 

Sjawal (of Sawal), de 10e maand 
van het Mohammedaansche jaar, 
op den Ie waarvan het z.g. in- 
landsch nieuwjaar (bij het einde 
der A'asten) gevierd wordt. 

SJoekoer (ook: Soekoer, Sokoer), 
dank, dankzegging, goddank, enz.; 
als interjectie of toeroep (in goe- 
den zin) ook: Dat doet mij ge- 
noegen! Gelukkig! (in kwaden 
zin): Je hebt je verdiende loon! 
Mëngoetjap ejoekoer, dank- 
zeggen, danken, ook : (in kwaden 
zin) „Goed zoo!" zeggen, wanneer 
iemand biJv. een ongeluk, enz. 
getroffen heeft; „Schadenfreude'^ 
over iets hebben, enz. 

Soa (Amb. Mal.), negory', kampong; 
Kapala-soa, hoofd eener negorij, 
(direct ondergeschikt aan den 
radja). 

Sobat, zie Sahabat. 

Sobek, gescheurd, ingescheurd, 
enz.; Mënjobek, scheuren, iets 
scheuren, een stukje van iets 
afscheuren, enz. 

Sodja (Bat.), buiging (voor de god- 
heid); Mënjodja, buigen, een 
buiging maken (zooals de Chi- 
neezen voor hunne godheden). 

Soeban, splinter; Kasoeban of 
Kasoesoeban, een splinter krij- 
gen. 

Soebang of Soebëng, (ook: Këra- 
boe), groote oorknop der inland- 
sche vrouwen. 

Soebhana Allah (Ar.), lof zij God! 
Soebhanahoe, lof zij Hem 1 

Soebik, klein scheurtje, kras, enz. ; 
Mënjoebik, van iets een klein 
stukje afnemen, —afscheuren, 
enz., ook graveeren, enz. 

16 



242 



SOEB. 



SOEK. 



Soeboeh (Ar.), dageraad, ochtend- 
schemering; Sëmbahjang soe- 
boeh, ochtendgebed. 

Soeboer, gezond, frisch van aan- 
zien, welig, welig groeiend, enz. ; 
Mëójoeboerkën, gezond maken, 
een frisch, gezond aanzien geven. 

Soedagar, zie: Saudagar. 

Soedah, afgedaan, gedaan, beëin- 
digd, voltooid, klaar, reeds, al, 
uit, bereids, genoeg, enz.; Soe- 
dablah, genoeg, laat het genoeg 
zyn^ scheid er mede uit, enz.; 
Soedah malëxn, het is reeds 
avond (nacht); Mënjoedahi, ver- 
wezenlijken, aan een verzoek enz. 
voldoen, enz ; Mënjoedahkën, 
iets beëindigen, een eind aan 
iets maken, iets afmaken, iets 
afdoen, enz.; Kasoedahan, einde, 
beëindiging, afdoening, enz., ten 
slotte. 

Soedara, broeder of zuster, ook 
in het algemeen bloedverwant ; 
Soedara tiri, stiefbroeder of 
•zuster. 

Soedi (ook: Bërsoedi), genegen 
zyn, zich verwaardigen tot, ge- 
noegen nemen met, verkiezen, 
goedvinden, gewillig zi)n tot, 
willen, enz. ; Tiada soedi, niet 
genegen, onwillig, niet verkiezen 
te doen, enz. 

Soedjana, deugdzaam, welwillend. 

Soedji, borduurwerk, borduursel, 
enz.; Mënjoedji, borduren, enz. 

Soedji (of Soedjen), speetje, pin, 
pennetje, waaraan o. a. de stukjes 
vleesch voor de Sësate gestoken 
worden. 

Soedjoed, eerbiedige buiging, ne- 
derbuiging; Bërsoedjoed, eer- 
biedig nederbuigen, een eerbiedige 
buiging maken (voomameljk 
voor de godheid), enz. 

Soedoe, lepel, snavel van een eend, 
enz. ; Menjoedoe, met een lepel 
scheppen, lepelen, enz. (zooals 
eenden, ganzen, enz. doen). 

Soedoek, schoffel, ook puntig werk- 



tuig om te steken, steekwapen, 
enz.; Mënjoedoek, schoffelen^ 
met iets puntigs steken, enz. 

Soedoer, horizontaal vooruitste- 
kend; Mënjoedoer, horizontaal 
vooruitsteken, geveld z\jn; Më- 
Djoedoerkën, iets horizontaal 
vooruitsteken, vellen (byv. een 
lans), enz. 

Soegi, klein, langwerpig puntig 
voorwerp, priem, els, enz.; Me- 
Djoegi, met zulk een voorwerp 
in iets steken, peuteren, enz. ; 
Soegi landak, pen van een ste- 
kelvarken ; Soegi glgi of Pë- 
soegi, tandenstoker. 

Soegoeh(Jav.),onthaal, wat daartoe 
opgedischt wordt, enz. ; Mënjoe- 
goeh, onthalen, trakteeren ; 
Mënjoegoehkën, iemand op 
iets onthalen. 

Soeka, vreugde, genoegen, ver- 
maak, blydschap, verheugd, blyde, 
behagen, wensch, genoegen heb- 
ben, behagen scheppen, bly z\jn, 
zich gelukkig gevoelen, vreugde 
smaken, enz., ook: houden van, 
liefhebben, beminnen, enz. ; Bër- 
soeka-soeka&n, pleizier maken, 
zich verlustigen, pleizier hebben,, 
zich ^amuseeren, enz. ; Mënjoe- 
kakën, iemand pleizier, genoe- 
gen, enz. bezorgen, —verheugen, 
~bl\jmaken enz.; Kasoeka&n, 
vreugde, blijdschap, enz., ook: dat^ 
waarvan men houdt, enz. 

Soekak (Kasoekakan), een graat 
in de keel hebben, of kriygen. 

Soekar, lastig, moeilijk, zwaar^ 
enz., ook: vuil; Kasoekaran, 
moeilijkheid, moeilijke omstan- 
digheden. 

Soekatjita, blijdschap, vreugde,, 
vergenoegdheid, bly, verheugd, 
enz. 

Soekma (Sk.), geest, ziel. 

Soekoe, voet, poot, been, deel, 
onderdeel, bestanddeel, tak (van 
een volksstam), enz. 

Soekoen,de broodvrucht en-— boom 



SOEK. 

(Artocarpus incisa, L. nat. fam. 
der Artocarpeae). 

Soekoer, zie: SJoekoer. 

Soela, spietspaal, waarop misda- 
digers gespietst worden; Me- 
Djoelakën, op zulk een paal 
spietsen. 

Soelam, borduurwerk; MeDjoe- 
lam, borduren (vergelijk: Soe- 
dji). 

Soelap (ook: Soenglap), op elkan- 
der gelegd, gevoerd, enz., ook: 
goochelary ; MeDjoelap, op 
elkander leggen, in lagen leggen, 
enz., ook: goochelen. 

Soelasi, zie: Sëlasi. 

Soelët, Mënjoelët, aansteken, in 
brand steken, iets doen ontbran- 
den (ook in fig. zin). 

Soeling, fluit; Mënjoelin^, Bër- 
soelin^r, ook : Bërmain soeling, 
op de fluit spelen, —blazen. 

Soeloeh, fakkel, toorts, aangesto- 
ken pit om by te lichten, ook: 
spion, geheime verspieder, enz.; 
Mënjoeloeh, MëDjoeloehi, met 
een fakkel, enz. belichten, onder 
het licht van een fakkel, enz. 
naar iets zoeken, enz., ook: be- 
spieden, in het geheim nagaan, 
bespionneeren, enz. 

Soeloer, spruit, rank, puntig uit- 
loopsel ^van sommige planten, 
enz.; Mënjoeloer, kruipen, zich 
kruipend voortbewegen, ranken, 
enz. 

Soeltan, sultan, vorst, alleenheer- 
scher. 

Soemangat, levensgeest, ziel, be- 
wustzijn. 

Soembang:, onwelvoegeiyk, wan- 
staltig, ongepast, onzedeiyk, kren- 
kend voor het gevoel, beleedi- 
gend, onwelluidend, enz., ook: 
bloedschande ; Mëxijoeinbang, 
bloedschande bedreven. 

Soembang (Soembangan) (Jav.), 
cadeau, geschenk, bydrage tot een 
feest; Mënjoembang, als deel- 
nemer of geïnviteerde een ge- 



SOEM. 



243 



schenk of bydrage voor een feest 
enz. aanbieden. 

Soembing (of SombeDg), ge- 
schaard, schaardig (ztjn), enz.; 
Soembingan, stukje, dat van 
iets afgevallen, —afgebrokkeld is, 
enz., ook: schaarde; Bibir soem- 
bing, hazelip. « 

Soemboe, pit (voor licht), lampe- 
pit, kaarsepit, lont. 

Soemit (Pont.), snor, knevel. 

Soemoer, put, waterput, ook: diep 
gat in den grond; Ajër Boemoer, 
putwater. 

Soempah, eed, vloek, vervloeking ; 
Bërsoempah en Mënjoempah, 
een eed doen, ook: vloeken, ver- 
vloeken ; Mënjoempahi (ook 
Mënjoempah); iemand een eed 
afnemen, beëedigen, enz., ook iets 
door een eed bevestigen,en iemand 
vloeken, — vejvloeken, enz.; Më- 
njoempahkën, iemand vervloe- 
ken, iets slechts toewenschen, 
enz. ; Këna soempah, door een 
vloek getroffen (worden), ver- 
vloekt (z^n); Përsoempahan, 
eedsafneming, beëediging, enz. 

Soempe (of Soempai), hoepel (om 
een ton, enz.), band, ring. (Zie: 
Simpai). 

Soempël, stop, waarmede men een 
gat, opening enz. dichtstopt; Më- 
njoempël, een gat enz. stoppen ; 
Mënjoempëlkën, een gat enz. 
met iets dichtstoppen, iets in een 
gat enz. stoppen, om dit dicht 
te maken, enz., ook (van het een 
of ander): in een gat enz. vastzit- 
ten, waardoor dit verstopt raakt ; 
Soempëlan, wat tot stop dient, 
stop, enz. 

Soempët, nauw, eng, niet ruim. 

Soempit (Soempitan), een blaas- 
roer, blaaspyp ; Mënjoempit, met 
een blaasroer jagen, kogeltjes of 
Pijltjes, enz. uit een blaasroer 
blazen; Soempit, ook:Sëmpit, 
Soempët. 

Soemsoem (of Soengsoem), merg. 



244 



SOEN. 



SOER. 



Soenan (Jav.) (Soesoehoenan), 

titel van den vorst van Soerakarta, 
vasal van het koninkryk der 
Nederlanden. 

Soenat, besn^denis; Mënjoenat- 
ken, besneden. 

Soendal (of Soendël), ontuchtige 
vrouw, boe^eerster, hoer, publieke 
vrouw; Bërsoendël (ook: Më- 
njoendël), hoereeren, het bedrijf 
van hoer uitoefenen, zich aan 
ontucht overgeven^ (van een 
vrouw); Mënjoendël, zich met 
hoeren afgeven, enz. (van een 
man); Soendël malëm, zie onder: 
Sëdap. 

Soengai (ook: Kali), rivier; Anak 
Boengaly riviertje, beek: Fêrgi 
kasoengai, naar de rivier gaan, 
fatsoeniyke uitdrukking voor : z\Jn 
gevoeg doen. 

Soengar, kwasterig, fatterig. 

Soengging, versiering met schil- 
derwerk, geschilderde figuren,enz . 
Mënjoengging, iets versieren 
met allerlei schilderwerk, iets 
beschilderen, enz. 

Soenggit, zie: Soengkit. 

Soenggoeh, waarachtig, wezenlijk, 
werkelijk, in ernst, inderdaad, 
juist, in waarheid, zeker, zeker- 
lijk, enz. ; Sasoenggoehnja, wer- 
kelijk, in waarheid, enz.; Soeng- 
goehpon, wel is waar, ofschoon, 
hoewel; Bërsoenggoeh-soeng- 
goeh, ztjn uiterste best doen, 
ook : iets met ernst doen, ernstig 
opvatten, enz.; Mënjoenggoeh, 
zUn uiterste best doen; Më- 
njoenggoehi, zyn uiterste best 
voor iets doen, zich er geheel 
aan wijden, iets in allen ernst 
opvatten, —aanpakken, enz. 

Soengkit (of Songkit), borduur- 
werk; Mënjoengkit, bordu- 
ren. 

Soengoet, voelhoren, knevel (van 
dieren), ook: norsch, stuursch; 
Bërsoengoet, een zuur gezicht 
zetten, mokken, morren. 



Soengsang tegen het beloop in, 
het onderste boven, omgekeerd, 
enz.; Mënjoengsang, het on- 
derst boven hangen, loopen, enz., 
op de handen loopen. 

SoengBoem, zie: Soemsoem. 

Soenji, eenzaam, stil, ledig, woest, 
onbewoond, verlaten, weinig be- 
zocht ; Tëmpat soenji, eenzame, 
verlaten plaats ; Bërsoenji, zich 
afzonderen, enz. 

Soenting, versiersel achter het oor 
of in het haar op het achterhoofd 
(bijv. een aan een pen gestoken 
bloem, enz.) ; Bërsoenting, zulk 
een versiersel dragen. 

Soepaja, opdat, ten einde, om. 

Soerabl (of Sërabi), een soort van 
groote poffertjes van riJstemeel. 

Soerah (Ar.), hoofdstuk uit de Ko- 
ran. 

Soerai, hoofdhaar, lang, losgedra- 
gen hoofdhaar(alleen van vorsten), 
manen (van een leeuw, enz.). 

Soerak, gejuich, jubelkreet, krijgs- 
geschreeuw, enz. ; Bërsoerak of 
Mënjoerak, juichen, jubelen. 

Soeralaja (Jav.), het godenverblijf, 
de hemel. 

Soeram (of Soerëm), verduisterd, 
duister, donker, zonder glans, 
somber. 

Soerat, geschrift, brief, zendbrief, 
boek, enz. Soerat kiriman, zend- 
brief; Soerat pas, pas, verlof- 
pas, reispas, enz.; Soerat për- 
djandjian, schriftelijke overeen- 
komst, contract; Soerat tanda 
tangan, schriftelijk bewijs, kwi- 
tantie; Soerat wasiat, testa- 
ment; Soerat gade, pandbrieQe; 
Soerat konde, hoofdgeldbiljet 
(van Ghineezen); Mënjoerat, 
schrijven: Mëngarang soerat, 
een geschrift opstellen: Mënoelis 
soerat, een brief schrijven; Pë- 
njoerat, schrijver; Pasoeratan, 
brievenpost,brievenbesteller,over- 
brenger van brieven, enz. 

Soerau (ook: Langgar), kleine bid- 



SOER. 



SOEW. 



245 



kapel, bedehuis, dikwijls dienende 
ook tot school. 

Soeri (Jav.), manen (van een paard, 
enz.). 

Soeroeh, boodschap, last, bevel; 
Mënjoeroeh, gelasten, bevelen, 
laten doen, ook iemand ergens 
heen zenden, met een boodschap 
belasten, enz. 

Soeroep, het ondergaan van zon 
of maan, enz. 

Soeroet, afloopen, ebben(van water) 
zakken, verminderen, achteruit- 
gaan, eb. 

Soesah, moeilyk, lastig, zwaar, 
moeite, last, zorg, verdriet, enz.; 
Mënjoesahkën, moeite, last be- 
zorgen, iemand verdrietig stem- 
men, het iemand moeilijk maken, 
bemoeilijken; Kasoesahan, moei- 
te, zorg, last, verdriet, moeilijk- 
heid, in zorg enz. zitten, enz. 

Soesoe (ook: Tete), borst (van een 
vrouw), boezem, mam, uier, ook : 
melk ; Ajër soesoe, melk ; Anak 
soesoe of — soeson, zuigehng, 
zoogend kind, ook: zoogkind; 
Baboe soesoe of Baboe tete, 
min, zoogster; Mënjoesoe, zui- 
gen, aan de borst zitten; Mënjoe- 
soeï, zoogen, de borst geven. 

Soesoek, zie: Toesoek. 

Soesoek, fuik, vischfuik; Mënjoe- 
soek, met een fuik visschen. 

Soesoel, Mënjoesoel, achterna 
gaan, achterna loopen, achtervol- 
gen, enz. (om in te halen); Ka- 
soesoel, ingehaald. 

Soesoen, stapel van op elkander 
geplaatste voorwerpen; Bërsoe- 
soen, op elkander gestapeld zijn 
of liggen; Mënjoesoen, opstape- 
len, enz. 

Soesoep, Mënoesoep of Mënjoe- 
Boep, ergens onder of doorheen 
kruipen; Mënjoesoepkën, iets 
ergens onder steken of schuiven 
(om het te verbergen). 

Soesoer (Jav.), tabakspruim. 

Soesoer, rand, zoom (van een kust. 



byv.); Soesoer pantai. kust- 
streek, kust, strook; Mënjoe- 
soer, langs iets gaan, een kust 
volgen, enz. 

Soesoet, vermindering, afneming; 
Mënjoesoet, verminderen, af- 
nemen, slinken, minder worden. 

Soetan, zie: Soeltan. 

Soetêra, zijde, zijden stof; Oelat 
soetëra, zijdeworm. 

Soetji, zuiver, rein, heilig, schoon, 
niet vuil, gezuiverd, gereinigd, 
opjecht (van gemoed), ^ enz. ; 
Bërsoetji, rein zijn; Mënjoe- 
tjikën, reinigen, heiligen, zuive- 
ren ; Përsoetjian, zuivering, 
heiliging; Kasoetjian, reinheid, 
heiligheid, enz. Zie ook : TJoetji. 

Soewak, uitgeslagen stuk (uit 
iets), inham, baai, bocht, enz. 

Soewal, vraag, vraagstuk; Bër- 
soewal, vragen, vragen doen, 
vraagstukken opgeven. 

Soewam, lauw, lauw-warm. 

Soewami, echtgenoot, man, ge- 
maal ; Bërsoevraxnikën, tot 
echtgenoot, tot man hebben; 
Mëmpërsoewamikën, uithu- 
wen (van een meisje), aan een 
meisje iemand tot man geven. 

Soevraxïgy gemakkelijk, licht, 
zonder moeite. 

Soe^vap, hap, bete, mondvol; 
Mënjoewap, met de hand eten, 
telkens een hap eten met de 
hand in den mond brengen, enz.; 
Mënjoewapkën, een kind enz. 
laten eten door het telkens een 
hap eten met de hand in den 
mond te stoppen, enz., voeren 
(met de hand), enz. 

Soewara, stem, toon, geluid; 
Bërsoewara, geluid geven, 
spreken, enz. ; Mënjoewaral, 
iemand aanspreken, —toespre- 
ken, —toeroepen. 

Soe'^asa, spinsbek. 

Soewatoe (ook: Satoe) een; 
Sasoewatoe, het (de) een of 
ander; Barang soewatoe, eenig 



246 



SOEW. 



ding, onverschillig welk, een van 
allen; Bërsoewatoe, alleen z\]n, 
ook: het eens z^jn meteen ander; 
Mëmpërsoewatoekën, tot éen 
maken, bijeenbrengen, vereeni- 
gen, enz. 

Soewlr, gescheurd, afgescheurd, 
gespleten, enz. 

Soewita, Bërsoewita, dienen, 
de bevelen (van een vorst, enz.) 
opvolgen, enz. 

Soewoeng» ledig, onbezet, onbe- 
woond, verlaten, eenzaam, zie: 
Soenji. 

Soga, roode of roodbruine verf- 
stof verkregen van den bast van 
een plant; Kaïn soga, kleedjes 
daarmede geverfd. 

Sogok, Mënjogok, met een lang 
voorwerp steken, —peuteren, 
enz., ook: iemand aanzetten, op- 
hitsen, enz., iemand in het geheim 
waarschuwen, iemand In het 
geheim iets geven, om hem te 
winnen, iemand door geschenken 
enz. omkoopen. 

Sohor (Kësohor), geroemd, be- 
roemd, befaamd, bekend, ver- 
maard, berucht. 

Sokong, schoor, stut, steun, iets 
dat tegen iets aan gezet wordt 
om dit te steunen, voor omver- 
vallen te behoeden ; Mënjokong, 
stutten, steunen, schoren. 

Solaiman, Salomo. 

Soldadoe, soldaat, zie: Sërdadoe, 
Soldadoe laoet, marinier. 

Solor, sloot, slootje, (ook : Soeloer, 
Soeloeran), beekje, stroompje. 

Sombong, verwaand, opgeblazen, 
fatterig. 

Sompek, aan den rand beschadigd, 
geschaard, enz. 

Sompëlak (Bat.), afgebroken, afge- 
brokkeld, afgescheurd (van een 
stuk uit iets) enz. 

Sompoh, MëDjompoh, iets (b^v. 
een kind, enz.) schrijlings dragen, 
ook iets op de handen dragen, 
met de handen ophouden, enz. 



SOSO. 

Sondol, Mënjondol, met den kop, 
met neergebogen kop stoeten 
(van buffels, enz.). 

Songket, borduurwerk; Mënjong- 
ket, borduren, met goud bestik- 
ken, doorweven, enz. 

Songkok (Jav.). een soort van hoed 
zonder bol met een klep, zooals 
de Javanen veel dragen. 

Songsong(Jav.)(ofPajoeiig), zon- 
nescherm, staatsie of ambtszonne- 
scherm der inl. ambtenaren op 
Java. 

Songsong, tegen iets in; Më- 
pjongBODg, tegen iets ingaan, 
iets tegemoet gaan, enz. 

Sontak, gescheurd; Sontak gë- 
rowak, met vele en groote scheu- 
ren (van linnen, enz.). 

Sop, soep. 

Sopan, gemanierd, bescheiden, be- 
leefd, beschaafd, ingetogen, enz. 

Sore, achternamiddag, vooravond, 
avond. 

Sorga (ook: Swarga of Soewar- 
ga) (Sk.), hemel, verblyf der ge- 
lukzaUgen^ 

Sorok, Mënjorok, iets ergens 
onder schuiven of stoeten, enz., 
ook iemand (een ambtenaar, enz.) 
omkoopen door in het geheim 
het een of ander geschenk onder 
zyne papieren, enz. te schuiven. 

Sorong, duw, ook: geschenk, enz. 
dat gegeven wordj;, om iemand 
om te koopen; Mënjorong, du- 
wen, voortduwen, voortschuiven, 
toeschuiven, enz., ook : voorstellen 
voorstellen doen, en omkoopen, 
door den omgekochte iets in de 
hand te duwen; E^eta sorong, 
kruiwagen; Këna sorong, om- 
gekocht ztjn; Sorongan, omkoop- 
som, enz. 

Soso, Mëi^oso, de rtjst wit stam- 
pen, —wit maken door stampen 
en verwijdering van het dunne 
vliesje dat om de korrels zit. 

Sosok, fuik zonder bodem, in den 
vorm van een stolp om visch te 



soso. 

vangen in ondiep water; Mènjo- 
sok, met zulk een fuik visch- 
vangen. 

Sosol (of Sosor), Mënjosol of 
Mënjosor, met vooruitgestoken 
hals langs den grond naar iets 
toeschuiven om te byten (zooals 
ganzen enz. doen). 

Sowangan, windharp in den vorm 



TAGI. 



247 



van een boog aan vliegers beves- 
tigd, ook een vlieger van zulk 
een geluidgevend instrument 
voorzien. 

Sowek (of Soewek), gescheurd ; 
Mëiijo"wek,scheuren(by V. papier, 
lynwaad, enz.); Mënjowek-njo- 
"wek, in flarden scheuren, enz. 

Swarga, zie: Sorga. 



T. 



Ta' (verkorting van Tiada), niet, 
— ook uit te drukken door ons 
voorvoegsel on-; Ta'oesah, het 
behoeft niet, het is onnoodig; 
Ta'dapat tiada, het moet vol- 
strekt. 

Ta&la (AUah taftla) (Ar.), de Aller- 
hoogste, de verheven God. 

Tabaos (Sap. of Har.), met trom- 
melslag (op de Tifa) bekend 
maken, —doen bekend maken, 
—verkondigen, —omroepen. 

Tabiat, karakter, natuuriyke ge- 
aardheid, inborst. 

Tabib, geneeskundige, dokter ; II- 
moe tabib, geneeskunde. 

Tabik (of Tabe), groet, heilgroet, 
heilwensch, gegroet, wees ge- 
groet. 

Tabir, voorhang, gord\jn, — ook : 
droomuitlegging; Mëntabirkën, 
verklaring geven van een droom, 
een droom uitleggen. 

Taboeh, korte, van een veerkrach- 
tigen knop voorziene stok, waar- 
mede op de trom of andere slag- 
instrumenten geslagen wordt ; 
Mënaboeh, met zulk een stok 
op een instrument slaan, —een 
instrument bespelen; Taboeh- 
taboehan,al]erlei slaginstrumen- 
ten. 

Taboeng (verg. : Boemboeng), 
koker van bamboe om er iets in te 
bewaren, bamboezen spaarpot; 
Taboengan, wat in zulk een ko- 



ker bewaard wordt, spaargeld, enz. 

Taboer, zaaisel, wat gezaaid is, 
oplegsel van edelgesteente; Më- 
naboer, zaaien, strooien; Mëna- 
boeri, iets bezaaien, —bestrooien, 
dicht met iets beleggen, enz.; 
Pënaboer, zaaien, ook schroot, 
hagel, (ook : Pënamboer), Pën- 
dok di taboeri intan een schee- 
de (van een Këris, enz.), bezaaid 
met diamanten. 

Tachta(Ar.),troon,vorsteltJke zetel ; 
Bërtaohta, gezeteld z\]n, op een 
troon zitten, enz. 

Tadah, Mënadah en^Mënadahi, 
iets opvangen; Mënadabkën, 
iets met, op, in iets opvangen, 
—het een of ander onder iets 
plaatsen of houden, om het op te 
vangen. 

Tadbir (Ar.), regehng, leiding, be- 
stuur; Mëntadbirkën, leiden, 
besturen, enz. 

Tadi, zooeven, pas, zoo pas, kort 
geleden, daareven, nog niet lang 
geleden, enz. 

Tadjam (of Tadjëm), scherp, pun- 
tig, scherpheid, snede, scherpe 
kant; Mënadjëmkën, scherpen, 
scherp maken, wetten, sltjpen. 

Tadji, spoor, kunstspoor (voor een 
vechthaan), lancet, vliJm. 

Tafsir (Ar.), verklaring (van den 
Koran). 

Tagih, groote trek, lust in iets, 
verlangen naar iets, (hebben), 



248 



TAGI. 



TAKR. 



—ook maning, vordering, enz.; 
Katagiban, zeer sterk naar iets 
verlangen, zeer belust zyn op iets, 
enz.; Mënagih, iemand manen, 
iets vorderen, —invorderen. 

Tagil (of Tëgil), natuurlijke spoor 
van een haan. 

Tabak, boer, oprisping; Bërtabak, 
boeren, een boer laten. 

Taban, uithouden, verdragen, ver- 
duren, tegenhouden, duurzaam 
ztjn, volharden, enz. ; Bërtabas, 
verduren, verdragen, uithouden, 
enz. ; Mënaban, tegenhouden, 
beletten, verhinderen, beperken, 
beteugelen ; Mênabani, iets ver- 
duren, —verdragen, —uithouden, 
—tegenhouden, —beletten, enz.; 
Mënabankën, iets tegen iets 
aanhouden, iets als middel gebrui- 
ken, om iets tegen te houden, 
enz. 

Tabang, ravtjn, bergkloof, ook vat, 
kuip, ton. 

Tabi, stront, drek, vuil, uitwerpsel, 
afscheidsel, poep, enz. ; Tabi ma- 
ta, het vuil der oogen ; Tabi 
koeping of Tabi tëlinga, oor- 
smeer; Tabi lalat of — lalër, 
sproet, moedervlek; Tabi bësi, 
tjzerroest; Tabi gërëgadji, zaag- 
sel; Tabi xniBjak, bezinksel, 
drab van olie, ook de stof, die 
overbluft na het persen der olie 
uit de böonen, enz. ; Tabi ajam, 
kippendrek;Tabi angin,Ca8sy tha 
filiformis, L. nat. fam. der Lau- 
rinae, een aan plantenslym ryke 
plant, die in de inlandsche ge- 
neeskunde veel tegen buikaan- 
doeningen gebruikt wordt, ook : 
tjdel geklap, onzin ; Mënabi, roes- 
ten, verroesten. 

Tabil, als gewicht voor edele me- 
talen wegende ± 0.054 K.Q-. en 
onderverdeeld als volgt : 1 Tabil 
= 2 Real, -- 1 Real = 4 Soekoe, 
— 1 Soekoe = 2 Tali, en l Tali 
== 3 Oewang; — als gewicht voor 
opium wegende ± 0.0386 K.G. en 



onderverdeeld als volgt: 1 Tabil 
= Vie Kati = Vieoo Pikoel= 10 
Tji — 1 Tji = 10 Timbang, 
Mata of Hoen. 

Tabir, zuiver, rein, onbesmet; Mën- 
tabirkën, reinigen, zuiveren. 

Taboe (of Taoe), weten, kennen, 
met iets bekend z\]n, verstand 
van iets hebben, verstaan, in iets 
bedreven zyn, van iets bewus^t 
zyn, kunnen, gewoon zfln, enz.; 
Tiada taboe, niet^weten, enz. 
ook: niet gewoon ; Mëngatsiboei 
iets weten, met iets bekend zijn, 
kennis van iets hebben of dragen, 
enz.; MëngataboekënofMëxu- 
bëri taboe, kennis geven, iets 
laten zien, enz. ; EZataboean, be- 
kend zyn, bekend raken, gesnapt 
worden, gezien worden, enz.; 
Pëngataboean, bekendheid met, 
kennis, wetenschap. 

Taboe, een soort van Chin. meel- 
gerecht, dat in platte koeken 
verkocht wordt en in vele Chi- 
neesche schotels wordt gebruikt. 

Taboen (of Taoen), jaar ; Taboen 
babroe,nieuwjaar; Hari taboen, 
verjaardag; Bërtabpen, verjaren, 
een jaar duren; Bërtaboen-ta- 
boen of Bërtaboenan, jaren 
duren, jarenlang, jaren achtereen ; 
Mënaboen, ergens een jaar lang 
overbleven, verbleven, enz. ; 
Sabën taboen, elk jaar, jaarlijks. 

Takaboer, ingebeeld, verwaand, 
verbeelding, verwaandheid. 

Takdir (Ar,), beschikking voorbe- 
schikking, raadsbesluit ; Takdir 
Allab, Gods^ raadsbesluit, —be- 
schikking; Mëntakdirkën, voor- 
uit bepalen, voorbeschikken. 

Takoet, vrees, angst, bevreesd, 
beangst, bloo, laf, bang, bang 
z\jn, enz. ; Mënakoeti, bevreesd, 
bang, enz. zyn voor iets, ook : 
vreeswekkend, om er bang voor 
te z\jn, enz.; Mënakoetkën, 
bangmaken, vrees aanjagen, enz. 

Takrim (Ar.), eerbetoon, vereering* 



TAKS. 



TAMB. 



249 



Taksir, Mënaksir, taxeeren, 
schatten, den prtjs, de waarde, 
enz. van iets bepalen, enz.; 
Taksir, Taksiran, schatting, 
waardebepaling, taxatie. 

Takwim (Ar.), almanak, dagwy- 
zer. 

Talak (Ar.), de wyze van echtschei- 
ding, waarby de man zyne vrouw 
eenvoudig een ontslagbriefje als 
zoodanig geeft en haar wegstuurt, 
wat driemalen mag gebeuren, 
zoodat hy haar tweemalen terug 
kan nemen, zonder dat de ge- 
scheiden vrouw eerst met een 
ander getrouwd moet zyn ge- 
weest, zooals na de derde weg- 
zending by eventueele hereeni- 
ging het geval is. 

TaJam, presenteerblad. 

Talang, dakgoot. 

Talar, openhartig, ronduit, onbe- 
wimpeld, enz. 

Talen (Jav.), kwartje, 25 centstuk. 

Tali, touw, lyn, koord, zeel, reep, 
band, streng, draad, enz.; Tall 
doek, touw van de harige vezels 
van den arenpalm; Tali api, 
vuurtouw, lont voor het aanste- 
ken van sigaren; Tali sipatan, 
timmermansiyn; Mënalikên, een 
touw om iets slaan, iets met een 
touw vastbinden, enz. 

Talkin (Ar.), het onderricht der doe- 
den; Mëmbatja talkin, een over- 
ledene, nadat hy in het graf is 
neergelaten, voorzeggen wat hy 
te antwoorden heeft wanneer de 
doodsengelen Moengkar en Na- 
kir hem komen ondervragen. 

Taloe, begin, aanvang, praeludium. 

Taloek (Ar.), onderworpen, onder- 
hoorig, afhankeiyk; Mënaloek- 
kën, onderwerpen, ten onder 
brengen, afhankeiyk maken, enz. 

Tamat (Ar.), geëindigd, einde (van 
een geschrift), ook: volleerd, een 
cursus geheel doorloopen hebben; 
Mënamatkën, een geschrift be- 
ëindigen, een slot daaraan maken. 



ook : een feest geven ter eere van 
het verlaten der school (van een 
kind). 

Tambah, byvoegsel, wat by iets 
komt, toename, vermeerdering; 
Bërtambah, aangroeien, toene- 
men, vermeerderen, ook: zooveel 
te meer, enz. ; Mënambahi, iets 
vermeerderen met iets ; Mënam- 
bahkën, iets aan iets toevoegen, 
om het te vergrooten, te ver- 
meerderen, enz.; Tambahan, 
toevoegsel, byvoegsel, wat by iets 
gevoegd moet worden, enz. 

Tambak (Jav.), dy k, bedyking, dam, 
ingedykte vischvy ver, beschoeiing 
van een rivieroever, dok, enz.; 
Mënambak, bedyken, indyken, 
opdammen, beschoeien, enz. 

Tambal (of Tambël), lap, stuk, 
dat in eenig kleedingstuk, enz. 
gezet is; Mënambal, in een 
kleed enz. een lap of stuk zetten, 
een gescheurd of beschadigd 
kleed, enz. lappen; Tambalan, 
gelapt, met lappen, enz., ook het 
gelapte deel, lapwerk. 

Tambang, touw; Mënambang, 
touwslaan, touwdraaien ; Më- 
nambangi, vastbinden, aan een 
touw vastleggen. 

Tambang, myn ; Mënambang, 
een myn graven, mynwerk doen; 
Anak tambang, mynwerker; 
Kapala tambang, hoofd eener 
myn, mynopzichter, enz. 

Tambang, vracht, passagegeld 
voor het overvaren, overbren- 
gen, enz.; Mënambang, over- 
varen tegen ^betaling, enz.; 
Mënambangkën, iets of iemand 
tegen betaling overzetten, over- 
brengen, overvaren, enz.; Përa- 
hoe pënambang of — tam- 
bangan, schuit, waarin men 
wordt overgebracht, enz. ; 
Oéwang tambangan, vracht, 
overvaargeld,enz.; Tambangan, 
wat tot vervoer van passagiers 
dient ; Kareta tambangan, 



250 



TAMB. 



TANA. 



huurrötuig, dat geen passagiers 
heeft, dus nog vi'tJ is. 

Tambar, (van gepelde rtjst) ge- 
kleurd, niet wit. 

Tambat, Mënambat, aan iets 
vastbinden, —vastleggen, iets 
verbinden; Përtambatan, ver- 
band. 

Tambëra, een lekkere zoetwater- 
visch. 

Tambi, jongere broeder; titel of 
benaming waarmede men Klin- 
galeezen aanspreekt. 

IFamboel, toespijs by de thee, enz., 
ook: goochelarij, heksertj, enz.; 
Mënamboel, goochelen, toove- 
ren, enz. 

Tamboen, vet, goed in *t vleesch, 
dik, ook: stapel, hoop, m^t, enz. 
(ook: Tamboenan); Menam- 
boen, opstapelen, ophoopen, ook 
vetmesten; Bërtamboen, opge- 
stapeld (zyn), in hoopen (z^n); 
Pënamboenan, opstapeling, enz. 

Tamboeng:, brutaal, vermetel, on- 
beschoft, baldadig, enz.; Më- 
namboeng, brutaal, onbeschoft 
z^n, balddadigheden plegen, enz. 

Tamboer, tamboer, trommelslager, 
ook: trom. 

Tamboes, onder asch geroosterd, 
ook onder den grond gepoft, om 
rtjp te worden ; Mënamboeskën, 
iets onder asch roosteren, gaar- 
bakken, enz., vruchten onder den 
grond laten rtjpen, enz. 

Tameng, schild (ook in fig. zin). 

Tam'lik (Ar.), wat aan iemand in 
eigendom (als z^Jn volle eigendom) 
wordt overgedragen, zoowel btj 
schenking als by koop, erfenis, 
enz. ; Tamalloek, hetgeen op die 
wtJze in eigendom wordt ontvan- 
gen of genomen; Mënamlik- 
kan, iemand iets in vollen eigen- 
dom afstaan, schenken, enz. 

Tamoe (of Tëtamoe), gast, visite, 
bezoek; Bërtamoe, een visite 
maken, op bezoek gaan, enz., ook : 
visite hebben. Zie : DJamoe. 



Tampa, opvatting, beschouwing; 
Salah tampa, verkeerde opvat- 
ting; Mënampa, opvatten, be- 
schouwen, meenen, enz. 

Tampab (Jav.), wan, rond, plat 
vlechtwerk met lagen rand, die- 
nende om te wannen, enz. 

Tampak, zichtbaar, zichtbaar zyn, 
gezien kunnen worden, enz. ; Më- 
nampak, kunnen zien, zien; 
Mënampakkën, laten zien, laten 
biyken, toonen, vertoonen, enz. 

Tampal, lap, waarmede iets be- 
dekt wordt, pleister; Mënampal, 
lappen, oplappen, verstellen, een 
pleister op iets zetten, enz. Ver- 
gel. : Tambal. 

Tampan, welgemaakt, schoon van 
gestalte, ook : zich goed voordoen, 
een flink voorkomen hebben, enz. 

Tampar (ook : Tampër), klap, slag 
met de vlakke hand, oorveeg, 
mep; Mënampari, iemand klap- 
pen geven; Bërtampar tangaii, 
iets by handslag beloven, enz. 

Tampas, glad afgekapt, geltjk ge- 
kapt, effen gekapt, enz.; Më- 
nampas, de oneffenheden van 
iets (btjv. een levende haag) weg 
snijden, weg kappen, gelijk kap- 
pen, enz. 

Tampëg (of Tampëk), de mazelen ; 
Sakit tampëff, de mazelen 
hebben. 

Tampi, wan, rijstwan; Mëoampi, 
wannen, rijstwannen, enz. 

Tampik, weigering, om iets aan 
te nemen, enz.; Mënampik, 
weigeren, verwerpen, van de hand 
wijzen, wraken, versmaden, niet 
willen aannemen, enz. 

Tampin, klaar gemaakt, ineen ge- 
draaid als een peperhuisje, peper- 
huis; Sirih satampin, een klaar- 
gemaakte Sirih-pruim. 

TamL8il(Ar.),vergelijking, gelijkenis, 
parabel, allegorische voorsteUing, 
enz ; Mënamsllkën, vergelijken. 

Tanah, aarde, aardbodem, bodem, 
grond, land, landstreek, lande- 



TANA. 

r\jen, enz.; Tanah hidoep, be- 
bouwde grond; Tanah mati, 
onbebouwde, verlaten grond; 
Tanah mëngrandjoer, landtong, 
uitstekende punt in zee, schier- 
eiland; Tanah liat, klei; Tanah 
lëmpoeng, leem; Tanah pasir, 
zandgrond; Tanah tinggi, hoog- 
gelegen grond, —streek ; Tanah 
rëndah, laaggelegen ^ grond, 
—streek; Tanah goepërmen, 
gouvernements grond, landsdo- 
mein; Tanah mërdika, parti- 
culiere grond, grond van parti- 
culiere bezitters, enz. 

Tanak, Mënanak, rijst koken, 
koken ; Djoeroe tanak, kok. 

Tanam (of Tanëm), Mënanam, 
planten, in den grond zetten, 
pooten, ook: in of onder den 
grond begraven, leggen, plaatsen, 
enz.; Tanaman, plantsoen, wat 
geplant, begraven, enz. wordt, 
aanplant, enz.;Tanam-tanaman. 
allerlei planten. 

Tanda, merk, teeken, merkteeken, 
kenteeken, voorteeken, bewys, 
enz.; Tanda tangan (ook: Ta- 
pak tangan), handteekening, 
ook: schrifteiyk bewijs, kwitan- 
tie, enz.; Tanda mata, souve- 
nir, aandenken, geschenk tot 
aandenken; Bërtanda, van een 
teeken voorzien zyn, geteekend 
zjjn, een teeken hebben, enz.; 
Mënandal, van een teeken voor- 
zien, merken, een handteekening 
onder iets plaatsen, enz. ; Më- 
nandakën, iets als voorteeken 
beschouwen; Përtanda, beul. 

Tandak, inlandsche dans, ook dans- 
meid; Mënandak, (op z\jn in- 
landsch) dansen. 

Tandan (ook: Toendoen), een 
tros van vruchten (bijv. pisang). 

Tandang, bezoek zonder bepaald 
doel; Bërtandang of Mënan- 
dang, op bezoek gaan, bezoeken 
afleggen, zonder bepaald doel, — 
zich begeven naar het tooneel 



TANG. 



251 



van een stryd, enz. 

Tandil, onderofficier aan boord, 
met een rang onder dien van een 
Sërang, (sergeant). 

Tanding, vergelijking, wat ter 
vergelijking naast iets anders of 
tegenover iets anders gesteld of 
geplaatst wordt; Bërtanding, 
zich tegenover iets stellen (om 
te vergelijken), een weerga heb- 
ben ; Mënanding en Mënan- 
dingkën, voorwerpen met elk- 
ander vergelijken, tegenover elk- 
ander stellen, enz. 

Tandjak, opwaarts, omhooggaand, 
steigend; Tandjakan,steilte,aan- 
hoogte, steil opgaande weg, enz. 

Tandjoe, muurlamp, ring aan een 
muur, enz. waarin een lampje 
hangt. 

Tandjoel, lasso, werpstrik; Më- 
nsuidjoel, met een lasso werpen ; 
Mënandjoeli, lasseeren, met een 
werpstrik vangen. 

Tandjoeng, uitstekende landpunt 
in zee, hoek, kaap, landtong, 
ook de naam van een hoogen 
boom (Mimusops elengi, L. nat. 
fam. der Sapotaceae) met kleine 
welriekende bloemen, die veel 
gebruikt worden; Mënandjoeng, 
een kaap omvaren. 

Tandoe,draagstoel,draagpalank^in, 
enz.; Bërtandoe, in een draag- 
stoel zitten, reizen, enz. 

Tandoek, hoorn; Bërtandoek, 
gehoornd (zijn), hoorns dragen, 
—hebben; Mënandoek, met de 
hoorns stoeten, iets op de hoorns 
nemen, enz. 

Tandoer (Jav.), Mënandoer, 
planten, (inzonderheid van rflst). 

Tangan, hand, arm, mouw, enz.; 
Tangan kanan, rechterhand, 
rechterarm; Tangan kirl, lin- 
kerhand, hnkerarm ; Tangan 
badjoe, mouw van een badjoe; 
Tangan këmoedi, helmstok aan 
een roer; Iboe tangan, de duim ; 
Daridji tangan, de vingers; 



252 



TANG. 



TANa. 



Tapak tangan, de palm van de 
hand (zie ook: Tanda); Mata 
tangan, het handgewricht: Ta* 
ngan pandjang:, lange vingers 
hebben, diefachtig (ztjn); Më- 
nangani, iets met de handen 
aanvatten, de hand aan iets slaan, 
met de hand behandelen, enz. 

Tangas, warm bad, dampbad, 
stoombad; Mënanga8,een warm-, 
damp- of stoombad nemen of 
geven, aan warmte of hitte bloot- 
stellen, stoven, broeien, enz. 

Tangga, ladder, trap, trede (van 
een r]ytuig); Roemah tangga, 
huis en trap, d. i. het geheele 
huis, met al wat daartoe behoort, 
huishouding ; Bëroemah-tang- 
ga, een huishouden hebben, als 
gehuwd persoon ergens geves- 
tigd z\jn; Anak tangga, sport, 
trede; Tatangga of Tetangga, 
buur, buren; Toeroen-tangga, 
(van een aantal kinderen byv. 
die naast elkander geplaatst 
worden) een geregelde of regel- 
matige afdalende of opgaande 
r\j vormend, regelmatig in hoogte 
verschillen als de treden van 
een trap. 

Tanggal, los, losgaan, loskomen, 
uitvallen (van een tand bflv.), 
weder te voorschijn komen (van 
de maan), datum (ook: Tanggal 
boelan); Mënanggalkën, datee- 
ren, een datum op iets plaat- 
sen. 

Tanggala, ploeg. (Zie: Loekoe). 

Tanggam; zwaluwstaart (een hout- 
verbinding); Mënanggam, met 
zwaluwstaarten aan elkander 
hechten, verbinden. 

Tanggang, geveld, horizontaal, 
vooruitstekend; Mënanggang, 
vellen, geveld houden. Zie ook: 
Sagang. 

Tanggoeh, uitstel; Bërtanggoeh, 
met iets wachten, dralen, iets 
uitstellen; Mënanggoehkën of 
Mëmpërtanggoehkën, iets uit- 



stellen, tot later verdagen, —ver- 
schuiven, enz. 

Tanggoeng (Jav. Bat.), onvol- 
doende, niet genoeg, ontoereikend, 
ten halve, enz. 

Tanggoeng, borg, ^ borgstelling, 
borgschap, enz. ; Mënanggoeng, 
voor iets instaan, borg staan, zich 
borg stellen, verantwoordelijk zyn, 
iets op zich nemen, dragen, ver- 
dragen, ondergaan, lüden, dulden, 
enz.; Mënanggoengkën,iemand 
iets opdragen, —met iets belas- 
ten, —voor iets verantwoordeiyk 
stellen, enz. ; Tanggoengan, ver- 
antwoordelijkheid, verplichting, 
enz., ook dat, waarvoor men ver- 
antwoordeltik is, en wat als borg- 
stelling, zekerheid, enz. gegeven 
wordt; Pënanggoeng, borg, die 
zich als borg stelt, —wat als 
zekerheid dient, ook: gyzelaar,enz. 

Tanggok, bolvormige, a jour ge- 
vlochten mand, of zeef zonder 
deksel, dienende als vergiettest, 
en dikwijls ook gebruikt om visch 
te vangen; Mënanggok, visch 
met zulk een mand of zeef van- 
gen. 

Tangis, geween, gehuil; Mëna- 
ngls, huilen, weenen, tranen stor- 
ten; Mënangi8i,Jemand bewee- 
nen; Mënangiskën, iemand doen 
huilen, enz., ook: over iets of 
iemand weenen; Tang^isan, ge- 
ween, gehuil, gejammer. 

Tangkai, (of Tangke), steel, sten- 
gel, handvat; Tangkai këm- 
bang, bloemsteel. 

Tangkai, talisman, behoedmiddel, 
amulet, enz. (ook: Pënangkal) 
— Mënangkal, een onheil, enz. 
door een talisman afweren, — 
krachteloos maken. 

Tangkap^, Mënangkap of Më- 
nangkëp, vatten, grijpen, pak- 
ken, oppakken, vangen, gevangen 
nemen, enz. 

Tangkar, borst, borstbeen (van een 
kalf, biJv.). 



TANG. 

Tangrkaji, snel, vlug, kwik (in be- 
weging of gang). 

Tangkis. afwering, parade, paree- 
ring; Mënangkia, pareeren, af- 
weren, afslaan, afwenden; Më- 
nangkiskën, een slag enz. met 
Iets pareeren, afslaan, afwenden; 
Bërtangkis-tangki^an, elkan- 
ders slagen enz. over en weder 
pareeren, schermen. 

Tangkoel, totebel, groot kruisnet; 
Mënangkoel, met een totebel 
visschen. 

Tangkoep (of Tangkëb), tegen 
of op elkander sluitend; Më- 
nangkoep of Bërtangkoep, 
tegen of op elkander sluiten; 
Mënangkoepkën, tegen of op 
elkander doen sluiten. 

Tanglong (ook : Loleng), Chin. pa- 
pieren lantaren. 

Tangsi (ook: Roemah tangsi), 
kazerne, barak. 

Tani, (Jav.), landbouw, landbouw- 
bedrijf uitoefenen ;^Orang tani, 
landbouwer; Pakërdja&n tani, 
landbouw, landbouwbedrijf. 

Tanja, vraag; Bërtanja, een vraag 
doen, navraag doen; Mënanja, 
vragen, naar iets vragen, infor- 
meeren, informaties inwinnen ; 
Mënanjal, ^ iemand^ naar iets 
vragen; Mënanjakën, iemand 
ondervragen, verhooren, enz., om- 
trent het een of ander by iemand 
informeeren, iemand omtrent iets 
vragen doen, enz. 

Tanoer, oven, bakoven. 

Tantëra (of Tantara), leger; Bala 
tantëra,^ leger, legerscharen ; 
Përtantëra&n, legerplaats, kam- 
pement, kamp. 

Tapa (Sk.), boetedoening, boete, 
afzondering, kluizenaar, asceet; 

. Bërtapa, in afzondering leven, 
boete doen, een ascetisch leven 
leiden; Përtapa, kluizenaar, 
asceet, boetedoener; Përtapa&n, 
kluis, woning van een kluizenaar, 
ook boete, boetedoening. 



TARO. 



253 



Tapak, handpalm, voetzool, ook 
indruksel daarvan of van de poë- 
ten van dieren, voetspoor, merk, 
enz. ; Tapak tangan, handtee- 
kening, ook : de palm van de hand. 

Tapëlak, tafellaken, tafelkleed. 

Tapi (of Tape), een snoepery van 
gegiste ryst. 

Tapih (Jav.), het lange beenkleed 
der vrouwen ; Bërtapih, zulkeen 
kleed aanhebben. 

Tapis, zeef, teems; Mënapis, ze- 
ven, doorzügen, uitroeren; Ta- 
pisan, filter, wat tot het door- 
zygen gebezigd wordt, —ook: het 
gefiltreerde. 

Tapoek, kroontje boven ot op 
sommige vruchten (zooals de 
Manggis). 

Tara, effen, geiyk, plat, weinig 
hellend, byna vlak (van een dak, 
byv.). 

Tarak, onthouding, dieet ; Bërta- 
rak, zich van iets onthouden, 
zich menageeren, dieet houden. 

Tarang (Pëtarangan), nest voor 
een broedsche of leggende kip. 

Tareak, Bërtareak, schreeuwen, 
gillen, hard roepen. 

Tari, Mênari, dansen. 

Tarich (Ar.), jaartelling, tijdre- 
kening, enz.; Tarich mësëhi, de 
Christelijke jaartelling. 

Tarik, Mënarik, trekken, naar 
zich toe trekken, naar zich toe 
halen, aanhalen, ook: innen, in- 
vorderen, enz.; Mënarik boe- 
nga, renten trekken. 

Tarima, zie: Tërima. 

Taring, oogtand, hoektand. 

Taroeb (of Taroep), uitbouwsel 
aan een huis of Pëndapa, afdak, 
ook afzonderlijk gebouwtje van 
licht materiaal met een plat dak 
tot tijdelijk gebruik. 

Taroem (of Tom) (Jav.), de indigo- 
plant (Indigofera tinctoria, L. nat. 
fam. der Papihonaceae), die de 
bekende indigo of Nila van den 
handel geeft. 



254 



TARO. 



TEBO. 



Taroh^ Mënaroh^ loggen, neer- 
leggen, plaatsen, zetten, opzet- 
ten, inzetten, deponeeren, stellen, 
enz. ; Bërtaroh of Bërtarohan, 
met iemand tegen een inzet wed- 
den; Pëtaroh of Taroban, 
pand, inleg, inzet, bedrag der 
weddenschap. 

Tartib, orde, regel, regelmaat. 

Tasbih (Ar.), rozekrans, bidsnoer. 

Tasik, meer, binnenzee, groote 
plas water, 

Tatah, beitel ; Mënatah, beitelen, 
met een beitel bewerken, ook: 
inzetten van edelgesteenten in 
goud, enz. 

Tatal, spaander; Tatal këlam, 
houtkrul. 

Tatang (Mënatang), iets in de 
holte der hand, of in de tegen 
elkander aan gehouden handen 
dragen, opvangen, enz. 

Tating, Menating, zie .* Tatang. 

Tatkala, toen, ten tijde, tijdens, 
wanneer. 

Tatoe (Jav.), wond, (zie: Loeka). 

Taufire (Chin.), ontkiemde Ka- 
tJang-idJo,(zaadjes van Phaseolus 
radiatus L. nat. fam. der Papili- 
onaceae), die veel als groente 
gebruikt worden (ook Këtjam- 
bah genaamd). 

Tauke (Chin.), hoofd, chef, baas. 

Taulan, vriend, makker, kame- 
raad, maat, gezel, bondgenoot. 

Tawa (Tërtawa of Tëtawa), 
lachen; Mënawal, om iets 
lachen, jemand uitlachen; Më- 
nawakën, doen lachen, aan het 
lachen brengen, enz., ook: uit- 
lachen, enz. 

Ta'wakoel, op God vertrouwen. 

Tawan, krijgsgevangene, buit; 
Mëna'wan, gevangen nemen, 
buit maken. 

Tawar, flauw, laf, (van smaak), 
smakeloos, niet hartig, krachte- 
loos, enz.; Mënawar, krachte- 
loos maken (van vergift, enz.); 
Mënawari, door het een of 



ander flauw, smakeloos, krach- 
teloos maken, betooveren, enz.; 
Mënawurkën, iemand ontmoe- 
digen; Pënawar, geneesmiddel^ 
tegengif. 

Tawar, bod; Mënawar, een bod 
doen, bieden, dingen, afdingen; 
Mënawari, ^te koop aanbieden; 
Mënawarkën, iets te koop aan- 
bieden; Pënawaran of Tawa- 
ran, bod, ook aanbod, aanbie- 
ding, enz. 

Tawas, aluin. 

Tawon, bü (insect); Tawon^ 
madoe, de honigby'; Tawon 
ëndas of Tawon gong^ een 
groote, gevaarlöke soort Wesp; 
Tawon këlantjëng, een kleine 
wesp, die vriJ goede was levert. 

Tëbah, slag met iets langs of 
plats; Mënëbah, met een stok, 
enz. plat op iets slaan, beuken, 
dorschen. 

Tëbal (of Tëbël), dik (van platte 
voorwerpen, als een plank, enz.), 
dicht, dicht opeen, dicht byeen 
(van onkruid bijv.), talrijk (van 
een menigte), ook hardvochtig, 
onbeschaamd; Moeka tëbël, 
een onbeschaamd gelaat, een 
schaamteloos mensch, enz. 

Tëbang, Mënëbang, omkappen, 
vellen, neerhouwen (van boomen, 
enz.); Tëbangan, wat gekapt 
op den grond ligt. 

Tëbas, Mënëbas, wegkappen van 
klein hout, struikgewas, enz., ook 
tegen een overeengekomen loon 
eenig werk aannemen, enz. 

Tebeng, schut, scherm, schild, wat 
daartoe dient of als zoodanig be- 
schouwd wordt; Bërtebeng, ach- 
ter een scherm enz. zitten, schui- 
len; Mënebengkën, iemand tot 
scherm enz. dienen, beschermen, 
beschutten, enz. 

Tëbing, hooge kant van iets, talud, 
oever, enz. 

Tëboe, suikerriet; Pënggilingan 
tëboe, suikerrietmolen, suiker- 



TEBO. 



TELA. 



255 



fabriek ; Gtoela tëboe, ^suiker uit 
suikerriet bereid; AJër tëboe, 
suikerrietsap; Këbon tëboe, sui- 
kerriettuin^ 

Tëboes, Mënëboes, lossen, los- 
koopen, vrykoopen; Pënëboes 
of Tëboesan, losgeld, losprijs, 
prfls waarvoor men iets of iemand 
vrijkoopt; Pënëboes, ook degeen 
die lost, afkoopt, vrjjkoopt. 

Tëbok, Mënëbok, een klinken- 
den slag met de hand of de vuist 
geven. 

Tëdas (Bat.) (van een sabel, enz.), 
scherp of sterk genoeg om ergens 
in te kunnen dringen, iets of 
iemand te kunnen snyden, te 
kunnen kwetsen, enz. 

Tedja, glans, schyu, schittering, 
avondrood, enz. 

Tëdoeh, lommerrijk, beschaduwd 
(van plaatsen), stil, bedaard, kalm, 
enz. (van het weder) ;Bërtëdoeh, 
ergens onder schuilen, onder dak 
zijn ; Mënëdoehi, iets beschut- 
ten, beschaduwen. 

Tëgah (ook: TJëgah), Mënëgah 
of Mënjëgah, beletten, tegen- 
houden, tegengaan, weerhouden, 
verhinderen, enz. 

Tëgak, overeind, rechtop; Mënë- 
gak, zich ^oprichten, rechtop 
staan; Mënëgakkën, overeind 
zetten, enz. 

Tëgal (ook i Tëgalan),niet of slecht 
bewaterbaar, min of meer hoog 
gelegen bouwveld, niet geschikt 
voor de natte riJstteelt, 

Tëgap, krachtig, sterk, gespierd, 
kloek, flink, stevig, enz. 

Tëgar, onbuigzaam, stijf, hard, enz.; 
ook: onverschrokken, moedig, enz. 

Tëgar (Jav.), te paard rijden, een 
toertje te paard maken, ook om 
het paard te dresseeren; Panëgar, 
piqueur. 

TëgU, zie : Tagil. 

Tëgoeb, hecht, sterk, stevig, vast, 
standvastig, duurzaam; Bërtë- 
goeh, zich stevig houden, enz. ; 



Mënëgoehkën, iets hecht ma- 
ken, bevestigen, enz., ook zich 
stevig aan iets houden, stand- 
vastig zün, enz. 

Tëgok, slok, teug. 

Tëgor, Mënëgor, toespreken, aan« 
spreken ,aanroepen,toeroepen,ookt 
aanmerking maken, berispen, enz. 

Teh, thee (zoowel de plant als het 
blad); Daoen teh, de theebla- 
deren; Ajër teh, thee (drank); 
Minoem teh, thee drinken; Ma- 
[Ml sak teh, thee zetten. 

Tëkak, het achterdeel van het 
verhemelte, het orgaan van den 
smaak, —de smaak; Anak tëkak,. 
de huig. 

Tëkan^(of Tëkën), druk op iets; 
Mënëkan, drukken, aandrukken,, 
neerdrukken. 

Tëkap, bolvorniig^ deksel of kap 
over iets ; Mënëkap, met zulk 
een deksel of met de holle hand 
]ets bedekken, toedekken, enz. 

Tëkek, zie: Tokek. 

Tëkëk (Bat.), Mënëkëk, iemand 
biJ den nek of den hals pakken 
en neerdrukken, den hals toeknij- 
pen, worgen. 

Tëkën (Jav.), stok, wandelstok,ook r 
druk op iets; Mënëkën, op iets 
drukken, enz., ook : zich van een 
stok lot steun bedienen. 

Tëki, een kleine grassoort, waar- 
van de wortelknolletjes veel ge- 
bruikt worden als medicament 
(Cyperus rotundus, L., Kyllingia 
monocephala, Rottb. enz. nat. 
fam. der Cyperaceae). 

Teko, Chin. trekpot, theepot. 

Tëkpek, gevouwen, vouw, bocht; 
Mënëkoek, gevouwen zijn, een 
vouw maken, ^een bocht maken, 
—vormen; Mënëkoekkën, iets 
vouwen, enz.; Tëkoekan, vouw, 
bocht, kromming. 

Tëkoekoer, houtduif. 

Tëlaga, meer, put, vijver, kom. 

Tëlah, al, reeds, bereids; Satëlah, 
nadat. 



256 



TELA. 



TEMB. 



Tëlampoeng, zie i^Tombong. 

Tëlan, slok; Mënëlan, inslikken, 
doorslikken, opslikken. 

Tëlandjang, naakt, bloot, ontbloot, 
ongekleed, ongedekt ; Tëlan- 
djang boelat-boelat, poedel- 
naakt, spiernaakt, moedernaakt; 
Bërtëlandjang, naakt, bloot, 
geheel ongekleed loopen, — z\jn; 
Mënëlandjangkën, iemand ge- 
heel ontkleeden, ontblooten,naakt 
uitkleeden, iets ontblooten, enz.; 
Kaki tëlandjang, bloote voeten, 
barrevoets. 

Tëlandjoer (Bat.), Këtëlandjoer, 
te ver gegaan, te ver, niet meer 
te verhelpen, enz. 

Tëlapak, zie : Tapak. 

Tëlatah, kenmerk, teeken,gezicht3- 
uitdrukking, enz. 

Tëlatan (Jav.), zorgvol, zorgvuldig, 
nauwgezet, geduldig, zorgvuldig- 
heid, nauwgezetheid, geduld by 
eenig werk, enz. 

Tëledoer (of Tëledor), onverschil- 
lig, niet nauwgezet, onachtzaam, 
z^ plicht verzaken, enz. ; Më* 
nëledoerkën, iets veronachtza- 
men, met onverschilligheid be- 
handelen, enz. 

Tëlëntaner(ook : TJëlëntang), ach- 
terover op den rug liggend; 
Bërtëlëntang, achterover op den 
rug liggen: Mënëlëntan^rkën, 
achterover op den rug leggen, 
plat neerleggen, enz. 

Tëlinga (verg. : Koeping), oor, 
kruk; Daoen tëlinga. oorschelp, 
oorlap ; Tjoeping tëlinga, oorlel. 

Tëloek (of Tëlok), baai, inham, 
zeeboezem, golf. 

Tëloendjoek, ook: DJaritëloen- 
djoek, de wysvinger. Zie: Toen- 
djoek. 

Tëloet (zie : Loetoet), knie ; Bër- 
tëloet, knielen. 

Tëlor, ei, kuit; Tëlor asin, ge- 
zouten ei (meest van eenden); 
Tëlor tërottboek, gezouten kuit 
(van een soort Indische elft), 



kaviaar; Bërtëlor, eieren leggen. 

Tëman, vriend, makker, metgezel, 
kameraad (vergel. Ka'wan) ; 
Bërtëman, bevriend zyn, ook : in 
gezelschap van ; Mënëma&i, als 
vriend helpen, vergezellen, gezel- 
schap 'houden, enz. . 

Tëman (of Tëmën) (Jav.), oprecht, 
welmeenend, enz., ook: goed, deug- 
delijk, enz. en^ werkelyk, erg, enz.; 
Panas tëmën,' goed warm, erg 
warm; Mënëmënkën, iets met 
oprechtheid, ook goed, met allen 
ernst doen, enz. 

Tëmbaga, koper, koperen, van 
koper; Tëmbaga koening, geel 
koper; Tëmbaga merah, rood 
koper; Tëmbaga poetih, pleet, 
Berlynsch zilver. 

Tembak, Mënembak, met een 
vuurwapen schieten, vuren, af- 
vuren,^een schot lossen; Mënem- 
bakken, een kogel, projectiel, 
uit een geweer, enz. schieten. 

Tëmbako, tabak ; Tëmbako roko, 
rooktabak voor sigaren of siga- 
retten ; Tëmbako soesoer, 
pruimtabak; Tëmbako radja- 
ngan, gekorven tabak; Tëmbako 
lempengan, gekorven tabak in 
pakjes van bepaalde afmeting; 
Tëmbako pepean, gekorven 
tabak, in de zon gedroogd ; Tëm- 
bako garangan, gekorven ta- 
bak, boven vuur gedroogd; Tëm- 
bako tongboe, sterke, gesausde 
gekorven rooktabak ; Daoen 
tëmbako, tabaksblad; Pohon 
tëmbsiko, tabaksplant (Nicotiana 
tabacum, L. nat. fam. der Sola- 
naceae). 

Tëmbam (of Tëmbëm) (Bat.), bol, 
mollig, gezwollen (van het aange- 
zicht). 

Tembel, lapje, wat op iets is gelapt, 
geplakt, enz. (zie ook : TimbU) ; 
Menembel, plakken, kleven, 
vastzitten; Mënembelkën, iets 
op iets plakken, —doen kleven, 
enz. 



TEMB. 



TEND. 



257 



Tëmberang, staand want op een 
vaartuig. 

Tëmboes, door en door, doorboord, 
geheel door iets heendringend; 
Tëmboesan, het punt waar iets, 
dat geheel door een lichaam ge- 
drongen -is, uitkomt. 

Tembok, muur, steenen muur, 
wal, dyk, beer; Bèrtembok, van 
muren, enz. voorzien z\Jn; Me- 
nembok, een muur, enz. om 
iets heen bouwen, een muur, enz. 
opzetten, ook iets met klei enz. 
bepleisteren. 

Tëmën, zie : Tëman. 

Tëmënggoens (Jav.), (of Toe- 
mënggoeng), regentstitel op 
Java. 

Tëmoe, Bertexnoe, ontmoeten, 
tegenkomen, aantreffen; Bërtë- 
moe dengan, iemand of iets 
ontmoeten, met iemand een sa- 
menkomst hebben ; Mënemoe- 
kën, iemand tegemoet gaan, om 
hem te ontmoeten, enz., ook 
(btjv. bruid en bruidegom) bU 
elkander brengen, ojkander doen 
ontmoeten, enz ; Këtëmoe, ont- 
moet, aangetroffen, enz., ook ge- 
vonden; Nëmoe of Mënëmoe, 
iets vinden. 

Tëmoekoentji, Kaempferia ro- 
tunda, L. nat. fam. der Zingibe- 
raceae, een geneeskrachtige knol- 
plant, waarvan de jonge wortels 
veel gegeten worden. 

Tëmoekoes (of Këmoekoes), 
staartpeper (Cubeba officinalis, L. 
nat fam. der Piperaceaej. 

Tëmoela^wak, Curcuma Zerumbet, 
Rxb. nat. fam. der Zingiberaceae, 
een geneeskrachtige knolpant, 
in de inlandsche geneeskunde 
veel gebruikt. 

Tëmpajak, larve van een mier, 
b\J of wesp. 

Tëmpajan, martevaan, groote, 
wydmondige pot, urnvormige, 
groote pot, enz. 

Tëmpat, plaats, plek, oord, ver- 
Maleisgh-Hollandsch. 



bl^fplaats, enz. ; Tëmpat toem- 
pah darah,geboorteplaats; Tëm- 
pat ^bërhënti, pleisterplaats; 
Bërtëmpat, een plaats innemen, 
ergens geplaatst zyn, gevestigd 
zyn ; Mënëmpati, een plaats in- 
nemen, een plaats bezetten, op 
een plaats gevestigd j\]n, ergens 
wonen, enz. ; Mënëmpatkën, 
iets ergens plaatsen, een plaats 
geven, enz.; Katëmpatan ba- 
rang gëlap, in het bezit bevon- 
den worden van gestolen goed,enz. 

Tempel (Mënempel), plakken, 
kleven, aan iets vastzitten, aan 
iets grenzen, palen, belenden,enz. ; 
Mënempeli, iets beplakken met ; 
Mënempelkën,iets doen kleven, 
doen plakken, aanplakken, enz. 

Tëmpias, het instuiven van den 
regen, van golven, enz. 

Tëmpiling, oorveeg, klap, mep; 
Mënëmpiling, een klap, enz. 
geven. 

Tempo, tyd, termyn, ten tyde; 
Tempo dëhoeloe, de oude t\jd, 
eertüds,vroeger,enz.; Minta tem- 
po, "^ uitstel vragen, enz.^ 

Tëmpoeh, aanval; Mënëmpoeh, 
aanvallen, bestormen, enz. 

Tëmpoeh (Jav.),schuld aan, oorzaak 
van, enz. ; Mënëmpoehkën, 
iemand de schuld van iets geven, 
voor iets verantwoordelijk stellen, 
enz. ; Katèmpoehan, de schuld 
van iets krygen, schadevergoeding 
moeten betalen, enz. 

Tempoeling, harpoen, haak, enter- 
haak, werpspies met yzeren punt 
en weerhaak. ** 

Tëmpolong, kwispedoor, spuwbak. 

Tëmporong, harde dop van een 
kokosnoot; Tëmporong kapala, 
schedel; Tëmporong loetoet, 
knieschyf. 

Tënang, (van water), stil, stilstaand, 
kalm, onbewogen. 

Tenda, tent, zonnetent, ook: tent 
van een ledekant, wagen, enz. 

Tëndang, schop, trap; Mënën- 



258 



TENG. 



dang, schoppen, trappen, een 
schop of trap geven; Mënën- 
dangiy iemand of iets schoppen, 
herhaaldelyk schoppen, trappen 
geven. 

Teng: (of Ting), groote papieren 
lantaarn, ook in het algemeen : 
lantaarn van wat ook gemaakt. 

TëDgadab, Mënëugadah, de 
oogen opwaarts slaan, naar boven 
kjjken, brutaal kijken, enz. 

Tëngah, midden, in het midden, 
te midden, middelpunt, centrum, 
helft, gedeelte; Satëngah, half, 
de helft, midden, te midden, ten 
halve; Tëngah hari, midden op 
den dag,middag;Tëngali malëm, 
middernacht; Di tëngah, in het 
midden, juist midden in; Mënën- 
gah, naar het midden gaan, zich 
in het midden verplaatsen, naar 
het midden schuiven, enz.; Më- 
nëngahkën, iets in het midden 
plaatsen, naar het midden schui- 
ven, enz. 

Tënggëlëm, verzonken, zinken; 
Mënënggëlëmkën, iets doen 
zinken, laten zinken, enz. 

Tënggiling (of Tërënggiling), de 
Javaansche miereneter (een 
schubdier). 

Tëngik, rans, ranzig, garstig, sterk 
van reuk of smaak (van oliën 
en vetten). 

Tëngka-wang, hooge, tot de 
Hopea-soorten (Nat. fam. der 
Dipterocarpeae)behoorende boom, 
die het onder den naam Minjak- 
tëngkawang of Tëngkawang- 
olie bekende plautenvet levert. 

Têngkoe (ook : Toewan koe),Ma- 
leische adeliyke titel. 

Tëngkorak, schedel, bekkeneel, 
doodshoofd. 

Tengok, Mënengok, naar iets 
kyken, zien, omzien, omkijken, 
enz.; Mënengokkën, naar iets 
of iemand gaan zien, iemand be- 
zoeken om te zien hoe hy het 
maakt, enz. 



TEPI. 

Tënoek, de tapir. 

Tënoen, Mënënoen, weven, (ook : 
Bërtënoen), bezig z^n met we- 
ven, enz.; Tënoenan, weeftoe- 
stel, ook wat geweven wordt of is. 

Tënoeng, waarzegging, voorspel- 
lery, voorspelling, toovery; Më- 
nënoeng, waarzeggen, voorspel- 
len; Pëtënoeng, ziener, waar- 
zegger. 

Tenong, gevlochten manden of 
doozen van diverse vormen en 
met deksels, dienende ter bewa- 
ring van eetwaren, kleederen, enz. 

Tëntang, betreffende, met betrek- 
king tot, ten aanzien van, nopens, 
aangaande, tegenover, tegenover- 
geplaatst,enz. ; Mënëntang,recht 
uitkyken op, vlak tegenover iets 
geplaatst zyn, enz. 

Tenteng, Mënenteng, iets in de 
hand (hangend) dragen, iets in 
de hand aan een touw, in een 
zak, enz. meevoeren, enz. 

Tëntoe, stellig, bepaald, zeker, vast, 
uitgemaakt, zekerheid, enz. ; Më- 
nëntoekën, iets vaststellen, ver- 
zekeren, bepalen, uitmaken, enz., 
ook: zeker, sj;ellig op iets rekenen, 
enz.; Katëntoean, zekerheid, 
bepaling, vaststelling, enz. 

Tëpak, Mënëpak, met de hand 
afweren, byv. een toegeworpen 
voorwerp, enz. 

Tepak, doos van vlechtwerk, meest 
dienende tot beteldoos. 

Tëpat, juist, recht, in de goede 
streek, niet afwekend, enz. ; 
Mënëpat, recht op iets afgaan, 
in de juiste richting gaan, enz. 

Tëpi, kant, zoom, rand, strand, 
oever, boord, grens, enz. ; Tëpi 
laoet, zeestrand ; Tëpi soengai. 
rivieroever ; Tëpi langit, de gren s 
van den hemel, de horizont ; Bër- 
tëpi, van een rand, zoom, lyst, 
enz., voorzien (z^jn) ; Mënëpi,naar 
den kant, oever, enz. gaan; Më- 
nëpikën, iets naar den kant, 
oever, enz. brengen, halen, trek- 



TEPO. 



TEKI. 



259 



ken, roeien, enz., ook iets van 
een rand, zoom, lyst enz. voorzien. 

Tëpoek, zie: Tëpok. 

Tëpoeng, meel; Mënëpoen^, meel 
maken, iets tot meel stampen, 
vermalen, enz. 

Tëpok, klap, slag met de vlakke 
hand; Mënëpok, een klap of slag 
met de vlakke hand geven, met 
de vlakke hand klappen, een 
slag geven, enz. ; Bërtëpok ta- 
pgan, in de handen klappen. 

Tëra, stempel ; Mënëra, stempelen, 
een stempel op iets drukken, 
zegelen, drukken, enz.; Përtë- 
ra&n, het stempelen, enz., druk- 

Tëraboeng, Mënëraboen^r, op 

iets aanvliegen, aanstuiven, aan- 
vallen, enz. (zooals twee hanen 
tegen elkander, ^oodat de veeren 
in de rondte vliegen). 

Tërada, zie: Tiada. 

Tëradjang, Mënëra^jang, op 
iets aanvliegen, — invHegen, —in- 
stuiven, —aanvallen, tegen iets 
aanloopen, iets omverloopen, een 
verwoeden aanval op iets doen. 

Tëradjoe (Jav.), balans, schaalba- 
lans, weegschaal, enz. eig. de naald 
daarvan. ^ 

Tëran, Mënëran, persen, druk- 
ken (byv. by het doen eenerna- 
tuurlyke behoefte). — ook Mëngë- 
dan. 

Tërang, helder, licht, klaar^duide- 
Hjk, doorschijnend; Mënerang, 
inlichting vragen, opheldering 
verzoeken, enz. ook ; licht, helder- 
schynend ziJn ; Mënëran^, iets 
verhchten; Mënërangken, iets 
ophelderen, verklaren, omtrent 
iets inlichting geven, enz. ; Ka- 
tërangan, toelichting, ophelde- 
ring, verklaring. 

Tëras, de kern, het hart (van hout), 
zuivere korrel (van graan) enz. ; 
Mënëras, hout tot op het hart 
bewerken, alleen het hart daarvan 
nemen, ryst enz. wit stampen. 



Tërasi, fijne garnalen of visch fijn- 
gestampt en daarna gedroogd, 
toespys bt) de rii'sttafel voorna- 
melijk in Sambël gebruikt. 

Tëratal (of Tërate), Nelumbium 
speciosum, Wild. nat. fam. der 
Nelurabiaceae, een waterlehe. 

Tërawang (Tërawangan), a jour 
bewerkt, als kant bewerkt, enz. 

Tërban, tamboeren (zie : Rabana). 

Tërbang, Mënërbang, vUegen, 
stuiven, opstuiven (van stof), weg- 
vliegen, enz.; Mënërbangkën, 
doen wegvliegen, loslaten (vah 
vogels), met iets wegvliegen, iets 
vliegend meevoeren. 

Tërbit, voortkomen, voortspruiten, 
ontstaan uit, opkomen, opryzen, 
ontspringen, uitbreken, enz.; Më- 
nërbitkën, iets te voorschijn 
brengen, doen uitkomen, doen 
ontstaan, bewerken, enz. 

Tërdjoen, zich van eene hoogte, 
enz. afstorten, van iets afspringen, 
enz. ; Mënërdjoenkën, van iets 
afsmtjten, afwerpen, enz. 

TërejaJs, schreeuw, gil;Bërtëre- 
jak, schreeuwen, gillen; Mënë- 
rejakkën, iemand doen gillen, 
ook iemand luid roepen, toeroe- 
pen, enz. 

Tëri, kleine (meest gedroogde) 
vischjes. 

Tërigoe tarwe, (Titricum vulgare, 
L. nat. fam. der Gramineae, - ook : 
Gandoem), rogge (Secale cereale, 
L. nat. fam. der Gramineae); 
Tëpoeng tërigoe, rogge- of 
tarwemeel. 

Tërik, styf aangehaald, strak ge- 
spannen of getrokken, klemmend, 
stevig, enz. ; Panas tërik, smoor- 
heet ; Mënërikkën, spannen, 
styf aanhalen, strak trekken, ste- 
vig binden. 

Tërima, ontvangen,aannemen,enz.; 
Mënërima, in iets berusten, te- 
vreden zün, iets goed opnemen, 
6nz.;Mëneriinakën, iets ter hand 
stellen, aanbieden, doen ontvan- 



260 



TERI. 



TETA. 



gen,enz.,ookmetietstevredenzün, 
met iets tevreden stellen; Tëri- 
xna kasih, dank, dankbaar (z\jn); 
Mênërima kasih, danken, be- 
danken, zijn dank betuigen, zich 
dankbaar toonen, enz. 

Tëripang,zeebIoedzuiger,zeeworm, 
veel door Chineezen in den han- 
del gebracht en gegeten. 

Tërka, vermoeden, verdenking,enz. 
Mëuërka, vermoeden, gissen, 
raden, verdenken, iemand verden- 
ken, enz., ook: beschuldigen, iets 
ten laste leggen; Mënerkakën, 
iets te raden, te vermoeden ge- 
ven, iemand van iets verdenken, 
enz.; Pënêrka, degeen, die ver- 
denkt, enz.; Pënërka&n, ver- 
moeden, verdenking, enz. 

Tërkam, Mënërkam, met een 
vaart op iets springen , bespringen, 
zich met een vaart op iets wer- 
pen, enz. 

Tëroeboek, een zoutwatervisch, 
soort elft, waarvan de kuit ge- 
zouten in den handel gebracht 
en veel wordt gegeten. 

Tëroempah, sandaal, ook : houten 
klomp met een knop die tusschen 
den groeten en tweeden teen 
wordt vastgeklemd. 

Tëroes, door, rechtdoor, door en 
door, door iets heen, doorboord, 
recht uit, recht toe, recht aan, 
regelrecht, doorgaand, enz, ; Të- 
roes-tërang, ronduit, zonder 
omwegen, rond voor de vuist, 
oprecht, enz.; Mënëroes, door 
iets heendringen, doordringen, 
doorloopen, enz.; Tëroes-mënë- 
roes, door en door, geheel door- 
gedrongen, enz.; Mënëroeskën, 
iets doorsteken, doorgraven, door- 
boren, iets door iets heen steken, 
enz., ook: iets door laten gaan 
(byv. een feest), vervolgen, voort- 
zetten, doorzenden, voortschik- 
ken, enz.; Tëroesan, doorgraving, 
kanaal, doorgang, enz., ook voort- 
zetting van iets, enz. 



Tëroesi (of Përoesl), Sulphas cu- 
pri, kopervitriool. 

Terong, benaming van vele hees- 
ters behoorende tot de nat. fam. 
der Solaneae, waaronder Terong 
gëlatik, Solanum pseudo-unda- 
tum, BI. var. leucocarpum; Te- 
rong gëde, Solanum melongena, 
L. ; Terong paït, Solanum un- 
datum. Dam ; Terong Tvlanda, 
Lycopersicum esculentum, Mill. 

Tëropong, piip, blaaspyp, buis, 
kijker, verrekijker, enz.; Tëro- 
pong bintang, sterrekijker, te- 
lescoop ; Tëropong koetoe, mi- 
croscoop ; Mënëropong, met een 
buis of ptip iets blazen, aanblazen 
(bijv. vuur), met een kijker naar 
iets zien, enz. 

Tërtawa, lachen. Zie : Tawa. 

Tërweloe (ook : Raweloe) (Jav.), 
haas, konijn. 

Tësmak (Jav.), bril. Zie ook: Katja- 
mata. 

Tëtak, houw, slag met een scherp 
wapen, hak, enz.; Mënètak, 
houwen, hakken, enz ; Mënë- 
takkën, met een sabel enz. naar 
iets houwen, slaan, enz., —een 
sabel enz. gebruiken, om een 
houw, enz. toe te brengen. 

Tëtal (of Tëtël), dicht, compres, 
samengepakt, samengeperst, sa- 
mengedrukt, enz.; Mënëtal, dicht 
ineendrukken,samenper&en, druk- 
ken, aandrukken, enz. 

Tëtamoe, gast, bezoek, visite. Zie: 
Tamoe. 

Tëtampah, wan, groote, ronde, 

j^ ( platte mand met lagen rand. Zie : 
Tampah. 

Tëtap, vast, stevig, bestendig, 
standvastig, rustig, bedaard, kalm, 
enz. : Mënëtapi of Mënëtap- 
kën, bevestigen, stevig vastma- 
ken, enz., ook ; fixeeren, enz. ; 
Katëtapan, vastheid, bevesti- 
ging, volharding. 

Tëtapi, doch, evenwel, maar,echter . 

Tëtas, doorgeslagen, doorgehakt, 



4\ 



Xit '^(*r>^MA, 



TETE. 



TIMA. 



261 



doorgebroken, jBnz., gebarsten, 
losgetornd ; Mënëtas, doorbre- 
ken, doorslaan, openbreken, uit- 
broeden (van eieren), enz.; Më- 
ntëaskën, iets doorbreken, doen 
uitbroeden, enz. 

Tetek (Bat.), (of Tete), vrouwen- 
borst, uier; Mënetek, ^aan de 
borst zuigen, zuigen; Mënetek- 
kën, doen zuigen, de borst geven, 
zoogen ; Baboe tetek, min, zoog- 
ster. 

Tetes (Jav.), druppel, drop, ook me- 
lasse, lekstroop, keukenstroop, en: 
welbespraakt, goed en vlot, rad 
kunnen spreken (ook: Pëntes), 
enz. 

Tiada, niet, neen, niet zijn, niet 
bestaan, enz. ; Mèniadaken, ma- 
ken, dat iets er niet is, vernietigen, 
enz. ; Ta' dapët tiada, het moet, 
het moet volstrekt. 

Tian, buik (bepaaldelijk van een 
zwangere vrouw). 

Tiang, st\jl, pilaar, paal, mast, zuil, 
stut, enz. ; Tiang kapal, scheeps- 
mast; Tiang bandera^ vlagge- 
stok, vlaggemast; Bërtiang, 
van een mast voorzien (zyn), een 
mast (of masten) hebben, enz. 
ook: als een mast (zyn), op een 
mast gelyken, enz.; Mëniang- 
kën, iets van een mast voorzien, 
enz. 

Tiap (of Tiap-tiap), ieder, elk, tel- 
kens; Tiap-tiap hari, elke dag. 

Tiarap, op den buik, voorover lig- 
gend, (liggen) (ook: Bërtiarap.) 
Mëniarap, voorover op den buik 
gaan liggen; Mëniarapkèn, op 
den buik leggen. 

Tiba, ergens aankomen, belanden, 
enz., ook: gebeuren; Tiba- tiba, 
eensklaps, onverwachts, plotse- 
ling. 

Tida (of Tidak), neen, niet, zie: 
Tiada. 

Tidoep, slaap, rust, slapen, rusten, 
liggen, enz.; Mënidoeri, op iets 
liggen, op iets slapen, enz., ook : 



beslapen, eene vrouw beslapen; 
Mënidoerkën, laten liggen, doen 
liggen, in slaap brengen, sussen, 
enz., ook: eéne vrouw beslapen; 
Katidoeran, vast ingeslapen, 
over den tyd slapen, te laat 
wakker worden, enz., ook : besla- 
pen zyn (van een vrouw), enz.; 
Pëtidoeran of Tëmpat tidoer, 
slaapplaats, legerstede, ledekant, 
enz. 

Tiga, drie, drietal; Tiga belas, 
dertien; Tigapoeloeh, dertig; 
Tiga ratoes, drie honderd; 
Bërtiga, rnet zyn drieën (zyn), 
alle drie ; Përtiga of përtiga&n 
(përtigan), derde, derde deel; 
Katiga, de (het) derde, ten 
derde; Tigatiga, drie aan drie, 
ook: alle drie. 

Tikal (of Tikël), dubbel, gevou- 
wen, enz. ook een streng garen 
(zie: Toekël). 

Tikam, steek, por, stoot (met een 
puntig voorwerp); Mënikam, 
met iets puntigs (een dolk, enz.) 
steken, stoeten, doodsteken, over- 
hoopsteken, enz. ; Mënikamkën, 
een puntig voorwerp in iets ste- 
ken, stooten, enz. 

Tikar, mat, zitmat, ligmat; Tikar 
rotan, rottingmat; Tikar pan- 
dan, fijne mat van in reepjes 
gesneden pandan- bladeren. 

Tike (Jav.), bereide en voor het 
rooken klaar gemaakte opium. 

Tikoes, muis, rat; Roemahtikoes, 
schildwachthuisje, ook: cel. 

Tilam, matras, bultzak. 

Tilik, Mënilik, aandachtig opne- 
men, zien, bekaken, enz.; 
Mëniliki, iemand een bezoek 
brengen, om te zien hoe hy het 
maakt. 

Tim, Mëngëtim, iets in een pot 
stoven, gaarstoomen, enz.; Nasi 
tim, ryst in een gesloten pot 
gaar gestoomd, door den pot in 
kokend water te plaatsen, enz. 

Timah, tin, lood, zink; Timah 



262 



TIMA. 



TING. 



poetih, tin; Timah itam, lood; 
Timah sari, zink. 

Timang: (Jav.), gesp, gesp aan een 
gordelband. 

Timba, schepper, schepemmer, 
putemmer; Mënimba, putten, 
water putten, hoozen, uithoozen. 

Timbal, weerga, tegenhanger, wat 
tegen iets opweegt, enz.; Bër- 
timbal, een tegenhanger heb- 
ben; Mênimbal, tegen iets op- 
wegen, tegenhanger zjjn. 

Timbang, gewicht, tegenwicht, 
evenwicht; Mënimbang, wegen, 
wikken, overwegen, enz.; Tim- 
bangan, weegschaal, balans, un- 
ster, ook : overweging, en wat als 
tegenhanger tot het behoud van 
het evenwicht gebruikt wordt. 

Timboel, Artocarpus incisa, L. nat. 
fam. der Artocarpeae, de brood- 
vrucht (boom). 

Timboel, opkomen, te voorschijn 
komen, verrazen, vlotten, dryven, 
bovendreven, uit het water bo- 
ven komen drtjven, enz.; Batoe 
timboel, dryfsteen, puimsteen; 
Boelan timboel, wassende, op- 
komende maan; TimboelDja 
boelan, de opkomst der maan; 
Ménimboelkën, doen opkomen, 
doen verschynen, te voorschijn, 
te berde, ter sprake brengen, 
aanhangig maken, enz. 

Timboen, opgehoopt, hoop, op- 
hooping, stapel, myt; Bërtim- 
boen-timboen, op elkander ge- 
hoopt, opgestapeld (z^jn), enz. 

Timboes, zie: Tamboes. 

Timoen (of Këtimoen), komkom- 
mer; (Cucumus sativus L. nat. 
fam. der Cucurbitaceae) ; hiervan 
bestaan vele soorten. 

Timoer, Oost, het Oosten, oosteiyk. 

Timpa, Mënimpa, op iets vallen, 
neervallen, neerkomen, enz., ook 
(van een dronkaard, byv.): vele 
glaasjes naar binnen slaan, goed 
op den drank aanvallen, (en fig. 
vulgair) ook : op eene vrouw val- 



len, haar beslapen; Mënimpa- 
kën, iets op iets laten vallen, 
neerkomen, enz. 

Timpak, zichtbaar, te zien zyn, 
(zie ook: Tampak). 

Timpal (ook: Timpalan), tegen- 
hanger, weerga, goed by iets 
passend, enz., een span met iets 
uitmakend. 

Timpang, mank, kreupel; Bër- 
timpang, Mënimpang, mank, 
kreupel gaan (zyn), hinken, enz. 

Timpe, zie: Tempe. 

Timpoek, Mënimpoek, met iets 
gooien, werpen, enz.; Mënim- 
poeki, iemand of iets begooien, 
be werpen, enz.; Mënimpoekkën, 
iets naar iemand of iets gooien, 
werpen, enz. 

Tindas (of Tindës), druk, ver- 
drukking, enz. ; Mënindas, druk- 
ken, verdrukken, onderdrukken, 
platdrukken, dooddrukken, dood- 
knypen (van ongedierte bflv. door 
ze tusschen de nagels te ver- 
pletteren), enz. 

Tindih, Mënindih, op iets liggen, 
iets met ztjn gewicht bezwaren, 
door er op te gaan staan, liggen, 
enz.; Mènindihi, op iets Uggen, 
iets drukken, enz.;Mënindihkën, 
iets op iets anders plaatsen, om 
dit laatste te drukken, op iets 
het een of ander voorwerp, of 
gewicht neerleggen, zoodat het 
gedrukt wordt, enz. 

Tindik (Jav.), Mënindik, iets 
zachts en duns (b\jv. de ooren) 
doorboren, een gaatje er in ma- 
ken, enz. 

Tindis, zie :^ Tindas en Tindih. 

Tindjau, Mënindjau, met gerek- 
ten hals naar iets uitkeken, van 
eene hoogte naar iets uitzien, 
iets bespieden, enz.; Pënindjau, 
spion, bespieden, verspieder. 

Tindjoe, vuist; Mënindjoe, met 
de vuist slaan of stoeten, boksen. 

Ting (Chin.), lantaarn, papieren 
lantaarn. 



TING. 



TITI. 



263 



Tinggal, blyven, achterblijven 
overbleven, op dezelfde plaats 
blyven, onveranderd bljjven, lig- 
gen blijven, verblijven, ergens 
verblijf houden, wonen, enz., ook 
achterlaten, achter laten blijven, 
vertrekken zonder mede te nemen! 
enz. ; Mëninggal, overlijden, ster- 
ven, doodgaan (met achterlating 
der overlevenden); Mëninggal 
ken, achterlaten, verlaten, na- 
laten, doen achterblijven, enz. 
ook : iets laten, in den steek laten, 
niet meevoeren, niet voortzetten 
enz., ook : een huis, enz. bewonen 
bezetten, er zyn verblijf in ves< 
tigen, enz. 

Tinggi, hoog, verheven, hoogge- 
plaatst, ook hoogmoedig, trotsch 
uit^ de hoogte, verwaand, enz. 
Mëninggikën, in de hoogte hef- 
fen,opheÖ'en,verheffen,verhoogen, 
enz. ; Pëtinggi, desahoofd (voor- 
namelijk in Oost- en West- Java). 

Tinggi (Jav.), wandluis. 

Tingkah, kuur, dwaze inval, ma- 
nier van doen of zijn, enz. ; Ting- 
kah-lakoe, manier van doen en 
laten, manier van zy'n, gedrag, 
gedragingen; Bërtingkah, kuren 
hebben, enz. 

Tingkap, naar boven openslaand 
luik ot klep ter sluiting van een 
opening, ook: venster,kijkgat,enz.; 
Mëningkap, een luik openen, 
om er door te kijken, door een 
luik of venster zien. 

Tingkat, verdieping, terras, dek. 

Tingting (Chin.) (of Tengteng, 
ook : Tenteng), een soort droge 
snoeperij of droog gebak met 
Katjang-boontjes, enz. 

Tinta, inkt; Tëmpat tinta, inkt- 
koker. 

Tinting, Mëninting, iets in een 
wan heen en weder schudden, 
schuddend wannen van iets kor- 
religs, om de groote en kleine 
korrels van elkander te scheiden, 
enz., zie ook: Tenteng. 



Tioep, geblaas; Mënioep, blazen, 
wegblazen, waaien, enz,; Mëni- 
oep sëiompret, op de trompet 
blazen. 

Tipis, dun, niet dik, fijn, dunte, 
dunheid, fijnheid, enz.; Bibir 
tipis, dunne lippen; Mënipiskën, 
dun, dunner maken, verdunnen. 

Tipoe, misleiding, bedrog, hst; 
Bërtipoe, listig ziJn, zijih van 
listen bedienen, enz.; Mënipoe, 
bedrog plegen, iemand bedriegen, 
misleiden ; TJpoe-daja, listen en 
streken; Pënipoe, bedrieger. 

Tirai (of Tire), gordijn, voorhang. 

Tiram, oester; Pëtiraman, plaats 
waar oesters gevonden worden, 
oesterbank. 

Tiras (Jav.), rafel, losgetornd draad 
uit stukjes linnen, enz., pluksel. 

Tiri, stief-, Bapa tiri, stiefvader; 
Ma tiri, stiefmoeder; Anaktiri, 
stiefkind. 

Tiris, Mëniris, lekken, uitlekken, 
zijpelen, biJ druppels ergens uit- 
komen, enz. (van vloeistoffen). 

Tiroe, nabootsing, ^namaak, enz., 
' (ook: Tiroean), Mëniroe, naboot- 
sen, nadoen, namaken, enz. 

Tiroes, dun, smal doeh niet puntig 
uitloopend, (bijv. van een kin, 
een vinger, enz.). 

Tisi (of Tisik), Mënisi, stoppen 
(met de naald), een scheur of 
gat in een kleedingstuk stoppen. 

Titah, vorstelijk woord, bevel; 
Bërtitah, spreken, b^evelen, enz. 
(van een vorst); Mënitahkën, 
iemand een last opdragen, beve- 
len, met een zending belasten, 
zenden, enz. (door een vorst). 

Titi, nauwgezet, nauwkeurig, ge- 
geduldig in het werk, stipt, enz. 

Titik, stip, punt, s^at, druppel, 
klein vlekje, enz. ; Bertitik, met 
stippels of kleine vlekjes, gevlekt, 
gepareld, enz.; Mënitiki, stip- 
peltjes op iets maken, iets be- 
druppelen, enz. 

Titip (Jav.), Mënitip,Mënitipkën, 



264 



TITI. 



TJAM. 



iets by iemand deponeeren, in 
bewaring geven, enz. 

Titir (Jav.), alarm, alarmsignaal op 
het rystblok (btj moord- en roof- 
partyen); Mënitir, alarm slaan, 
enz.; Titiran, windmol en tjes op 
de velden om vogels en andere 
dieren te verschrikken (ook : KI- 
tiran). 

Titis, druppel, drop, (zie: Tetes), 
ook:incarnatie,mensch-ofvleesch- 
wording (van een godheid); Më- 
nitis, druppelen, af druppelen, 
enz.,ook: zichincarneeren,mensch 
worden, enz. (van een godheid). 

Tiw'as, ongeluk, tegenspoed, enz., 
ook een ongeluk krygen, het 
onderspit delven, het tegen een 
ander afleggen, enz. 

Tjabang, tak, twjjg, enz., tak, zij- 
tak, rivierarm, zjjrivier; Bêrtja- 
bang, getakt (zyn). 

TJabe, Capsicum annuum, L. nat. 
fam. der Solaneae, de gewone 
Spaansche peper, waarvan vele 
soorten bestaan, — ook een an- 
dere, meer in de inlandsche ge- 
neeskunde gebruikt wordende 
pepersoort, de z.g. lange peper 
van den handel, Chavica oflQci- 
narum, Miq. nat. fam. der Pipe- 
raceae, waarvan mede verschei- 
dene soorten bestaan. 

TJaboek, het hoogste stadium van 
melaatschheid, — zie verder: 
TJamboek. 

Tjaboel, brutaal, pochend, snoe- 
vend, blufiferig, vermetel, stout, 
roekeloos, onbeschaamd, onbe- 
schoft, niets ontziend, onzedelyk, 
losbandig, enz. 

TJaboet,MëntJaboet, uittrekken, 
uitrukken, uit den grond, of 
waarin iets bevestigd is of vast 
zit, trekken (byv. een plant, een 
tand, enz.), ontblooten (een wapen 
bijv.). 

TJadas (Soend ), harde, rotsachtige 
grond, verweerde rotsgrond, ook : 
mergelgrond. 



Tjagak, paal, stut, styi, wat tot 
steun van iets, dat tegen omval- 
len behoed moet worden, dient; 
Mënjagak, stutten, steunen, 
schragen, schoren, enz. 

Tjagak, voet of bok (bijv. voor 
schietwapens), vork, gaffel, vork- 
vormig wapen van gardoe- wach- 
ters; Mënjagak, iemand met 
zulk een vork te lyf gaan, tegen- 
houden, aanhouden, enz., ook : een 
schietwapen op een schraag of 
bok enz. plaatsen, om te schieten. 

TjaïDg, een hoeveelheid padi van 
200 bossen. 

Tjaïr, zie: Bntjer. 

Tjaja (of Tjahaja), zieiTjëhaJa. 

Tjakap (of TJakëp), er goed uit- 
ziend, van een flink voorkomen, 
deftig, ook : vaardig, handig, kun- 
nep, in staat zyn tot, bereid z\Jn 
tot, durven, ook: bluffen, groot- 
praten, enz.; Bërtjakap, iets op 
zich nemen, aannemen iets te 
doen, enz. 

TJakar, klauw, poot (van vogels 
en viervoetige dieren), krab met 
de nagels, enz.; Mëntjakar of 
Mënjakar, krabben, krabbelen, 
omkrabbelen (zooals kippen byv. 
den grond met hunne pooten 
bewerken) ; TJakar ajam, kippe- 
poot, hanepoot, krabbelig slecht 
schrift, enz. 

Tjakëra (Sk.) (of Tjakra), ronde 
schiif, werpschilf. 

TJakërawala (of Tjakrawala), 
hemelgewelf, heelal, horizont, 
kim, gezichjeinder. 

Tjakoep, Mënjakoep, naar iets 
happen. 

TJaling, hoektand, slagtand. 

TJamat (Soend.), titel van een in- 
landsch hoofd, assistent- wëdana. 

TJambang, baard, bakkebaard; 
Bërtjambang, gebaard. 

Tjamboek, zweep, rtJzweep, kar- 
wats; Bërtjamboek, met een 
zweep, karwats, enz. loopen, enz. ; 
Mëntjamboek, Mënjamboek, 



TJAM. 



TJAP. 



265 



met een j:weep slaan, klappen, 
enz. ; MeDjamboeki, Iets of 
iemand met een zweep enz. slaan, 
afrossen, afranselen, enz. 

Tjampab, flauw, laf van smaak, 
(van spjjzen byv.) onkiesch (van 
woorden), onwelluidend (van mu- 
ziek enz. 

TJampak ; spies, werpspies ; Më- 
njampakkën, iets neersmijten, 
smakken, enz. 

Tjampoeng, geknot, getopt, van 
het boveneind beroofd. 

Tjampoer, gemengd, vermengd, 
doj)reen, dooreengehaald, enz. ; 
Bërtjampoer, zich mengen in, 
zich afgeven met, zich bemoeien 
met; Mënjampoer, mengen, ver- 
mengen, doj)reenmengen ; Më- 
njampoerkën, iets by of met iets 
anders mengen, vermengen, enz.; 
Tjampoer baoer, geheel ver- 
mengd, verward dooreen; TJam- 
poeran, mengsel, vermenging, 
enz., ook : de bestanddeelen van 
een mengsel, enz. 

TJanang, omroepersbekken ; Mën- 
tjanang en Mëntjanangkën, 
iets b\j bekkenslag bekend maken, 
enz. 

Tjanda(6at.) (Bërtjanda), stoeien, 
ravotten, enz. 

Tjandak (Jav.), bereikt, ingehaald, 
gegrepen; Mënjandak, bereiken, 
inhalen, achterhalen, kragen, 
grtjpen. 

Tjandi, ruïne uit den Hindoe-tyd, 
Hindoetempel. 

TJandoe, bereide opium. 

Tjanggah, vork, gaffel, vorkvor- 
mig wapen van gardoewachters, 
zie: Tjagak. 

Tjangking, Mënjangking, iets 
onder den arm dragen, —ook: 
dragen in de armen of handen, enz. 

TJang:kir, kopje, kommetje, be- 
kertje. 

TJangkoel, een soort hak of 
patjoel (voor de grondbewer- 
king. 



Tjangkok, aflegger, ent (van een 
boom enz. bestemd om afgesne- 
den en op ^zichzelf geplant te 
worden) ; Mënjangkok, van een 
tak van een boom, enz. een af- 
legger of ent maken, door er 
een deel van de schors of bast 
van af te nemen en dit deel met 
aarde te omwikkelen voor het 
wortelschieten; TJangkokan = 
TJangkok. 

Tjantik, lief, bevallig, aardig, net 
van voorkomen. 

Tjanting (Jav.), klein koperen busje 
met handvat en tuit, dat by het 
batikken van kleedjes gebruikt 
wordt. 

Tjan)(ang, Mënjantjang, Më- M 
nantjang, iets aan een touw vast ^ 
leggen (byv. een paard), iets er- 
gens aan vastbinden, enz. 

Tjantoem, (van twee lichamen) 
elkander aanrakend, tegen elk- 
ander aangedrukt ; Mënjantoem, 
twee hchamen, enz. tegen elkan- 
der aanbrengen, aan elkander 
vastspeiden, enz. 

TJap, zegel, stempel, cachet, af- 
druksel, druk; Hoeroef tjap, 
drukletter; Tjap soerat, zegel 
op^ een brief, postzegel, enz.; 
Mëngëtjap, zegelen, stempelen, 
drukken ; Mëngëtjapkën, op 
iets een zegel, stempel, enz. 
drukken, iets bedrukken ; Pëngë- 
tjapan, drukkerij ; Kërtas tjap, 
gezegeld papier, ook: papier be- 
drukt met een hoofd enz. of 
drukpapier. 

Tjapai, Mëntjapai, naar iets 
grypen, iets aanvatten, enz. 

Tjape, moe, moede, vermoeid, 
afgemat. 

Tjaping (Soend.), (of Tjapil,ook: 
Toedoeng), inlandsche, breed- 
gerande zonnehoed. 

Tjapio (Chin.), hoofddeksel, 
hoed. 

Tjapoek, teekens, litteekens, 
vlekken (van pokken, enz.). 



266 



TJAP. 



Tjapoeng, glazemaker, juffertje 
(insect). 

TJara, wijze, trant, manier, mode, 
gebruik ; TJara Ing^gris, op zyn 
Engelsch, op de wtjze enz. der 
Engelschen. 

TJarang, jonge loten of takjes 
(byv. van de bamboe, enz.). 

Tjari, zie : Tjëhari. 

TJarik (Jav.), schrijver, klerk, desa- 
schrijver. 

Tjarik, gescheurd, gekrast, enz., 
kras, lijn, streep ; Tjorak-tjarik, 
in alle richtingen gekrast, gebar- 
sten, gescheurd; Mëntjarik, 
scheuren, krassen, bekladden met 
strepen, enz. 

Tjarita, zie : Tjëritëra. 

TJaroet, vuile, gemeene taal ; Mën- 
tjaroet, vuile, gemeene taal uit- 
kramen, vuil spreken, vuilbekken ; 
Pëntjaroet, vuilbek. 

Tjarpoe (of TJaripoe), sandaal. 

Tjat (of Tjet^ verf, olieverf, verf- 
stof; Mëngetjat, verven. 

Tjatjah, prik, steek met een dun 
fijn voorwerp als een naald, enz., 
fijngesneden stuk, baksel; Më- 
Djatjah, prikken, beprikken, ta- 
touëeren, ook btjv. een jonge 
mangga met een mes in fijne 
stukjes hakken, enz. 

TJatJah (Jav.), aantal, bedrag, cijfer 
(van zielen, vee, enz.). 

TJatJap (Jav.), compres, nat ver- 
koelend smeersel op het hoofd; 
Mënjatjap, zulk een smeersel 
gebruiken. 

Tjatjar, de pokken, kinderpokken ; 
TJatjar bëtoel, de echte pok- 
ken; Tjatjar ajër, de waterpok- 
ken; Mënjatjar, Mënatjar, in- 
enten; MëDjatjarkën, iemand 
met pokstof enz. inenten. 

Tjatjing, aardworm, regenworm, 
pier, ingewandsworm, ook: haar- 
staart (van een Chinees): Tja- 
tjing këroe-voit of — kërëmi, 
aarsmaden ; Tjatjing pita, lint- 
worm (ook : Tja^ing pipih). 



TJEK. 

Tjatoer, schaakspel; Papan tja- 
toer, schaakbord; Boewah tja- 
toer, schaakstukken. 

Tjawan, kopje, kom, kommetje. 

TJawat (of Tjawët), onderlijfs- 
kleed, dat tusschen de beenen 
doorgehaald wordt; Tjawatan 
of Bërtjawat, een onderlijfskleed 
oj)die wijze dragen. 

Tjebak, Mëntjëbak, graven, del- 
ven, een loopgraaf maken, enz. 

Tjëblos (Jav. Bat.), opening, waar- 
door Jemand of iets heenzakt; 
KëtJëbloB, in zulk een opening 
geraakt, enz. 

Tjëboer, plomp, plof (in water); 
Këtjëboer, per ongeluk in het 
water ^gevallen ; Mëntjëboer of 
Mënjëboer, in het water plom- 
pen, ploffen, zich in Jiet water 
werpen ; Mënjëboerkën, iemand 
of iets in het water gooien, du- 
wen, enz. 

Tjebok, Mëntjebok of Mënje- 
bok), na het doen van eene na- 
tuurlijke behoefte zich wasschen. 

Tjebol, kort, ineengedrongen, 
dwerg. 

Tjëgoek, slok, teug, ook : hik, de 
hik hebben ; (Tjëgoekan). 

Tjëhaja, glans, schijnsel, licht, 
luister ; Bërtjëhaja, glanzen, 
glinsteren, enz., glans verspreiden. 

Tjëhari, Mënijëhari, zoeken, 
naar iets zoeken, opzoeken, op- 
sporen, navorschen ; Mëntjë- 
harikën, voor ^iemand iets 
zoeken, enz.; Pëntjëharian, kost- 
winning,^ broodwinning bedrijf, 
enz. ; Mëntjhëari akal, iets be- 
denken, naar een middel tot het 
een of^ ander zoeken, uitzien; 
Mëntjëhari rêdjëki, levens* 
onderhoud zoeken, enz. 

Tjëkap, Mëntjëkap, met de 
hand omvatten, omklemmen. 

Tjëkek, Mëntjëkek,MëDjëkek, 
iemand de keel toeknijpen, wor- 
gen, enz. 

Tjëki, een Chineesch kaartspel met 



TJEK. 

de bekende kleine speelkaarten. 

Tjèkot (Jav.), pynlyke inwendige 
steek; Mènjëkot of Bërtjëkot- 
tjëkot, pynlijk steken, —trekken 
(van een zweer, bijv.). 

TJëla, gebrek, fout, onvolmaakt- 
heid, vlek, smet, enz.,^ook: beris- 
ping, blaam; Mëntjëla of Më- 
Djëla, berispen, afkeuren, blamee- 
ren, smaden, bekladden, enz.; 
Mëntjëlakën, iemand iets ver- 
wijten, over iets berispen, enz. 

Tjëlah, spleet, nauwe tusschen- 
ruimte, kloof, reet, nauwe ope- 
ning, enz.; Bërtjëlah, metsple- 
ten. 

TJëlak, verfstof (meestal zwart), 
voor do oogleden. 

Tjëlaka, ongeluk, ramp, onheil, 
tegenspoed, ellende, ongelukkig, 
rampzalig, onheilaanbrengend, 
verderfelijk, enz.; Mëntjëlaka- 
kën,ongeluk veroorzaken, iemand 
ongeluk aanbrengen, —ongeluk- 
kig maken, enz. 

Tjëlana, broek, lange tot aan de 
enkels reikende broek, (ook : Së- 
loear); Bërtjëlana, ^een broek 
aan hebben; Mëntjëlanakën, 
een broek aandoen, —doen aan- 
trekken, enz.; Tjëlana bamboe, 
blauw katoenen broek voor stuk- 
rijders (artillerieterm). 

TJele (Bat.), geruit lijnwaad. 

TJëlëmpoeng: (Jav.), een soort van 
inlandsche cither. 

TJeleng (Jav.) (ook : Babi oetan), 
wild zwijn. 

Tjelengan (Jav.), spaarpot in den 
vorm van een varken of wild 
zw^n, in het alg. spaarpot, ook: 
de inhoud daarvan; Mëxijelengi, 
sparen, in een spaarpot bewaren, 
— doen, enz. 

TJëlëpoek, een nachtvogel aan 
wiens geschreeuw bygeloovige 
beteekenis wordt gehecht. 

TJëloep, Mëntjëloep, Mënjë- 
loep, iets onder water duwen, 
onderdompelen, indompelen, sop- 



TJEM. 



267 



pen, enz., ook lynwaad enz. in 
blauwsel, indigo verven; Tjë- 
loepan, wat in indigo blauw is 
geverfd. 

Tjëloepak (Jav.), inlandsch lampje 
zynde oen aarden open reservoir 
met een pitje er in. 

Tjëloeroet (of Tjëroeroet), de 
stinkrat. 

Tjëlos, Mëntjëlos, in een met 
water gevuld gat trappen, zoodat 
het water er uit spuit, uit iets 
vallen waarin een gat is (b\jv. van 
geld uit een gescheurde beurs). 

Tjëmar (of TJëmër), vuil, vies, 
onrein, morsig, onzuiver, onzede- 
lijk, bevuild, beklad, enz.; Kain 
tjëmar, een vuile kaïn, ook de 
menstruatie; Bërkaüi tjëmar, 
menstrueeren; Mëntjëmari 
Mëntjëmarkën, bevuilen, vuij 
maken, bekladden, enz.; Katje- 
maran, vuiligheid, onreinheid, 
onzedelijkheid, onzedelijke han- 
dehng, enz. 

Tjëmara, vlecht, valsche haar- 
vlecht, losse haarvlecht,ook: naam 
van den Casuarina equisetifolia, 
L. en Casuarina nodiflora. Forst, 
nat. fam. der Casuarineae, hooge 
boom met haarachtige blaadjes; 
Ajam tjëmara, hoen met fijne, 
veel van grof haar hebbende 
veeren. 

TJëmboeroe, jaloersch, ijverzuch- 
tig, naijverig, achterdochtig (ook: 
Tjëmboeroean). 

Tjëmër, zie: Tjëmar. 

Tjëmëti, zweep, karwats. 

Tjëmpak, roode hond, lastige jeu- 
kerige huiduitslag (ook: Biang 
këringët). 

Tjëmpaka, Michelia champaca, L. 
nat. fam. der Magnoliaceae (ook 
Kantil genaamd) hooge boom 
met welriekende bloemen; van 
dezen boom bestaan verscheidene 
variëteiten; Tjëmpaka poetih, 
Michelia longifolia, L.; Tjëmpaka 
goenoeng, Michelia montana, L. ; 



268 



TJEM. 



TJER. 



TJëmpaka gondok, Taulama 
]^umila, Andr. enz. 

Tjempèdak, Artocarpus polyphe- 
ma, Pers. nat. fam. der Artocar- 
peae, een Nangka- soort met 
lekkere vruchten. 

Tjëmpëlek (of Këplek) (Jav.), 
soort van kruis of muntspel. 

TJëmploeng, plof; Mënjëm- 
ploeng, in het water ploffen, in 
het watej springen; MëDjëm- 
ploengkën,Jn het water smyten, 
enz.; Katjëmploeng, in het 
water gevallen. 

TJëndana, Santalum album, L. 
nat. fam. der Santalaceae, de san- 
delhout-boom, die het kostbare 
welriekende sandelhout levert. 

Tjëndawan, paddestoel, schimmel 
zwam, zwammige of paddestoel- 
achtige uitwas. 

TJëndëra (of Tjandra), de 
maan. 

TJëndërawasi (of Tjandra- 
'wasa), de paradysvogel. 

TJendol, verkoelende drank of 
snoeperfl. 

TJënela, slof, pantoffel, muil. 

Tjëngang (TêrtjëngaDg), Ter- 
tjëngang-tjëngang, verbaasd , 
verbluft, verstomd (staan te 
kyken), zich verwonderen, zich 
verbazen. 

Tjëngis, vies^ walgelijk (van reuk). 

TJëngkang, wjjd uit eikander 
(byv. van de beenen). 

TJëngkaroek, snoepery van ge- 
droogde en daarna gebraden rijst 
met suiker, enz. 

TJëngkeh, Caryophillus aromati- 
cus, L. nat. fam. der Myrtaceae, 
de kruidnagel (-boom). 

Tjëngkëram, tusschen of in de 
klauwen vatten, grypen, met de 
nagels vasthouden, krabbend 
vastgrepen, enz. (Mënjëng- 
kërazn). 

TJengkeran, ook: TJingkiran 
(Pont.), kook- of stookplaats, soort 
van open haard op de voorplecht 



(het voordek) van een sampan 
of bidar. 

TJëngkëroeng, kuiltje, holte (in 
de wang, byv.). 

Tjëngkir (Jav.), jonge kokosnoot, 
waarvan de schaal nog niet ver- 
hard is. 

Tjëngkolong, Mënjëngkolong, 
iets afhouden, —inhouden, —af- 
trekken, — korten van eenig loon 
enz., ook : (in de rekenkunde), af- 
trekken. 

TjengkoDg (of TJingkong), ver- 
draaid, krom, verwrongen, mis- 
maakt (van een arm byv.). 

TJentong, platte, bladvormige 
rtjstlepel van hout, voornameiyk 
om de rijst om te roeren. 

Tjeper, plat, vlak, ondiep (van 
schalen, enz.); Piring tjeper, 
gewoon, plat, ondiep bord; 
Batoe tjeper, platte steen, keil 

TJëpët (of TJëpat), vlug, snel, 
gauw, gezwind, vaardig, behen- 
dig, by de hand. 

TJepit, zie: Djëplt. 

TJëplok, versierd met opgeplakte 
figuren, ^vlek of kring op iets, 
enz.;-Tëlor tjëplok, kalfsoog, 
spiegelei. 

TJëpoek, busje of doosje, behoo- 
rende by een beteldoos, waarin 
de verschillende ingrediënten 
voor het Sirih-kauwen bewaard 
worden. 

TJërabah, niet netjes, niet pro- 
per, vuil, onzindelyk, enz. 

TJërah, helder, klaar, doorschy- 
nend. 

TJërai (of TJëre), gescheiden, uit 
elkander gegaan ; Bërtjërai, 
scheiden, echtscheiden, van 
elkander gaan; Mëntjëraikën, 
scheiden, van elkander doen 
gaan, enz.; Padi tjërai, Oryza 
montana, Lour. nat. fam. der 
Gramineae, een vroegr^pe ryst- 
soort, waarvan de aren meest 
ook niet zoo gevuld z^jn als van 
de andere soorten. 



TJER. 



TJIN. 



269 



TJëraken (Jav.), inlandsche apo- 
theek, bak met vakjes waarin 
medicamenten zijn. 

Tjërat, kraan, tuit; Mëntjërat, 
aftappen; (Moentjërat), uitspui- 
ten, met een straal uit iets ko- 
men (van vochten). 

Tjërëdik (of Tjërdik), slim, snug- 
ger, biJ de hand, sluw, leep, 
schrander, verstandig, enz. 

Tjërëmai (of Tjërme), Cicca 
nodiflora, Lam. nat. fam. der 
Euphorbiacea, boom met zure 
vruchten, die veel gebruikt 
worden. 

TJërëmi (of Kërëmi), made, aars- 
made, kleine ingewandswormen. 

Tjërëmin, (of Tjërmin), spiegel; 
TJërëmin mata, bril, lorgnette, 
oogglas, ook : pupil van het oog ; 
Bèrtjërëxnin, in een spiegel 
kjjken. 

TJërëpëlai, wezel. 

Tjëret, klein, plotseling uitko- 
mend straaltje van iets; Mën- 
tjëret, dunne ontlasting, diar- 
rhee (hebben). 

Tjeret (Jav.), ketel, waterketel. 

Tjërëtjak, pokdalig, hier en daar 
op het gelaat een litteeken van 
gokken hebben. 

Tjërewet, lastig, moeiltJk te vol- 
doen (zyn), mopperig, veel praats 
hebben, enz. ; (Mëntjëre^wet), 
ook: leven maken, bedillen, op- 
spelen, enz.; Mèntjërewetkën, 
het iemand lastig maken, iemand 
lastig vallen, hinderen, met 
iemand kibbelen, enz. 

Tjëripoe, sandaal. 

Tjerita, zie: Tjëritëra. 

Tjëritëra, verhaal, vertelling, ver- 
telsel, mededeeling, geschiedenis, 
enz.; Mëntjèritëra, verhalen, 
vertellen, enz.,^ookj spreken, zeg- 
gen; Mëntjëritërakèn, iets 
verhalen, vertellen, mededeelen. 

Tjërobo (Jav.), onbeschaamd, on- 
kiesch, onfatsoenlyk; Mëntjëro- 
bo, onbeschaamd, onkiesch zyn; 



Mëntjërobokën, iemand on- 
kiesch, onfatsoenlijk bejegenen. 

Tjëroetjoek, staketsel, paalwerk. 

Tjëroetoe, zie: Sëroetoe. 

Tjet, zie : Tjat;Tjet-to, Chineesche 
glanzende roodbruine verf. 

TJetek, ondiep, ondiepte, wadde, 
waadbare plaats. 

Tjëtjak (of Tjitjak), gewone of 
huishagedis; TJitJak koebin of 
Tjitjak tërbang:, de vliegende 
haËredis 

Tjëtjap (óf Tjëtjëp), Mëntjëtjëp, 
met de punt van de tong aan- 
raken om te proeven, proeven, 
enz. ; Mëntjëtjëpi, iets proeven. 

Tje'wer, dun, waterig, verdund, 
(byv. van gezette koffie, enz.). 

Tji, een opiumge wicht = Vio Thall. 

TJidëra, bedrog, list, geschil, on- 
eenigheid, schade, nadeel, onge- 
mak, enz.; Bërtjidëra, geschil 
hebben, enz., ook : bedrog plegen, 
iemand teleurstellen, zijn woord 
niet gestand doen,enz.; Mëntjidë- 
raken, over iets geschil hebben, 
oneenigheid krijgen, enz., iemand 
schade, nadeel berokkenen, enz., 
iemand bedriegen, teleurstellen, 
enz. 

Tjidoek, scheppertje, lepel, enz.; 
Mëntjidoek of Mënjidoek, met 
een nap, scheppertje, lepel, enz., 
opscheppen, scheppen,^enz., ook : 
roeren, omroeren; Mënjidoek- 
kën, iets opscheppen,voor iemand 
iets opscheppen, enz. 

Tjikar (Jav.), vrachtkar. 

Tjikoetan, de hik hebben. 

Tjina, Chinees, Chineesch ; Nëgëri 
tjina,China Orang: tjina,Chinees. 

Tjindai (of Tjinde), gebloemd, ge- 
vlekt; Kaïn tjindai, gebloemde 
zijde. 

Tjing of Goela tjing, leksuiker, 
stroopsuiker, keukenstroop. 

Tjinggai (of Dj ëngge), Chineesch 
maskeradefeest, waarbij verschil- 
lende onderwerpen voorstellende 
figuren enz. worden rondgedragen. 



270 



TJIN. 



TJOE. 



TJinta, liefde, toegenegenheid, be- 
langstelling, deelneming, zorg, 
kommer, bezorgdheid, verlangen 
naar iets, wen8ch,enz.; Bërtjinta, 
bekommerd, bezorgd (zyn), met 
liefde aan iets denken, enz. ; Men- 
tjintal, iets of iemand liefheb- 
ben, genegenheid toedragen, enz. 
zich over iets bekommerd, be- 
zorgd, ongerust maken, sterk naar 
iets verlangen, enz.; Përtjinta&n, 
liefde, kommer, zorg, enz. 

TJintJang, Mèntjintjang, Mé- 
njintjang, hakken, fijnhakken, 
in stukken hakken, enz.; TJin- 
tjangan, wat fijngehakt is, ge- 
hakt, frikkadel. 

Tjintjau, een verkoelende zoete 
drank. 

Tjintjin,ring,metalenband,schalm, 
schakel. 

Tjioe, Chineesche arak. 

TJioem, zoen, kus; Mëntjioem, 
Mënjioeni, kussen, zoenen, rui- 
ken. Zie ook: Oetjoep (Mëngoe- 
tjoep). 

Tjiri (Jav.), gebrek. 

Tjirit, klein straaltje; Këpëtjlrit, 
onwillekeurig,zonder er iets tegen 
te kunnen doen, iets in ztjn 
broek doen. 

Tjita, sits, gebloemd katoen; ook: 
gewaarwording, gevoel, begeeren, 
lust, verlangen, wensch, enz.; 
Soeka-tjita, blijdschap, vreugde; 
Doeka-tjita, droefheid, kommer, 
smart. 

Tjitak, vorm, stempel, druk ; Mën- 
tjitak of Mënjitak, drukken, 
afdrukken, boekdrukken ; PëDji- 
tak, drukken, het drukken, het 
afdrukken; Përtjitakan, druk- 
kerfl. 

Tjitjir (of Tjetjer), by kleine hoe- 
veelheden vallen, storten, ver- 
spreid raken ; Katjitjiran, overal 
verspreid, bfl kleine hoeveelheden 
verspreid (b^v. van rijstkorrels 
langs een weg);MëiitJitjirkën, 
bö kleine hoeveelheden stor- 



ten, uitstorten, verspreiden. 

Tjoba, proef; Mëntjoba, Mënjoba, 
beproeven, probeeren, proeven; 
Mëntjobai, iets beproeven, iets 
probeeren, iets aanpassen, iets of 
iemand op de proef stellen, enz. 

Tjoe, zie: Tjioe, ook benaming 
voor de muskietenlarve. 

TJoebit, kneep, greep, met den 
duim en een^der vingers; Mën- 
tjoebit, Mënjoebit, knippen, 
tusschen duim en vinger knellen. 

TJoeka, az\jn. 

TJoekai (of TJoeke), schatting, 
pacht, tol, cyns, accyns, belasting, 
recht, enz.; Mëmoengoet tjoe- 
kai, belasting garen, tol, pacht, 
c\jns, recht heffen, sjjhatting in- 
nen, enz.; Mëlarikën tjoekai, 
met belasting enz. op den loop 
gaan, belasting enz. ontduiken, 
smokkelen. 

Tjoeki, vrouwelijk schaamdeeL 
Verg. Poeki. 

Tjoekil (of TJoengkil), voorwerp, 
waarmede men iets ergens uit- 
peutert, opwipt, enz.; Mëntjoe- 
kil (Mënjoekil), iets, dat ergens 
in bevestigd is of vastzit, er uit- 
peuteren, opwippen, in de hoogte 
heffen, enz. (om het los te maken). 

Tjoekin (Chin.), badhanddoek, kort 
badkleedje. 

Tjoekoep, genoeg, genoegzaam, 
toereikend,voldoende,ook: genoeg 
hebben, bemiddeld ziJn, enz.; 
Mëojoekoepi, iets voltallig, vol- 
doende maken, enz., ook: voor 
iets voldoende ztJn, genoeg zyn 
om iets te doen, enz. ; Mëiijoe- 
koepkën, iets voldoende doen 
z\jn, enz. 

Tjoekoer,MëntJoekoer, Mënjoe- 
koer, scheren, afscheren; Pën- 
tjoekoer, scheerder, barbier; 
Piso pëntjoekoer, scheermes. 

TJoela, hoorn of hoornachtig uit- 
steeksel midden op het voorhoofd ; 
TJoela badak, rhinoceroshoorn. 

TJoelik of TJoelik-tJoelik, een 



TJOE. 



TJOM. 



271 



geheimzinnig persoon of geest, 
die volgens het bijgeloof kinderen 
de oogen uitsteekt. 

TJoelixn, hoeveelheid opium voor 
een maal ptjpen; ook de opium- 
pyp zelf. 

TJoema, alleen, enkel, slechts, enz.; 
Përtjoema, Tjoematjoema, 
ydel, vergeefs, te vergeefs, ook: 
kosteloos, gratis, enz. 

TJoemboe (Jav.), mak, tam, aan- 
halig. 

Tjoeml of TJoemi-tjoemi, de 
inktvisch. 

Tjoemik, sikje of haartjes in het 
kuiltje of gleufje van de onderlip. 

Tjoeping:, lel, oorlel; Tjoeping 
idoeng, neusvleugel. 

TJoepoe, holte, kuil, waarin byv. 
een paal of mast past, ook : busje 
of doosje. 

Tjoerah, waterval, neerstortend 
water, enz.;Mënti]oerah, storten, 
neerstorten, uitstorten, uitgieten, 
uitschudden ; Ment j oer ahken, 
op iets neergieten, uitstorten, enz. 

TJoeram, helling, glooiing, hellend 
vlak, steilte. 

TJoerang, valsch, niet eerlek, on- 
eerlek. 

TJoerang (of DJoerang), ravyn, 
kloof, bergkloof. 

TJoerat, Mêntjoerat, met een 
straal ergens uitstroomen, uit- 
spuiten, ^enz. 

TJoeri, Mëntjoeri, stelen, diefstal 
plegen, enz. ; Pëntjoeri, steler, 
dief; Pêntjoerian, diefstal, het 
gestelene ; Tjoeri-tjoeri steels- 
gewys. 

Tjoeriga, priem, dolk. 

Tjoetji, Mëntjoetji, Mënjoetji, 
wasschen, afwasschen, schoon- 
wasschen, schoonmaken (met 
water), reinigen, enz.; Tjoetji 
(Mëntjoeldi) maki, iemand de 
huid volschelden, den mantel 
vegen, uitschelden voor al wat 
leeltJk is. 

Tjoetjoe, kleinkind; Anak-tjoe- 



tjoe, kinderen en kindskinderen, 
nageslacht, nakomelingen. • 

Tjoetjoek, pen of speetje, om er 
iets aan vast te rijgen, of om er 
iets mede vast te steken; ook: 
spitse snavel of bek (van vogels) ; 
Tjoetjoek konde, haarspeld, 
haarnaald; Mëntjoetjoek, met 
iets duns en puntigs steken, 
pikken. 

TJoetjoep, Mëntjoetjoep, slur- 
pen, ook: hard kussen, zuigend 
zoenen. 

Tjoetjoer (of TJotJor), groote 
druppel, straal; Mentjoetjoer, 
met groote druppels, in een straal 
ergens uitkomen (bijv. van bloed), 
gutsen, vlieten, stroomen. 

Tjoetjoer, spits uitloopende sneb, 
snuit (van sommige dieren), ook 
zeker gebak. 

Tjoetjoet, haai. 

TJoewatJa, helder (van het weder, 
enz.). 

Tjokek, dansmeiden, die Chinee- 
sche dansen uitvoeren en meest 
ook in dienst zijn van Chineezen. 

TJokëlat, chocolade, ook: de cacao- 
boom (Theobroma cacao, L. nat. 
fam. der Büttneriaceae). 

TJokot (Soend.), Mentjokot, 
Mëojokot, byten, steken (van 
insecten). 

TJolet (of Tjolek), veeg, likje met 
den top van een vinger; Mën- 
tjolet, Mënjolet, Iets met den 
vingertop aanraken, met den vin- 
gertop over iets heenstriJken, enz. 

TJolok, pitje of vlammetje om bij 
te lichten, ook^ steek in het oog ; 
Mënjolok, Mëntjolok, iemand 
of iets in het oog of de oogen 
steken. 

TJolong, Mënjolong, stelen. 

TJomblang, koppelaar, koppelaar- 
ster, tusschenpersoon om een 
samenkomst tusschen een man 
en een vrouw te bewerkstelligen ; 
Bër^omblang, zich van een 
tjomblang bedienen; Mënjom- 



272 



TJOM. 



blang als tjomblang^ dienst 
doen. 

TJomel (Jav.), gepruttel, gemopper, 
lawaai, enz.; Bertjomel, Mënjo- 
mel, pruttelen, mopperen, enz.; 
Mënjomelkën, iemand beknor- 
ren, berispen, enz. 

TJomil (of TJoemil), lief, bevallig, 
aardig, enz. 

TJondong, Bërtjondong:, hellen, 
naar iets hellen, overhellen, tot 
iets neigen, genegen zjtjn tot. 

TJongkah, met de punt in de 
hoogte stekend. 

TJongkak, zeker spel; Papan 
tjongkak, schuitje met gaten of 
kuiltjes, waarmede dit spel ge- 
speeld wordt. 

TJongkëJang, galop, ook : voorrü- 
der; Bërtjongkëlang, in galop 
ryden; Mënjongkëlang, galop- 
peeren (van een paard), ook : dienst 
doen als voorrijder, in galop ergens 
heen ^aan, enz.; Mënjongkë- 
langken, doen galoppeeren. 

TJongok, Mëntjongok, Mënjo- 
ngok, met vooruitgestoken hals 
naar iets kyken, ook: met opge- 
richt bovenlijf zitten, enz. 

TJongol, Mëntjongol, ergens ge- 
deeltelijk uitsteken, uitkomen, 
uitpuilen. 

TJonto, model, vorm, monster, 
staal, voorbeeld; Mënjonto, iets 
tot model, voorbeeld enz. nemen. 

Tjoplok, los, afgevallen, uitgeval- 
len, losgeraakt, losraken, afvallen, 
uitvallen. 

TJorek, streep, onregelmatige 
streep, kras, enz.; Mëntjorek, 
Mënjorek, een streep door iets 
halen ; Tjorak-tjorek, geheel 
vol strepen, beklad, enz. 

TJoroDg. trechter, pyp, buis; Tjo- 
rong asëp, schoorsteen, schoor- 
steenpüp. 

Tjorot, tuit, kraan, mondstuk, (van 
een ketel, enz.). 

TJotiJok, overeenkomend,kloppend, 
kloppen, overeenkomen, overeen- 



TOED. 

stemmen, enz. ; Mëntjot^okkën, 
doen overeenkomen, doen klop- 
pen, kloppend maken, met iets 
overeenstemmen, omtrent iets 
dezelfde meening hebben, enz. 

Tjowek( Jav.), plat aarden schaaltje, 
waarin de sambël wordt fijnge- 
wreven. 

Tlabir, zie: Labir (Ar.), 

Tloeboer, zie : Loehoer (Ar.). 

Tobat (Ar.), berouw, afkeer ;Bër- 
tobat, berouw, afkeer hebben, 
zich vast voornemen iets nooit 
meer te doen,enz.;Mëntobatkën, 
doen berouwen, afkeer van iets 
doen hebben, bekeeren. 

Toeba, Pongamia volubilis, Z. & M. 
nat. fam. der Papilionaceae, slin- 
gerplant, waarvan de vergiftige 
wortels veel gebruikt worden om 
visschen te bedwelmen. 

Toeboeh, lichaam, lyf, romp ; Bër- 
satoeboeh, een van lichaam zyn, 
den by slaap uitoefenen. 

Toebroek, Mënoebroek, plotse- 
hng op iets vallen, plotseling aan- 
vallen, aanvatten, grijpen, vast- 
houden, enz., ook : met een vaart 
tegen iets aanloopen, enz. 

Toedjah, zie : Toendjang (Jav.). 

Toedjoe, richting, strekking, koers, 
doel, bedoeling, enz., ook : toover- 
middel ; Mënoedjoe, op iets af- 
gaan, koers zetten naar, koersen 
op, mikken op, doelen op, enz.; 
Satoedjoe, een van richting, be- 
doeling, enz.; Bërsatoedjoe, van 
dezelfde meening z^n, dezelfde 
bedoeling, hetzelfde oogmerk heb- 
ben, enz. Mënoedjoekën, iets 
ergens heen richten, — - op, naar 
iets richten, met een geweer enz. 
op iets mikken, enz. 

Toedjoeh, zeven, zevental; Toe- 
djoeh belas, zeventien; Toe- 
djoeh poeloeh, zeventig; Bër- 
toedjoeh, met zijn zevenen (zyn) ; 
Katoedjoeh, zevende, de (het) 
zevende, ten zevende. 

Toedoeh (Jav.), Mënoedoeb, aan- 



ÏOED. 



TOEL. 



273 



wijzen,^aanduidèn, beschuldigen, 
enz.; Pënoedoeh, aanwijzer, aan- 
gever, beschuldiger. 

Toedoeng, al wat tot bedekking 
dient, hoed, zonnehoed, sluier, 
enz.; Bërtoedoeng, een hoofd- 
bedekking gebruiken, ook : ergens 
onder schuilen; Mëiioedoengi,be- 
dekken, beschutten, beschermen. 

Toegoer ( Jav.), ergens voortdurend 
blgven, zich van een plaats niet 
verwijderen (byv. bü het waken 
by een zieke, enz.). 

Toehan, de Heer, God, de godheid; 

Toehan Allah, de Heer God. 

Toehfat (of Tatilifat) (Ar.), uit- 
muntend, uitstekend, enz. 

Toeboer, laag, ondiep, oppervlak- 
kig. 

Toekal (of Toekël), pak, streng 
(van garen). 

Toekang, baas, bedrevene in eenig 
handwerk; Toekang kajoe, 
timmerman; Toekang bësi, tjzer- 
smid, smid ; Toekang mas, goud- 
smid; Toekang^ batoe, metse- 
laar; Toekang sëpatoe, schoen- 
maker; Toekang mëndjaXt, 
kleermaker, modiste, naaister ; 
Toekang ajam, kippen verkoo- 
per; Toekang babi, verkooper 
van varkensvleesch; Toekang 
ajër, waterdrager; Toekang api, 
stoker ; Toekang roompoet» 
grassnijder, grasverkooper; Toe- 
kang roedjak, roedjakverkoo- 
per; Toekang roti, broodbakker, 
brood verkooper; Toekang soe- 
soe, melkboer, melkverkooper, 
enz. 

Toekar, ruil, geruild ; Mënoekar, 
ruilen, verruilen, wisselen, ver- 
wisselen, vervangen, enz.; Më- 
noekar (Bërtoekar) tjintjin, 
ringen verwisselen als teeken 
van ondertrouw; Mënoekarkën, 
iets tegen iets wisselen, ruilen, 
inwisselen, verruilen. 

Toekar(Jav.),twist,geschil;Bërtoe- 
kar of Toekaran, twist hebben, 
Maleisch-Hollandsch. 



met elkander twisten, enz. 

Toekoel (Jav.), kiem, spruit, ontkie- 
men, uitspruiten, opkomen (van 
planten); Toekoelan, jonge plant, 
kiem, enz., ook; ontkiemde ka- 
tjang idjo, veel als groente ge- 
bruikt (Tokolan). 

Toeladan, voorbeeld, model, voor- 
schrift, kopie; Mënoeladan, een 
voorbeeld aan iets nemen, iets 
tot voorbeeld nemen, iets navol- 
gen, enz. 

Toelsikh, ongeluk als gevolg van 
een vloek, enz.; Katoelab, door 
zulk een ongeluk getroffen. 

Toelak, duw, stoot; Mënoelak, 
duwen, stoeten, voortstooten,van 
zich afstooten, afduwen, afwijzen, 
van de hand wijzen, enz., weren, 
afweren, verwerpen. 

Toelang, been, beenderen, gebeen- 
te, knook, bot, graat, nerf, blad- 
nerf, steel, enz.; Toelang moe- 
da, kraakbeen; Toelang paha, 
dijbeen; Toelang bëlakang, 
ruggegraat ; Toelang daoen, 
bladnerf; Toelang dajoeng, steel 
van een roeiriem; Toelang ikan, 
vischgraat. 

Toelar, besmetting; Mënoelar, 
besmettelijk^ zijn; Mënoelari, 
Mënoelarkën, besmetten, aan- 
steken; Katoelaran, besmet. 

Toelen (Jav.), echt, onvervalscht, 
onvermengd. 

Toeli, doof, hardhoorig, doofheid; 
Boeta-toeli, doof en blind, on- 
verschillig, om niets geven, ver- 
metel, roekeloos (zijn); Orang 
toeli, een doove. 

Toelis, schrift, teekening, kras, 
schrap, lijn, enz.; Mënoelis, schrij- 
ven, teekenen, figuren op iets 
maken, schilderen, enz.; Mënoe- 
lisi, iets beschrijven, beteekenen, 
beschilderen, op iets schrijven, 
— teekenen, enz.; Djoeroe- toe- 
lis, schrijver, klerk; Batoe-toe- 
lis, lei; Papan-toelis, schrijf- 
bord, waarop geschreven enz. 

18 



274 



TOEL. 



TOEM. 



wordt; Medja-toelis, schrijf- 
tafel. 

ToeloengT; hulp, bijstand ; Mènoe- 
loeng, helpen, bystaan, hulp ver- 
leenen; Mènoeloengi, iemand 
helpen, bystaan, byspringen, enz.; 
Mënoeloengkën, iemand met 
het een of ander helpen, iets als 
hulp aan iemand geven, afstaan, 
enz.; Pënoeloeng, helper; Pë- 
noeloeng bitjara, woordvoer- 
der voor een ander, pleitbezorger, 
procureur, advocaat; Përtoeloe- 
ngan, hulp, hulpverleening. 

Toema (Jav.), luis. 

Toeman, verwend, gewend geraakt 
aan, gewoon aan. 

Toembak, lans, piek, lang steek- 
wapen, ook : een maat voor brand- 
hout voornameiyk, metende 6 X 
6 X 6 of 216 Kub, voeten. 

Toembal (Jav.), toovermiddel tot 
afwering van onheilen. 

Toemboeh, opkomen, uitspruiten, 
ontkiemen, groeien (van planten), 
ontstaan, te voorschijn, aan den 
dag komen, enz.; Toemboehan 
of Katoemboehan, de pokken ; 
Toemboehan, ook: inwendig 
abces, bflv. aan de lever, de milt, 
enz. en een soort kankerachtig 
gezwel of z.g. wild-vleesch in 
het lichaam: Toemboeh toem- 
boehan, planten in het algemeen. 

Toemboek, stomp, stoot, duw; 
Mënoemboek, stompen, stoe- 
ten, duwen, beuken, bonzen, stam- 
pen, fijnstampen, enz.; Mënoem- 
boeki; iemand of iets herhaal- 
delijk stompen geven, op iets 
beuken, enz. 

Toemboeng, uitgezakt, verzakt, 
uitzakking, verzakking (byv. van 
de baarmoeder). 

Toemboeng (of Tombong), het 
bolvormig, sponsachtig lichaam, 
dat men in kokosnoten vindt, de 
kiem eener kokosnoot. 

Toemënggoeng, titel van een re- 
gent op Java, en hier en daar in 



Maleische landen, ook van een 
voornaam staatsdienaar. 

Toemis, groenten in olie gaarge- 
braden of gestoofd; Mënoemis, 
groenten zoo toebereiden. 

Toemit, hiel. 

Toempah, storten, uitstorten, er- 
gens uitstorten (van vochten); 
Mënoempahkën, storten, uit- 
storten, doen storten, uitgieten, 
vergieten, plengen; Mënoempa- 
hi, op iets storten, op iets vallen 
(van vochten). 

Toempang, stapel, hoop, ophoo- 
ping, enz.; Mënoempang, zich 
by iets of iemand voegen, ver- 
voegen enz. om mede te doen, 
mededoen, by iemand logeeren, 
tydelyk verblijven, enz., ook: sta- 
pels vormen, opstapelen; Më- 
noempangkën, iets boven op 
iets leggen, —plaatsen, enz., ook : 
iets of iemand by een ander ty- 
delyk deponeeren, tydeiyk doen 
logeeren, inkwartieren; Mënoem- 
pangi, boven op iets liggen; 
Toempangan, stapel, hoop, op- 
eenhooping, enz., ook: tijdeiyk 
verblijf, logies, inkwartiering, enz., 
de persoon enz. die tijdelijk aan 
de zorg enz. van iemand wordt 
toevertrouwd. 

Toempas (of Toempës), verdelgd, 
vernietigd ; Mënoempas, ver- 
delgen, vernietigen, uitroeien. 

Toempoe (ook: Toempoean), 
steun, steunpunt; Mënoempoe, 
op iets drukken, op iets steunen; 
Mënoempoekën, op iets doen 
steunen, op of tegen iets doen 
rusten, enz. ; Toempoean kaki, 
voetbank, rust- of steunpunt voor 
den voet, enz. 

Toempoek, hoop, stapel, groep, 
troep, enz. ; Mënoempoek, 
Bërtoempoek, stapels, hoepen, 
opeengedrongen groepen enz. 
vormen, opeendringen; Mënoem- 
poekkën, opstapelen, ophoopen, 
op elkander stapelen, enz.; 



TOEM. 



TOEN. 



275 



Toempoekan, hoop, stapel, enz. 

Toempoel (Bat. Jav.), bot, stomp, 
nietsnydend; Mënoempoelkën, 
stomp, bot maken (van snydende 
voorwerpen), afstompen. 

Toen^ zie: Toevran. 

Toenang, engagement, verloving; 
Mënoenang, zich verloven met; 
Mènoenangkën, verloven (door 
de ouders); Toenangan, ver- 
loofde ; Bërtoenangan^ verloofd, 
geëngageerd zyn, een verloofde 
hebben. 

Toenas, knop, uitspruitsel ; Bër- 
toenas, uitbotten. 

Toendjang ^ (Jav.), stut, steun, 
schoor; Mënoendjang, stutten, 
steunen, schoren, ook: tegen iets 
aanloopen; Mënoendjangi, iets 
steunen, stutten, schoren; Më- 
noendjangkën, iets tegen iets 
aan zetten, —plaatsen (tot stut 
of steun), iets tegen iets laten 
leunen, enz. 

Toendjoek, Mënoendjoek, wy- 
zen, aanwyzen, toonen, aandui- 
den, aantoonen, vertoonen, laten 
zien ; Mënoendjoekkën, iemand 
iets wijzen, —aanwezen,— toonen, 
—aantoonen, —laten zien, enz.; 
Tëloendjoek of Djari tëloen- 
djoek, wijsvinger. 

Toendjoeng, Nymphaea lotus, L. 
nat. fam. der Nymphaeaceae, de 
waterlelie of lotus, waarvan ver- 
scheidene soorten bestaan. 

Toendoek, met het hoofd bene- 
denwaarts gekeerd, gebukt, neer- 
gebogen, enz.; Bërtoendoek, 
Mënoendoek, bukken, buigen, 
neerbuigen, gebukt gaan, zich 
onderwerpen, enz. ; Mënoen- 
doekkën, doen bukken, gebukt 
doen gaan, neerbuigen, naar be- 
neden drukken, onderwerpen, 
ten onder brengen, enz. ; Alamat 
toendoek, teeken van onder- 
werping. 

^oendoeng, Mënoendoeng, (Jav.), 
Wögjagen, bannen, uitzetten, we- 



ren, enz. ; Toendoengan, wegge- 
jaagde, banneling. 

Toenei (of Toenai), comptant; 
Oewang toenai, comptant geld. 

Toenggal, een, eenig, eenigst, 
enkel. 

Toenggang, het onderste boven, 
omgekeerd; :Mënoenggang, het 
onderste boven^ gekeerd zjjn. 

Toenggang, Mënoenggang, op 
iets zitten, ryden, enz. ; Mënoeng- 
gangi, iets beryden, op of in 
iets zitten, enz. (vuig.) ook: een 
vrouw^ beslapen ; Mênoeng- 
gankën, iets of iemand op iets 
laten zitten, rüden, enz. Toeng- 
gangan, waarop gezeten of ge- 
reden wordt, rijdier, rijtuig, enz. 

Toengging, de positie, waardoor 
het achtereind of achterste van 
iets in de hoogte wordt geheven; 
Mënoengging, met het achter- 
ste in de hoogte liggen, enz., het 
achtereind in de hoogte heffen, 
enz.; Mënoenggingkën, iets of 
iemand zoodanig plaatsen, dat 
zijn achterste hooger komt te 
staan, dan het overige gedeelte 
van het lichaam. 

Toenggoe, Mënoenggoe, wach- 
ten, op iets wachten, toeven, 
bewaken, op iets passen, oppas- 
sen, bij iets waken, enz.; Më- 
noenggoeX, op iets wachten, iets 
opwachten, verbeiden, verwach- 
ten, bewaken, oppassen, enz.; 
Pënoenggoe, wachter, bewa- 
ker, oppasser, enz., ook: de be- 
schermengel of beschermgeest, 
die verondersteld wordt iets of 
iemand te bewaken. 

Toenggoel, stronk, stam zonder 
takken of kroon, enz. 

Toengkak, hiel. 

Toengkat, stok, wandelstok, stut, 
steun ; Toengkat kateak, kruk. 

Toentoen, Mënoentoen, leiden, 
bü de hand of aan een stok, enz. 
leiden, (bijv. een blinde, een paard 
aan een lijn, enz.). 



276 



TOEN. 



TOEW. 



Toentoet, Mënoentoet, volgen, 
achterna, volgen, najagen, naar 
iets koersen, vorderen, eischen, 
afvragen, enz. 

Toepai, eekhoorn ; ook : Badjing. 

Toeras, Mënoeras, filtreeren, 
doorzygen, door een zeef halen, 
enz. (van vloeistoffen). 

Toerki, Turksch; Tanah (nëgëri) 
toerki, Turkse; Orang toerki, 
Turk. 

Toeroen, dalen, afdalen, neerko- 
men, naar beneden gaan of ko- 
men, af klimmen, nederdalen, 
ondergaan, enz. ; Mënoeroen- 
kën, naar beneden halen, doen 
dalen, doen beneden komen, van 
zich doen afstammen, enz. ; 
Mënoeroeni, naar iets heen da- 
len, naar iets toe af klimmen, enz.; 
Toeroenan, helling naar bene- 
den, waarlangs men daalt, enz., 
ook: afstammeling, nakomeling, 
nederdalende familielinie; Toe- 
roen-toeroenan, nakomeling- 
schap. 

Toeroes (Jav.), stek, kort stuk van 
een boomtak, om geplant te wor- 
den (zooals met vele schaduw- 
bopmen in koflae- en andere tuinen 
gedaan wordt). 

Toeroet, Mënoeroet, volgen, na- 
volgen, achterna volgen, mede- 
gaan, mededoen, gehoorzamen, in 
acht nemen, enz.; Bërtoeroet- 
toeroet, in een ry achter elk- 
ander; Satoeroet, in opvolging 
van, in navolging van; Toeroe- 
tan, voorbeeld enz. ter navolging, 
ook: gewillig, gehoorzaam (zyn). 

Toesoek, steek, doorboring; Më- 
noesoek, steken, doorboren, iets 
ergens in of doorsteken, enz., ook : 
iemand opstoken, ophitsen, warm 
maken, enz. en : steken, pynltjk 
trekken (van een zweer bijv.). 

Toetoek, Mënoetoek, kloppen, 
met een of ander op iets kloppen, 
hameren, enz. 

Toetoel, vlek, plek, smet, indraksel, 



moet; Mënoetoel, met een stomp 
voorwerp (een vinger, een dot, 
enz.), aanraken, —aandrukken, 
enz.; Matjan toetoel,de gevlekte 
tyger, panter. 

Toetoep, wat tot dekking van iets 
dient, deksel, dek, dekkleed, enz. ; 
Mënoetoep, dekken, bedekken, 
tot dekking strekken, toedekken, 
dichtmaken, enz. ook: sluiten, op- 
sluiten, in de gevangenis, achter 
de tralies zetten, enz.; Mënoe- 
toepi, iets bedekken, toedekken, 
dichtmaken, afsluiten, enz. ; Më- 
noetoepkën, iets tot het be- 
dekken van iets aanwenden, met 
het een of ander toedekken, enz.; 
Toetoepan, deksel, wat bedekt, 
enz , ook: gevangene, opgeslotene, 
enz. ; Toetoep medja, tafelkleed. 

Toeteer, Bërtoetoer, Mënoe- 
toer, praten^^ spreken, keuvelen, 
babbelen; Menoetoeri, Mënoe- 
toerkën, iets tot iemand zeggen, 
hem op iets attent maken, enz. 

Toe"wa, bejaard, oud, ryp, voldra- 
gen, versleten, donker van kleur, 
enz.; Orang toewa, een oud 
mensch, ouders, ook: oudste, hoofd 
eener negory, enz.; Emas toewa, 
fijn (oud) goud; Merah toewa, 
donkerrood; Mërëtoewa of Ma- 
ratoewa, schoonouders, schoon- 
vader j)f schoonmoeder ; Mëntoe- 
wakën, oud maken, tot hoofd 
aanstellen, ook: metalen zuive- 
ren, louteren, enz. 

Toewah, voorspoed, geluk, geluk- 
kig, voorspoedig; Bërtoewah, 
voorspoed, hebben, gelukkig zyn 
in ondernemingen, enz. 

Toewak, palmwijn, ook: Legen 
(Jav. Soend.). 

Toewan, heer, meester, mynheer, 
mevrouw,enz.;Toewankoe,heer, 
mflnheer, (alleen van een vorste- 
lyk personage); Toewan poetëri, 
mevrouw de prinses; Jangdipër- 
toewan, die heer genoemd wordt 
(titel van een regeerenden vorst). 



TOEW. 



WALA. 



277 



Toewang, Mënoewan^, gieten, 
schenken, uitgieten, overgieten 
in iets (een glas, byv.) inschenken, 

Tofan, orkaan, cycloon, typhoon. 

Tokek (of Tëkek), gekko, groote 
soort hagedis. 

Tolih, Mènolih, zywaarts, achter- 
om kyken. 

Tombong:, zie: Toemboeng. 

Tong, ton, vat, aam, tobbe, kuip. 

Tongkeng, Pergularia odoratissi- 
ma, L. Nat. fam. der Asclepia- 
deae, slingerplant met geurige 
bloemen. 

Tongkol, blok, vormelooze klomp. 

ToDgtong, uitgeholk blok, waarop 
alarm- en andere signalen gesla- 
gen worden. 

Tonton (Jav.), Mënonton, naar iets 
kyken, toekijken, toeschouwen. 



enz. ; Tontonan, - schouwspel, 

vertooning enz. 
Top, dobbelspel; Bërmain top, 

dobbelen. 
Topeng, masker, mom, tooneel- 

spel met gemaskerde acteurs. 
Topi, hoed, muts, hoofddeksel van 

niet-inlandsch maaksel. 
Toro(Bat.),een lange byna tot aan de 

voeten reikende badjoe (voor 

mannelijke bedienden). ^ 
Totang tatouêersel; Bëtogang, 

getatouëerd zün, enz. 
Totok, echt', onvervalscht, volbloed; 

Totok wëlanda, een pur sang 

Hollander. 
Tsalatsa (of Sëlasa) (Ar.), Dinsdag; 

Malëm sëlasa, de avond (nacht) 

van Maandag op Dinsdag. 
Tsaldjoe (Ar.), sneeuw. 



w. 



Wa (Ar.), en. 

Wadja, staal, ijzeren braadpan (ook: 
Koewali wadja of Wadjan). 

Wadjib (Ar.), plicht, verphchting, 
wat als plicht op iemand rust, 
plichtmatig, betamelyk, behoor- 
lijk; Mëwadjibkën, iemand iets 
ten plicht stellen, iets als verplich- 
ting opleggen enz. 

Wadjik, snoepery van kleefrjjst 
of Këtan in suiker gekookt. 

Wadoek (Jav.), pens, maag, buik. 

Wadoeng, groote byl. 

Wafat (Ar.), dood, overladen, over- 
leden, gestorven. 

Wabjoe (Jav.), goddelyke open- 
baring, ook: glans, luister. 

Wajang poppen van leder of hout, 
voorstellende personen uit den 
voortyd en de Hindoe-Javaansche 
mythologie, waarmede vertoon in- 
gen van tooneelen daaruit worden 
gegeven ; Wajangan, zulk een 
tooneelvertooning geven; Wa- 
jang orang, zulk een tooneel- 



vertooning door menschen uitge- 
voerd; Wajang koelit,pop van le- 
der, tooneelvertooning daarmede; 
Wajang golek, houten wajang- 
pop, ook : tooneelvertooning daar- 
mede ; Wajang këroetjil, idem 
als voren, doch platte poppen van 
hout of leder ; Wajang potehi, 
Chineesch marionettenspel. 

Wakaf (Ar.), stichting ten algemee- 
nen nutte, liefdadige instelling. 

Wakil (Ar.), plaatsvervanger, gevol- 
machtigde, vertegenwoordiger, 
zaakgelastigde, agent, enz. .; 
Mëwakili, iemand tydelyk ver- 
vangen, iemand vertegenwoordi- 
gen, enz. ; Më-wakilkën, iemand 
tot gemachtigde aanstellen, zich 
door iemand laten vertegenwoor- 
digen, enz. 

Waktoe (Ar.), tyd voor iets, tijdstip, 
uur, gelegenheid, ook de verschil- 
lende tijdstippen, voor de voor- 
geschreven gebeden. 

Walanda (of Wolanda), Hollan- 



278 



WALA. 



WOER. 



der, Hollandsch ; Nëgëri walan- 
da, Holland, Nederland. 

Walang (Jav.), sprinkhaan. 

Wali (Ar.), vriend, vertrouwde 
vriend, voogd, naaste beschermer. 

Walikoekoen, Schoutenia ovata, 
Korth. nat. fam. der Tiliaceae, 
boom met goed hout. 

Wang (of Oewang), geld, — ook 
een waarde van 10 duiten of 
8'/» cent. 

Wangi, geurig, welriekend; Ajër 
-wangi, reukwater, odeur. 

Wangkang, een soort Chineesch 
vaartuig. 

Wani (Jav.), dapper, moedig, dur- 
ven. Zie: Bërani. 

Warangan, rattenkruit. 

Waras, gezond, welvarend. 

Warawiri, heen en weder (gaan, 
loepen, enz.). 

Waringin,Urostigma benjaminum, 
Miq. nat. fam. der Artocarpeae, 
hooge, groote boom. 

Warirang, zwavel. 

Waris, grif van de hand gaan 
(van koopwaren) ; Warisan, ge- 
lukkig zijn met zijn handel. 

Warits (of Waris), erfgenaam; 
Ahliwaris, de gezamenlijke erf- 
genamen ; Warisan, erfenis, 
erfdeel. 

Wama (ook : Wërna), kleur, ook: 
gedaante, vorm; Mëwarnakën, 
een kleur, gedaante, vorm aan 
iets geven, iets maken, enz. 

Waroe, Hibiscus elatus, Sw. nat. 
fam. der Malvaceae, boom met 
lenig hout. Van dezen boom be- 
staan verscheidene soorten. 

Waroeng inlandsch kraampje, 
winkeltje. 

Warta, bericht, tyding, nieuws. 



gerucht, mare ; Mëiv'artakën, 
iets berichten, meedeelen, rucht- 
baar maken, enz. ; Pëwarta 
berichtgever. 

Wasangka, kwade vermoedens, 
achterdocht. 

Wasiat (Ar.), uiterste wil, testa- 
ment, opdracht, lastgeving, aan- 
beveling ; Soerat "wasiat, testa- 
ment, laatste wilsbeschikking ; 
Bërwasiat, zyn testament ma- 
ken; Mëwasiatkën, iets btj 
testament vermaken. 

Wasir (of Bawasir), aambeien. 

Watës,grens,grensscheiding,grens- 
paal; BërT^atës, grenzen aan, 
begrensd zyn door; Më\¥'atës- 
ken, door iets begrenzen, door 
teekens enz. de grenzen van iets 
aangeven. 

Watoek (Batoek), hoest, hoesten. 

Wazir (Ar.), vizier, eerste minister. 

Wëdana (Jav. Soend.), districts- 
^ hoofd. 

Wëloet (Jav. Soend.), aal. 

Wërna, zie: Wama. 

Wëslah (Ar.), het vereenigingstee- 
ken in het Arab. schrift. 

Wetan (Jav.), Oost, het Oosten, oos- 
telijk, ten oosten. 

Widjen, Sesamum indicum, De. 
nat. fam. der Sesameae, heester, 
die de Sesam-ohe (Mixijak "wi- 
djen), geeft. 

Wira, dapper, moedig, heldhaftig. 

Woedjoed, het bestaan, het wezen, 
gedaante, vorm. 

Woeli, korenaar, rijstaar. 

Woengoe, paars, pencée. 

Woeroeng of Oeroeng(Jav.Soend. 
Bat.), niet doorgaan, mislukken, 
geen gevolg hebben. 



ZAKA. 



ZOEM. 



279 



Z. 



Zakat (Ar.) (of Djakat), zuivering, 
aalmoes, verplichte bedrage aan 
den priester. 

Zaman (of Dzaxnan, ook :DJainan) 
(Ar.), tyd, tydperk, eeuw; Zaman 
sëkarang, de tegenwoordige 
tijd. 



Zina (Ar.) (of Djina), overspel 

Bërzina, overspel bedrtjven,over- 

spel plegen. 
Zoemroed (of Djamroed), (Ar.), 

ook: Djëmëroed, smaragd,groen- 

gekleurde edelsteen. 



A. 



Aal, m., böloet, wèloet, ikanmowa, 
lindoeng. 

Aalfuik, V., boeboe bèloet. 

Aalgeer, m., sérampang, tjéreng- 
keng. 

Aalmoes, v., dérma, sédèkah; Ver- 
plichte of zuiverings aalmoes, 
zakat, dzakat, djékat; Aalmoe- 
zen geven, mèmbéri dörma,mém- 
béri sédékah; Aalmoezen vra- 
gen, minta dérma, minta sédékah, 
minta-minta,méminta-niinta;Iets 
tot aalmoes geven, méndérma- 
kén, ménjédékahkén. 

Aam, o., tong, leger, tong géde 
(bésar). 

Aambei, v., wasir, bawasir, poeroe 
sémbilik. 

Aamborstig, sêsak dada, béngek, 
méngi; Aamborstigheid, v., 
sakit béngek, sakit méngi. 

Aamechtig, ménggeh-ménggeh, 
lésoe, létih, létih-lésoe, pajah. 

Aan, pada, kapada, bagai, akan, 
déngan, bagi, ka, di, sama, roepa, 
enz., ook uitgedrukt door den 
transitief-uitgang i van werkwoor- 
den; Aan manheer, pada-, kapa- 
da-,bagai-,bagi-,sama-toewan;Aan 
wal, di darat ; Tot aan, sampai, 
sampai di, sampai ka, hingga; 
Gestorven aan een ziekte, 
mati déngan pénjakit (sakit); 
Aan geld, roeda oewang. 

Aanaarden, méngoeroeg, ménam- 
bak. 

Aanaarding, v., oeroegan, pénam- 
bak, tambakan. 



Aanbakken, angoes (van de stof 
zelf), méngangoeskén (van de per- 
soon, die bakt). 

Aanbs^sel, o., angoes, kérak. 

Aanbeeld, o., landasan, landésan, 
paron. 

Aanbelang, o., zie: Belang. 

Aanbesteden, mémborongkén, 
mémborongkén pakérdjaan. 

Aanbesteding, v., pémborongan 
pakérdjaan, lelangan pakérdjaan, 
péndjoewalan pakérdjaan. 

Aanbevelen (prjjzen), mémoedji; 
(opdragen), ménjérahkén. 

Aanbeveling, v., poedjian; Aanbe- 
velingsbrief, m., soerat poedjian. 

Aanbiddelijk, patoet di sémbah, 
haroes di sémbah. 

Aanbidden, ménjémbah, ménjém- 
bah soedjoed ; Afgoden aanbid- 
den, ménjémbah bérhala. 

Aanbiddenswaard, zie : Aanbid- 
del^k. 

Aanbidder, m., pénjémbah, orang 
jang ménjémbah. 

Aanbidding, v., sémbah, pénjem- 
bahan, poedji. 

Aanbieden (overreiken), mé- 
ngoendjoek, méngoendjoekkén, 
kasi, ménérimakén; (aan een 
meerdere), mémpérsémbahkén ; 
Te koop aanbieden, ménawar- 
kén, méngidjabkén ; Zich vrij- 
willig aanbieden, mémpérsa- 
hadjakén diri; Een beker aan- 
bieden, ménjoelang piala; Zich 
aanbieden (van een gelegen- 
heid), ada, ada péri hal, ada 



282 



AANB. 



AAND. 



djalan; Aanbieden van ge- 
schenken, om iemand om te 
koopen, mönjorong. 

Aanbieder, m , pèngoendjoék, pè- 
njoelang. 

Aanbieding, v., pèngoendjoekan, 
pénjoelangan, pérsémbahan. 

Aanbijten, méuggigit, makan. 

Aanbinden, mëngikat, mëngikat- 
kèn, mönalikén, mënambat ; (aan- 
eenhechten), mèngoeboeng, mö- 
njamboeng; (aan iets hechten), 
mémboelang. 

Aanblaffen, ménggonggonggi. 

Aanblazen, mënioep, méngèmboes; 
(van den wind), mèmoepoet. 

Aanbliijven, bérkandjang, tinggal. 

Aanblik, m., kédjap mata, péman- 
dang, pémandangan, pèngliha- 
tan. 

Aanbod, o., (voorstel), djandji, 
(ten verkoop), idjab, (van geld 
tot een koop), tawar, tawaran. 

Aanbonzen, kétok, méngétok, 
ménépoek; Tegen iets aan- 
bonzen, kèbéntoer, kèbëntoes, 
mömbèntoer, mèmbéntoes, mè- 
langgar ; Tegen elkander aan- 
bonzen, börsöntoeh-séntoeh. 

Aanbotsen, langgar, mèlanggar, 
bèntoer, mèmbëntoer. 

Aanbouw, m., bikinan,pémbikinan, 
pèmboewatan, pèmbérdirian. 

Aanbouwen, bikin, mémbikin, 
mèmboewat, mémpërdirikèn. 

Aanbranden, angoes, zie: Aan- 
bakken. 

Aanbreken (van den dag), slang, 
fadjar, padjar, dinahari, rina, 
mêrékah, rëmbang, mérêkah 
fadjar, enz.; (komen), datang; 
(afbrokkelen), méloewak. 

Aianbrengen, mémbawa, mènda- 
tangkèn, ménjampaikën ; (Bene 
zaak aanbrengen), mëngadoe- 
kën përkara. 

Aandacht, v., ingatan. 

Aandachtig, dëngan ingatan, dën- 
gan mëngingatkën. 

Aandeel, o., bagian, bëhagian; Aan- 



deel hebben in eene zaak, 

tjampoer, bërtjampoer, masoek; 
Aandeel hebben in eene han- 
delszaak, bësëro, bërsëroan, 
bërsèkoëtoe, mënjëkoetoeï, sa- 
modal dëngan. 

Aandeelhouder m., (vennoot), 
sjarik, përsëro, sëkoetoe. 

Aahdenken, o., përingatan, tanda 
përingatan. 

Aandienen, (iemand — ), mëmba- 
wa masoek, bawa mènghadëp, 
mënghadëpkën. 

Aandoen, (aantrekken), pakai, 
mëmakai, mëngènakën ; (doen 
aantrekken), kasi pakai, më- 
makaikën, mëngënakën ; (ver- 
oorzaken), kërdja, bikin, meng- 
adakën, mëndatangkën ; Leed 
aandoen, mënjoesahkèn, mënja- 
kitkën hati, mëndatangkën soe- 
sahnja, mëndjadikën soesahnja, 
mëmpërsakiti ; Het hart aan- 
doen, mërawankën hati, mèm- 
përtjintakën, mënjëdihkën; Ver- 
driet aandoen, mëndoekakën, 
mëndoekatjitakën, mënjoesahkèn 
hati, mëmbikin soesah hati; 
Bene plaats aandoen, sing- 
gah-, bërsinggah kapada, mam- 
pir, mëngampiri; Geweld aan- 
doen, mëmaksa,mëngëra8i,mëng- 
gagahi. 

Aandoening, v., tjita,rasa,përasaan 
hati, rawan, sajoe; Aandoening 
van vreugde, soekatjita, girang 
hati; Aandoening van smart, 
doeka-tjita, soesah, soesah hati. 

Aandoenl^k, jang mërawankën 
hati, jang mëlëmaskën hati, jang 
mëlëmboetkön hati, jang mënjë- 
dihkën hati. 

Aandragen, zie: Brengen en Dra- 
gen. 

Aandrang, m., (tot iets, —des ge- 
moeds), gërak hati, këpengin, 
ingin; (tot eene natuurl^ke 
behoefte, rësa, bëlët, kabëlët; 
(dringend verzoek), ketjek, 
pêrmintaü-n dëngan këras. 



AAND. 



AANG. 



283 



Aandrift (neiging),v.,himmat,naf- 
soe, nèpsoe, ook: ganggoe, pér- 
ganggoean, gérak hati; (geest- 
drift), gairat. 

Aandrijven, (aanzetten, aanspo- 
ren), mèngadjak, mémaksa, mém- 
boedjoek, mèngéntjangkèn, mé- 
ngöraskèn ; (tegen iets-) bérdam- 
par, tèrdampar; (van volk tot 
eenig 'werk), möngèrah. 

Aandringen (aanhoudend ver- 
zoeken, enz.), minta déngan kè- 
ras, minta dèngan bérkandjang- 
kandjang, béroelang-oelang mè- 
minta, mèngetjek, bérgèsa-gésa, 
méminta-minta ; (tegen iets), 
ménghempet, ménjésakkèn. 

Aandrukken, zie: Drukken. 

Aanduiden, toendjoek, mönoen- 
djoek,ménoendjoekkén; (te ken- 
nen, te verstaan geven), kasi 
tahoe, mêmbéri tahoe, méngéta- 
hoekèn, kasi möngérti, méngör- 
tikèn, mèmbéri katérangan, mé- 
nérangkèn, ménjatakèn. 

Aandurven,b6rani mélawan (iets-) 
bérani mèlakoekèn, bérani mén- 
djalankén. 

Aanduwen, sorong, mènjorong, 
ménjorongkèn. 

Aaneen (verbonden), bërsama- 
sama, törhoeboeng, tèrikat, tér- 
samboeng, bérlengket, rapét ; 
(achtereen), bértoeroet-toeroet, 
bèrtoeroet-toeroetan, bèroelang- 
oelang. 

Aaneensluiten, rapët; (doen—), 
mèrapètkén. 

Aaneenvoegen, mönjambat, mö- 
njamboeng, mèmpèrtèmoekén, 
mènghoeboengkén, mèlengket- 
kén, mérapétkén, méngikat. 

Aanerven, zie: Erven. 

Aanfokken, piara, méméUhara, 
mèmèhharakèn; (doen verme- 
nigvuldigen), mömpörbanjak- 
kèn, mèndjantankén. 

Aanfokking,y .; pamiara§,n, pêmëU- 
haraan. 

Aangaan (ergens—), singgah. 



börsinggah,mampir; By iemand 
aangaan om. te zien hoe hjj 
het maakt, tilik, méniUk, më- 
nihki; (razen, tieren), geger, 
roesoeh, raèroesoeh ; (vlammen), 
ménjala, (beginnen), moelaï ; 
Een verbond enz. aangaan, 
bérdjandji, méndjandji, mömbikin 
pérdjandjian, mémboewat pér- 
djandjian; Een huwelijk aan- 
gaan, kawin, nikah; Dat gaat 
niet aan, itoe ta'boleh; Dat 
gaat m)j niet aan, itoe boekan 
pérkarakoe, itoe saja ta'fèrdoeli. 

Aangaande, akan, atas, téntang, 
dari. 

Aangapen, méngamat-amati, më- 
ngangaï. 

Aangeboren (ingeschapen), 
choelki— (oorspronkel^k), asli, 
sëdia. 

Aangedaan, pëloe, siloe, sajoe, 
sëdih, hiba. 

Aangelegenheid, v., hal, përi hal, 
përkara. 

Aangenaam, enak, sëdap, nimat 
of nikmat ; (voor de zintuigen), 
manis (van woorden enz,); 
Aangenaam van manieren, 
baïk përinja, baïk lakoenja. 

Aangenomen (geadopteerd), 
angkat, poengoet; Ben aange- 
nomen kind, anak angkat, anak 
poengoet, (overgenomen) ; Een 
aangenomen gewoonte, adat 
jang bëharoe (baroe); Aangeno- 
men, dat, sandainja, saoepama. 

Aangeven (aanreiken), mëngoen - 
djoekkèn, kasi, mêngasikën, mè- 
ngoeloer,mëngoeloerkën;( kennis 
geven, enz.), mëngadoekën, kasi 
bërtahoe, mëmbëri tahoe. 

Aangezicht, o., moeka, paras ; Van 
aangezicht tot aangezicht, 
bërhadëp-hadëpan. 

Aangezien, sëbab, dari sëbab, oleh 
karëna, karëna, sëdang, sëlang, 
tëgal. 

Aangifte (kennisgeving),y., pëm- 
bèritaan, pëmbërian tahoe, pèr- 



284 



AANG. 



AANK. 



bilangan; (klacht, enz.), pènga- 

doean, da'wa, dakwa. 
A angopden,ménjandangkön,pakai. 
Aangrenzen, méngénjoet, méri- 

ngisi, mengeren jit. 
Aangrijpen, pegang, mèmemang, 

ménangkèp; (aanvallen), ménjè- 

rang. 
Aangroeien (toenemen), tambah, 

bér tambah , bér tambah-tambah . 

Zie verder: Groeien. 
Aanhaken, mènggaït, niénggaït- 

kèn. 
Aanhalen (trekken), mènarik, 

mènèrik, méngérat, mênghela; 

(confisqueeren), mërampas ; (ci- 

teeren),méngambil,mémoengoet, 

mémètik, ménjèboet, ménjéboet- 

kèn ; (aaien), mémboedjoek, mé- 

ngèloes-éloes. 
Aanhang (aecte), m., oemat; (vol- 

gelingen),pöngiring,péngiringan. 
Aanhangen (hangen), gantoeng, 

bérgantoeng, térgantoeng, méng- 

gantoeng: (kleven), lékat, bér- 

Jékat, bérlengket, bérsangkoet. 
Aanhangig (van een zaak), bé- 

lom térpoetoes, bèlom di poetoes- 

kén. 
Aanhangsel, o., boeboengan, tam- 

bahan. 
Aanhankelijk, bérgantoeng kapa- 

da, térlèkat kapada. 
Aanhebben, pakai, mëmakai ; Iets 

aanhebben, bérpakaian, mëma- 
kai, mémakaikén. 
Aanhechten, ménjamboeng,méng- 

hoeboengkén. 
Aanhef, m., pèrmoelaö.n ; (van een 

gezang), angkatan; (inleiding), 

dibadjat, pérmoelaan. 
Aanhitsen,mèngasoet,mêngoepak, 

méngatjoem, mènoesoek, mênoe- 

soek-noesoek, méngaroe, ménga- 

roekèn; (van dieren), mèngga- 

lakkén, méngoetja-oetjakén. 
Aanhoogen, zie : Aanaarden, Op- 

hoogen. 
Aanhooren, méndëngarkén, më- 

nëngarkën. 



Aanhoorig, di bawah, tërbawah, 
toeroet, taloek. 

Aanhoorigheid, v., daïrab, daïrah 
ta'loek, djadjahan. 

Aanhouden (iets of iemand — ), 
mënahan,mënangkèp,mëmegang; 
(goederen—), mënahan, mëram- 
pas; (volharden), bërkandjang, 
tiada bërhenti; (gedurig ver- 
zoeken), bëroelang oelang; (niet 
afleggen, van kleederen büj v.), 
tiada bërganti, tiada bërsalin, tia- 
da mënanggalkën ; (naar eene 
plaats koersen), mënoedjoe ; 
(eene zaak—), mëlambatkën, 
mëmpërtanggoehkën ; (lang du- 
ren), lama, lambat. 

Aanhoudend (achtereen), bër- 
toeroet-toeroet, dëngan tiada bër- 
henti, dëngan tiada bërkapoetoe- 
san; (voortdurend), sëntiasa, 
sënantiasa. 

Aankeken, mëlihat, mëmandang, 
tengok ; Sterk aankijken, më- 
ngamat-amati. 

Aanklacht, v., dawa, dakwa, pënoe- 
doeh, pëngadoean; Een aan- 
klacht indienen, mëngadoe, 
mëndakwa, mënoedoeh. 

Aanklagen, mëndakwa, mënoe- 
doeh, mëngadoekën; Valschel^k 
aanklagen, mënoekas. 

Aanklampen (aanvallen), më- 
njërang, mëlanggar; (enteren), 
mënggaït, mëndempokkën, më- 
njampak. 

Aankleeden, mëmakaikën, kasi 
pakai, mëngënakën pakaian ; 
Zich aankleeden, bërpakaian^ 
bërpakai. 

Aankloppen, mëngëtok,mënëpoek 
(pintoe). 

Aanknoopen (met een knoop 
vastmaken), mënjimpoelkën, 
mëngikat; (een gesprek, enz.), 
moelaï bitjara, moelaï bërkata^ 
mëmasang bitjara, moelaï mëngo- 
mong, mënëgor. 

Aankomen, dateng, tiba, sampai; 
B|j iemand aankomen (aan- 



AANK. 



AANN. 



285 



gaan), singgah, bérsinggah,mam- 
pir; Ergens aan komen (met 
de handen), mèndjabat, pegang, 
mémegang; Iets op iemand 
laten aankomen (aan hem 
overlaten), mèmoelangkön, mè- 
nanggoongkön ; Het komt er 
niet op aan, tiada mèngapa, 
tiada djadi apa apa, tra'férdoeli ; 
Komaan, mari, marilah, ajo. 

Aankomend (byna volwassen), 
anak dara, rémadja. rémadja poe- 
tèra (van een jongen), römadja 
poetèri (van een meisje). 

Aankondigen, kasi tahoe, mém- 
bèri tahoe, méngchabarkön, mè- 
ma'loemkèn, mèwartakén. 

Aankondiging, v.,pémbèritaan,pö- 
chabaran, péwarta. 

Aankoop, m., pémbèlian. 

Aankoopen, béli, mömbéli. 

Aankweeken, piara, miara, mö- 
méliharakén, (van kennis enz.), 
ménoentoet. 

Aanlanden, (belanden), djatoh, 
(aan vral gaan), naïk ka darat. 

Aanlasschen, mönjamboeng. 

Aanleeren, adjar, béiadjar. 

Aanleg (neiging, enz.), m.,pékérti, 
boedi pèkèrti; (ontwerp, enz.), 
dinah, réntjana, atoeran, tjonto; 
(uitvoering), pérboewatan, biki- 
nan, pasangan. 

Aanleggen (van een stad, enz.), 
mönjoesoek, mémboewat, möma- 
sang, mèngatoer, mérèntjanakön ; 
(mikken op), mèngintjèr, möm- 
bëtoeli, ménoedjoekén ; (iets als 
doel nemen), bèrmaksoed, 
maoe; (een verband, enz.), 
mèmboeboeh ; (boeien, enz.), 
méngönakén, mémbéloenggoe, 
mërantai; (met opzet toeleg- 
gen), mênjéhadjakén, ménjè- 
ngadjakën ; (gemeene zaak ma- 
ken), safakat, bérmoeafakat. 

Aanlegplaats, v., pörsinggahan, 
témpat pèrsinggahan. 

Aanleiding (oorzaak), v., sébab, 
moela, pohon, lantaran ; Zonder 



eenige aanleiding, déngan 
tiada samëna-mëna ; Geschikte 
aanleiding (gelegenheid), pak- 
sa jang baïk; Aanleiding geven 
tot, ménjébabkén, djadi sèbab. 

Aanlengen, mémbikin entjer, • 
méngentjerkèn, méntjaerkén. 

Aanlokkel^k, elok, manis, bagoes, 
möngömenginkén. 

Aanloopen (stoeten), mèmbën- 
toes, mömbéntoer, mölanggar, 
bérsoentoeh, kabéntoes. kabèn- 
toer; (by iemand, ergens), 
mampir, bérsinggah. 

Aanmaken (vervaardigen), 
mémboewat, bikin, mèmbikin ; 
(vuur-), mömasang, mènjalaken, 
mèndjadikön. 

Aanmanen (aanzetten), mënga- 
djak, soeroeh, mènjoeroeh ; 
(manen), mönagih. 

Aanmatigend, angkoeh, poengah, 
bésar hati, bérani, olo-olo. 

Aanmengen, mënjampoer, mé- 
njampoerkén; (zie ook: aanlen- 
gen). 

Aanmerking (berisping), v., tjëla, 
pëntjëlaan ; (opmerking), tira- 
bangan, pëngrasaan, fikiran ; 
(ook : overweging), ingatan, 
pënilikan; Aanmerking maken, 
mënjëla, mèntjöla, mërasaï, mëng- 
ingat, mëngingatkën ; Veel en 
dikwjljls aanmerkingen ma- 
ken, tjërewet. 

Aanminnig, manis, elok, përmai. 

Aanmoedigen, mëngadjak, mëm- 
bëranikën, mënggambirakën, 
kasi hati, mëmbèri hati, möng- 
galakkën. 

Aannemel^k, boleh di tërima, 
boleh di përtjaja, boleh , di lakoe- 
kën ; (bevatteiyk), enteng 
kapala, ringan këpala, gampang 
di adjar. 

Aannemen (in ontvangst ne- 
men), tërima, mönërima, mö- 
njamboet; (van een kind), mëng- 
angkat, mëmoengoet ; (veron- 
derstellen), mërasa, kira, më- 



286 



AANN. 



AANS. 



njangka; (voor vrsLSLt houden), 
pèrtjaja; (op sdch nemen), 

sanggoep, mênjanggoepi, mè- 
nanggoeng, méntjakèp,bèrdjandji, 
méndjandji ; (een 'werk-), mém- 
borong ; (een grodsdienst-)» 
masoek ; (een naam-), mémakai 
nama; (een vret-, vaststellen), 
ménéntoekèn. 

Aannemer (van een iverk), m., 
pémborong, orang jang mém- 
borong pakérdjaan. 

Aanpakken, mëmegang, ménang- 
kèp, m&ndjabat ; (aanvallen), 
mélanggar, ménjèrang. 

Aanpassen, tjoba, mëntjoba, 
ménjoba. 

Aanplakbiljet, o., soerat tempel, 
soerat templekan, pélékat. 

Aanplakken, ménempelkèn, më- 
nemplekkén. 

Aanplant, m., tanëman. 

Aanplanten, taném, mënanëm. 

Aanporren (aansporen), meng- 
adjak : (ophitsen), mëngasoet, 
mèngoepak. 

Aanprjjzen, mëmoedji. 

Aanpunten, mérantjoeng, mélin- 
tjipkén, ménadjèmkén. 

Aanraden, mëmbëri nasihat, më- 
römboekkön. 

Aanraken (met de hand), mën- 
djamah, mëraba, mëmegang, më- 
njoentoeh, mëngoesik ; (met de 
punt van de tong om te proe- 
ven), mëntjëtjap ; (even met den 
vinger), mëntjoewit, mënggamit, 
mëndjawil; (tegen iets stoeten); 
mëlanggar, bërsoentoeh,mënjeng- 
gol. 

Aanraking, y., pëndjamahan, seng- 
golan, soentoeh; Met iemand 
in aanraking komen, bërkë- 
nalan, bërtëmoe, bêrdjamoe. 

Aanranden,mëlanggar,mënjërang; 
Iemand in ssjjn eer aanranden, 
mènjempok. 

Aanreiken, méngoendjoek, më- 
ngoendjoekkën,mènërimaken,mö- 
ngoeloengkên, mëngoeloerkën. 



Aanrennen, datëng dëngan bër- 

lari-lari. 
Aanrichten(opdisschen),mënghi- 

dangkèn, mëmbawa makanan, 
mëngangkat makanan ; (doen 
ontstaan), möngadakën, mëndja- 
dikën; (vervroestingen-), më- 
ngadakën kabinasaan, mëmbina- 
sakën ; (onheil-), mëndjadikën 
tjëlaka, mëmbawa tjëlaka, më- 
njëlakakën. 

Aanr^gen (aan een snoer r^- 
gen), mëngoetas, mënoesoek, 
mënoetjoek, mënganggit, mëng- 
goebah ; (losjes naaien), djëloe- 
djoer, mëndjèloedjoer. 

Aanroepen (luid toeroepen), 
mënjëroe; (tot zich roepen), 
panggil, mëmanggil; (van een 
schildwacht), mënjapa, mëngor- 
da ; (den naam van God), më- 
njëboet. 

Aanroeren, zie : Aanraken; (van 
iets spreken), mënjëboet, mëm- 
bitjarakën. 

Aanrollen, datëng bërgoeloeng- 
goeloeng, datëng bërgoeling-goe- 
ling (van golven). 

Aanrukken, mènampil, mërapat, 
datëng. 

Aanscherpen, mënadjëmkën, më- 
ngasah, mönggosok. 

Aanschijn (voorkomen), o.,roepa, 
tlahir, lahir, loewar; (gezicht) 
moeka, paras, wadjah. 

Aanschouwelijk, kalihatan,tlahir, 
lahir. 

Aanschouwen, mëlihat, mëman- 
dang, 

Aanschrappen, mënandaï, mënjo- 
rek, mënjoreki. 

Aanschrtiven(noteeren), mënjoe 
ratkën, mënoeliskën ; (schrifte- 
lijk bevelen), mëmbëri peren 
tah dëngan soerat, mëngirim 
soerat përentah. 

Aanschrjfjving,y., soerat përentah, 
soerat titah, ook: soerat për- 
tanjaan, soerat përmintaan, soerat 
përingatan. 



AANS. 



AANS. 



287 



Aanschroeveii) mëmoetar, m6- 
moetarkén, sékéroep, méngén- 
tjéngkön sèkèroep, mönétapkön 
séköroep. 

Aanslaan (in de belasting:), mé- 
ngénakén bea, méngénakén pa- 
dj6k; (vastslaan), mëlantak, më- 
lantakkën; (van een zeil), më- 
ngajak,mëmasang,mënambatkën; 
(van roet, enz.); mënjoelang; (van 
honden), mënjalak,bërgonggong, 
mënggonggong; (van een be- 
kendmaking), mënempelkën, 
mënemplekkën. 

Aanslag (van roet, enz.), m., soe- 
langjdjëlaga, sawang; (booze toe- 
leg) ,arah,pëngarab,makar; (In de 
belasting), taksiran padjëk,taksi- 
ran bea, pèrtamtoean padjëk, -— 
bea, — tjoekai. 

Aanslagbiljet, o., soerat padjëk, 
soerat bea, soerat tjoekai, piagèm. 

Aansluiten (dicht opeendrin- 
gen), mënghempet, mërapët, 
bërapët, bërdamping, mëndësëk; 
Doen aansluiten, mërapëtkën, 
mënghempetkën. 

Aanspannen (van paarden voor 
een rjfc|tuig), mêmasang, mëra- 
kitkën. 

AansptJkeren, mëmakoe, mëma- 
koeken. 

Aanspoelen (aangespoeld ivor- 
den), tërdampar ; (op het strand 
'werpen), mëndampar, mëndam- 
parkën. 

Aansporen (aanzetten, enz.); më- 
ngadjak, mënggërëtakkën : (de 
sporen geven), mëmatjoe. 

Aanspraak (toespraak),y ., përka- 
tafm, bitjara, përtjakapan; (recht), 
hak; (eisch), dakwa, da'wa; 
Aanspraak hebben op, mën- 
poenjaï hak atas ; Aanspraak 
maken op, mëndakwa atas. 

Aansprakel^k (z^n), mënang- 
goeng, mëmikoel tanggoengan, 
katanggoengan, bërtanggoeng. 

Aanspreken (toespreken), më- 
njapa, mënëgor, bërkata kapada; 



(tot een vorst), bërsëmbah ka- 
pada ; (van een vorst), bërtitah 
kapada; (iemand aanspreken, 
ter verant'woording roepen), 
mëngataï, mënëgori; (berispen), 
mëmarahi, mënasihatkën ; (ie- 
mand in rechten aanspreken), 
mëndakwa; (zjjn kapitaal aan- 
spreken), makan modalnja, ma- 
kan pokoknja. 

Aanstaan, (bevallen, genoegen 
doen), soeka,bërkënan, ridla(van 
den persoon), mënjoekakën, 
mëmpërkënankën ; (van de 
zaak). —Aanstaan (van een 
deur, enz.), tërboeka sëdikit, 
mënganga. 

Aanstaand (op handen ztjnd), 
jang akan datang; jang nanti 
datang; jang dëkat, di hadëpan 
ini, di dëpan ini, djëmah, jang am- 
pir datang, di moeka ini; (nog 
in aanmaak, -wording, enz. 
zjijn), bak al; De aanstaande 
week, minggoe di dëpan ini^ 
minggoe jang akan datang ini, enz. 

Aanstaande (verloofde), toe* 
nangan. 

Aanstalte (aanstalten maken 
tot), V., sëdia,bërsëdia,bërlangkap, 
bërdjaga-djaga. 

Aanstampen (van den grond), 
mëngasak, mëngërat, mëngënjak, 
mënoemboek, mëmadëtkën ; (van 
een lading in een vuurwa- 
pen), mëlantak, mëlantakkën. 

Aanstappen (loopend aanko- 
men), datang dëngan bërdjalan 
kaki; (zJlJn stap versnellen), 
mëntjèpatkën— , mèlëkaskën dja- 
lan, bërdjalan dëngan tjëpat. 

Aanstaren, mëmandang, mëman- 
dangi, mëngamatamati, mërë- 
noeng, mëlihati. 

Aanstekelijk, mënd^langkit, më- 
noelari ; Een aanstekeUJke 
ziekte, sampar, pënjakit sam- 
par, pënjakit mënoelari. 

Aansteken, (besmetten), mën- 
djangkit, mënoelari; (ontsteken). 



288 



AANS. 



AANV. 



mêmasang, ménjalakén ; (in 
brand steken), mëmbakar, 
ménaroh api, mènjoelat, ménjoe- 
mét, mèntjoetjoeh ; (vast ste- 
ken), ménoesoek, méngikat 
déngan péniti ; (bederven), 
mémboesoekkén, mèndjadikën 
boesoek. 

Aanstellen (benoemen), m6ng 
gélar, mêngangkat, mèndjadikén, 
mènètapkèn;(tot gemachtigde), 
mèwakilkën; Zich aanstellen 
als, mèmboewat-boewat, möla 
koeken diri sëpërti, poera-poera, 
salakoe sëpèrti. 

Aanstelling (benoeming), v.,gëla 
ran, angkatan; (acte), soerat 
gèlaran, soerat angkatan, soerat 
pangkat, piagëm. 

Aanstoken (ophitsen), mèngoe- 
pak, ménoesoek, ménoesoek- 
noesoek, méngadoe; (een t^wrist), 
mëngadoe pèrbantahan, mèndja- 
dikén pérbantahan, mëramaikèn 
pèrbantahan ; (een vuur), mèng- 
oepak api, mènjalakèn, mèmbè- 
sarkèn, ménggalakkén api. 

Aanstonds, sabèntar, sabéntar 
lagi, kólak. 

Aanstoot (schok), m., soentoeh 
soentoehan, béntoer, béntoes ; 
(ergernis), sjak; Aanstoot ge- 
ven, mêmbéri sjak, mémbéri 
maloe, mèmaloekên, tiada patoet, 
tiada laïk. 

Aanstooten, mènjoetoeh, méng- 
antok, kabèntoer, kabëntoes, 
mëmbëntoes, mëmbéntoer, mö- 
langgar, ménjenggol, mènjampok; 
De lading van een vuurwa- 
pen aanstooten, mëlantak, 
mëngasak; Ben deur aanstoo- 
ten, ménoelak pintoe; Het hoofd 
tegen iets aanstooten, mé- 
noemboekkén kapala ka (di); 
De glazen aanstooten, bértè- 
moekén piala, ménggèntoeskèn 
piala. 

AanstrJQken (met kalk), mêla- 
boer—, mënjapoe— , mönjikat 



dëngan kapoer, mëngoesapkën 
kapoer; (met verf), mëngëtjat, 
mëngëtjet, mënaroh tjat; (van 
voegen tusschen steenen enz.), 
mënjiar; (van een lucifer), 
mëmantik, mënggëretkên. 

Aantal (hoeveelheid), o., banjak, 
bilangan, djoemlah; Groot aan- 
tal, kabanjakan. 

Aantasten, mënjërang ; (van 
vuur, zich verbreiden), mën- 
djangkit, mëndjilat, mënghembet, 
mërembet; Iemands eer aan- 
tasten, mëmfitnahkên, mêlang- 
gar kahormatan ; Aangetast 
worden(door een ziekte), kêna. 

Aanteekenboek,o.,soerat përinga- 
tan, boekoe përingatan, boekoe 
toelis, boekoe tjatëtan. 

Aanteekenen (merken), mënan- 
daï, mënarohi tanda ; (noteeren), 
mënjoerati, mènoelis, mênoelisi, 
mënjoerat di daftar, mënoelis di 
boekoe, mënjatëti. 

Aanteekening (om te onthou- 
den), V., përingatan; (aanmer- 
king), timbangan, kira, pèrkiraan. 

Aantijgen, mënoedoeh; (valsche- 
lyk— ), mënoekas. 

Aantocht, m., datang;In aantocht 
zijn, lagi datang, lagi bërdjalan. 

Aantoonen (wyzen), mënoen- 
djoek, mêngoendjoek, mënoen- 
djoekkên, mèngoendjoekkën ; 
(duidelijk maken, enz.), 
mënjatakën, mënërangkën. 

Aantreffen, bërtëmoe,bërdjoempa, 
katèmoe . dëngan ; (vinden), 
dapat, mèndapat. 

Aantrekkelijk, zie: Aanlokke- 
lijk. 

Aantrekken (van kleederen, 
enz.), pakai, mëmakai; (trek- 
ken), mënarik ; (inzuigen), 
mëngisap ; Zich eene zaak enz. 
aantrekken, mèmfadloelikën, 
bërtjinta akan, bërkëtjil hati; 
De stoute schoenen aantrek- 
ken, mëmbëranikën diri. 

Aanvaarden (ontvangen), më- 



AANV. 



AANZ. 



289 



nèrima, mönjamboet; (de regee- 
ring), méndjabat; (eenerel8),bé- 
rangkat, bórdjalan, bèrlajar ; (eene 
reis naar Mekka), naïk hadji. 

Aanval^ m., pénjörangan, pénjér- 
boean, pénémpoehan, pönèrpaan, 
pélanggaran ; (vergoede — ), 
péngamoekan. 

Aanvallen, ménjêrang, ménjérboe, 
mèlanggar, ménèrpa, ménèmpoeh, 
méngamoek; (met een sprong), 
mènérkam, mönjérégap. 

Aanvangen, tnoelaï. 

Aanvankelijk, moela-moela, bër- 
moela, pértama. 

Aanvaren (tegen elkander), mè- 
langgar, ménèmpoeh. 

Aanvatten, pegang, mëmegang, 
mènangkép, méndjabat, méndjé- 
ramah. 

Aanvechting,y.,(zinneiyke lust), 
sahwat, sjahwat ; (des duivels), 
goda, pénggoda, was-oewas. 

Aanvegen, ménjapoe. 

Aanverwant, m., sanak, koelawar- 
ga, koelawangsa; Aanverwan- 
ten, sanak-soedara, kaum koela- 
warga; (van de 'wederzljdsclie 
ouders van gehuwden on- 
derling), besan, bérbesanan. 

Aanvliegen (vliegend komen), 
datang térbang, ménjambér ; (op 
iemand—), mèlanggar, ménèrpa. 

Aanvoer, m., pémbawaan, péma- 
soekan. 

Aanvoerder, m., kapala, pénghoe- 
loe, pénglima, pahalawan. 

Aanvoeren (aanbrengen, enz.), 
mémbawa, mémasoekkén; (een 
leger, enz.), mèngèpalaï, méngé- 
palakén, méngftndjoer; (citeeren, 
enz.), ménjéboet, mènjèboetkén. 

Aanvraag, v.,pérmintaan,pêrmoe- 
hoenan. 

Aanvragen, minta, méminta, mè- 
moehoen. 

Aanvullen (het ontbrekende), 
mèlangkapkén, méndjangkèpkén, 
mènambahi, mèménoehi. 
Aanvulling, v., tambahan. 
Hollakdsoh-Maleisch. 



Aanwaaien,mèngipas,mèmoepoet; 
(van den wind), bérpoepoet. 

Aanwas, m., tambah, pértambahan; 
(van het water), pasang, ajér 
pasang. 

Aanwenden (gebruiken), pakai, 
mèmakal, méngoepajakén, mém- 
pérgoenakén ; (appliceeren), mè- 
ngénakén, mémakaikén. 

Aanwennen, biasa, djadl biasa, 
mémbiasakén. 

Aanwezen, c, kaadaan. 

Aanwezend, ada, hadlir, bérhadlir. 

Aanwijzen, ménoendjoek,mènoen- 
djoekkén, ménoeding, ménoeding- 
kén.' 

Aanwinst, m.,oentoeng,laba,péro- 
lihan, tambahan. 

Aanwitten, mèlaboer, ménjapoe, 
— méloemas déngan kapoer. 

Aanwrijven (iets ten laste leg- 
gen), ménoedoeh, ménoedoehi, 
ménoedoehkén ; (valschelijk), 
mènoekas, ménoekasi. 

Aanzeggen (kennis geven), kasi 
tahoe, mémbéri tahoe, mémbéri- 
takén, méngchabarkén, méma'- 
loemkén; (gerechtalük— ), mé- 
njita. 

Aanzegging, v., pémbérian tahoe, 
pérma'loeman ; Qerechtelijke 
aanzegging, sita. 

Aanzetriem, m., koelit péngasahan 
piso, gaboes. 

Aanzetten (aanvoegen), ménjam- 
boeng; (scherpen), méngasah, 
gosok, ménggosok, ménadjémkèn; 
(aansporen),méngadjak,8oeroeh, 
ménjoeroeh, ménggalakkèn; (van 
paarden), mélarikén; (een deur), 
mémboeka sédikit; (de lading 
van een geweer, enz.), mélan- 
tak; (van roet, enz.), angoes, 
bersoelang, bérkérak ; (van een 
knoop, enz.), mémboeboeh, mé- 
masang. 

Aanzien, o., (het zien), péman- 
dangan, péngamat-amatan ; (ui- 
terlijk), roepa, tampik, lahir 
kalihatan ; (gezag), koewasa ; 

19 



290 



AANZ. 



AARD. 



In aanasien zijii, di hormatkèn, 
térhormat, kabilangan, di bilang- 
kën; Iemand van aanzien 
orang bèsar, orang bérkoewasa, 
orang moelia ; Ten aanasien van, 
akan, téntang. 

Aanzien (aankijken), mèman- 
dang, mélihatkèn, mèlihati, mé- 
nènoeng, mèrénoeng, méngamat- 
amati ; Met groote oogen aan- 
zien,mémbéliak, mèraéndélikkén; 
Met aandacht aanzien (be- 
schouwen), ménindjau, ménga- 
mat-amati ; Het laat zich aan- 
zien, dat ; roepanja, kalihatannja. 

Aanzienlijk, moelia, oetama, bër- 
koewasa, bèsar; (van creboorte), 
bangsawan ,bërasal;(zeer belang^- 
rjfjk), amat, sangat; (van waar- 
de), indah, bërharga. 

Aanzienlijke, m., orang bèsar, 
orang bérasal, bangsawan, orang 
kaja, orang moelia. 

Aanz^n, o., kaë^da^n ; flet aanzijn 
fi:even,méngadakén,möndjadikön. 

Aanzitten, doedoek, bèrdoedoek. 

Aanzoek, o., (verzoek), pêrmin- 
taan, pérmoehoenan ; (huwe- 
lijks—), pinang, pènglamar, 
lamaran; Aanzoek doen, më- 
minta, méminang, mènglamar. 

Aap, m., kèra, monjet; De zwarte 
aap, loetoeng; De langamii£:e 
gr^ze aap, oewa-oewa; Ben 
Jonge aap, koenjoek; De Gib- 
bon-aap, siamang; De groote 
mensch-aap, orang-oetan, ma- 
was, majas. 

Aapachtig, kaja monjet, tjara 
monjet. 

Aar (korenaar, enz.),v.,boelir,woe- 
li, roenggai, majang; (ader), oerat. 

Aard, m., (inbor8t),përangai,pëker- 
ti, boedi-pèkërti, adat, choeloek, ta 
biat, dasar; (wijze, manier), 
djalan, pöri,péri hal; (eener zaak), 
péri, pèri hal; (soort), roepa, 
bagal; Korzelig van aard, 
béngis; Vroolijk van aard, 
gëmar, girang, bèrgirang hati. 



bërsènang hati; Minzaam van 
aard, manis, aloes, bëradat aloes, 
bërpërangai jang lëmah lêmboet. 

Aardachtig, saroepa tanah, sëpèrti 
tanah, kaja tanah, tërtjampoer 
tanah. 

Aardaker, m., këmbili. 

Aardappel, m., (Europeesche), 
këntang; (inlandsche), oebi. 

Aardbeving, v., gëmpa,gömpa boe- 
mi, lindoe, tanah bèrgojang, tanah 
tërgojang, gojang tanah. 

Aardbodem, m., boemi; (opper- 
vlak), moeka boemi. 

Aardbol, m., boemi, boelat boemi. 

Aarde, v.,(aardbol),boemi;(grond), 
tanah; Eetbare aarde, ampo, 
tanah ampo, napal; Ter aarde 
vallen, djatoh di tanah; Ter 
aarde werpen, mëmbanting di 
tanah, mëndjatohkën ka tanah, 
mèmboewang di tanah; (ie- 
mand—), mëndjëroemoeskën di 
tanah. 

Aarden, (van aarde), tanah, dari 
tanah. 

Aarden, (overeenkomen met, 
enz.), sapërangai,mëmërangaikën, 
mènoeroet përangainja, mënoe- 
roet adatnja; (zich op z|jn ge- 
mak gevoelen, enz.), senang, 
bërasa senang, kërasan; (tieren 
enz. van planten), toemboeh. 

Aardewerk,o.,bangsapëtjah,bang- 
sa pëtjahan; Verglaasd aarde- 
werk, tëmbekar, bëling, bangsa 
bëling, piring-mangkok ; Onver- 
glaasd aardewerk, bëlanga, 
bangsa koewali, përabot tanah. 

Aardgeest, m., antoe tanah, koer- 
tjatji. 

Aardhoop, m., boesoet, timboenan 
tanah, oeroegan tanah, poen- 
doeng, poentoek. 

Aardig, (lief), bagoes, manis, elok, 
tjantik, djëlita; (grappig), dji- 
naka, loetjoe. 

Aardigheid, v.,(verrassing, voor- 
werp), barang jang indah, (grap), 
djinaka, sënda, sanda, banjolan; 



AARD. 

Ben aardigheid verkoopen, 

bérdjinaka, mémbanjol, mömba- 
doet. 

Aardkluit, m., goempal tanah. 

Aardlaag, v., lapis tanah. 

Aardluis, v., koetoe tanah, kamitë- 
tèp. 

Aardnoot, v., katjang tanah. 

Aardolie, v., minjak tanah, minjak 
latoeng, minjak petroleum. 

Aardr^k, o., boemi, doenia. 

Aardr^kskunde, v., ilmoe boemi. 

Aardsch, doenia, dari doenia; 
Aardsch goed, barang doenia. 

Aardscbgezind, bèrnafsoe doenia, 
soeka doenia. 

Aardschok,m., gérak boemi,gémpa 
boemi, lindoe. 

Aardslak, v., sipoet tanah. 

Aardspin, v., laba-laba tanah, katel. 

Aardvloo, v., koetoe tanah, kamitö- 
tép. 

Aardvrucht, v., oebi. 

Aardworm, v., tjatjing,tjatjing ge- 
lang. 

Aars, m., pantat, doeboer, dzoeboer. 

Aarsgat, o., lobang pantat, liang 
pantat, dzoeboer, doeboer. 

Aarsworm, v., tjatjing kéroewit, 
kéroewit, kërémi. 

Aarzelen, bimbang, bérgoendah, 
takoet, bata-bata. 

Aarzeling, v., bimbang, goendah, 
kabata-bataan. 

Aas, o., oempan, émpan, mangsa, 
makanan ; (kreng), bangkai ; (in 
het kaartspel), as. 

Abortus, m.*,goegoeran, goegoeran 
anak, köroeron, kéloeron; Mid- 
del om abortus te veroorza- 
ken, obat pöndjoeloek, obat akan 
mènggoegoerkén anak. 

Abui8,o.,Balah,salahméngêrti,salah 
tampa; Abuis hebben, salah, bèr- 
salah, tiada bëtoel, salah méngérti. 

Accoord, o., (overeenkomst), pèr- 
djandjian; Een accoord aan- 
gaan, bérdjandji, mémboewat 
pérdjandjian; (goed, in orde), 
baïk, bëtoel, tjotjok. 



ACHT. 



291 



Accordeeren (overeenstemmen) 
satoedjoe ;(overeenkomen), bèr- 
djandji, mëmboewat përdjandjian. 

Accijns, V., bea, tjoekai. 

AccÜnskantoor, o., pabean. 

Ach, ah, adoeh. 

Achillespees, m., oerat këting. 

Acht (oplettendheid), m., ingat, 
pëngingat, djaga; Acht slaan op, 
ingat, mëngingat, mëngingatkön ; 
In acht nemen, mëndjaga. 

Acht (telwoord), doelapan, dëla- 
pan ; Acht dagen, dëlapan hari, 
saminggoe; Kwart over acht, 
poekoel dëlapan laloesapërampat. 

Achtbaar, moelia, moeliawan, bë- 
sar, tërhormat. 

Achtbaarheid, v., kamoelia3,n, 
moehtasjam. 

Achtbeenig, bërkaki dëlapan. 

Achtbladig, bërdaoen dëlapan. 

Achteloos, lalai, tiada fërdoeli, 
koerang fërdoeli, koerang ati-ati. 

Achten (hoogrschatten, enz.), më- 
ngindahkën,mëmbilangkën,mëm- 
përmoeliakën, mënghormati, më- 
ngoepamakën, mëmbëri hormat; 
(meenen). kira, mëngira, ingat; 
GelQk achten, mënjamakën. 

Achtens'waardig,soedjana,haroes 
di indahkën, patoet di hormati. 

Acht en twintig, doea poeloeh 
dëlapan, dëlapan likoer. 

Achter, di bëlakang, di balik; Ten 
achter, kabëlakangan ; Achter 
elkander, bëriring, bërtoeroet- 
toeroet: Br steekt wat achter, 
ada rahasianja; Naar achter, 
kabëlakang; Van achter, dari 
bëlakang; Achter op een rjj- 
dier, di boen toet; Achter op 
een vaartuig, diboerit; Achter 
iets z^n of komen, mëndapat, 
mëngèrti. 

Achteraan, di bëlakang, kabëla- 
kangan ; Achteraan bleven, 
kabëlakangan, katinggalan. 

Achteraf, di bëlakang, djaoeh. 

Achterbaks, di bëlakang, sëm- 
boeni, sëmboenji; Achterbaks 



292 



AGHT. 



ACHT. 



houden, mènjémboenjikén, mö- 
njémboenikön, mènjimpèn. 

Achterbeen, o., kaki bèlakang. 

Achterbleven, tinggal, tlnggal dl 
bèlakang, katinggalan. 

Achterbout, m., paha, paha bèla- 
kang, poewër. 

Achterbuurt, v., kampoeng bèla- 
kang. 

Achterdeel, o., bèlakang, bagian di 
bèlakang, pantat, boerit. 

Achterdeur, v., pintoe bèlakang; 
(greheime deur), pintoe maling ; 
JBen achterdeurtje hebben, 
bèrdaja-oepaja. 

Achterdocht, v., sjak,sangka,tjèm- 
boeroe, was-oewas. 

Achterdochtig:, bèrsjak, bèrsang- 
ka, tjèmboeroean, tiada pèrtjaja. 

Achtereen, bèrtoeroet-toeroetan, 
dèngan tiada bèrkapoetoesan, dè- 
ngan tiada bèrhènti. 

Achtereinde, o., zie: Achterdeel. 

Achteren (van), zie: Achter. 

Achtererf ,o.,pèkarangan bèlakang, 
pèlataran bèlakang, kèbon bèla- 
kang. 

Achtergrebouw, o., zie: Achter- 
huis. 

Achterhalen, soesoel, mènoesoel, 
mènjoesoel, mèngambat; (vin- 
den, snappen), mèndapati. 

Achterhals,m.,tèngkok,leher bèla- 
kang. 

Achterhoede, v., toetoep, pènoe- 
toep, boen toet bala, enz. 

Achterhoofd, o., bèlakang kapala. 

Achterhouden, mènjèmboenikèn, 
mènjimpèn ; (verzwegen), mèn- 
diamkèn. 

Achterhuis, o., roemah bèlakang. 

Achterkamer, v., bilik bèlakang, 
kamar bèlakang. 

Achterkant, m., bèlakang, sèbèlah 
bèlakang, boeritan. 

Achterklap, m., fitnah. 

Achterkleinkind,o.,tjitji,tjitjinda. 

Achterkwartier, o., kampoeng bè- 
lakang; (derrière), pantat. 

Achterlader, m., sènapan (mèriam) 



kopak, sènapan (mèriam) bèrmoe- 
loet di bèlakang, sènapan (mèri- 
am) jang di isi dan bèlakang. 

Achterlaten, mèninggalkèa ; (een 
opdracht, enz.—), bèrpèsan, mè- 
mèsan. 

AchterlUk, (in groei), boengkik, 
kèrèdik, kètjil; (niet viug van 
verstand), lambat,kabèlakangan, 
gèblèg, bodo, bèrat kapala; (in 
z^n werk), malès, lam bat. 

Achtermast, m., tiang bèlakang, ti- 
ang pènjoeroeng. 

Achtermiddag, m., asar, sore, pè- 
tang;Achtermiddaggebed,8èm- 
bahjang asar, sèmbabjang sore. 

Achterna, di bèlakang, dari bèla- 
kang; ((later), kamoedian, achir, 
di achirnja, di bèlakang ; Achter- 
na loepen, toeroet bèrdjalan di 
bèlakang, mènoesoel, mènjoesoel, 
mèngoesir. 

Achtemeef, m., anak soedara 
misan, soedara kadoewa poepoe. 

Achternicht, v., zie : Achtemeef. 

Achterom, dari bèlakang, moebèng 
ka bèlakang. (di boentoet. 

Achterop, di bèlakang, di boeritan, 

Achterover, (van het hoofd) 
lènggak ; (zitten) bèrsender ; (lig- 
gen) tèlèntang, tjèlèntang, bèr- 
tjèlèntang ; (vallen) djatoh tèlèn- 
tang; (buigen) mèlioek, mèlèng- 
koengkèn ka bèlakang. 

Achterpoort, v., pintoe bèlakang, 
gèrbang bèlakang. 

Achterpoot, m., kaki bèlakang. 

Achterschip, o., boeritan, boeritan 
kapal, boeritan pèraoe. 

Achterste, jang bèlakang sèkali, 
jang kabèlakang sèkali; (der- 
rière), o., pantat; Het achterste 
voren, tèrbalik, soengsang, mè- 
njoengsang. 

Achterstallig,lama,bèlom di bajar, 
masih bèroetang. 

Achterstand,m.,(van schuld), ka- 
tinggalan oetang; (van werk), 
katinggalan pakèrdjaS-n, toeng- 
gakan. 



ACHT. 



ADMI. 



293 



Achtersteven, m., boerit, boeri- 
tan. 

Achterstuk,o.,zie:Achterkamer. 

Achteruit, oendoer, di bölakang, 
kabëlakang ; Achteruitdeinzen, 
Achteruitgaan, Achteruittre- 
den, moendoer; Achteruitgaan 
(van zaken), soeroet, roesak, 
roegi; Achteruitslaan, (van een 
paard), sepak, ménjepak; Ach- 
teruitzetten, mëngoendoerkên. 

Achteruitdeinzen,zie: Achteruit . 

Achteruitgaan, zie: Achteruit. 

Achteruitslaan, zie: Achteruit. 

Achteruit treden, zie : Achteruit. 

Achteruit zetten, zie : Achteruit. 

Achtervoegsel, o., hoeboengan, 
tambahan. 

Achtervolgen, mênoesoel, iné- 
njoesoel, méngoesir, méngambat, 
métnboeroe. 

Achtervolgens, dèngan mènoe- 
roet, bértoeroet. 

Achter-waarts, moendoer, kabè- 
lakang, moendoer kabélakang. 

Achterwege, di bèlakang, kating- 
galan ; Achtervrege bleven, 
tinggal, katinggalan; (niet ge- 
beuren), tiada sampai, tida djadi, 
woeroeng; Achter-wege hou- 
den,mènjimpén,mènjémboenikên. 

Achterwiel, o., roda bölakang. 

Achterzeil, o., lajar bèlakang, lajar 
pönjoeroeng. 

Achting, V., hormat. 

Achtjarig, bèroemoer dèlapan 
laoen, — délapan taoen lamanja. 

Achtkant, m., astakona, bórsègi dö- 
lapan. 

Achtmaal, dèlapan kali. 

Achtpootig, börkaki dèlapan. 

Achtste (deel), o., pèrdèlapan; De 
(het) achtste z|jn, mèndèlapan; 
Ten achtste, kadèlapan, kadèla- 
pan kalinja. 

Achttien, dèlapanbèlas; Achttien 
honderd v^f en negentig, sa- 
riboe dèlapan ratoes sambilan 
poeloeh Jima. 

Achttiende, pèrdèlapanbèlas ; De 



(het) achttiende, kadèlapanbè- 
las, jang kadèlapanbèlas. 

Achtvoud, o., dèlapan kali, dèlapan 
lapis. 

Achtzaam,ingat-ingat,atiatijakin. 

Acte, V., soerat; Authentieke 
acte, V., soerat jang sah. 

Adder, m.,bèloedak,oelèrbèloedak, 
oelèr bèdoedak. 

Adel, m., asal bangsawan; Van 
adel, bèrasal, bangsawan, toeroe- 
nan asal. 

Adelaar, m., radjawali. 

Adelborst, m., djongkèr. 

Adelen, mèmbangsawankèn,mèm- 
bèri pangkat bangsawan, mè- 
moeliakèn. 

AdelJIJk, boesoek, bèrèk. 

Adellüjk, bèrasal, bangsawan, toe- 
roenan bèsar, bèrbangsa. 

Adelstand,m.,pangkat bangsawan; 
In den adelstand verheffen, 
mënoegèrahkèn (mèmbèri) pang- 
kat bangsawan. 

Adem, m., nafas, napas; Den adem 
inhouden, mènahan napas ; Bui- 
ten adem z^jn, mènggeh-mèng- 
geh; Den laatsten adem uit- 
blazen, poetoes napas, poetoes 
njawa, mati, mèninggal, mangkat, 
mangkat bèradoe. 

Ademen, bèrnafas, bèrnapas, mè- 
narik napas, mènapas. 

Ademhalen, zie: Ademen. 

Ader, m , (gewone ader), oerat, 
oerat darah;Slagader,oeratnadi, 
oerat bèrdènjoet ; Halsslagader, 
oerat pèmboenoeh ; (in gesmeed 
yzer,*enz.), pamor; (in marmer, 
papier, enz.), koerai, barik, larik ; 
(van erts inden grond), karang. 

Aderlaten, sanggrah, mènjang- 
grah, mèmantik oerat, mènjoen- 
tik oerat, mèmboeka oerat. 

Aderslag, m., zie : Polsslag. 

Adjudant, m., kapit, pèngapit, adji- 
dan. 

Admiraal, m.,laksamana,panglima 
laoet. 

Admiraalschap, o., djabatan (dara- 



294 



ADMI. 



APDO. 



djat) laksamana. (mana. 

Admiraalschlp, o., kapal laksa- 

AdmiraalBvlag* v., bandera laksa- 
mana. 

Adres, o., (van een brief), alamat, 
alamatsoerat; (verzoekschrift), 
soerat pérsémbahan, soerat pér- 
moehoenan. 

Adresseeren, méngalamatkën. 

Advertentie,v., pémbéritaan, pém- 
börita, pömbéri tahoe. 

Advies, o., bitjara, rémboek. 

Advocaat, m., pénoeloeng bitjara, 
pèngatjara, pèngawam ; (de 
vrucht), boewah tëmpoeroeng, 
boewah apokat. 

Af (van af),dari,daripada (gedaan) 
soedah, habis, poetoes, soedah 
djadi; Af en toe, adang-adang, 
kadang, kadangkala, térkadang; 
Berg op en af, naïk goenoeng, 
toeroen goenoeng; (naar be- 
neden), toeroen, ménoeroen ; 
Stroom af, milir; Van iets af 
ziljn, lëpas, tërlépas; (afgemat), 
létih, lémah, lèsoe, pajah, saté- 
ngab Diati; BQ het kantje af, 
bampir, koerang sédikit. 

Afbakenen, mènandaï, mènarohi 
tanda watès, mèwatèsi. 

Afbeelden, mèméta, mëmètakén, 
ménggambar, ménggambarkén, 
méroepakën, mênoelis gambarnja. 

Afbeelding, v., péta, gambar. 

Afbetalen, mëmbajar habis, mëm- 
bajar loenas, méloenaskén, mé- 
ngimpaskèn; Af betaald, impas, 
loenas. 

Afbeulen, mënjiksa, mënjiksakën, 
mënsiasatkên, mëlabrak, mënjoe- 
sahkën. 

Afbidden (G-ods zegen), mëminta 
(mëmoehoen) bërkat Allah; (van 
gevaren), bërminta doa akan di 
loepoetkën dari pada bëhaja. 

Af boenen, mënjikat, mënjeka, më- 
njapoe. 

Afborstelen, mënjikat, mëm- 
boendèr. 

Afbraak,m.,bongkaran,rombakan; 



Iets voor afbraak verkoopen, 

mëndjoewal akan di bongkar. 

Afbranden (door vuur verteerd 
ivorden), habis tërbakar, habis 
di makan api, hangoes, angoes; (in 
brand steken), mëmbakar habis. 

Afbreken (sloepen), mërombak, 
mëmbongkar; (een gesprek, 
touTir, enz.), mëmoetoeskën; (in 
kleine stukjes), mëngoetil, 
(takjes of bloemen), mënggën- 
tas ; Afgebroken, rombak, bong- 
kar, poetoes, gëntas, patah,pëtjah, 
poklek, ook : habis, bërhënti; (van 
een onderzoek, enz.). 

Afbrengen (naar beneden bren- 
gen), mënoeroenkën, mëmbawa 
toeroen; (van den rechten weg), 
mënjèsatkën, mënjasarkèn, më- 
njimpangkën; (van een voor- 
nemen), mëmbalikkën. 

Af breuk,y., roegi; Afbreuk doen, 
mëroegikën; Afbreuk l^den, 
karoegian, dapët roegi ; Iemands 
rechten afbreuk doen, më- 
langgar haknja orang. 

Afdak, o., emper, sëngkoewap. 

Afdalen, toeroen ,mënoeroeni; (van 
het gebergte naar de vlakte) 
mëngilir, milir. 

Afdammen, mëmbëndoeng, mëm- 
bëndoengkën, mënërbis, mënëbatj 
mëmbikin bëndoengan, mënam 
bakken. 

Afdanken, mëlëpaskën, mëngloe 
warkën,mëmoelangkën,kasi lëpas, 
mëmbëri lëpas. 

Afdeelen, mëmbëhagi, mëmisah- 
kèn. 

Afdeeling,y., bagian, bëhagian, pe 
gangan, distrik; (vak, lade^^ 
petak, kotak; (van een boek 
fatsa], bab; (van krijgsvolk), 
pasoek, pasoekan, katoemboekan 
(in vruchten, als b^v. de 
oranjeappel), pangsa. 

Afdeixizen, oendoer, moendoer 
Doen afdeinzen, mëngoendoer< 
kën. 

Afdoen (van een werk), mëngha- 



AFDR. 



AFHA; 



295 



biskön, ménjélösaikön, mènjoe- 
dahkën^mëmoetoeskën; (van een 
Bcbuld btl paiementen), mè- 
nitjil, ménjoesoetkèn, mémbajar 
déngan södikit-sèdikit; (van een 
schuld geheel—), mémbajar 
loenas, mémbajar habis, méloe- 
naskén ; (afleggen van kleeren, 
enz.), mémboeka, ménanggalkén. 

Afdrijven (met den stroom), 
anjoet, hanjoet,impar,mömbabas, 
milir, méngilir; (van een onge- 
boren vrucht),ménggoegoerkén. 

Afdrogen, seka, ménjeka, méngé- 
sat, méngésatkén, ménggosok, 
möngéringkén, ménjapoe. 

Afdruipen, bértitik, ménetes, bér- 
linang-linang, bérhamboeran. 

Afdruk, m., tjitak, tjitakan, pönjita- 
kan, pénêraan, téraan, tjap, tjapan, 
(afdruksel van een spoor, enz.), 
békas. 

Afdrukken (van drukwerk), 
mênjitak, ménéra; (van stem- 
pels), ménéra, mémétrai, méngé- 
tjap, mémboeboeh tjap; (van 
kleedjes), méngétjap, mênjitak. 

Afdruppelen, zie: Afdruipen. 

Afduwen, ménoelak. 

Afdwalen, sésat, bérsésat,ka8ésat, 
késasar; Doen afdwalen, mé- 
njésatkén, ménjasarkén, ménjim- 
pangkén. 

Afeischen, ménoentoet, méminta 
déngan kéras, méminta déngan 
paksa. 

AflPuit, o., kareta mériam, alas 
mériam, alasan mériam. 

Afgaan (naar beneden gaan), 
toer oen; (ontlasting hebben), 
mémboewang ajér, berak, pérgi 
kabélakang; (van een schot), 
bérboenji, mêlétoep; (van een 
voomemen,enz.), méninggalkén, 
mélépaskén, laloe dari pada; 
(recht op iets), ménoedjoe ; (van 
een pr|js, verminderen), koe- 
rang,mèngoerangi, boleh koerang, 
toeroen. 

Afgang, m., (helling, enz.), toeroe- 



•nan,tjoeram,iringan;(stoelgang), 
boewang ajér, berak; (de stof), 
tahi, berak: Dunne afgang, 
tjéret, méntjéret, montjor, moe- 
roes; Bloed-afgang, boewang 
ajér darah, médjén. 

Afgebrokkeld, rompang, som- 
beng, goegoer. 

Afgedaan, soedah, soedah habis, 
soedah djadi, rampoeng, sélésai. 

Afgeknot, poetoes, patab, boen- 
toeng. 

Afgeleefd, toewa sékali, térlaloe 
toewa. 

Afgelegen (ver), djaoeh; (een- 
zaam), soenji, 8épi. 

Afgemat, létih, lésoe, létih-lésoe, 
lémés, lélah, lêlah djérih, tjape, 
pajah, saténgah mati. 

Afgevaardigde, m., soeroehan, oe- 
toesan. 

Afgeven (overreiken), kasi, 
mémbéri, méngoendjoekken, mé- 
njérahkén, ménérimakén; Zich 
afgeven met, tjampoer, bértjam- 
poer, bérsahabatan, bérdjinakan; 
(van verf), méndjangkit, mé- 
lengket, méloekang (van ge- 
kleurd UJnwaad, enz), leen- 
teer, méloentoer. 

Afgezant, m., kiriman, soeroehan, 
oetoesan. 

Afgod, m., bérhala. 

Afgodendienaar, m., orang mé- 
njémbah bérhala. 

Afgodendienst, m., pénjémbahan 
bérhala. 

Afgodsbeeld, o., patoeng, patoeng 
bérhala, artja, rétja. 

Afgrtizen (afkeer), o., géli; 
(tjzing), ngéri. 

Afgrond, m., tjoeram, djoerang; 
(diepte der zee), loeboek, toebir. 

Afgunst, V., déngki. 

Afgunstig, déngki, bérdéngki, 
tjéraboeroean. 

Afhaken, ménggantjoe, mélépas- 
kén. 

Afhakken, mémotong, ménétak, 
mémanggal, mémantjoeng, mö- 



296 



AFHA. 



AFKO. 



néndas, ménèbas, mémbabat. 

Afhalen (inhalen, ontvangen), 
méudjémpoet, méngaloe, mapag ; 
(afstroopen), méngoepas, bèset, 
mèmbéset, méngéset; (naar be- 
neden halen), mënoeroenkèn. 

Afhandelen, ménjoedahi, ménjè- 
lèsaikèn, mèrampoengkén, mé- 
moetoeskén, ménghabiskén. 

AfhandifiT-maken, nièngambil, 
mérèboet, méngakalkën. 

Afhangen (neerhangen), bér- 
gantoeng, tèrgantoeng. 

Afhankelijk, dl bawab, bërgan- 
toeng kapada, bërhadjat akan, 
ta'loek, di bawah pérentab. 

Af hellen, niiring, tjoeram. 

Afhouden (op zjjde gaan), më- 
njimpang; (korten), inènjéngko- 
long, mémotong; (van iets 
terughouden),iiiëlarangk6n,mé- 
nahan, ménabankén; (vervr^J- 
derd houden), mèndjaoehkën. 

Af houwen, mëmotong, mèmang- 
gal, mënétak, méngèrat, mé- 
ngoetoengkèn. 

Afhuren, sewa, ménjewa. 

Afkapen, mèrampas, mënjébrot. 

Afkappen, zie: Af houwen. 

Afkeer, m., djétnoe, djëmoean, géli, 
moewal, djidji ; (haat), bèntjij 
Een afkeer van iets hebben, 
djömoe dari, bërmoewal, gëli; 
(van iemand), bêntji, mëmbëntji. 

Afkeeren (zich—, afwenden), 
bërpaling, bèrbalik, oendoer, 
moondoer, mëlengos (weren, 
pareeren), mënangkiskën. 

Afkeerig, bërdjëmoe, gëli, moe- 
wal, bëntji, bërbëntji; Afkeerig 
zyn, tiada soeka, bëntji, mëm- 
bëntji, moengkir ; (van werken), 
sëgan, bëtfeëgan. 

Afkeuren (berispen), mënjëla, 
mënjëlakën, mënëgor; (verwer- 
pen), tiada maoe tërima, tiada 
mënërima, mënoelak, mëlarang- 
kën. 

Afklimmen, toeroen. 

Afkloppen (afrossen), mëmoe- 



koel, mënghantëm, mëmaloe, 
mëngëlabërak. 

Afknabbelen, mëmëpak, mëma- 
pak, mëmorot, mëngoetil, mëng- 
gërogoti. 

Af knakken, mëmatabkën, mëng- 
gëntas, mèraotel, mëmoteïkèn. 

Afknippen, mënggoenting. 

Afkoelen, mënjëdjoekkën, mën- 
dinginkën. 

Afkoken, mënanak, mërëboes, 
mëmasak, mëmasakkën. 

Afkomeling, m., toeroenan. 

Afkomen (naar bededen ko- 
men), toeroen, mënoeroen, më- 
noeroeni; (van iets bevrj|]d 
"worden, enz.), lëpas dari, loepoet 
dari, tërlëpas dari, diloepoetkën 
dari; (op iemand), mëndatëngi, 
mëngoesir, mëmarani, mëndapët- 
kën, mönghampiri, mënampoeh, 
mënampoehi ; Goed van iets 
afkomen, bëroentoeng. 

Afkomst, v.,asal,bangsa,toeroenan; 
Van voorname afkomst, 
bërasal, börbangsa, toeroenan 
bësar, bangsawan; (van een 
woord), pohon, pokok, asal. 

Afkomstig, asal, bërasal, toeroen. 

Afkondigen, mëngoewar-oewar, 
mëngoewarkën, mëngoendang- 
kën, bërsëroe-sëroekën, mëwar- 
takën. 

Afkooksel, o., rèboesan, ajër masa- 
kan, koewah. 

Afkoop, pëmbëlian, panëboes, të- 
boesan, pëmbajaran, Af koop van 
heerendiensten, pëmbajaran, 
(panëboes, tëboesan) giliran pa- 
kërdjaan kompënian. 

Afkoopen (loskoopen), mënë- 
boes; (omkoopen), mönjorong; 
(de doodstraf), mëmbëri ba- 
ngoen, mëmbajar diat. 

Afkorten (korter maken), më- 
mendekkën, mëmandakkèn, më- 
njoesoetkën;(vanwoorden,enz.), 
mëmatabkën, mëringkaskën; (af- 
houden van geld, enz), më- 
motong, tjëngkolong. 



AFLA. 

Afladen,niénoeroenkén moewatan, 
mèmbongkar moewatan. 

Aflaten (neerlaten), ménoeroen- 
kön, méngoeloerkön; (uitschei- 
den), mèmbérhéntikön, bérhénti. 

Afieeren (ver£:eten), loepa, mè- 
loepakön; (doen verleeren), 
méngapokkéii, mönobatken, mé- 
ngadjar, mönghilangkén tingkah- 
nja. 

Afleggen (van kleeding), më- 
nanggalkön,- mömboeka; (van 
een gewoonte, enz ), méning- 
galkën; (van getuigenis), bér- 
saksi, mènjaksikèn, naïk saksi; 
(van een bekentenis), mënga- 
koe ; (van een eed), bërsoempah, 
mënjoempah; (van een gelofte), 
bërkaoel, mëngaoel; (van een 
yjk), méngérdjakèn maït, méra- 
watkén maït; (een weg, enz.), 
bérdjalan, möndjalani, ménjoe- 
dahi ; (onderdoen), tiwas ; (ster- 
ven), mati, mèninggal. 

Afleiden (van water), mènjim- 
pangkén, mèngalirkën; (iemand 
van zijn werk), mëngganggoe, 
mënjoesahkën ; (van den rech- 
ten vreg), mënjasatkën, mënja- 
sarkën. 

Afleiding, v., (van water enz.), 
simpangan, sëloeran; (afstam- 
ming), toeroenan, asal; (van 
verdriet, enz.), lipoer, pëngli- 
poer hati. 

Afleveren, mënjërahkën, mëm- 
bawa masoek, mönërimakën. 

Aflichten, mëngangkat, mëngang- 
kat toetoepnja, mêmbpeka. 

Aflikken, mëndjilat, mëndjilati. 

Afloeren, mëngintal, mëngintip. 

Afloop,m., (einde), soedah,kasoeda- 
han; (van water), alir, pëngalir; 
(eb), soeroet; (helling), miring, 
iringan, toeroenan, tjoeram, djoe- 
rang; (eener zaak), kasoedahan, 
poetoes, pënghabisan, poetoesan. 

Afloopen, (dalen), toeroen, më- 
noeroen; (van een klok), bër- 
hënti; (van het water), soeroet, 



AFNE; 



297 



mëngalir; (eindigen), bërkasoe- 
dahan, bërhënti, bèrpoetoes, poe- 
toes, habis; (langs een helling, 
zooals een schip van stapel), 
loentjoer, mëloentjoer, mëlondjor; 
(schuin, hellend), miring; (plun- 
deren), mëndjarah ; (rondloo- 
penin), bërkoeliling.mënandang; 
(geheel te voet afleggen), 
mëndjalani sampai soedah, mëng- 
habiskën djalan; (van tranen), 
bërlinang-ljnang; (van zweet), 
bërhamboeran ; (uitmoorden), 
mëngamoki, mëmboenoehi. 

Aflossen (vervangen), mëng- 
ganti, bërgilir; (elkander), bër- 
gantian, bërgiliran, ganti-bër- 
ganti; (uit den lombard), më- 
nëboes; (schulden), mëmbajar; 
(van een kapitaal), memoer 
langkën modal, mëraoelangkën 
pokok, mëngombalikèn. 

A f m ak en, (beëindigen), mënjoe- 
dahi, mënghabiskën, mëngërdja- 
kën habis, mërampoengkën, më- 
njëlësaikën, mëmoetoeskën, mëm- 
bërhëntikën; (dooden), mëmboe- 
noeh, mënghabiskën, mëmatikën, 
bikin mati ; Zich van iets afma- 
ken, mëlöpaskën diri dari pada. 

Afmalen, (teekenen), mënggam- 
bar, mënggambarkën, mëloekis, 
mënoelis gambar; (verhalen), 
mëntjëritërakën; (malen), mèng- 
giling habis. 

Afmatten, (moe maken), mën- 
tjapekën, mëlëlahkën; (verzwak- 
ken), mëlëmahkën, mëlëmaskën. 

Afmeten, (meten), mëngoekoer; 
(afpassen), mëndjangka; (ver- 
deelen), mëmbëhagi, mëmbëhagi- 
kën; (met een inhoudsmaat), 
mënakër; (naar. iets), mëma- 
toetkën, mëmbandingkën. 

Afhemen, mëagambil, mëngang- 
kat, mëmboeka; (aftrekken), 
mëmotong, mëngoerangkën, më- 
njëngkolong ; (met een doek af- 
vegen), mënjeka,mëngësat;(van 
het -water), soeroet, toeroen; 



298 



AFPA. 



AFSC. 



(verminderen), koerang, djadi 
koerang, bérkoerangan, mönjoe- 
soet; (een eed), mënjoempah. 

Afpalen, (voor merkteekens de 
^Trenzen aandreven), mënandar, 
méwatési; (afperken), mèma- 
gèri, mènjampadani, mémbatêsi. 

Aj^assen, mëndjangka, mëndjang- 
kaken. 

A^>ellen, mëngoepas, mëmboe- 
wang koelitnja. 

Afperken, zie: Afpalen. 

Afpersen, mëngambil dëngan 
paksa, bëroleh dëngan paksa, më- 
rëboet, mërampas, mënganiaja. 

Afjplukken, mënggëntas, mëmëtik, 
mèngalap, mëngambil. 

Afraden, mënasihatkën, mënjë- 
gahkën, mëlarangkën. 

Afranselen, labrak, mëlabrak, 
mënghantëm, mëmoekoel, më- 
maloe, mënggasak. (kat. 

Afreis, v., pëninggal, pangkat, ang- 

Afireizen, bërangkat, bërdjalan; 
(over zee), bërlajar; (een land), 
mëngoelilingi, mëndjadjahi. 

Afrekenen, mëmbandingkën itoe- 
ngan, mömbëtoelkën itoengan, 
mënghabiskèn përitoengan; (be- 
talen), mëmbajar, mëioenaskën. 

Africhten, mëngadjar. 

Afroepen, mêngoewarkën, mëma- 
loemkën. 

Afronden, mëmboentarkën, mëm- 
boendërkën, mëmboelatkën. 

Afrossen (ranselen), mëlabrak, 
mënghantëm, mëmaloe, mëmoe- 
koel, mënggasak. 

Afrukken, mënjëntak, mënjëndal, 
mëroentas, mëragoet. 

Afschaffen, mëniadakën, mëm- 
boewang, mëlëpas, mëlëpaskën, 
mëmbërhëntikën. 

Afschaven, mënjëroet, mëngëtam; 
(van de huid), letjet,mëletjetkën. 

Afscheid, o., (nemen), bërmohon, 
minta poelang, kasi tabe, mëm- 
bëri tabe; (geven), mëlëpaskën, 
kasi (mëmbëri) lëpas. 

Aflscheiden, mëntjëraikën, mëng- 



asingkën, mëmisah, mëmisahkën, 
mëndjaoehkën, mënjëbëlahkèn. 

Afscheiding, v., pëntjëraian, pisa- 
han; (grens), batës, watës. 

Afschepen, mëngirimkën dëngan 
përaoe (kapal); Iemand beleefd 
afschepen, mënglëpasken(mëng- 
loewarkën) orang dëngan kata 
jang manis. 

Afscheppen, mënjidoek, mënjen- 
dok. 

Afscheren, mëntjoekoer, mënjoe- 
koer; (van de schapen), meng- 
goenting; (van een haag), më- 
maras, mëmangkas, mëmbabat. 

Afschetsen, mërantjanakën, më- 
noelis,mënggambar,(verhalend), 
mëntjëritëraken, mëmbitjarakën. 

Afscheuren, mëntjarik, mënjobek, 
mënjowek, mërobek, robek, soe- 
wek, sobek; (kleine stukjes 
van iets), mëngoetil. 

'Afschieten (van een vuurwa- 
pen), mëmasang, mëmboenjikën, 
mënembak; (van een p^l), më- 
lëpaskën, mëmanahkën ; Ben 
ruimte enz. afschieten, zie : Af- 
scheiden. 

Afschilderen (teekenen), mëmë- 
taken, mënggambarkën, mëmbi- 
kin gambarnja;(verhalend),mën- 
tjëritërakën. 

Afschillen, mëngoepas, mëmboe- 
wang koelitnja. 

Afscheppen, mënëndang. 

Afschrappen, mëngikis, mëngërik, 
mëngëroek; (van een UJst), 
mënghapoeskën. 

Afschrift, o., toeroenan (salinan) 
soerat. 

Afschreven, mënjalin soerat, më- 
noeroen soerat. 

Afschrik, m., takoet. 

Afschrikken (bacgmaken), më- 
nakoeti, mënakoetkën, mëmbikin 
takoet, mëndjërakën; (terug- 
houden), mënahan, mënahankën. 

AfiBchubben, mënjisik, mënjisiki: 

Afschudden (van zich schud- 
den), mëngirap, mëngirapkën, 



AFSC. 



AFSP. 



299 



mèngöbas, méngébaskén, möngé- 
boet, méngéboetkön; (vruchten 
enz. van een boom, enz.), mè- 
ngojak, mënggojang, mèngorak, 
méngorakkén. 

Afschuieren, mênjikat, mémboen- 
dèr. 

Afschuimen, mèmboewang oen- 
toek. 

Afschuiven (naar beneden 
schuiven), ménjorong kabawah, 
mèlorod, mëlorodkën; Benzaak 
van zich afschuiven, mëlë- 
paskén. 

Afschutten, mëmagëri, mèndin- 
dingi, mênjékat; (een rivier, 
enz.), mëmbéndoeng, mèmbén- 
doengi. 

Afschuw, V., géli; (Jijzing), ngéri; 
(haat), bèntji. 

Afschuwelijk, haiban, boesoek 
sékali. 

Afslaan (het hoofd, enz.), më- 
nëndas, mënëtak, mëmantjoeng ; 
(afweren), mënangkiskën; (den 
vtjand), mëngoendoerkën ; (wei- 
geren), mënoelak, tiada maoe 
tërima; (den prt)s), mënoeroen- 
kën, mëndjatohkën harganja ; 
(van kleederen de stof —), 
mëngëbaskën, mëngëboetkën. 

Afslafir,m.,(weifi:ering),ënggan,pë- 
noelak ; (van prJiJs), toeroen har- 
ga; (van straf), pëngoerangan 
hoekoeman (siksa); (van geld), 
potong, potongan, tjëngkolong. 

Afslijten, mëmakai sampai boe- 
roek, — sampai roesak ; (van het 
voorwerp zelf) djadi roesak, 
djadi boeroek, djadi loesoeh. 

Afsloven, mënjoesahkën, mëlë- 
lahkën, mëmajahkën, mënjape- 
kën. 

Afsluiten, mënoetoep; (met een 
slot), mëngoentji; (met een 
dwarsboom), mënjakat, më- 
njëngkang, mëmalang, (met een 
gespannen touw, enz.), mërën- 
tangi; (met een versperring of 
vertakking), mëngëmpang. 



Afsmeeken, mëminta-minta, më- 
moehoen, mëmoehoenkën. 

Afsnauwen, mënëngking, më- 
njëntak, mënjèntaki, mënjërëgah. 

Afsnijden, mëmotong, mëngërat, 
mëngëratkën;(den navelstreng) 
mënjiat poesat, mëngërat poesat, 
mëmotong poesër; (van het 
haar), mëmotong, mëragas;(van 
den neus), mërompongkën; (den 
hals), mëmotong leher, mënjëm- 
bëleh, mënggodot, mënggorok ; 
(van mouwen), mëngoetoeng- 
kën ; (van een weg), mëmotong, 
mërëntas, mënjakat djalan ; 
Iemand den weg afsnijden, 
mëmalangi, mënjëgat, mënjëgati ; 
(de hoop), mëmoetoeskën pëng- 
harëpan, mëmoetoeskën asa, 
mënghilangkën pengharëpan ; 
(met een schaar), mënggoen- 
ting; (takken van boomen,enz.), 
mëranting, mërampal, mëmang- 
kas. 

Afsnoeien, mëranting, mëran- 
tjoeng, mërampal, mëmangkas. 

Afspoelen (reinigen), mëntjoetji, 
mënjoetji, mëngoembah ; (van 
grond door water), larat, laroet, 
tërbawa ajër; (uitspoelen, mee- 
voeren door water), makan, 
mëlaroetkën, mëmbawa; Bezor- 
gen afspoelen, mënënggëlëm- 
kën kasoesahan dalem minoeman. 

Afspraak, v., djandji, përdjandjian ; 
Een afspraak maken, bërdjan- 
dji, bërdjandjian, mëndjandji ; 
Zich aan een afspraak hou- 
den, mönëtapkèn përdjandjian; 
mënjampaikën përdjandjian; Af- 
spraak b|j handslag, përdjan- 
djian döngan bërtampar tangan; 
Een afëpraak verbreken, 
mëngobahkën përdjandjian. 

Afspreken, djandji, bërdjandji, 
bërdjandjian, mëndjandji; Vast 
afspreken, bërtëgoh-tëgohan, 
djandji. 

Afspringen (vanboven),tërdjoen, 
mënërdjoen, mëlompat dari atas, 



300 



AFST. 



AFTR. 



mélompat toeroen, mëlompat ; 
(Oiet doorgaan), tiada djadi, 
woeroeng, batal; (Doen afsprin- 
gen^ niet door laten gaan), 
mémbatalkèn. 

Afstaan (overgeven), ménjérah- 
kèn, méninggalkön, mölépaskön; 
(verwijderd staan), bördiri dja- 
oeh dari pada. 

Afstammeling^ m., toeroenan, 
anak, pèranakan ; Afstamme- 
lingen, anak-tjoetjoe, toeroen- 
témoeroen, dzoeriat. 

Afstammen, toeroen, asal, bërasal, 
bërpantjar, mönitis. 

Afstamming, v., toeroenan, p^n- 
tjaran, titisan, asal. 

Afstand (verte), m., djaoeh; (tus- 
schenruimte), antara, antaranja, 
lét, sélang, djarak; (van iets, 
het afstaan), pönjèrah^n, sëra- 
ban ; (van het gessicht, zoover 
als het oog reikt), joedjana, 
widjana; Afstand doen van, 
mölépaskön, mémbiarkén, mènjè- 
rahkön, méninggalkön ; Van af- 
stand tot afstand plaatsen, 
raënjélang, mënjëlangkën ; Op 
een afstand, dari djaoeh. 

Afstappen, toeroen (van een on- 
dervrerp), tiada mëmbitjarakën 
lagi, mëmbiarkën. 

Afsteken (van wal), mënoelak, 
bërlajar ; (van een vuurwerk), 
mëmasang; (in kleuren), bër- 
laïnan roepa, bërlaïnan warna; 
(met een beitel), mëmahat, më- 
motong ; (verschillen) beda, bër- 
beda; Iemand de loef afste- 
ken, mëndéhoeloeï, mëngalah- 
kën, mönang. 

Afstemmen, mönoelak. 

Afsterven, mati, wafat, mëninggal. 

Afstegen, toeroen. 

Afstoffen, mënjeka, mönjikat, më- 
njapoe. 

Afstompen, toempoel, mënoem- 
poelkén, mëmbikin toempoel. 

Afstooten, mënoelak, mönérdjoen- 
kën. 



Afstorten (vallen), djatoh, tör- 
djoen ; (doen vallen), mëndjatoh- 
kën, mënërdjoenkén ; (van voch- 
ten), mêntjoerahkën.Zie verder: 
Storten. 

Afstraffen, mënjiksa, mënghoe- 
koera, méngadjar, mëmbëri pë- 
ngadjaran. 

Afstralen, bërsinar. 

AfstrtJken (afvegen), mënjeka; 
(met de hand), mëlorot; (de top- 
pen der vingers ergens op), 
mëntjolet,mënjoiet; (een lucifer), 
mëmantik, mënggëret, mënggë- 
retkën. 

Afstroomen, méngalir, bërhiliran ; 
(beneden'waarts van een ri- 
vier, enz.), milir, mëngilir ; (eb- 
ben), Boeroet; (van tranen), 
bërlinang-linang ; (van z'weet), 
bërhamboeran. 

Afstroopen (villen), mëmbëset, 

f mëngëset, mëngoepas,mëngoeliti; 
(plunderen), mëndjarag, mënja- 
moen. 

Afstuiten (terugstooten), më- 
mantoel, mëngamboel, sëntak ; 
(weren), mënoelak. 

Aftakelen (een schip, enz.),mëng- 
angkat kalangkapannja. 

Aftappen (overgieten), mënjalin, 
ménoewang; (van palm'w^n), 
mënjadap; (een rivier), ménga- 
lirkën ajërnja; (bloed), mënjang- 
gërah, méngérat oerat. 

Af teekenen, mënoelis gambar, 
mënggambar, mënggambarkën, 
mëmétakén. 

Aftocht, m., oendoer, oendoeran, 
angkat, angkatan kombali. 

Aftoppen, mëmantjoeng. 

Aftrappen, mënëndang, mënën- 
dang poetoes, mënërdjoenkén ; 
(korrels van de aren), mëng- 
gilës dëngan kaki. 

Aftrek, m., (hebben), lakoe. 

Aftrekken (rekenkunde) më- 
motong, tjëngkolong, ménjéng- 
kolong ; (de huid enz.); mëngoe- 
liti, mënjojak, méngoepas, mê- 



AFTR. 



APWI. 



301 



ngopek, möngéset, mèmbéset; 
(terugtrekken), moendoer, ba- 
lik ; (met een ruk) ; mènjéntak, 
mènjèndal; (in water), mènjé- 
doeh, mèröboes, mèngoekoes, 
masak; De hand van iemand 
aftrekken, mélépaskën, mèm- 
biarkèn, tiada mérdoelikèn. 

Aftrekking, v., potong, potongan, 
tjèrigkolong. 

Aftuimelen, bèrhoembalang, tèr- 
djoen, djatoh kadjoengkèl, djatoh 
tèrbolak-balik. 

Aftuinen, mëtnagëri. 

Afvaardigen, möngirim, mènjoe- 
roeh, mèngoetoes. 

Afval (vuilnis), m., sampah,ampas, 
kotoran; (rest), sisa; (ontrouvr), 
riddat, doeraka. 

Afvallen (vallen), djatoh, loeroeh, 
goegoer ; (vermageren), djadi 
koeroes; (ontrouw zltjn), mè- 
ninggalkön, méndoeraka, djadi 
moertad. 

Afvallig, doeraka, riddat, moertad. 

Afvaren (wegvaren), börlajar; 
(eene rivier), milir. 

Afvegen, seka, mènjeka,mènjekaï, 
mèngösat, mönjapoe. 

Afv^len, mèngikir, möngikirkén. 

Afvloeien, raèngalir. 

Afvoeren (vervoeren), mëmbawa, 
mönoeroenkèn ; (langs een ri- 
vier), méngilirkèn. 

Afvorderen, ménoentoet, mèmak- 
sa, mèminta déngan kèras, mè 
nagih. 

Afvragen, mönanja, mönanjaï, 
ménjèlidik. 

Afvuren, mèmasang, mènembak, 
mömboenjikön. 

Afwachten, mönanti, mènantikén, 
toenggoe, mènoenggoe; (onder 
weg), mèngadang, ménjègat ; 
(iets met geduld), mënjabarkën, 
mènoenggoe déngan sabar. 

Af wasschen, mömbasoeh, ménjoe- 
tji,möntjoetji,möntjoetjikön;(zich 
afwasschen, —baden), mandi, 
bërmandi; zich afwasschen, de 



billen —na het doen van zijn 
gevoeg), Istindja, tjebok, mènje- 
bok; Een lj|jk afwasschen, 

mémandikön maït. 

Afwateren, möngalir. 

Afwegen, mènimbang. 

Afwenden (zich), bèi^aling, bèr- 
balik, börbalik moeka, bèrbalik 
mata, mölengos; (iets), mèma- 
lingkén,ménoelak,ménangkiskén, 
mönahankèn, ménjimpangkén, 
mèmbelokkön, mömbalikkön, 
méndjaoehkén. 

Afwennen, méninggalkèn, mèloe- 
pakön. 

Afwentelen, ménggoelingkön, 
mönggoeloengkèn. 

Afweren, mènangkiskön, mönoe- 
lak ; (van een onheil), mènang- 
kal. 

Afwerken (afmaken), mênjoe- 
dahkön, mönghablskèn, mèram- 
poengkön. 

Afwerpen, mölempar, mèloentar, 
mélemparkén, möloentarkèn, 
mömboewang, möndjatohkön ; 
(voordeel), mèmbawahasil,mén- 
datangkèn hasll, mèngoentoeng- 
kèn. 

Afwezend, tiada ada, tiada hadlir, 
tiada bérhadlir, djaoeh. 

Afweken, mönjimpang, mönjè- 
limpang, mölentjong, mentjeng, 
mentjong, mömbias, (verdwa- 
len), sësat, bërsësat, kasasar; 
(van een w^et, enz.), mèlaloeï, 
mèliwati, mèlanggar, bèrtjidèra; 
(verschuiven), gingsèr, ging- 
soer; (verschillen), beda, bèr- 
beda. 

Afwezen, tiada törima, mönoelak, 
méngènggankén; Iemand af- 
wezen, mënghèmpal^èn, tiada 
maoe térima. 

Afwisschen, mènjeka, méngösat, 
mènjapoe. 

Afwisselen, bèrganti, bérgantian, 
mönggantikèn, mönoekar,mönoe- 
karkén, böralih; (om den an- 
dere—), bèrsélang, mènjélang, 



302 



AFWI. 



ALBA. 



bér8ëlang-6ëling; (elkander), bër- 
gilir. 

Afwisselend, bèrganti-ganti, bër* 
sëlangsèling, börbagai-bagai, bé- 
roepa-roepa. 

AfwrlJven, mênggosok, ménjeka. 

Afzadelen, mémboeka pélana, 
möngangkat pêlana, méngangkat 
sela. 

Afzagen, mènggéradji, mènggér- 
gadji. 

Aftokken (zakken), toeroen, 
mëlorot, gëloeloer; (met den 
stroom), milir, anjoet, mèmbias. 

Afleggen, zie: Herroepen, Ver- 
anderen. 

Afzeilen, bèrlajar. 

Afzenden, mönjoeroeh, méngirim, 
mèngoetoes; (een brief), mö- 
ngirim, mèngirimkèn. 

Afzetsel, o., (van boomen, enz.), 
tjangkok. tjangkokan. 

Afzetten (afnemen),inéngangkat, 
ménoeroenkön ; (berooven), 
mënjamoen, mönipoe, mémpér- 
dajakën, möngakalkön, méminta 
dëngan paksa; (van boomen, 
enz.), mènjangkok, mémbikin 
tjangkokan; (van een arm, enz.), 
mémotong, méngoedoengkön, 
mëngoetoengk&n;(ult een ambt), 
mèlèpas, mémètjatkén, méngloe- 
warkèn, mömbèri (kasi) lépas, 

Afzetter, m., pènipoe. 

AfzichtelJiJk, kagëlian, boesoek 
sèkali, djèlek sëkali,mènggëlikèn. 

AfUen (van iets), mëlëpaskën, 
inöninggalkèn, mèmbiarkèn, tiada 
mördoelikèn lagi; (leeren door 
zien), mëlihatkén, bèladjar dën- 
gan mëlihat. 

Af^^D» zie: Afwezend. 

Afspelen, bërhiliran, ménetes, 
rëmbës. 

Afzonderen, mëngasingkën, mën- 
tjëraikën, mëmisahkën, mëndja- 
oehkën, mënjimpan, mënjingkir- 
kën; Zich afzonderen als 
kluizenaar, bërtapa. 

AfzonderlJlJk, bërasing, satoe- 



satoe, satoe-përeatoe, sëndiri- 
sëndiri, masing-masing, sëndiri 
sëhadja. 

Afziveren(een godsdienst, enz.), 
mëmboewang. 

Agaat, m., akik, akit, jakoet. 

Agent, m., wakil, wakil moetlak, 
polmak, koewasa. 

Agio, o., basi, sarf. 

Agurk, m., timoen tikoes, kêtimoen 
këtjil; Agurk in zunr, atjar 
kêtimoen. 

Ajuin, V., zie: Ui. 

Akelig (van gevoel), tiada enak ; 
(van uiterl^k, enz.), kangèrian, 
mënggilakën, mëngkirikkën, mè- 
nakoeti ; (eenzaam), soenji, sëpi. 

Akker, m., bëndang, tanah jang di 
tanëmi; (zonder bevloeüng), 
ladang, tëgal ; (hoog in het ge- 
bergte en t^deljjk), tipar, 
hoema; (van levend vrater 
voorzien), sawah. 

Akkerbouw, m., përoesaha^n ta- 
nah, pakërdjaan tanah,pakërdjaan 
tani,përtanen; Akkerbouw dra- 
ven (op natte velden), më- 
ngërdjakën sawah, mënjawah ; 
(op droge velden), bërladang, 
mèngêrdjakên ladang, mënëgal, 
mëngördjakën hoema. 

Al, (reeds), soedah, tëlah; (geheel), 
sëmoea, sëgala, sërba, sarwa, sa- 
kalian, antero; Al te, tërlaloe. 
amat, tëramat; (zelfs), djikalau, 
djikaloe, biar, këndati, lagi, sam- 
bil; Geheel en al, bëlaka. 

Alarm, o., hoeroehara, haroebiroe, 
gadoeh, gëmpar, roesoeh; (sein), 
Këmboejan. 

Alarmblok, o., (van een uitge- 
holden boomstronk enz), tong- 
tong, këntongan ; Op het alarm- 
blok slaan,mëmoekoel tongtong. 

Alarmklok, v., gënta sëmboejan, 
lontjeng sëmboejan. 

Alarmsein, o., sëmboejan, tanda 
karoesoehan. 

Albast, V., poewalam, batoe poe- 
waJam. 



ALBE. 



ALTIJ. 



303 



Albedil, m., orang tjérewet, toe- 
kang tjérewet. 

Albino, m., orang balar, orang sa- 
boen. 

Aldaar, disana, disitoe. 

Aldus, bégini, dêmikian. 

Aleer, lébih déhoeloe, sabèlomnja. 

Algemeen, aam, oemoem, moe- 
tlak; Het algremeen, orang ban- 
jak, kabanjakan orang. 

Alllier ) sini, dl sini. 

Alhoewel, maski, maskipoen, kén- 
dati, kéndatipoen, köndatilah, 
djikalaü . . . sëkalipoen. 

Alle, sèmoea, sëgala, sèkalian, sê- 
moeanja. 

Alledaagsch, këpalang, memang, 
sabén hari, sahari-harian, biasa. 

Alleen, (slechts), hanja, tjoema, 
séhadja, djoewa; (onverzeld), 
séndiri, sa'orangdiri, séndirian, 
kéndiri, kèndirian; (afgezon- 
derd), tërpisah, bërasing. 

Allegaar, sèmoea, sêmoea sëkali, 
sama sëkali, kasëmoeanja. 

Allegaartje, (mengelmoes), tjam- 
poeran. 

AUeman, sëkalian orang, sëgala 
orang, sëbarang orang, orang 
banjak, kabanjakan orang. 

Allengs, përlahan-lahan, pëlan- 
pëlan, lama lama, dëngan sabar. 

Allenthalve, di mana-mana. 

Allereerst, përtama-tama, jang 
përtama sëndiri. 

Allergrootst, tërlaloe bësar, bësar 
sëndiri, tërlaloe amat bësar. 

Allerheiligst, maha soetji. 

Allerhoogst, mahatinggi, ta'ala, 
tërlaloe tinggi. 

Allerlei, roepa-roepa, sëgala roepa, 
bërdjönisdjënis, bagai-bagai, ane- 
ka, aneka-wërna. 

Allerliefst, tërlaloe manis, manis 
sëkali, bagoes sëkali, tëramat 
bagoesnja, tërlaloe elok, tëramat 
indah. 

Allermeest, tërbanjak, jang ban- 
jak sëndiri, tërlaloe banjak, tër- 
lëbih banjak. 



Allernaast, (van een prUs),harga 
mati. 

Allerwegen, di mana-mana. 

Alles, sëmoea, sëmoeanja, kasë- 
moeanja, sëgala, sëkalian, sëka- 
liannja. 

Alleszins, sëkalikali; (volstrekt), 
ta'dapat tiada. 

Allicht, moedah-moedahan. 

Allooi, o., kadar. 

Almacht, v., kodrat, maha koewasa. 

Almachtig, maha koewasa, kadir. 

Aloë, m., (een gewone soort), 
nanas wëianda; (een kleine 
soort), lidah boeaja. 

Aloêhout, o., kajoe garoe. 

Alom, di mana-mana, barang di 
mana, pada sëbarang tëmpat. 

Aloud, dëhoeloe kala, dari dzaman 
dëhoeloe kala. 

Alphabet, o., abdjad, alif-ba-ta. 

Alphabetisch, dëngan pëngatoe- 
ran abdjad, mënoeroet hoeroefnja, 
mënoeroet alif-ba-ta-nja. 

Aireede, soedah, tëlah. 

Als (gelijk), kaja, sëpërti, laksana; 
(indien), djika, djikalaü, kaloe, 
sëdang, sëdangkan; (toen), tat- 
kala, apabila; (op de wijze van), 
sabagai; Als het maar (mits), 
asal; Als het maar niet, kaloe 
kaloe djangan, lamoen djangan. 

Alsdan, pada waktoe itoe, tatkala 
itoe, pada masa itoe. 

Alsmede, dan lagi, sabagai poela, 
sabagai lagi, djoega, djoega lagi. 

Alsnog, lagi, poela, sëkarang djoe- 
ga, sëkarang lagi. 

Alsnu, sëkarang, sëkarang ini, pada 
sëkarang ini. 

Alsof, sabagai, sëpërti, kaja, kaja- 



Altaar, o., madzbah; Chineesch 
altaar, medja tëpaikong. 

Altegader, sëmoea, sëkalian, së- 
moeanja. 

Altemet, tërkadangkadang, ba- 
rangkala, barangkali. 

Althans, sëmadja. 

Altijd (steeds, voortdurend, 



304 



ALTIJ. 



ANKE. 



enz.), sëlaloe» sélama, sélamanja, 
sénantiasa, sèdékala, memang. 

Alt^ddurend (bestendig), k6kal. 

Altoos, zie: Altijd. 

Aluin, V., tawas. 

Aluinaarde, v., tanah tawas. 

Aluinachtig, sèpérti tawas, tèr- 
tjampoer tawas. 

Aluinsteen, m., batoe tawas. 

Aluinwater, o., ajèr tawas. 

Alvorens, sabélomnja, lébih dé- 
hoeloe, térdêhoeJoe. 

Alwaar, mana, dimana, barang- 
dimana. 

Alweder, poela, lagl, lagi s&kali, 
kombali lagi. 

Alzoo, bégitoe, bëgitoe djoega, dé- 
mikian, bégitoe roepa, sèbab itoe, 
karéna itoe, dari itoe, maka itoe, 
djadi. 

Amalgama, o., tjampoeran. 

Amandel, m., boewah kénari wè- 
landa. 

Ambacht, o., kérdja, pèkerdjaan 
toekang. pèrtoekangan; (fijn), 
kapandaian. 

Ambachtsgezel, m., kawan toe- 
kang, tèmèn toekang. (dai. 

Ambachtsman, m., toekang, pan- 

Ambassadeur, m., oetoesan. 

Amber, o., ambar, batoe ambar. 

Ambt,o.,djabatan, djawatan, marta- 
bat, pakërdja3.n ; Ben ambt aan- 
vaarden, masoek djabatan ; Ben 
ambt waarnemen, inélakoekên 
djabatan; Uit een ambt ont- 
slaan, mèmètjatkën dari pada 
djabatan, mèlöpaskèn. 

Ambteloos, tiada mëmegang dja- 
batan, tiada mèlakoekén pakér- 
djaan, tiada poenja pakérdjaan, 
ménganggoer. 

Ambtenaar, m., pègawai, pëndja- 
bat, priaji. 

Ambtgenoot, m , tëman djabatan, 
tëman pakërdjaan,kawandjabatan. 

Ambtsbezigheid, v., pakërdjaan, 
djabatan. 

Ambtshalve, karëna wadjibnja 
djabatan. 



Ambtszegel, o., tjap djabatan, ma- 

tërai djabatan. 
Amen, amin; Amen zeggen, më- 

ngoetjap amin, mëngamini. 
Amethist, m., batoe këtjoeboeng, 

përmata biroe. 
Amfioen,o.,(onbereid),apioen; (be- 
reid), madat, tjandoe, tike; Am- 

fioen schuiven, minoem madat, 

makan madat, mëngisëp madat, 

mënjëret; (vuil in de pUp), 

djitjeng, këlelet, tahi apioen. 
Amfloenkit, v., roemah madat, pa- 

madatan. 
Amfloenpacht, v., pak apioen, 

pëmborongan apioen. 
Amfioenpachter, m., kapala pak 

apioen. 
AmfioenpJUp, v., boeloe madat, bë- 

doedan, pëdoedan. 
Amfioenschuiver, m., pëmadat, 

toekang minoem madat. 
Amulet, o.> djimat, pënangkal. 
Ananas, v., nanas. 
Ander, laïn; Om den ander, 

bërsëlang, bërsëlang-sëling. 
Anderdaagsch, lët sahari. 
Anderdeels, tambahan poela, la- 

gipoen. 
Anderhalf, satoe satëngah, tëngah 

doewa. 
Andermaal, lagi sëkali, sëkali lagi, 

pada laïn kali, kadoewa kalinja. 
Anders, laïn, laïn roepa, mëlaïnkën, 

hanja. 
Angel, m., sëngat, antoep : Met den 

angel steken, mënjëngat, më- 

ngantoep. 
Angst, V., tjinta, përtjintaan, soesah, 

soesah hati, sjoegroel, takoet. 
Angstig, takoet, bërtjinta, bërsoe- 

sah, bërasa soesah hati; Angstig 

van aard, pënakoet. 
Angstvallig. Zie: Angstig. 
An^s, V., adas manis, bidji adas 

manis. 
Anker, o,, (scheeps-anker), djang- 

kar, saoeh; Ten anker komen, 

mëmboewang djangkar, bërla- 

boeh; Het anker lichten, mën- 



ANKE. 



ARM. 



305 



gangkat djangkar, bérlajar; 
Voor anker rUdeii, bértahar; 
Anker in een muur, pèngikat 
tembok. 

Ankeragegeld, o., bea pëlaboehan, 
roeba-roeba. 

Ankerblad, o., daoen saoeh, daoen 
djangkar. 

Ankerboei,m., lampoeng djangkar. 

Ankeren, bërlaboeh. 

Ankerkluls, o., oeloep^ 

Ankerplaats, v., pélaboehan. 

Ankerring, m., tjintjin saoeh 
(djangkar). 

Ankerschacht, v., batang saoeh, 
kajoe djangkar. 

Ankerspaak, m., pëngoengkll sa- 
oeh. 

Ankertou"^, o., tali saoeh, tali 
djangkar. 

Antagonist, m., sëtéroe. 

Antvroord, o., sahoet, sahoetan, pè- 
njahoetan, djawab, djawaban; (op 
een brief), pèmbalèsan. 

Ant-woorden, méndjawab, mènja- 
hoet, (op een brief), mémbalös, 
mémbalési soerat. 

Apotheek, v., roemah obat, kédai 
obat. 

Apotheker, m., toekang obat, ka- 
pala roemah obat. 

Appèl, o., (Zie ook: Hooger be- 
roep), përmintaan papëriksaan 
dan pértimbangan pada hakim 
jang lébih tinggi; Appelleeren, 
(In appèl gaan, enz.), minta 
papériksaan dan pértimbangan 
pada hakim jang lébih tinggi, 
— masoek appel. 

Arabesk, o., sélimpat. 

.Arablê, tanah (négéri) arab. 

Arabier, m , orang arab. 

Arak, v., arak. 

ArakstokerU, v., pérarakan, péng- 
arakan. 

I Arbeid, m., kérdja, oesaha, péroesa- 
han. 

Arbeiden, kérdja, békérdja, béroe- 
saha, méngoesaha, mèntjéhari 
makan, mèntjéhari rédjéki; Aan 

HOLLAITDSCB-MALSISCH. 



iets arbeiden, méngérdjakén, 
mémbikin. 

Arbeider, m., koeli, orang békérdja, 
toekang. 

Arbeidsloon, o., oepah, oepahan, 
oepah kérdja, bajaran kérdja ; (per 
maand), gadji, bélandja boelanan, 
pémbajaran boelanan. 

Arbeidzaam, radjin, soeka kérdja. 

Archipel, m., kapoelauan, pérkoem- 
poelan poelau-poelau. 

Arduin, o., batoe loko. 

Areca, v., pinang, boewah pinang; 
Areca-palm, poehoen pinang, 
pokok pinang. 

Arend, m., radjawali. 

Arendsneus,m.,idoeng mantjoeng. 

Arendsoog, o., mata tadjém. 

Argeloos, toeloes hati, tiada mé- 
naroh sjak, tiada ingatan djahat. 

Arglist, V., tipoe, daja, tipoe-daja, 
akal djahat. 

Arglistig, bértipoe, bérakal djahat, 
tjérédik. 

Argwaan, m., sjak, sangka, kira; 
Argwaan koesteren, ménjang- 
ka, méngira, ménaroh sjak. 

Argwanend, ménaroh sjak, sélém- 
pang. 

Aria, v., (melodie), ragam, lagoe; 
(zangstuk), njanjian. 

Arm, m., (lichaamsdeel), léngan, 
ook: tangan;De onderarm met 
de hand, tangan: De onderarm 
zonder de hand, roewas sikoe; 
Rechterarm, léngan (tangan) 
kanan ; Unkerarm, léngan 
(tangan) kiri; Arm (van een 
rivier), anak soengai, batang 
soengai, siinpangan soengai (kali); 
Arm (steel), pémegangan, hoe- 
loe ; Met de armen slingerend 
loopen,mélenggang,bérlenggang; 
In de armen sluiten, bépélok, 
mémélok; De armen op de 
borst kruisen, bérsédakép. 

Arm (behoeftig), miskln, papa, 
mélarat; Ben arm mensoh, 
orang mlskin, orang papa, orang 
mélarat; Arm worden, djadi 

20 



306 



ARMB. 



•AZEN. 



miskin, djatoh mèlarat; Arm 

maken, mèmapakèn, mëmëla- 

ratkén, méndjadikèn papa, mèn- 

djadikén mélarat. 
Armband, m., gelang; (voor den 

bovenarm), gelang pontoh, pon- 

toh. 
Armbestuur, o., pamêrentahan 

atas orang miskin. 
Armengeld, o., dèrma, oewang 

dérma. 
Armenhuis, o., roemah miskin. 
Armenkas, v., pëti dèrma. 
Armoede, ,v., mèlarat, kamêlara- 

tan, kapapaë.n, miskin, kamiski- 

nan. 
Armoedig, zie: Arm. 
Armpljp, V., toelang lèngan. 
Armring, m., zie: Aniiband. 
Armstoel, m., koersi bërtangan, 

koersi pörsenderan. 
Armvol, sapamëloek. 
Armzalig, hina, tjèlaka, boeroek, 

zie ook: Arm. 
Aroma, o., haroem, aroem, wangi. 
Aromatisch, haroem, aroem, 

wangi, bêrbaoe aroem, bèrbaoe 

wangi. 
Arsenaal, o., gédong alat papéran- 

gan, gêdong pèrabot papörangan, 

gédong séndjata. 
AiBenik, o., warangan. 
Artikel, o., fatsal, pérkara. 
Artillerie, sëtabëlan. 
Artillerist, orang (soldadoe) sè- 

tabèlan. 
Arts, m., tabib, doktor, doekoen 

wèlanda. 
ArtsenjJ, y., obat, pënawar. 
ArtseniJkunde, y., ilmoe obat, 

ilmoe mènjampoer obat. 
As, m., inden, indjèn, poesat, as, poe- 

roes. 
Asoh, V., aboe, lèboe, dèboe. 
Aschbak, m., tëmpat aboe. 
Aschgrauw, këlaboe. 
Aschkleur, roepa (warna) 

aboe. 
Aschregen, m., hoe^an aboe* 
Assisteeren, zie: Helpen. 



Assistentie, v., pèrtoeloengan, 
zie: Hulp. 

Astroloog, m., sastèrawan. 

Aterling, m., haram djadah, anak 
haram, anak soendöl. 

Atmospheer, v., hawa, oedara. 

Atoom, o., koeman, dzarrah, loe- 
loeh. 

Attentie, v., ingatan, pérhatian, 
pênglihatan; Zijn attentie op 
iets vestigen, mëngingati, mè- 
lihat, mélihatkén, mémandang. 

Attribuut, o., sifat. 

Audiëntie, m., pérhadapan, pènéri- 
ma^n; Audiëntie verleenen, 
mènèrima péroendjoekan, möndè- 
ngarkén péroendjoekan. 

Augurk, V., zie: Agurk. 

Authentiek, sah, tërang, halal; 
Authentieke acte, v., soerat 
jang sah. 

Avanceeren, madjoe, mënampil, 
mënampil kahadëpan. 

Avond, m., sore, pëtang, malëm. 

Avondeten, o., makan malëm, san- 
tap malëm. 

Avondgebed, sëmbahjang ma- 
grib. 

Avondmaal, o., makan sore, makan 
malëm, san tap malëm; Het hei- 
lige avondmaal, korban. 

Avondrood, o., tedja, sandja. 

Avondschemering, y., magrib, ka- 
boes, sandja, waktoe sandja, wak- 
toe samar moeka, rëmëng-rëmëng, 
rëpët-rëpët. 

Avondster, y., bintang sore, bin- 
tang babi, bintang dzoe-harat. 

Avondstond, m., sore, waktoe sore, 
pëtang, pëtang hari. 

Avonduur, o., zie : Avondstond. 

Avonturier, m., orang jang mëntjë- 
hari oentoeng; orang jang tiada 
poenja kërdja tëntoe. 

Avontuur, o., oentoeng; (goed), 
oentoeng baïk; (slecht), oen- 
toeng djahat. 

Avontutirmk, rambang-rambang. 

Asten (op iets), mëntjëhari makan, 
mëntjëhari ëmpan, mënjérai. 



AZIJN. 



BAD. 



SOI 



Azjjn, V., tjoeka; (inlandsche), wè- 

rak, tjoeka djawa. 
AzUnfiesch, v., botol tjoeka. 
AzIJnstel, o., têmpat tjoeka. 



Azuur, biroe, biroe langit, lazoe- 

wardi. 
Azuursteen, m., batoe lazoe- 

wardi. 



B. 



Baai, o., (wollen stof ), kaïn boeloe, 
kaïn soef; (zie ook: Boezem). 

Baaitje, o., badjoe; (met korte 
mouwen) badjoe koetoeng; (g^e- 
heel dicht, alleen met een ope- 
ningvoor het hoof d),badjoe koe- 
roeng; (nauw sluitend), badjoe 
takwa, badjoe siképan ; (lang, tot 
aan de enkels reikend, ge- 
sloten), badjoe toro ; Ben baai- 
tje aan hebben, bèrbadjoe; Op 
z)]n baaitje kragen, kéna poe- 
koel, di poekoel, di labérak, dibêri. 

Baak, tanda, tiang tanda. 

Baal, karoeng, kampil, boengkoes, 
boengkoesan, gèndang, kéndang, 
goendang ; (van gedroogde 
visch), baban, bêban; Een baal 
rijst, sakaroeng bëras ; Een baal 
papier, sagöndang (— kèndang, 
--goendang) kértas; Een baal 
gedroogde visch, sabèban ikan 
kering. 

Baan, v., (weg), djalan : (van een 
hemellichaam), pèrid&ran ; (van 
geweven stoffen), pias, lirang; 
ladjoer; Heirbaan, djalan raja, 
djalan bësar ; Op de lange baan 
schuiven, mélandjoetkön, mè- 
lambatkên; Langs de baan, 
sapandjang djalan. 

Baar, v., (draag—), lerang, oesoe- 
ngan, gotongan, djodang, djon- 
dang; (Hjk— ), djèmpana; djinarat, 
gotongan majit, tangga-tangga- 
iJiajit; (groote golf), ombak, 
aloen, gèloembang; (zandbank 
voor de mondüig van een 
rivier, enz.), gosong, béting boe- 
soeng; (modderbank), lênjau, 
(nieuweling), orang béharoe 



(baroe), totok; (staaf), batang; 
(bloot, open), rémbang, njata, 
törang, bétoel. Baar geld, oe- 
wang toenai, oewang kontan. 

Baard,m.,djenggot,djenggot baoek, 
tjambang;(stekel van visschen), 
doeri; (van het koren, enz.), 
ranting, ramboet. 

Baardig, bèrdjenggot, ramoes. 

Baardtangetje, o., angkoep, sèpit 
angkoep, tjatoet. 

Baarmoeder, v., pöpoedjoe, rahim, 
kandoeng, péranakan, kandoeng 
pèranakan. 

Baas, m., toekang, pandai ; (mees- 
ter), toewan. Den baas spelen, 
möngatas-ataskén diri, möngalah- 
kén hoekoem, méradja lela. 

Baat (voordeel), o., laba, oentoeng; 
(nut), faedah, goena, pérgoenaan, 
pértoeloengan. 

Baatzucht, v., tama, kakikiran, 
loba. 

Babbelaar, m., toekang ngomong, 
toekang ngotjeh, orang bérban- 
tjang-bantjang, orang gèlatak, 
toekang tjomel. 

Babbelarjj, v., omong, omongan, 
omong kosong. 

Babbelen, méngomong, bértoetoer, 
méngotjeh, böleter, börbantjang. 

Babbolkous, orang bèleter, orang 
tjéramah, toekang ngomong, toe- 
kang ngotjeh. 

Babbelzucht, v., tjéramah. 

Bad, o., pérmandian; (warm—, 
stoom—), pérmandian ajör panas, 
pérmandian tangas, tangas; (voor 
metalen), sépoeh, sépoehan. Een 
bad nemen, mandi, bérmandi, 
Een warm, stoombad nemen, 



308 



BADE. 



BALL. 



. börmandi ajér panas, mënangas. 
Metalen in het bad zetten, 

. ménjépoeh, mönjèpoehkén. 

Baden (zich), mandi, bèrmandi, 
siram, bërsiram; (iemand), mé- 
mandikèn, mènjiramkén ; (na een 
bevalling:), mandi wiladat; (na 
den ^Qen dagf van het kraam- 
bed), mandi nlfas ; (na een zaad- 
storting, of na den coïtus), 
mandi djinabat, mandi djoenoeb ; 
(in bloed), mandi darah, börtjor- 
tjoran darah; (in tranen), bé- 
röndam (börtjotjoran) ajèr mata. 

Bader, m., orang mandi. 

Badhuis, o.,roemah mandi,roemah 
pérmandian, gèdong pérmandian; 
(dravend), balai kambang, roe- 
mah pérmandian di atas getek. 

Badkamer, v., kamar mandi, bilik 
pérmandian. 

Badkleed, o.,kaïn mandi,kaïn basa- 
han, télésan, tjoekin. 

Badkuip, m., témpat mandi, paso 
pérmandian;(gemetseld),koelah, 
koelam. 

Badstoof, y., tangas, tangasan. 

Bad'water, o., ajér mandi, ajér pér- 
mandian. 

Bagrage, v., barang-barang. 

Bajonet, v., sangkoer, mata sang- 
koer. 

Bak, m., (van aardewerk), paso; 
(gemetseld), koelam, koelah ; 
(houten, waarin de rijst wordt 
omgeroerd), péngaron, pane, 
(van hout als presenteerblad), 
talam, doelang. 

Bakboord, o., sabélah kirinja kapal 

. (pérahoe). 

Baken, zie: Baak. 

Baker (vroedvrouw),v., doekoen, 
doekoen béranak, doekoen baji. 

Bakermat, m., asal, négéri (témpat) 
kadjadian, négéri (témpat) kala- 
hiran, témpat toempah darah, 
témpat kaloewar. 

Bakerspeld, y., péniti bésar. 

Bakkebaard, m., tjambang 

Bakken (in een oven), mémbakar; 



(in een pan), ménggoreng; (in 
vetofolie), méréndang: (boven 
vuur), mémanggang; Ben eier- 
struif bakken, méndadar. 

Bakker, m., toekang roti. 

Bakkerij, v., témpat (roemah) pém- 
bakaran roti (koewe-koewe). 

Bakmeester, m., djoeroe makanan. 

Bakoven,m., dapoer,dapoerpémba- 
karan. 

Bakpan, y., pénggorengan, wadjan, 
koewali. 

Baksel, o., gorengan, bakaran, rén- 
dangan. 

Bakspier, m., timbangan pérahoe. 

Baksteen, m., bata, batoe bata, ba- 
toe bakar. 

Baktand, y., géraham, gigi géra- 
ham. 

Bal, m., (voor een soort kegel- 
spel), kétai ; (voetbal van rot- 
ting), raga; (biljart-, enz.), bola; 
(balletje, pil), oental; (testi- 
kel), péler, boewah péler; (dans- 
partlJ), pesta, pesta dangsa. 

Balans,y., naratja, téradjoe, timba- 
ngan; (unster), datjin, datjinan; 
(rekening), pérbandingan itoe- 
ngan. 

Balddadig (boosaardig), djahat; 
(brutaal), bérani; (stout), nakal, 
tambéng. 

Balddadigheid, y., nakal, kanaka- 
lan, kadjahatan, kabéranian, ang- 
kara ; Balddadigheden plegen, 
bérboewat angkara, bérboewat 
kanakalan, bérboewat roesoeh. 

Balein, o., isang ikan paoes. 

Balie, y., (bak), paso. 

Baliemand, y., bakoel bésar, kéran- 
djang. 

Balk, m., balok, batang kajoe, 
gélondong. 

Balkon, o., langkan. 

Ballast, y., toelak bara, alas moe- 
watan. 

Ballasten, mémoewatkén toelak 
bara. 

Balling,m.,orangboewangan, orang 
pémboewangan. 



BALL. 



BARM. 



309 



Ballingschap, v.. boewangan, pèm- 
boewangan, pèri hal kaboewa- 
ngan. 

Baloorig, sakit hati, marah, moe- 
ring-moering, méréngoet, tiada 
enak hati. 

Balsem, m., masoeh, minjak raksi, 
minjak kasai; (troost, enz.), péna- 
war. 

Balspel, o., përmaïnan këtai ; (met 
den voet), sepak raga, pérmaïnan 
sepak raga. 

Balsturig, tëgar, këras hati. 

Balzak (scrotum), m. ,kontol, kan- 
tong pèler. 

Ban (uitsluiting), m., péngoetjilan, 
péngoesiran, pömboewangan; (ge- 
bied), peren tah, hoekoemat; In 
den ban doen, mèngoetjilkén, 
mèmboewang, méngloewarkén, 
méngoesir. 

Banaan, v., pisang, boewah pisang. 

Banaanboom, m., poehoen pisang, 
pokok pisang. 

Band (bindmiddel), m., ikat,pèngi- 
kat, ikatan, hoeboengan, tam- 
batan; (lint), pita; (hoepel), tjin- 
tjin, simpai; (touw), tali; (boek- 
deel), djilid. 

Bandelier, m., sandang, sëlempang. 

Bandiet, m., pénjamoen, begal, pè- 
rampok, bangsat. 

Banen, mènjödiakèn, mémbikin, 
mèratakên. 

Bang, takoet, katakoetan; (van 
aard), pénakoet; Bang maken, 
mënakoeti ; (angstverwek- 
kend), haiban, haibat. 

Bangheid, v., takoet, katatoekan, 
kétjil hati, koewatir. 

Banier, v., alam, alamat, bandera, 
toenggoel, pandji-pandji ; De ba- 
nier ontplooien, mëngibarkën, 
mëngèmbangkèn, mèmpérdiri- 
kön. 

Bank (inlandsche), v., p&ntas,katil, 
bale, bale-bale; (Buropeesche), 
bangkoe; (geldinstelling), bang, 
kantor oewang; (rechtbank), 
bale hoekoem, mahkamat, pènga- 



dilan; (zandbank), bèting, boe- 

soeng, gosong; (modderbank), 

lénjau; (koraalbank), karang; 

(van leening), roemah pëgadean, 

pègadean. 
Bankbiljet, o.,soeratbang,oewang 

kèrtas. 
Bankbreuk, v., moeflis, bankëroet, 

djatoh; BedriegeUJke bank- 
breuk, V., djatoh paljit dëngan 

tipoe. 
Bankbriefje, o., zie : Bankbiljet, 

ook: soerat gade, (pandbrie^e). 
Banken (hazardspel), bërmaïn 

kartoe, bërmaïn top. 
Banket (gastmaal), o.,përdjamoe- 

an; (gebak), koewe-koewe. 
Bankhouder, m., toekang mëme- 

gang pagadean. 
Banknoot, v., zie: Bankbiljet. 
Bankroet, o., zie: Bankbreuk. 
Bankroetier, m., saudagar jang 

soedah djatoh, —jang moeflis, 

—jang paljit. 
Banneling, m., orang boewangan, 

orang toendoengan, përantean. 
Bannen, mëmboewang, mënoen- 

doeng, mëngoesir, mëndjaoekhën, 

mëngloewarkën. 
Bar (onbebouwd, kaal, droog), 

kering, tandoes; (koud), dingin, 

sèdjoek; (erg), tërtaloe, tëramat, 

amat. 
Barak, v., tangsi, bangsal. 
Barbaar, m., orang bëngis, orang 

tlalim, orang kafir. 
Barbaarsch, bëngis, tlalim, zalim. 
Barbier, m. toekang tjoekoer, pë- 

njoekoer, toekang motong ram- 

boet, hadjim. 
Baren (bevallen), bëranak, bër- 

salin,bërpoetëra; (veroorzaken), 

mëngadakën, mëndjadikën. 
Barensnood, m., sakit bëranak. 
Barg, m., babi këbiri. 
Bark, v., kapal dagang, përahoe 

bësar. 
Barkas, m., sëkotji bësar, sampan. 
Barmhartig, kasihan, rahim. 
Barmhartigheid, v., kasihan, rah- 



310 



BARN. 



BEDE. 



mat; Barmhartigheid betoo- 

nen, mëngasihani. 
Barnsteen, m., batoe ambar, ambar 

koening. 
Barrevoets, bérkaki tölandjang, 

bértélandjang kaki. 
Barsch, bëngis. 
Barst, V., rètak, létak, réngat, tjèlah, 

bèlah, rékah. 
Bo^rsten, mèrètak, mélétak, mörè- 

kah, mélékah, röngat, pétjah, mè- 

létek, mélétos. 
Bassen, zie: Blaffen. 
Bassin, o., koelam, koelah. 
Basstem, v., soewara jang garau, 

soewara dalöm. 
Bast, m., koelit, djangat; (vaneen 

kokosnoot), saboet, samboek. 
Basta, soedah, soedahlah, bërhén- 

tilah. 
Bastaard,m.,anak këndak,anak ha- 
rara, haram djadah, adak soendél. 
Bastion, o., sëlekoh. 
Bataljon, o., pasoekan, bataljoen. 
Bate, V., oentoeng, goena. 
Baten, bêrgoena, ada goenanja. 
Batist, o., kaïn asahan. 
Batter)], v., koeboe benteng, ren- 

tengan mériam. 
Bazuin, v., nafiri. 
Beambte, m., pégawai. 
Beamen, mèngamini, mèngijakën, 

mëmbënarkën, mènörima, ridla, 

mëridlakön. 
Beangst, takoet, katakoetan, bër- 

tjinta, soesah hati, chawatir, 

koewatir. 
Beangstigen, mënakoeti, mëmpër- 

tjintakën, mèngchawatirkën, më- 

njoesahkën hati. 
Beant'woorden, mënjahoeti,mëm- 

balësi, mëndjawab; (overeenko- 
men met), börpatoetan, satoedjoe 

dëngan, mömbandingkën- 
Beantwoording,v.,djawab,pëndja- 

wab, balësan, pembalösan, sahoet, 

pënjahoetan. 
Bearbeiden, mëngërdjakën, mën- 

djadikön,mömboewat,mënggarap, 

mngoesahakö n , mëroepakën. 



Bebloed, bërloemoeran darah, bër- 
mandi darah. 

Beboeten, mëndënda, mëndjatoh- 
kën dönda, mëmbëri hoekoeman 
dënda. 

Bebouwen, mëngërdjakën, mëng- 
garap, mëngoesahakën. 

Bed (ledekant), o., tëmpat tidoer, 
pëtidoeran, përadoean ; (matras), 
kasoer, tilam, bolsak; (in een 
tuin),petak; (eener rivier),dasar. 

Bedaagd, toewa, bëroemoer. 

Bedaard (rustig, enz.), senang, 
senang hati, ajèm; (stil), diam, 
sëntausa, bërsantausa, sopan, 
santoen, tëdoeh; (langzaam 
aan), përlahan-lahan, pêlan-pëlan. 

Bedachtzaam, bidjaksana, ati-ati, 
dëngan kira-kira. 

Bedanken, mënërima kasih, mëm- 
bilang tèrima kasih; (weigeren), 
tiada tërima, ënggan, mëngëng- 
gankën, mënoelak; (afdanken), 
mëlèpas, mëlëpaskën, mëmëtjat- 
kën, mëmbëri lëpas; (zelf be- 
danken), minta lëpas, minta 
bërhënti. 

Bedaren (bedaard worden), 
diam, djadi diam, bërhënti, bër- 
sënang lagi, djadi tëdoeh, djadi 
padam, mönahan hati. 

Bedauwen, mëngëmboenkën. 

Beddedeken, v., sëlimoet,kaïn sëli- 
moet. 

Beddegoed, o., salinan tëmpat ti- 
doer. 

Beddehaak, m., tjantelan këlam- 
boe. 

Beddelaken, o., sëpërai, toetoep 
tëmpat tidoer. 

Bedding, v., dasar, loebir. 

Bede, v., pinta,pintaË,n,permintaan, 
përmoehoenan ; (tot God), doa. 

Bedoelen (een deel geven), 
mëmbëri bëhagian, mëmbëhagi- 
kën ; (armen—), mëmbëri dënna, 
mënjëdèkahkën. 

Bedeesd, maloe, sopan, sopan 
santoen. 

Bedehuis, o., roemah sëmbahjangr 



BEDE. 



BEDO. 



311 



langgar, mèsdjid, mésigit, gèredja. 

Bedekken, mênoetoepi ; (over- 
dekken), ménoedoengi ; (ver- 
bergen), ménjêmboenikön ; (om- 
hullen), ménjèloeboengi, méngö- 
loeboengi, mènjélimoetkën, mèrn- 
boengkoes ; (met aarde), mèng- 
oeroegi, mèngoeroegkén tanah; 
(beschermen), mëlindoengi. 

Bedekking:, v., toetoep, toetoepan, 
toedoengan, pënoetoepan, pènoe- 
doengan, sélimoet, toedoeng ; 
(g^eleide), pöriringan, orang mö- 
ngiring, orang djaga, orang pöng- 
iring. 

Bedekt (sreheim), térsémboeni, 
gèlap; (beschut), tèrlindoeng; 
(toegedekt), tértoetoep ; In 
bedekte termen spreken, bér- 
sindir, ménjindir. 

Bedelaar, m., orang minta-minta. 

Bedelen, minta-minta, minta dér- 
ma, minta sëdëkah. 

Bedelmonnik, m., fakir, darwisj. 

Bedelstaf, m., toengkat orang min- 
ta-minta ; Tot den bedelstaf ge- 
raken,djadi miskin, djadi mëlarat. 

Bedelven (onder den grond), 
mönoetoepi dëngan tanah, mëna- 
nêm, mënanëmkën, mëngoeroegi, 
mëngoeroegkën ; (onder golven, 
enz.), mënimboes. 

Bedenkelijk, soesah, soekar, pa- 
jah; Bedenkelijk ziek, sakit 
pajah. 

Bedenken (overdenken), ingat, 
mëngingat, mêngingatkèn, fikir, 
bërfikir, mëmikir, mëmfikirkön, 
mèngira ; (overwegen), mënim- 
bang; (middelen, enz.), mèntjë- 
hari akal, mëntjëhari oepaja. 

Bedenking, v., ükiran, pikiran, tim- 
bangan, ingatan, pënilikan,bitjara; 
(besBwaar), sëlëmpang ; Beden- 
king maken, tiada mënotjogi, 
mèmbantahkën, mëntjidërakèn, 
mèlawan. 

Bederf, o., (verderf), karoesakan, 
kabinasaan;(beschadiging,enz.)) 
karoesakan, kaboesoekan. 



Bederven, mëmbinasakën, möroe- 
sakkën, mëmbikin roesak, mëm- 
boesoekkën, djadi boesoek, mëm- 
bikin boesoek. 

Bedestond, m., waktoe sëmbah- 
jang. 

Bedevaart,y.,(naar Mekka),hadj; 
Ter bedevaart gaan, naïk hadji; 
(naar een andere plaats),ziarah. 

Bedevaartganger, m., Jiadji. 

Bedgenoot,m.,tëmën tidoer,sakati- 
doeran, kawan tidoer, kawan 
bëradoe. 

BedgordJijn, o., këlamboe tëmpat ti- 
doer, tirai pëtidoeran. 

Bediende, (huis-), m., boedjang, 
kënek, hamba, boedak, djongos, 
kawan, tömën, pëlajan, chadim. 

Bedienen, mëlajan, mëlajani, djaga, 
mëndjaga ; (een ambt), mëngër- 
djakèn, mëlakoekèn, möndjaian- 
kën. Zich van iets bedienen, 
mëmakai. 

Bediening,v.,djabatan, pakërdjaan, 
djawatan, djaga, pëndjagaan, pë- 
lajan, pëlajanan. 

Bedyken, mëmbëndoeng, mëm- 
bëndoengi, mënambak. 

Bedilal, m., orang tjërewet,toekang 
tjomel, orang sërakah, pëntjöla. 

Bedillen, tjërewet, tjomel, më- 
njomel, mëntjëla, mënjëla. 

Bedilziek, soeka tjërewet, soeka 
mënjëla. 

Beding, o., djandji,përdjandjian. On- 
der beding dat, asal, mëlaïnkën, 
dëngan djandji. 

Bedingen, bërdjandji, mëmbikin 
përdjandijan. 

Bedisselen (in orde brengen, 
enz.), mëngatoer, mënjèdiaken, 
mëmatëngkën. 

Bedlejg:erig,sakit,sakit-sakitan,tia- 
da bisa kaloewar dari sëbab sakit. 

Bedoelen (voornemens zQn), 
bërniat, bërmaksoed, maoe, mö- 
maksoedkën; (naar iets stre- 
ven), mënjahadjakën, mënjënga- 
djakën. 

Bedoeling, v., (voornemen, enz ), 



312 



BEDO. 



BEEL. 



nlat, maksoed, maoe ; (zin, enz.), 
arti, kias, makna. 

Bedompt (vunzig), apék; (be- 
nauwd, somber), sësak, gèlap. 

Bedotten, mënipoe, m&mpërdaja- 
kén, mèmbodokön. 

Bedrag, o., bilangan, djoemlah, 
goenggoengan. 

Bedragen, djoemlahnia, bankjanja, 
goenggoengnja. 

Bedreigen, mèngantjam, méngan- 
tjam-antjam, mèngamangamang. 

Bedreiging,y.; pèngamang,p6ngan- 
tjam. 

Bedremmeld, bingoeng, lëngoeng. 

Bedreven, bisa, pandai, biasa, 
mahir, möngèrti, 

BedriegeUjk, dëngan tipoe. 

Bedriegen, mënipoe, mënlpoeï, 
mëmpërdajakên ; Zich bedrie- 
gen, salah kira, salah möngèrti. 

Bedrieger, m., pénipoe, bangsat. 

Bedrieger^), v., tipoe, tipoe daja. 

BedrtJf (werk), v., kérdja, pëkër- 
djaan ; (daad) përboe watan ; (van 
een tooneelvoorstelling)» la- 
kon. 

Bedreven, bérboewat, mèngér- 
djakèn. 

Bedrijvig, radjin, soeka kërdja. 

Bedrinken (zich), minoem sampai 
mabok, mèmabokkén diri. 

Bedroefd, börtjinta, bèrdoeka-tjita, 
soesah hati, sëdih; (neerslach- 
tig), moeram, moeroeng,iba,sébèl. 

Bedroeven, mëndoekakën, mën- 
doeka-tji taken, mémasjgoelkën, 
ménjakitkèn hati, mënjoesahkön 
hati, méroesakkén hati, mënjé- 
dihkön. 

Bedrog, o., tipoe, tipoe daja, pérda- 
jaan : (verraad), sémoe, pérsè- 
moean ; (fopperU), kitjau, laga, 
pëiiagaan ; Bedrog plegen, më- 
nipoe, mëmpërdajakën. 

Bedruipen, mënitiki, mëmërëtjiki; 
(zich zelven), mëntjëhari rëdjëki 
sëndiri,bisa hidoep dèngan senang. 

Bedrukt, sëndoe, tërsëndoe. Zie 
verder : Bedroefd. 



Bedstede, v.jtëmpat tidoer, pëtidoe- 
ran, përadoean. 

Bedstiyi, m., tiang tëmpat tidoer. 

Beducht, takoet, katakoetan, së- 
lëmpang, chawatir, koewatir. 

Beduiden (verklaren, enz.), më- 
noendjoekkën, mëngërtikën, më- 
njatakën, mëngënakën ; (betee- 
kenen), artinja. 

Beduidenis, v., arti, makna. 

Bedunken, o., sangka, kira, rasa, 
agak, pëndapëtan, pëngrasa> pënë- 
moe. 

Bed'wang,b.,paksa,pëmaksa,tëgah, 
tahan; In bedwang houden, 
mëmaksa, mënahan. 

BedTvelmd, mabok, mëndam, pë- 
ning kapala, poesing, poesing kë- 
pala, kaiëngër. 

Bedwelmen, mëmaboki, mëma 
bokken, mëmoesingkën kapala, 
mëmoejëngkën. 

Bed'ivingen, mënahan, mënahani, 
mënahankën, mënëgahkën, mëng- 
gagahi; (ten onder brengen), 
mënaloekkën, mëmaksa; (tem- 
men, enz.), mëndjinakkën. 

Beëedigd, soedah bërsoempah ; 
(van een verklaring), jang di 
sërtakën dëngan soempah; —jang 
dëngan di tanggoeng soempahnja. 

Beêedigen (met eede bevesti- 
gen), soempah, bërsoempah; (den 
eed afnemen), mënjoempah, më- 
njoempahi. 

Beek, v., anak soengai, batang soe- 
ngai, ahran, aloeran, kali këtjil. 

Beeld (geteekend), o., gambar, toe- 
lisan ; (voorbeeld), toeladan ; (ge- 
l^kenis), ibarat, oepama, përoe- 
pama3.n ; (standbeeld, enz.), pa- 
toeng, artja, rëtja, orang-orangan, 
boneka; (afgods—), bërhala. 

Beeldendienaar, m., orang më- 
njëmbah bërhala. 

Beeldendienst, m., përsëmbahan 
bërhala. 

Beeldhouwen, mëmahat (mënëm- 
pa) patoeng. 

Beeldhouwer, m., toekang(pandai> 



BEEL. 

mémbikin (mèmahat) patoeng. 

Beeldig:, elok, pérmai, bagoes. 

Beeldrijk, banjak ibaratnja. 

Beeldspraak, v., ibarat, péroepa- 
maS.n. 

Beeltenis, v., gambar, pèta, roepa, 
toelisan. 

Beemd, o.,tanahpéroempoetan,pa- 
dang pèroempoetan, padang gom- 
balaan. 

Been(gebeente),o., toelang;Vel en 
been, koeroes-kèring; (lichaams- 
deel), kaki; (onder de knie), 
bètis; (boven de knie), paha; 
(van een sprinkhaan), këtik; 
(van hout), kaki kajoe, sérom- 
bong: Op de been brengen, 
méngoempoelkèn, mënghlmpoen- 
kén, mémpérdirikén ; Op een 
been staan, bérdiri kaki satoe. 

Beenbreuk,v.,patah toelang, patah 
kaki. 

Beenvlies, v., sélapoet toelang. 

Beer (muurstut), m., sokong tem- 
bok; (waterkeering), tèrbis; (de 
Maleische), biroewang; (manne- 
tjes varken), babi laki-laki, babi 
lèlaki, babi djantan; (schuld), oe- 
tang ; (drek), tahi ; De groote 
Beer (het gesternte), bintang 
bidak. 

Beerenhuid, v., koelit biroewang. 

Beerenklau'W, m., kaki biroewang. 

Beerenvet, o., gémoek biroewang. 

Beerput, m., djamban, soemoer ka- 
koes. 

Beërven, mëwarisi, mëmpoesakaï, 
bèroleh poesaka, dapët poesaka. 

Beest, o., binatang, haiwan; Wilde 
dieren, binatang liar, haiwan 
oetan, mërgasatwa; Tamme die- 
ren, binatang djinak; Den beest 
spelen of uithangen, mëradja- 
lela. 

Beestachtig, sëpërti binatang, 
doerdjana, kasar. 

Beet (hap), v., gigit,soewap,tjaplok; 
(gevangen), këna, katangkëp, 
tërpegang; iets beet hebben 
(in handen hebben), mëmegang; 



BEGE. 



313 



(begrepen), mëngërti; Iemand 
beet hebben, mëlagakön, mëm- 
përdajakèn, mënipoe. 

Beetje,o.,sëdikit;Ijaatste beetjes^ 
sisa, koredan ; Bij kleine beet- 
jes, sëdikit-sëdikat. 

Beetpakken, mëmegang, mënang- 
köp. 

Befaamd, tërnama, masjhoer^ 
tërmasjhoer. 

Begaafd, pintër, pandai, boediman. 

Begaan (betreden), mëndjalani^ 
mëliwatkën; (bedrijven), bër- 
boewat, mëmbikin ; (laten— )„ 
mëmbiarken, mëndiamkën, mè- 
ninggalkën ; (begaan zijn met)^ 
sajang, bërkasihan, mëngasihani. 

Begeeren, këpingin, bëringin, bër- 
kahëndak, mëngahëndaki, më- 
ngahëndakkën ; (van z-wangere 
vrouwen), idam, mëngidam: 
(naar iets verlangen), bërgë- 
mar akan, këpingin, bëringin,. 
rindoe, rindoe döndam, kangën. 

Begeerig, këpingin, bëringin, bër- 
kabëndak; (inhalig), kikir. 

Begeerlijk, patoet di këpingini,. 
haroes di inginkën, elok, përmai^ 
bagoes; (inhalig), kikir. 

Begeerte (lust, wensch),y., ingin^ 
kaïnginan, këpingin, kahëndak 
nafsoe, hawa-nafsoe, hasrat, 
sjarak ; (zinnelijke lust), sjah- 
wat, përtjaboelan, loba; (naar 
spijs of drank), këtagihan, idam. 

Begeleiden (vergezellen), më» 
njërtaï, mënghantërkën, bërdjalan 
bërsama-sama;(een meerdere ~ )» 
mënoeroet, mëngikoet,mëngiring. 

Begenadigen (beloonen), meng» 
anoegërahi; (vergeven), mëng- 
ampoeni, mëmaafkën, mëmbëri„ 
ampoen. 

Begeven (zich ergens heen~-)„ 
përgi ka, mënoedjoe, langsoeng, 
mëlangsoeng; (schenken), mëm- 
bëri, mënganoegërahkën, më- 
ngaroeniakën ; (zich op reis—), 
bërangkat; (zich naar huis— )„ 
poelang, poelang karoemab ; (zich 



314 



BEai. 



BEHA. 



op zee—), përgi bérlajar; (ver- 
laten), mèninggalkën ; (zich in 
het huw^emk begeven), kawln, 
nikah ; (van een man), bérbini, 
böristéri ; (van een vrouw), 
bèrlaki, bérsoewami. 

Begieten, ménjiram, mènjirami, 
mëndiris; (met een sterken 
straal), inèndjërami;(met'warm 
water), ménjédoeh. 

Begiftigen, kasi, mömbéri, mö- 
ngéroeniaï, mèngöroeniakön, mé- 
nganoegèrahi,ménganoegèrahkèn. 

Begin(aanvang), o.,moela,pèrmoe- 
laan, awal ; (voorste deel, enz.), 
hoeloe, pangkal ; (grondslag), 
pohon, pokok ; In den beginne, 
përtama, pada pörmoelaan. 

Beginnen, moelaï, mëmoelaï. 

Beginsel (stelregel), o., roekoen, 
atoeran; (grondslag), pohon,asal, 
moela. 

Begluren, mënghintai, mèngintip ; 
(van ter z^de), mèngèrling, 
mölerokkön. 

Begoochelen, mênjilap, mènjilapi; 
Bene vrouw begoochelen, 
mönawari. 

Begoocheling, v., silap, silap mata; 
(eener vrouw), pénawaran. 

Begooien, mèlempari, mënimpoeki, 
mëloetari. 

Begraafplaats, v., pakoeboeran. 

Begrafenis, v., pëngoeboer. 

Begrafeniskosten, v., bëlandja 
mëngoeboerkën, ongkos mèngoe- 
boerkën. 

Begrafenismaal, o., sëdëkah koe- 
boer, sëdêkah soertanah. 

Begrafenisstoet, m., përiringan 
majit. 

Begraven, mënanëmkën, mëngoe- 
boerkën. 

Begrensd, bërhingga, bërbatës, 
bërwatës, tërhingga, di watèsi. 

Begrenzen (aan iets tot grens 
strekken),mëwatësi,djadi watës, 
mëmpèrhinggakën. 

Begr^pelIJk, tërang, njata; Be- 
griiJpeliIJk maken, mënërang- 



kën, mënjatakën; (bevattelijk), 
ringan kapala, gampang mëngêrti. 

Begrepen (verstaan, vatten), 
mëngêrti, mênangkëp;(bevatten, 
inhouden), moewat, tërmoewat, 
masoek, masoek bilangan; Ver- 
keerd begrijpen, salah tampa, 
salah mëngêrti. 

Begrip (vermogen om te begrJlj- 
pen), o., pëngërtian, akal, boedi; 
(meening), rasa, pëndapëtan ; 
(kort begrip van iets), ichtisar, 
ringkasan; Vlug van begrip, 
ringan këpala, törang akal boedi, 
enteng këpala; Iets tot een kort 
begrip samentrekken më- 
ringkaskën, mëngichtisarkën. 

Begroeten, mëmbëri salam, kasi 
tabe ; Elkander begroeten, bër- 
salaman. 

Begroeten, kira-kira, mëngira-ngi- 
rakën, mënaksir, mënilai. 

Begrooting, v., përkiraan, taksiran, 
nilaian. 

Begunstigen; mëngaroeniakën, 
mënganoegërahkën, mëngasihi, 
mëngaroeniaï, mënganoegërahi ; 
Een zaak begunstigen, më- 
noeloengi. 

Begunstiging, v.,karoenia,anoegë- 
raha, kasih, përtoeloengan. 

Behaagl^k. enak, sëdap, sënëng'; 
Iets behaaglJijk vinden, bër- 
kënan. 

Behagen (genoegen), o., soeka, së- 
nëng, ridla, karidlaan, kënan; Be- 
hagen scheppen in, bërkënan 
akan, soeka, mënjoekaï; Maken, 
dat iemand behagen schept, 
mëmpërkënankën. 

Behagen, bërkënan pada, mëm- 
përkënankën; Het behage U, 
silakan, silakanlah ; Indien het 
Qode behaagt, insja 'Allah ;dji- 
kalau di ridlakën Allah. 

Behalen, bërolëh,dapat, mëndapët; 
Winst behalen, bëroleh laba, 
mëndapët oentoeng; De over- 
winning behalen, mënang, më- 
ngalahkën. 



BEHA. 

Behalve, mèlaïnken, laïn dari, ka- 
tjoewali. 

Behandelen, mömegang, mèndja- 
wat, mèndjabat; Ben zaak be- 
handelen, mémegang, mélakoe- 
kën; Een werk behandelen, 
mëngërdjakèn; Ben zieke be- 
handelen, mèngobati; De wa- 
pens behandelen, méndjabat 
sëndjata; Ben onderwerp be- 
handelen, mëmbitjarakën; Ie- 
mand goed behandelen, bër- 
lakoe dèngan baïk (dèngan sapa- 
toetnja) pada sa'orang. 

Behandeling, v., pèrboewatan, pè- 
megangan, kalakoean. 

Behangen, mènggantoengi, mé- 
nempelkén kértas boenga. 

Behangsel (draperie), o., langsai, 
tirai, kölamboe; (papier), kèrtas 
boenga aken di tempelkèn. 

Behartigen, mëmëliharakën, më- 
ngingatkën, mëmpërhatikèn,mën- 
djaga, mëmpërdoelikën. 

Beheer (bestuur), o.,pegangan, pë- 
megangan, përentah, pëmërenta- 
han; (zorg), pëmêliharaan, pën- 



BEHU. 



315 



Beheerder, m., pèmërentah, pèng- 
ampoe. 

Beheeren, mëmegang, mëngam- 
poe, mëmërintahken; (verzor- 
gen), mëmëliharakën, mèndjaga. 

Beheerschen, mëmërentahkën, 
mënghoekoemkën, mëmegang; 
(bedwingen), mënahankön. 

Beheerscher (vorst), m., jang di- 
përtoewan ; (bewindvoerder, 
enz.), pamërentah. 

Behelpen (zich), mëmakai, më- 
madakën diri; mënoeloeng diri. 

Behelzen, moewat, tërmoewat, bè- 
risi; (van een brief), törsëboet 
di dalëmnja, bèrboenji, boenjinja. 

Behendig (schrander, enz.), tjë- 
rëdik, pintër, pandai; (vlug), 
tjèpat, pantas. 

Behoeden (beschermen), mëmë- 
liharakën, mènoeloengi. djimat. 

Behoedmiddel, o., obat, pënangkal. 



Behoedzaam, bidjaksana, ingat- 
ingat, ati-ati. 

Behoef, o., kadla, hadjat; Ten be- 
hoeve van, aken, aken goe- 
nanja, boewat; Zyn behoef 
doen, kadla, hadjat, mëmboewang 
ajër, berak. 

Behoefte, v., hadjat, përloe, kakoe- 
rangan. 

Behoeftig, miskin, papa, mëlarat, 
kakoerangan. 

Behoeftigheid , y,kapapaan,kami3- 
kinan, kamëlaratan, kakoerangan. 

Behoeven (gebrek aan iets heb- 
ben), koerang, kakoerangan; 
(noodig hebben), bërhadjat, për- 
loe mëmakai, maoe pakai; Niet 
behoeven, ta'oesah, tiada oesah 
(përloe). 

Behooren (moeten), haroes; (be- 
tamen), patoet, laïk; (toebehoo- 
ren aan), poenjanja,ampoenjanja; 
(tot iets behooren), masoek, 
tërmasoek, masoek bilangan, toe- 
roet; Naar behooren, dëngan 
saharoesnja, dëngan oepamanja. 
dëngan sapatoetnja, dëngan sajag- 
janja, haroes, patoet, bëtoel. 

Behoorlijk, haroes, patoet, bë- 
toel. 

Behoud (redding, enz.), o.,sëlamat, 
kaloepoetan tjëlaka. 

Behouden, dëngan sëlamat, sëla- 
mat, tiada koerang apa-apa, tër- 
loepoet dari pada mara-bëhaja. 

Behouden (bezitten), mëmpoe- 
njaï, mëmegang, mèmjimpan; 
(redden), mëmëliharakën, më- 
njölamëtkën, mëioepoetkén dari 
pada mara-bëhaja. 

Behoudens, mëlaïnkën, laïn dari 
pada, këtjoewali, dëngan më- 
ngëtjoewalikën, hanja. 

Behou'wen, mëmahati, mëmba- 
tjoki, mënatahi. 

Behuisd, bëroemah. 

Behulp, o., përtoeloengan. 

Behulpzaam, soeka mënoeloeng. 

Behuwdbroeder,m., ipar, ipar laki- 
laki. 



316 



BEHU. 



BEKIJ. 



Behuwddochter, v., mantoe (mè- 
nantoe) pérampoean. 

Behuwdmoeder, y., mëntoewa 
(mörtoewa) pérampoean. 

Behuwdvader, m., mèntoewa 
(mèrtoewa) laki-laki. 

Behu'wdzoon, m., mantoe (mënan- 
toe) laki-laki. 

BehuwdzuBter,y.,ipar, ipar péram- 
poean. 

Beide, kadoewa, kadoewanja, 
doewa-doewa, doewa-doewanja ; 
Met z(jn beiden, bërdoewa; 
Aan beide zJijden, pada kadoewa 
fihak, sêbèlah-mènjébèlah, sabé- 
rang-mènjabérang. 

Beiden (wachten), börnanti, 
ménanti, ménantikén. 

Beiderlei, doewa roepa, doewa ma- 
tjöm, doewa bagai, doewa djênis. 

BeJIjveren (zich), mëngoesahakën 
diri, mëradjinkën diri. 

Beitel, m., pahat, tatah ; Kouw- of 
steenbeitel, pahat pating, pahat 
batoe; Ronde gleuf beitel, pahat 
pëngoekoe. 

Beitelen, mëmahat> mëmahati, 
mënatah, mênatahi. 

Bejaard, toewa, soedah ada oemoer, 
soedah bëroemoer. 

Bejag, o., toentoean, tjarian. 

Bejagen (streven naar), mënoen- 
toet, mëntjahari, bërmaksoed, 
mênghëndaki, bërkahëndak, bër- 
niat ; (najagen), mëmboeroe, 
mëmboeroeï. 

Bejammeren, sajang, mënjajangi, 
mënjësal, mënjêsalkën. 

Bejegenen (ontmoeten), bërtë- 
moe, katëmoe dëngan, mènëmoe- 
kën ; (overkomen), mèndapët, 
bërlakoe atas, kadatëngan; (be- 
handelen), mëlakoekën, bërlakoe 
pada, mèmboewat; Goed beje- 
genen, mëngasihi; Slecht be- 
jegenen, mënganiajaï. 

Bek, m., (van vogels, slangen, 
enz.), paroeh, tjoetjoek; (van 
andere dieren), moeloet; (spit- 
se), djoengoer, tjoengoer. 



Bekaaid, (bedorven, enz.), roe- 
sak, boesoek; (verlegen), maloe, 
tjënges, djënga. 

Bekalken, mënjapoekën kapoer, 
mëngapoer, mëngapoeri. 

Bekampen, mëlawan, mëmërangi. 

Bekappen, mënarah, mëmbatjoki. 

Bekeeren, mëntobatkën, mëno- 
batkën; Tot het Christendom 
bekeeren, mënjëranikën ; Tot 
den Mohammedaanschen 
godsdienst bekeeren, mëngis- 
lamkën, mënjëlamkën; Tot een 
nieuwen godsdienst bekee- 
ren, masoek (mëmasoehkën) 
agama bèharoe. 

Bekeerling, m., orang moealaf, 
orang bëharoe masoek agama; 
Bekeerlingen maken, mëmoea- 
lafkën, mëndjadikèn moealaf. 

Bekend (gekend z|jn), ma'loem, 
ma'roef, masjhoer, tërmasjhoer, 
katahoean, njata; Bekend ma- 
ken, kasi tahoe, mëmbëri tahoe, 
mëntlahirkën, mëma'loemkën, 
mëmbêrita, mëngchabarkèn, më- 
wartakën, mëmasjhoerkën, më- 
njërantakën, mëngënalkën; Met 
elkander bekend zjljn, kënal, 
bërkënalan. 

Bekende, m., kënalan. 

Bekendmaking, v., pëmbërita§.n, 
pëmbërian tahoe, ma'loemat; 
(schrifteH|ke),soerat maUoemat, 
oendang-oendang,soerat oendang- 
oendang. 

Bekennen, mëngakoe, ikrar, bër- 
ikrar; (belijden van een ge- 
loof), mëmbawa iman, mëngoe- 
tjap sjahadat; (Eene vrouw — ), 
bêrsëtoeboeh dëngan sa'orang 
përampoean, mëmakai, mënidoe- 
ri, mënjoeki, mëmantat. 

Bekentenis, v., pëngakoean, ikrar. 

Beker, m. piala. 

Bekeuren, mëndënda, mëndëndaï, 
mëndjatohkën hoekoeman dënda. 

Bekaken, mëlihati, mënengok, 
mëmandangi. 

Bekeven, mënjomelkën, mëma. 



BEKK. 



BEKO. 



317 



rahi; Zie verder: berispen. 

Bekken, o., (groote kom), mang- 
kok bësar, bokor; (presenteer- 
blad), talam; (scheer—), ping- 
gan tjoekoer ; (omroepers—), 
tjanang, gèmbreng; (diverse 
muziekinstrumenten), gong, 
könong, bonang, kéromong, kè- 
toek ; Bjj bekkenslag^ bekend- 
maken, möntjanangkèn, möng- 
gémbrengkèn. 

Bekkeneel, o., tëngkoerak, toe- 
lang kapala. 

Beklaagde, m., sakitan, pèsakitan, 
orang jang di toedoeh, orang 
jang di dakwa. 

Bekladden, mêloemoerkèn, mén- 
tjömarkén, mèngotorkén, möm- 
boesoekkèn. 

Beklag, o., (klacht), pënoëdoehan, 
pöngadoehan, dakwa; (bejam- 
mering), pènjajangan. 

Beklagen, ménjajangi, mèngasi- 
hani, mèratapi; Zich beklagen^ 
mèngadoe. 

Beklagenswaard, haroes di sa- 
jangi, haroes di kasihani, kasihan. 

Beklauteren, o., mèmandjat, naïk, 
ménaïki. 

Bekleeden (aankleeden), mé- 
makaikën, mèngènakèn pakaian ; 
(voeren, overtrekken), mënja- 
loet, mélapiskén, mèngalaskén, 
mémbëbatkën ; (beschoeien), 
ménorap; (een ambt), mömegang 
djabatan, mölakoekèn (méndja- 
lankèn)pak6rdj aan; Iemand met 
een ambt bekleeden, mëmbèri 
djabatan, möngéroenlakèn djaba- 
tan; Iemands plaats t^delUk 
bekleeden, mëngganti, mëwakil, 
mèwakilkên, djadi gantinja, djadi 
wakilnja. 

Bekleedsel, o., koelit, lapis, saloe- 
tan, pènjaloetan, bèbatan,saroeng, 
saroengan. 

Beklemd (nauw), sësak; (van 
de borst), sësak dada ; ( tusschen 
iets), tërsëpit, tèrdjëpit, kadjëpit, 
tërsëlit ; (bezorgd), bërtjinta, 



soesah hati, masjgroel, chawatir, 
koewatir. 

Beklemmen, mënjëpit, mëndjëpit, 
mënëkan. 

Beklimmen, naïk, mënaïk, më- 
naïki, mëmandjat. 

Beklinken (met spijkers, enz.), 
mëmakoe; (van een verdrag, 
enz.), mënëgoehkën, mènëtapkën, 
mëndjadikën. 

Beknopt, pendek, ringkas, ichtisar, 
simpan. 

Beknorren, mënggegeri, mërëdiki, 
mëmarahi, mënëgori. 

Bekoelen, djadi dingin, djadi së- 
djoek, padam; Laten bekoelen, 
mëndinginkën, mênjëdjoekkën, 
mëmadamkën. 

Bekomen (krQgen), dapët, mën- 
dapët, oleh, bëroleh, tërima, më- 
nërima; (wel bekomen van 
spijzen), mëntjërna; (van een 
ziekte, enz.), djadi baïk, sëm- 
boeh, poelih. 

Bekommerd, soesah, soesah hati, 
bërtjinta, chawatir, koewatir, 
goendah, masjgroel, bërtjëmas. 

Bekommeren, mënjoesahkën, 
mëmpërtjintakën, mëndjadikën 
soesah hati, mënggoendahkën ; 
Zich om iets bekommeren, 
bërsoesah hati, bërtjinta, chawa- 
tir, koewatir,fërdoeh,mërdoelikën. 

Bekomst, v., (zijn >- hebben), 
kënjang, soedah kënjang, bosën, 
soedah bosën. 

Bekoorlijk, bagoes, elok, përmai, 
djëhta, djodwita, manis, sëdap di 
pandang, mëndëmënkën. 

Bekoren (betooveren, enz.), më- 
rahi, mërahikën, mëmpërahikën, 
mënghobatkën, mëmbëri rawan, 
mënarik hati ; (verleiden), mëm- 
boedjoek, mënawari, mënjösatkën. 

Bekoring, v., rahi, birahi, sir, pë- 
nawar, hobat, sërana. 

Bekorten, mëmendekkën, mëring- 
kaskën, mëmintas, mëngichti- 
sarkën. 

Bekostigen, mëmbëlandjakën,më- 



318 



BEKR. 



BELA. 



ngloewarkén bélandjanja, mém- 
bajar ongkosnja. 

Bekrabben, méntjakar, méntja- 
kari, mènjakari, ménggaroeki, 
méngaïsi. 

Bekrachtigen, mönègoehkèn, mé- 
nétapkèn, möngoewatkèn. 

Bekreunen (zich - om), fêrdoeli, 
mèrdoelikén, méngindahkén. 

Bekrimpen (zich — ), mëngoerang- 
kön bélandja (ongkos). 

Bekrompen (armoedig), kakoe- 
rangan, koerang tjoekoep, miskin; 
(nauw), sésak, sëmpit, kètjil; 
(van verstand), hinaboedi,bodo, 
bérat képala, boentoe. 

Bekronen (met een kroon), mè- 
ngênakèn makota, mémakaikên 
makota; (bekransen), ménghiasi 
d6ngan karangan boenga; (met 
een prUs), mëmbéri tanda ka- 
hormatan, mömbèri hisnat. 

Bekruipen (een vyand, enz.), 
méndaténgi déngan sémboeni ; 
(van de lust tot iets), mëngi- 
nginkèn. 

Bekwaam, bisa, pandai, pintèr, 
faham, paham, mèngérti; (ge- 
schikt), patoet, lalk. 

Bekwaamheid, v., kapandaian, 
kapintèran, kabisa^n. 

Bekwamen (zich — ), mëngoesa- 
hakën diri,bëladjar,mömfahamkën 
diri; (Iemand — ), mëngadjarkën. 

Bel, V., (waterbel), gëlëmboeng, 
këlëmboeng; (klok, schel, enz.), 
gënta, lontjeng, tjir-tjir, këron* 
tjong, këlintingan; De bel lui- 
den, mënggojang lontjeng, mëm- 
boenjikën lontjeng. 

Belabberd, tjëlaka, hina, boesoek, 
djahat. 

Belachelijk, patoet di tërtawakën 

. (këtawakën), haroes di slndirkën. 

Belaohen, mënërtawaï, mëngë- 
tawaï, mënërtswakën, mëngëta- 
wakën; (bespotten), mënjindlr- 
kën. 

Beladen (z]Jn), moewat, mëmoe- 
wat, tërmoewat; (met iets—), 



mëmoewati mëmoewatkën ; 
(zwaar beladen z^n), sarat, 
lëbat; (met schulden), tënggë- 
lëm dalem oetang; (met zon- 
den), mënanggoeng dosa. 

Belagen, mëngadang, mëngadangi. 

Belanden, sampai, tiba, datang, 
djatoh. 

Belang, o., pënting, përkara bësar, 
hal bësar; (voordeel), oentoeng, 
laba; (nut) goena, përgoenaan; 
Van groot belang, boekan 
kapalang, jang amat bërgoena, 
jang amat bësar, jang amat 
bërpënting; Van geen belang, 
kapalang, tiada ada goenanja; 
Dit is in uw eigen belang, Itoe 
memang bêrgoena (ada goena- 
nja,— )pada angkaü sendiri ; —itoe 
memang bisa (boleh) mëmbawa 
oentoeng (goena bësar) pada-moe 
(toewan). 

Belangeloos, toeloes, toeloes hati, 
tiada mëntjëhari oentoengnja 
söndiri. 

Belangen ; Dit werkwoord 
wordt meest teruggegeven 
door akan; Wat mQ belangt, 
akan dakoe. 

Belangrijk, pënting, bësar, 
bêrgoena. 

Belasten (beladen), moewat, 
mëmoewati, mëmoewatkën; (op- 
dragen), bërpësan, mëmësan, 
mëmësankën, mënjoeroeh, më- 
nanggoengkën; (belasting op- 
leggen), mèngënakën bea, më- 
ngënakën tjoekai,mëngënakën pa- 
djëk, mëmadjëkkën, mëmadjëki. 

Belasteren, mëmfitnahkën, mëng- 
oempat, mënoedoehkën dëngan 
tiada sabènarnja. 

Belasting (opdracht, enz.),v., pë- 
8an,pësanan,tanggoengan;(schat- 
ting, enz.), bea, tjoekai, padjëk; 
(op den grond), padjëk tanah, 
padjëk boemi ; (op het bedrUf ), 
padjëk pêntjarian, pacjjëk pêng- 
gaotan; (op visohvJIjvers), pa- 
djëk pëngempang; (personeele) 



BELA. 



BELL. 



319 



padjék harta bönda; (patent), 
padjék pakèrdjaan, padjék pèn- 
tjarian; (op tabak), bea tëmba- 
ko; (op r^tuigen), padjék ka- 
reta, padjèk kéndaraan; (op 
paarden),padjëk koeda;bedr^f s- 
belasting, ook: bea pëntjarian. 
Voorts kent men op Sumatra 
onder den naam boenga ook 
verschillende belastingen, als 
boenga kajoe, boeng^a pasir, 
enz. 

Belastingseliuldige, m., orang 
jang kèna padjék (bea, tjoekai). 

Beleedigen, ménghinakên, méma- 
loekén, mémbéntjanakén, mém- 
béri maloe. 

Beleefd, sopan, sopan-santoen, 
tahoe adat, béradab, hormat. 

Beleefdheid, v., sopan, sopan-san- 
toen, tahoe adat,adab,hormat; Een 
beleefdheid bewijzen, mém- 
béri hormat, ménghormatkén. 

Beleenen (geld op pand geven), 
mémegang barang gadean, mém- 
béri oewang atas barang gadean ; 
(geld op pand opnemen), 
ménggade, ménggadekén, bér- 
gade; (met iets beleenen, be- 
kleeden), ménganoegërahkén, 
méngéroeniakén. 

Beleenbank, v., roemah gadean, 
pégadean. 

Beleening, y., gadean, pénggadean. 

Beleg, o., képoengan, péngépoe- 
ngan; Het beleg opbreken, 
mémpérhéntikên képoengan, mé- 
lépaskén képoengan. 

Belegen (niet versch), toewa. 

Belegeren, méngépoeng. 

Belegering, v., zie: Beleg. 

Belegeringsgeschut, o., mériam 
péngépoengan. 

Belegeringsschans, v., koeboe, 
benteng. 

Beleggen (dekken met), ménoe- 
toep, ménoetoepi, mémboeboehi, 
ménérap, ménérapkén, ménan- 
doeri, ménaroh, ménarohi, mé- 
masang, mémasangi; (een raad, 



enz.), mémboewat, mémpérsila- 
kén; (geld op rente zetten), 
mémboengakén, méndjalankén, 
ménganakkén; (met goud, enz.), 
ménjaloet. 

Belegsel, o., (bedekking), toetoep, 
toetoepan, saloet, saloetan, torap, 
lapis; (versiersel), pérhiasan. 

Beleid, o., akal, akal bitjara, bi- 
djaksana. 

Belemmeren, ménahan, ménahan- 
kén, ménjoekarkén, mêmalangi, 
ménjoesahi, ménjoesahkén ; (een 
weg—), ménjésakkén, ménjém- 
pitkén. 

Belemmering, v., sangkoetan, pa- 
langan, rintangan, tahan. 

Belenden (aan iets grenzen), 
bérwatés, bérdamping, bértempel, 
bérpinggir, bérlengket. 

Belending, v., pinggir, watés. 

Belet, o., aral, oedzoer, tiada sém- 
pat; Belet geven, tiada bisa 
térima, ménjahoet, tiada sémpat. 

Beletsel, o., aral, tégah. 

Beletten, ménégahkén,mémalangi. 

Beleven, méndapét tahoe, tahoe, 
mélihat. 

Belhamel, m., (ram), domba djan- 
tan jang di kaloengi génta; 
(hoofd van muiters, enz.), ké- 
pala bérandal, képala kéraman, 
képala ketjoe; péngadjak. 

Beliegen, méndoestaï, méndjoesta- 
kén. 

Believen (welgevallen vinden 
in), soeka, ridla, soedi, bérkénan, 
maoe; Als het u belieft, dji- 
kalau (toewan) soeka, djikalau 
(toewan) soedi,silakan,silakanlah; 
(welgevallig z^n aan), mêm- 
béri soeka, ménjoekakén hati, 
méngambil hati, mémpérkénan- 
kén; (welgevallen), o., soeka, 
kasoekaan, ridla, karidla^n. 

BeUjden, ikrar, bérikrar, ménga- 
koe. 

BeUJdenis, y., (bekentenis), pé- 
ngakoean; (geloofs— ), sjahadat. 

Bellen, ménarik lontjeng, meng- 



320 



BELO. 



gojang lontjeng, mémboenjikön 
lontjeng (génta). 

Beloeren, méngintai, méngintip, 
ménjoeloehi, mèngadang. 

Belofte, V., djandji, pérdjandjian ; 
Een belofte houden, ménjam- 
paikèn pérdjandjian; Ben belofte 
schenden, mëngobahkën pér- 
djandjian. 

Belommeren, mönawoengi, mënë- 
doehi, méngajomi. 

Beloonen (vergelden), mëmbalës, 
mëmbaiëskën ; (loon greven), 
mèngoepahi, mémbèri oepah. 

Belooning, v., balésan, pèmbalësan» 
gandjaran, pahala, oepah. 

Beloop, o., (gang), djalan, péri 
djalan; (bedrag),djoemlah,goeng- 
goeng; (vorm), bangoen,soesoet; 
Iets op z^n beloop laten, mëm- 
biarkèn, mèninggalkèn, mènan- 
tikèn; Tegen het beloop in, 
soengsang, kabalik, tërbalik. 

Beloopen (bedragen), djoemlah, 
goenggoeng, bèrdjoemlah, naïk 
sampai; (door een storm), këna 
angin riboet; (begaan), méndja- 
lani. 

Beloven, bérdjan^ji, méndjandji; 
(een gelofte doen), bërnadzar, 
bèrkaoel, mêngaoel. 

Beluisteren, mënëngarkén, mën- 
dëngarkën, mèmasang koeping 
(tëlinga). 

Belust (zlJn op), ingin, bëringin, 
këpingin ; (van een zwangere 
vrouw), mèngidam. 

Bemachtigen, mëngalahkën, më- 
rëboet. 

Bemannen, mëlangkap dëngan 
anak (awak) përahoe. 

Bemanning, v., anak (awak) pë- 
rahoe (kapal), chalazi, mantëroes, 
batoer. 

Bemantelen (met een mantel 
dekken), mënjëlimoetkën, më- 
njëlimoeti; (bedekken), mënoe- 
toepi, mënoedoengi, mëngoedoe- 
ngi; (van een vesting), më- 
ngoeboeï. 



BENA. 

Bemerken, mëlihat, mëndapêt 

tahoe, mërasa. 
Bemerking, v., rasa, përasaan, 

pënglihatan; (aanmerking),tjëla, 

pëntjëlaHn. 
Bemesten, mëmbadja, mëmboe- 

boehi badja, mëraboeki, mëm- 

boeboehi gëmoek. 
Bemiddelaar, m., wasit, përan- 

tara, pëngantara; (voor een 

huweiyk, enz.), tjomblang. 
Bemiddeld, kaja, hartawan, mam- 
poe, poenja barang, tjoekoep. 
Bemiddelen, mëmpërdamaikën, 

mëngantaraï, mëwasiti. 
Bemiddeling, v., përantara^n, për- 

damaian. 
Beminde, v., këkasih ; (verloofde), 

toenangan; (in het geheim), 

këndak; Ben beminde hebben, 

bërtoenangan, bërkëndakan. 
Beminnel^k, manis, patoet (ha- 

roes) di kasihi. 
Beminnen, mëngasihi, soeka, bër- 

kënan, (verliefd zijn), birahi, 

mëmbirahikën, soeka, mënjoekaï; 

Blkander beminnen, bërkasih- 

kasihan. 
Beminnenswaardig, zie : Bemin- 

nel^k. 
Bemodderen, . mëloempoeri, më- 

loemoerkën dëngan loempoer. 
Bemoedigen, mëmbëranikën, 

mënggambirakën, mëmbëri hati, 

mënghiboerkën. 
Bemoeial, m., orang sëliwing, toe- 

kang bërtjampoer dalem sêgala 

përkara. 
Bemoeien (zich), fërdoeli, mëm- 

fërdoelikën, bërtjampoer, masoek, 

toeroet-toeroet. 
Bemorsen, mëntjëmërkën, më- 

ngotorkën, mëngloemoerkën. 
Bemost, bërloemoet,bërloemoetan. 
Bemuren, mënembok, mëmagëri 

dëngan tembok, mëmagëri dë- 
ngan batoe, mëmagëri batoe. 
Ben, V., bakoel. 
Benadeelen. mëroegikën, mëroe- 

sakken, mëmbawa karoegian. 



BENA. 



BEPE. 



321 



Benaderen (zioh toeêigenen), 
mèmgainbil, mérampas; (in het 
rekenen), möngira-ngira, mèngi- 
toeng déngan kira-kira. 

Benaming, v., nama, p6nama3,n. 

Benard, soekar, kasoekaran, pa- 
jah, soesah, soesah sökali. 

Benauwd (eng), sësak, sëmpit 
(van hart), soesah hati, chawa- 
tir, koewatir, takoet; (van borst), 
s&sak,sêsak dada; (verstikkend), 
mölèmöskén badan, mènjésakkèn 
napas; Benauwd zV|n, sësak, 
soesah mènarik napas, katakoe- 
tan. 

Bende, v., (troep), kawan, pasoek, 
pasoekan, katoemboekan; (ver- 
zameling), pakoempoelan, për- 
himpoenan. 

Beneden (onder), di bawah ; Naar 
beneden, kabawah. 

Benedeneind, o., oedjoeng jang di 
bawah, kaki, bawah, toempoean ; 
(van een boom, enz.), pangkal, 
bongkot, pokok. 

Benedenloop,m.,(van een rivier), 
hilir. 

Benedenrand; m., pinggir, jang 
di bawah, tèpi jang di bawah. 

Benedenste, jang di bawah sèndiri. 

Benemen (ontnemen), mèngam- 
bil, mèrèboet, mérampas ; (het 
leven — ), mömboenoeh; zie 
verder: Nemen en Ontnemen. 

Benepen, soesah, soesah hati, soe- 
kar, kasoekaran, masjgroel. 

Beneveld (van de lucht), rëdoep, 
kélam kaboet ; (van de oogen), 
kaboer, lamoer, tiada têrang. 

Benevens, sërta, bésérta, dëngan, 
bèsèrta dèngan. 

Bengel, m., (klokje), gënta. Ion- 
tjeng; (ondeugende jongen), 
anak nakal. 

Bengelen, mönggojang lontjeng, 
mènarik lontjeng; (slingeren), 
kontal-kantil, törkontal-kantil. 

Benieuwd ( — - zyn), soeka tahoe, 
kèpingin tahoe, héndak mènga- 
tahoel. 
Hollandsch-Malbisch. 



Beneden, döngki, börhati dèngki, 
bèrdèngki, mèndèngkikén, bèr- 
tjémboeroean, möntjèmboeroeï, 
möntjèmboeroekön. 

Benoembaar, boléh (dapat, 
haroes, patoet) di böri pangkat. 

Benoemen (een naam geven), 
ménamaï, mënamakën; (met een 
ambt begiftigen), mëmbëri 
pangkat, mènganoegërahkön 
pangkat, mèngangkat, mémböri 
djabatan, mënggölar. 

Benoeming, v., pënamaS.n, ang- 
katan, gèlaran; (besluit van— ), 
soerat pangkat, soerat angka- 
tan. 

Benoodigd, pérloe, pörloe di pakai, 
misti di pakai, koerang. 

Benoorden, disëbëlah oetara, di 
sébölah lor. 

Benuttigen, mëmpërgoenakèn,m6- 
makai. 

Benzoë, v., ménjan, kémènjan. 

Beoefenen, béladjar, mèngadji, 
bérgoeroe, méngoesahakèn. 

Beoefening, v., pëladjaran, pënga- 
djian, oesaha, pèrgoeroean. 

Beoogen (bedoelen),bërkahëndak, 
bèrniat, bêrmaksoed, maoe; (mik- 
ken), mèngintjar, mènoedjoe. 

Beoordeelen (een oordeel vellen 
over), mönghoekoemkén,ménim- 
bang; (gissen), mëngagak-agak, 
möngira-ngiraï. 

Beoordeeling, v., timbangan, pér- 
timbangan, agak-agak, kira-kira. 

Beoorlogen, mëmërangi. 

Beoosten, di sèbëlah timoer, di 
sèbèlah wetan. 

Bepaald, tëntoe,pésti,tëtëp; (wer- 
kelijk), soenggoeh. 

Bepalen (met palen afzetten), 
mömagöri déngan kajoe; (vast- 
stellen), mënëntoekën; (bedin- 
gen), bèrdjandji. 

Bepaling, v., (begrenzing), pagér, 
watès;(vastgesteld),katèntoean, 
pörentah; (schriftelijk), soerat 
pèrentah,soerat oendang-oendang. 

Bepeinzen, mèmükirkën, mërni- 

21 



322 



BEPE. 



BEKG. 



kirkén, ménimbang, méngira-ngi- 
raï. 

Bepekken, m&nggala, mënggalaï, 
mêmboeboehkèn gala, mèngètir. 

Beperken (omheinen), mëmagëri, 
mëmasangi pagër; (intoomen), 
ménahani, méngandaki. 

Beperkt, sësak, sëndat; (van ver- 
stand), bodo, koerang boedi, së- 
mëntoeng, gëblëg. 

Bepissen, mèngëntjingi. 

Beplakken, mênempeli, mënam- 
pali. 

Beplanten, mënanëmi. 

Beplanting, v., tanëman, pënanë- 
man. 

Bepleisteren (met cement, enz.), 
mënorap, mèlepa, mënjaloeti ka- 
poer, mëlëster. 

Bepleiten, mëmbitjaraï, mëmadoe- 
kèn. 

Beploegen, mënanggalaï, mëloe- 
koeï. 

Bepoten, mënanëmi. 

Bepraten (door praten overha- 
len, enz.), mëmboedjoek,mërajoe; 
(over iets praten), mèmbitja- 
raken. 

Beprikken (tatoueeren), mën- 
tjatjahi. 

Beproeven (probeeren), mën- 
tjoba, mënjoba, mënjobaï; (toet- 
sen van goud, enz.), më- 
ngoedji. 

Beproeving, v., përtjobaan, goda, 
pënggodaan; (van goud, enz.), 
pëngoedjian. 

Beraad, o., bitjara, timbangan, 
pëndapëtan, ingatan, fikiran; In 
beraad nemen, mëmbitjarakën, 
mënimbang, mëmükirkën; In be- 
raad staan, bimbang; T^d van 
beraad, tënggang daja, tempo 
bërükir. 

Beraadslagen, bërbitjara, bërmoe- 
sjawaratbërmoeafakat; Beraad- 
slagen over iets, mëmbitjara- 
kën, mëmoesjawaratkën, mënim- 
bang. 

Beramen, mëngoepajakën, meng- 



ichtiarkën, mëreka, mërantjana- 
kën. 

Berde, (Te — brengen), mènjë- 
boetkën, mëmbitjarakën. 

Berechten, mënghoekoemkën. 

Beredderen, mëngatoer, mënga- 
toerkën, mëmbëtoelkën, mëngoe- 
roeskën, mëmegang, mëndjoeroe, 
mëmërentahkën. 

Beregenen, mënghoedjani. 

Bereid (gereed), sëdia, tërsëdia; 
(— zUn), bërsëdia, maoe, sang- 
goep, mënjanggoepi. 

Bereiden (gereedmaken), më- 
njëdiakèn, mëlangkapkën, mëm- 
bikin ; (leder — ), mënjamak. 

Bereids, soedah, tëlah. 

Bereidvaardig,dëngan soeka hati, 
dëngan ridla, dëngan karidlaSn, 
soeka, maoe, tjoekoep, sanggoep. 

Bereidwillig,zie: Bereidvaardig, 

Bereiken (tot iets komen), sam» 
pai ; (ver-werven), dapët, mënda- 
pët, bëroleh; Zyn doel berei- 
ken, bëroleh maksoed. 

Bereizen, mëndjalani, mëliwati. 

Berekenen, mëngitoeng, mënghi- 
sabkën, mëngira-ngira. 

Berg, m., goenoeng, boekit; Vuur- 
spuwende berg, goenoeng api ; 
Top van een berg,poetjak (poen- 
tjak) goenoeng; Voet van een 
berg, kaki goenoeng ; Te berge 
rjjzen, mënjëram, bërdiri. 

Bergachtig, bërgoenoeng*goe- 
noeng, bërboekitboekit. 

Bergaf, toeroen goenoeng. 

Bergartillerie, sëtabëlan sëtiloor. 

Bergbewoner,m.,orang goenoeng, 
orang pagoenoengan. 

Bergen (bewaren), mënjimpan; 
(behouden), mëloepoetkën; (van 
de zeilen), mënoeroenken,mëng- 
goeloeng; (het lijf), lari, ming- 
gat, sèmboeni, bërsëmboeni. 

Bergengte, v., zie: Bergkloof. 

Berggeest, m., antoe goenoeng. 

Bergketen, m., pëgoenoengan, 
barisan goenoeng (boekit), goe- 
noeng (boekit) barisan. 



BERG. 



BES. 



323 



Bergkloof, v., tjêlah goenoeng, 
loerah, limboengan, tjoeram, 
djoerang. 

Bergkristal, o., habloer goenoeng, 
kinjang. 

Bergland, o., tanah pagoenoengan. 

Bergop, naïk goenoeng. 

Bergpas, m., zie: Bergkloof. 

Bergplaats, v., témpat simpönan. 

Bergtop, m., poetjak (poentjak) 
goenoeng. 

Bergwerk, o., tambang, galian. 

Bergzout, o., garèm tanah. 

Bericht, o., chabar, kabar, warta, 
pémbérita,pémbérian tahoe; Be- 
richt geven, mèmbérita, mêng- 
chabarkén, mêwartakên ; Be- 
richt vragen, minta chabar. 

Berichten,mëngchabarkèn,ménga- 
barken, méwartakén, mèmbéri 
tahoe, kasi tahoe, mèngirim kabar. 

Beraden, mêngéndaraï, ménaikï, 
ménoenggangi; Ben paard be- 
raden, bèrkoeda, naïk koeda, 
ménoenggangi koeda. 

Berispelijk, tiada baïk, haroes di 
tjéla, patoet di tjatjad. 

Berispen, méntjéla, ménjéla, mé- 
njatjad, ménghardik, ménêgor, 
mémarahkén, mémarahi; (onder 
verwljting van genoten wel- 
daden), mémbangkit. 

Beroemd, térnama, térsèboet, 
masjhoer, késoehoer. 

Beroemen (zich ~), mémégahkén 
diri, mèmbésarken diri. 

Beroep, o., (ambt), djabatan, dja- 
watan, pakêrdjaan; (bedrijf), 
pakèrdjaan, oesaha, pêroesahaan ; 
(kostwinning), péntjarian, pöng- 
hidoepan, pèngoepa djiwa; (in 
rechten), pindahan bitjara, pèr- 
mintaan timbangan lèbih tinggi, 
pèrmoehoenan, pèrmintaan ; Hoo- 
ger beroep (zie: Appèl), pér- 
mintaan papèriksaan dan pèrtim- 
bangan pada hakim, jang lébih 
tinggi ; In hooger beroep gaan, 
minta appel. 

Beroepen (zich — op), mönjaksi- 



kên, mènarik saksi, bérpindah 
bitjara. 

Beroepsbezigheid, v., pëkèrdjaan 
djabatan. 

Beroerd, djahat, boesoek, tjélaka. 

Beroeren(aanraken),mèndjamah, 
mênangani, mémegang ; (omroe- 
ren), méngoebèk, möngotjak ; 
(in opschudding brengen), 
méngharoe-biroe, méroesoehkén, 
méngasoet. 

Beroerte, v., (ziekte), sawan 
bangkai, pitam babi. 

Berokkenen, mëngadakén, mënjè- 
babkön, mèndjadikén, mémbawa; 
Leed berokkenen, mëmbén- 
tjanakén, mèmbawa(mémboewat) 
béntjana, mènjoesahkén hati. 

Berooid, miskin sékah, papa sa- 
ngèt, mélarat. 

Berooken, méngasèpi, méngoe- 
koepi, méraboeni. 

Berooven, mèrampasi, méiéboeti, 
möndjarahi ; (op weg), mènja- 
moeni, mèrampoki; (op zee), 
mémbadjaki; (van het leven), 
mémboenoeh; (van alle mid- 
delen), mönélandjangkén, mè- 
mélaratkën. 

Berouw, o., sësal, tobat; Berouw 
hebben, ménjèsal, bër tobat. 

Berouwen, zie: Berouw. 

Berrie, v., lerang, oesoengan, goto- 
ngan, djömpana, djinarat. 

Berst, V., rëtak, lëtak, rëkah, lëkah, 
bëlah, rëngat, pëtjah; (in een 
rots, enz.), tjèlah. 

Bersten, mërëtak, mëlëtak, mërë- 
kah, mëlëkah, tërbëlah, rëngat, 
pëtjah; (met een ontploffing), 
mëlëtos. 

Berucht, tërnama këdji (boesoek). 

Beruiken, mëntjioemi mënjioemi. 

Berusten (in bewaring zjjn), 
tërsimpën, di simpën, ada di, tër- 
pegang oleh ; (gegrond zt|n op), 
bërdiri atas ; (vertrouwen), për- 
tjaja; (afhangen van), bërgan- 
toeng. 

Bes, V., (oude vrouw), nenek. 



824 



BESC. 



BESC. 



nenek-nenek, orang pérampoean 
toewa. 

Beschaafd, tahoe adat, adab, boedi 
béhasa, aloes, sopan santoen, ang- 
goen. 

Beschaamd, maloe, sénoenoeh; 
Beschaamd maken, mémaloe- 
kén, mémbéri maloe, mèmbikin 
maloe; Beschaamd uitkomen, 
katjiwa, djénga, dapét maloe. 

Beschadigd, roesak, karoesakan. 

Beschadigen, mèroesakkën, mèm- 
bikin roesak. 

Beschadiging, v., roesak, karoe- 
sakan, pêroesakan. 

Beschaduwen, ménawoengi, mè- 
lindoengkèn, mémbajangkèn, mè- 
ngajomi. 

Beschamen, mëmaloekèn, m&m- 
béri maloe, mèmbikin maloe. 

Beschansen, mèmbentengkén, 
mèngoeboeï. 

Beschaven (met de schaaf be- 
werken), ménjèroet, ménjéroeti, 
mëngëtam,méngètami, mèmasah, 
mëmasahi; (door onderricht), 
mëngadjar, mëngadjarkën sopan- 
santoen, mëngadjarkën adat, mën- 
jampoernakën boedinja. 

Bescheid, o., (antwoord), djawab, 
sahoet, pèndjawaban, pënjaoetan ; 
(bericht), chabar, kabar, pëm- 
bërita, pëmbërian tahoe. 

Bescheiden (zedig), sësoenoeh, 
bidjak, bidjaksana, sopan, sopan- 
santoen. 

Bescheiden (ontbieden), më- 
manggil, soeroeh datëng; (be- 
leefd), mèmpërsilakën. 

Beschenken, zie: Begiftigen. 

Beschoren (bestemmen), mënën- 
toekën, mëngoentoekkën, mën- 
takdirkën. 

Beschermen, mëlindoengkën, më- 
mèliharakën, mënawoengi, më- 
noeloengi. 

Beschermgeest, m., soemangat, 
danjang. 

Bescherming, v., përlindoengan, 
pëmëliharaan, përtoeloengan. 



Beschieten (op iets schieten), 

mënembaki, mëmbëdili, mëlem- 
pari pëloeroe; (van een be- 
schot voorzien), mëndindingi, 
mëlapisi. 

Beschijnen, mënjinarkën, mënë- 
rangkën, mëmadangkèn. 

BeschUten, mëmberaki. 

Beschikken (ordenen, regelen), 
mëngatoer, mëngatoerkën, më- 
ngoeroeskën, mëndjoeroekën, 
mëmatoetkën, mëmegang, mëran- 
tjanakën; (besturen), mëmëren- 
tahkën, mëlakoekën, mëngërdja- 
kën. 

Beschikking, v., pêrentah, atoeran, 
rantjana,tartib;(Laatste wils—), 
wasiat. 

Beschilderen (grof), mëngëtjat, 
mëlaboeri tjat, mënarohi tjat, 
mënjapoeï tjat; (fijn, met figu- 
ren), mënoelisi dëngan gambar, 
mëngëtjat dëngan gambar, mëng- 
gambari dëngan tjat; (tatouee- 
ren), mëntjatjahi. 

Beschimmeld, djamoeran, bërla- 
poek, lohok. 

Beschimpen (hoonen), mënista- 
kën, mënjindiri. 

Beschoeien, mënorap, mëmasangi 
ambaroe, mëngoeroengi. 

Beschonken, mabok, mëndëm. 

Beschot, o., pagër, dinding. 

Beschouwen (beki|]ken),mëman- 
dang, mëmandangi, mëlihat, më- 
lihati, mëngamat-amati; (hou- 
den voor), mëmandang, mëm- 
bilang sëpërti; (beoordeelen), 
mënimbang, mëmfikirkën, më- 
ngira. 

Beschreien, mënangisi. 

Beschreven, mënjoerati, mënjoe- 
ratkën, mënoeloesi, mënoeliskën; 
(duidel^k maken), mënsifat- 
kën, mënërangkën ; (l^nen trek- 
ken), mënggaris ; (verhalen), 
mëntjëritèrakën. 

Beschr^ving, v., pënjoeratan ; 
(verhaal), karangan, tjërita, tjö- 
ritëra; (verduideUJking), sifat. 



BESC. 



BESP. 



325 



BeBchroomd, takoet, tjabar, ma< 
loe. 

Beschuldigen, mënoedoeh, mh- 
njalahkén, méndakwa ; (valscbe- 
lyk), ménoekas, mènoekasi. 

Beschuldiging, vr., pënoedoeh, 
dakwa; (valsche), pönoekas. 

Beschutten, mëlindoengi, mélin- 
doengkön, méméliharakèn, ména 
woengi, ménoeloengi, ménédoehi, 
mèmbelaï. 

Besef, 0.) (bevrustzijn), sèdar, rasa, 
péngrasa, pérasaan ; (begrip) 
ingatan, péngèrtian. 

Beseffen (begrepen), méngërti 
(gevoelen), bérasa, mörasa. 

Beslaan (plaats innemen), bèr 
tempat ; (van een paard, enz.), 
méngönakén bèsi koekoenja, mé" 
masangi bési koekoenja; (een 
beslag, bekleedsel om iets 
leggen), mèmasangi, mênjaloet, 
möngikat,ménjëndi,ménjöndikén; 
(van meel), mèngadon, ménga- 
doni; (dof -worden), soeram, 
djadi soeram, bèrlapoek. 

Beslag, o., (van meel), adonan; 
(op goederen), pönahanan, pé- 
rampasan ; (van goud), saloetan ; 
(van metaal aan stokken), 
sampak; (aan koffers), patam; 
(aan vaten), simpai; (aan een 
'wiel),b6si roda; (aan een paard), 
bési koekoenja. 

Beslapen,ménidoeri; (een vrou^, 
mènidoeri, börsétoeboeh (bërdji- 
ma) déngan saorang pörampoean, 
mèngampoet, méndjabat, méman- 
tat, mêngewe, ménoenggangi. 

Beslechten, mèmoetoeskèn, mè- 
ngabiskèn, mènjélösaikén. 

BesUJken, mêloempoeri, mélétjah- 
kén, méngotorkén. 

Beslissen, mèmoetoeskën, mënèn- 
toekën, mönghabiskën. 

Beslissing, v., poetoesan, kapoe- 
toesan; (in rechten), kapoetoesan 
hoekoem. 

Beslommering, v., masjgroel, soe- 
sah, poesing këpala, hoeroe-hara. 



Besluit, o., firman, titah, përentah, 
kapoetoesan ; (eind), kasoedahan, 
chatam, tamat, pënghabisan. 

Besluiteloos, goendah, bimbang, 
bingoeng, chawatir, koewatir, 
tiada tahoe mëmbikin apa. 

Besluiten (omvatten), moewat, 
tërmoewat; (eindigen), möng- 
habiskën, mëmpërhöntikën, më- 
njoedahkën, mëngchatamkèn;(be- 
slissen), mènëntoekën, mëmoe- 
toeskèn ; (bepalen, van de god- 
heid), möntakdirkën. 

Besmeren (bestrijken), mënja* 
poe;(in^ö7rlj ven), mënggosokkön ; 
(vuil maken), mëloemoerkën, 
mèntjëmarkèn, mêngotorkën. 

Besmettel^k, djangkit, mënoelari ; 
Besmettelijke ziekte, pënjakit 
sampar, pënjakit mënoelari. 

Besmetten (van ziekten), mën- 
djangkit, mëlampar, mënoelari; 
(vuil maken), mêngotorkën, 
mèntjëmarkën, mënadjiskën. 

Besmetting, v., (aansteking), 
toelar, pënoelar, pëndjangkitan, 
sampar; (bezoedeling), pëntjë- 
maran. 

Besnedene,m.,orangjangdisoenat, 
orang tërchatan, orang jang di 
potong (di boewang, di kiat, di 
kèrat) koeloepnja. 

Besnijden (der voorhuid), më- 
njoenati, mënjoenatkën, mèng- 
chatankën, mëngërat (mëmboe- 
wang, mënjiat) koeloep; (van 
hout, enz.), mëmaras, mëraoet, 
mëngoekir. 

Besnijdenis, v., soenat, chatan. 

Besnoeien (van boomen), mëran- 
ting, mërantjoeng, mëmotong; 
(van geld), mëngoerangkën, më- 
motong. 

Bespannen, mëmasang, mëmasa- 
ngi, mëngënakën, mërakitkën; 
(met de hand), mëndjëngkal- 
kën. 

Bespanning, v., pasangan, raki- 
tan, pëndjëngkalan. 

Besparen, mënjimpan, mënaroh, 



326 



BESP. 



BEST. 



Bespatten, mèmérêtjiki, ménjipé- 
rati. 

Bespelen, maïn; (van een snaar- 
instrument), mémötiki; (van 
een strijkinstrument), mëng- 
gosok;(van slaginstrumenten), 
mömaloe, inönaboeh. 

Bespeuren, mëlihat, mëndapèt 
tahoe, mèndèngar. 

Bespieden, mèngintai, möngintip, 
ménjoeloeh. 

Bespieder, m., soeloeh, pénjoeloeh, 
mata-mata. 

Bespiegelen, (zich — ), bërkatja, 
bétjérmin, mèlihat di katja, mè- 
ngatja. 

Bespoedigen, mëlêkaskén, mè- 
njigërakèn, mèmbangatkén, mè- 
njépatkön. 

Bespoelen (tegen iets aanspoe- 
len), mëmbasoehi. 

Bespottel^k, patoetdikètawakén, 
patoet di sindirkén, patoet di 
olok-olok. 

Bespotten, mèngétawakén, mé- 
ngolok-olok, mémpèrmaïnkén, 
mènjindirkén. 

Bespraakt, bèrfasihat, bisabitja- 
ra, pandai bèrkata-kata. 

Besprek, o., bitjara, rëmboek ; In 
besprek zyn, lagï bërbitjara, 
lagi bërëmboek. 

Bespreken, mëmbitjarakën, më- 
rëmboekkën ; (bestellen), bërpö- 
san, mëmësan. 

Besprongen, mëmërëtjiki, mëndi- 
riskën, mënjipërati, mênjirami. 

Besprenkelen, zie: Besprongen. 

Bespringen (zich op iets wer- 
pen), mënërkam, mënërpa, më- 
noebroek, mënjërëgap; (dekken 
van paarden, enz.), mëndjan- 
tan. 

Besproeien, mênjirami, mëndirisi. 

Bespuiten, mënjëmboer, mëman- 
tjari, mënjëmproti. 

Bespuv7en, mëloedahi. 

Best, baïk sëkallï, tërbaïk, tërlëbih 
baïk, tëroetama; (voortreffelijk), 
moelia; Z^n best doen, 



bërsoenggoeh-soenggoeh hati. 

Best, o., (nut, voordeel), goena, 
oentoeng, sëlamët. 

Bestaan, o., (het zijn), ka3,daan, 
woedjoed, dzat; (broodwinning), 
pëntjarian,pëngoepadjiwa,rëdjëki, 
pënghidoepan. 

Bestaan (zyn), ada, bërwoedjoed; 
(ondernemen), bërtjakap, bèr- 
sanggoep, bërani raëmboewat, 
bërani mëlakoekèn : (van kracht 
zijn), bërlakoe; (voortduren), 
bërkandjang ; (verwant zijn), 
bërsanakan; (leven), hidoep; (uit), 
bërdiri, djadi, djadi (tërbikin) dari, 
daripada. 

Bestaanbaar, ada, boleh djadi. 

Bestand, o., (wapenstilstand), 
përhëntian përang ; Bestand, 
tahan, bisa tahan, bëtah, këbal, 
dapët raëlawan. 

Bestanddeel, o., babagian, bagian. 

Besteden (van geld), mëmbëlan- 
djakën, mëmakai, mëmboewang; 
(van tijd, enz., aanwenden), 
mëmpërgoenakën, mëmakai. 

Bestek, o., (plaats), tëmpat;(plan), 
rantjana. 

Bestekamer, v., djamban, kakoes. 

Besteken ; mënikami, mëntjoe- 
tjoeki, mënoesoeki. 

Bestelen, mëntjoeriï. 

Bestellen (een bestelling doen), 
mëmësan, bërpësan, soeroehmëm- 
boe wat, soeroeh mëmbikin, min- 
ta di kirimkën; (regelen), më- 
ngatoer, mëngatoerkën,mëmëren- 
tahkën ; (bezorgen), mënjam- 
paikën, mömbawakën, mëngirim- 
kën. 

Bestelling, v., pèsënan. 

Bestemmen, mënëntoekën, më- 
njëdiakën; (van de godheid), 
mëntakdirkën. 

Bestemming, v., (lot), nasib, oen- 
toeng, djandji ; (doel), niat, mak- 
soed, maoe, kahëndak. 

Bestempelen (een naam geven), 
mënamakën, mënjëboetkën; (met 
een stempel bedrukken), më- 



BEST. 



BETE. 



327 



ngétjap, mêmboeboehi tjap, mé- 
métraikén. 

Bestendig: (duurzaam), këkal, 
baka, awet, lama, sènantiasa, kan- 
djang; (standvastig), tétap, tiada 
bèrobah, karar. 

Besterven, mati, mati dari sébab, 
mati oleh karéna. 

Bestieren, zie: Besturen. 

Bestegen, mënaïki, mënoeng- 
gangi. 

Bestoken, mönampoeh,mönjèrang, 
mölanggar, möndjoedjaï. 

Bestormen, mènjörang,mèlanggar, 
tampil ménjèrang; (lastig: val- 
len), ménjérégap, mèngganggoe. 

Bestorven (van een TvedUTve, 
enz.), kamatian. 

Bestraffen, mönghardik, ménga- 
djar, ménghoekoem. 

Bestraffing, v., hardik, adjaran, 
hoekoeman. 

Bestralen, ménjinarkèn. 

Bestraten, mèndasarkën djalan 
dèngan batoe. 

BestrJIjden (tegenstand bieden), 
mëlawan; (redetwisten), mèm- 
bantahi, mèmbantahkën; (beoor- 
logen), mèmérangi. 

Bestrijken (besmeren),mèlaboer, 
mèlaboeri, ménjapoe, mènjapoe- 
kén, méloeloeti, mönggosoki ; 
(met kalk), mëngapoer, më- 
ngapoeri; (van een pan met 
boter, enz.), mëlengser; (een 
viool — , bespelen), mënggosok. 

Bestrooien, mënghamboeri, mèna- 
boeri, mêmboeboehi, mënjawoeri. 

Bestudeeren, bëladjar, mëndaras. 

Besturen, mëmêrentahkën, mëmë- 
liharakën, mëngampoekën, mèn- 
djoeroe, mèmegang. 

Bestuur, o., përentah, pëmëren- 
tahan, koewasa; GewesteUIjk 
bestuur, o., pamêrentahan në- 
gëri, pamêrentahan karesidenan ; 
Plaatseiyk bestuur, pamë 
rentahan afdeeling; Hoofd van 
gewestelj(]k (plaatselijk) be- 
stuur, o., kapala pamêrentahan 



nëgêri, —karesidenan (afdeeling). 

Bestuurder, m., pëmërentah, pën- 
djoeroe. 

Bestuursvergadering, v., rapat 
pëmörentahan, madjëlis pamêren- 
tahan. 

Betaalbaar, dapat di bajar, boleh 
di bajar. 

Betaalmiddel, o., pëmbajaran ; 
(wettig — ), pëmbajaran jang sah; 
(onwettig •—), pëmbajaran jang 
tiada sah. 

Betalen, mëmbajar ; Oomptant 
betalen, mëmbajar toenai, mëm- 
bajar kon tan; In term^nen be- 
talen, mëngangsoer, mëntjatjoe, 
mênitjil; Met koopwaren be- 
talen, mënimbang, mënimbang- 
kên; (betaald zetten, vergel- 
den), mëmbalës. 

Betaling, v., pëmbajaran, bajaran ; 
(— in termtjnen), angsoeran, 
pënitjilan. 

Betamel^k, patoet, dëngan patoet, 
dëngan sapatoetnja, laïk, sëmêng- 
gah, sajogjanja, haroes, pantës, 
wadjib. 

Betamen, patoet, laïk, wadjib, 
pantës, haroes. 

Betasten, mêndjamahi, mërabaï, 
mëraba-rabaï. 

Beteekenen (een beteekenis 
hebben), artinja, ada artinja; 
(te kennen geven), mëmbëri 
tahoe dëngan di sita. 

Beteekenis, v., arti, makna. 

Betel, V., sirih. 

Betelblad, o., daoen sirih. 

Beteldoos, v., tëmpat sirih, tjërana, 
djorong, poewan. 

Beteldoosdrager, m., pëndjawat 
poewan. 

Betelnoot, v., boewah pinang, 
pinang. 

Betelpruim, v., sakapoer sirih, 
saadonan sirih; (uitgekauwde 
—), sëpah; Ben betelpruim 
gebruiken, makan sirih. 

Beter, lêbih baïk daripada; Beter 
worden, djadi baïk, sëmboeh, 



328 



BETE. 



BETW. 



djadi lébih baïk; Beter maken, 
mémbaïkkén, mémbikin lébih 
baïk, mèndjadikén lèbih baïk. 

Beteren, (zie: Beter "worden, 
— maken, onder Beter) ; Zich 
beteren, tobat, bértobat. 

Beterschap, v., sömboeh, waras. 

Beteugelen, mënahan, ménahanl, 
ménahankön. 

Beteuterd, lèngoeng, térmangoe- 
mangoe, ragoe, bingoeng. 

Betichten, ménoedoeh, méndakwa, 
mènérka. 

Betitelen, mönggélar. 

Betoog, o., dalil, pémbérian katè- 
rangan, bitjara. 

Betoogen, mèndalilkén, ménérang- 
kén, méntlahirkén, mènjatakén. 

Betoomen, zie: Beteugelen. 

Betoon, o., oendjoek, oendjoekan, 
tanda. 

Betoonen, méngoendjoekkén, mé- 
nandakën, ménjatakèn. 

Betooning, v., péngoendjoekan, 
pénjataan. 

Betooveren, méngobatkên, ména- 
wari, inéngènakén mantèra ; 
(verrukken), ménggairatkèn, 
mënggilakén. 

Betovergrootouders, m., mojan^. 

Betrachten, mèngingatkén, mö- 
ngindahkön, mèndjalani, méla- 
koekén, mèngèrdjakèn, mèngoe- 
sahakön. 

Betrappen, mëndapëti, mënda- 
pëtkën. 

Betreden (op iets treden), më- 
ngindjak, mëngindjaki; (bewan- 
delen), mëndjalani; (vasttre- 
den), mëndjëdjak, mëndjëdjaki; 
(van een hen door een haan), 
mëmbëkak. 

Betreffende, akan, adapoen, dari. 

Betrekken (in gebruik nemen), 
masoek, mëndoedoeki ; (in rech- 
ten), mëndakwa, mëngadoekön, 
mënarik di hadëpan hakim; (in 
eene zaak — ), mënarik, mëma- 
soekkên, mënjampoerkën : (van 
het gelaat), mëndjadi soeram 



(moeram); van de lucht), më- 
rëdoep, mêndoeng, tëdoeh. 

Betrekking, v., (rang), pangkat; 
(ambt), djabatan, djawatan, pa- 
kördjaan, pegangan; (familie-—), 
koelawarga, sanak, përsanakan, 
sanak soedara, poepoe; (ver- 
band), përhoeboengan. 

Betreuren, bërtjintakën, mëna- 
ngisi ; (spijt hebben), mënjësal, 
mëratapi. 

Betrokken (zijn in een zaak), 
tërsangkoet, (bijv. door een toe- 
vallige omstandigheid); Hfl is 
onwetend in die zaak betrok- 
ken geworden, dëngan tiada 
dikatahoeinja, maka ia tërsang- 
koet dalem përkara itoe; katarik, 
(byv. door een beklaagde als 
mededader aangewezen) Hfl 
vrerd door den beklaagde in 
die zaak betrokken, dalem 
përkara itoe, maka ia katarik 
oleh jang didawa; bërtjampoer 
(bijv. door helen, enz.) Hij was 
als heler in die zaak be- 
trokken, ia bërtjampoer dalem 
hal itoe dëngan mëmbëli barang- 
nja; (van het gelaat), soeram, 
moeram ; (van de lucht), rëdoep, 
tëdoeh, mêndoeng. 

Betrouwen, zie: Vertrouw^en, 
Toevertrouwen. 

Betten, mëmbasahi, mëmbasoehi, 
mëmbasoehkën, mëndjëramkën, 
mëndjëloemkën. 

Betuigen, bilang, mëmbilang, 
mëngatakën, bërsaksi, mënjaksi- 
kën, mënjatakën, mëngoend,joek- 
kën; Dank betuigen, mënë- 
rima kasih, mëmbilang tërima 
kasih; Zijn instemming be- 
tuigen, mëmbënarkën, mëno- 
tjokkën. 

Betweter, m., orang bantahan. 

Betwijfelen, goendah, bërgoendah, 
tiada përtjaja. 

Bet-wisten (tegenstand bieden), 
mèlawan; (redetwisten), mëm- 
bantahi, mëmbantahkën. 



BEU. 



BEVI. 



329 



Beu, djèmoe, moewal, bosên. 

Beugel, m., tjintjin, kokot, chalkat, 

Beukelaar^ m., përisai, séloekoeng, 
tam eng. 

Beuken, ménoemboek, ménindjau, 
ménggotjo, inömoekoel,mèmaloe. 

Beukhamer, m., paloe, godam, 
ganden, martil bésar. 

Beul, m., (sclierprecliter),algodjo, 
légodjo, pêlabaja; (-^vreedaard), 
orang bèngis, orang tlalim. 

Beuling, m., sosis. 

Beuren, zie : Opnemen, Optillen, 
Ontvangen. 

Beurs, v., kantong, kantong oe- 
wang, poendi-poendi, dompet,kan- 
doeng; (geknoopte of gebrei- 
de — ), radjoet, kérawang; Geld 
in een beurs doen, mëngan- 
tongkèn, mèradjoetkén, méma- 
soekkén di dalem kantong (dom- 
pet, radjoet). 

Beursch (van vruchten), lodoh, 
bonjok, térlaloe toewa. 

Beurt, V., gilir, giliran; Om beur- 
ten, ganti-bérganti, bèrganti-gan- 
ti, bérgilir. 

Beurtelings, bérganti-ganti, bèr- 
gilir, ganti-bèrganti. 

Beuzelachtig, sia-sia. 

Beuzelen, méngördjakén barang 
jang sia-sia. 

Beuzelpraat, m., omong kosong. 

Beuzelwerk, o., p&kërdjaan jang 
sédikit goenanja. 

Bevaarbaar, dapat (boleh) di dja- 
lani (liwati) pèraoe (kapal). 

Bevallen (behagen aan), m6m- 
pèrkènankén ; (behagen schep- 
pen in), bèrkènan, bèrkènankèn ; 
(baren), bëranak, bèrsalin, bér- 
poetèra ; Ont^dig bevallen. 
goegoer, kaloeron, k'agoegoeran. 

Bevallig, manis, tjantik, elok, pér- 
mai. 

Bevalling, v., hal bêranak, hal 
bèrsalin, hal bèrpoetéra; Ontij- 
dige bevalling, karoeron, ka- 
loeron, kagoegoeran. 

Bevangen (bedwelmd), mabok, 



poejêng; (door koude), kadi- 
nginan;(door vrees), katakoetan; 
(door de hitte), kapanasan; 
(door schrik), têrködjoet. 

Bevaren, méliwati, mèndjalani, 
mèlajari; Bevaren zijn, biasa 
bèrlajar, biasa di laoet. 

Bevattelijk, térang boedi, térang 
képala, enteng köpala, gampang 
méngèrti, gampang (lékas) bé- 
ladjar. 

Bevatten (inhouden), moewat, 
mémoewat, törmoewat, bërisi, 
mèlipoet, bérboenji; (begrijpen), 
méngérti. 

Bevechten, mémérangi, mèlawan, 
mélawani. 

Beveiligen, mémèliharakön, mé- 
njéntausakèn, mèlindoengi, mö- 
njèmboenikén; Zich beveiligen, 
bérlindoeng, bérsémboöni. 

Bevel, o., (van God, enz.),firman; 
(van een vorst, enz.), titah, 
sabda, pérentah, soeroeh ; Onder 
de bevelen staan van, di bawah 
peren tahnja; Schriftelijk bevel, 
soerat pérentah. 

Bevelen, bérfirman, bértitah, bör- 
sabda, mènjoeroeh, mèmérentah, 
mèmérentahi, mèmörentahkën ; 
(aanbevelen), bèrpésan, mëmö- 
san, mémésankën, ménjörahkèn. 

Bevelhebber, m., kapala, pang- 
hoeloe, hoeloebalang, panglima. 

Bevelschrift, o., soerat pérentah, 
soerat titah. 

Beven, kétar, gétar, géntar, goe- 
métar, goeméntar, dérodok ; (van 
de aarde), 'bérgémpa, bérgojang, 
lindoe. 

Bevestigen (vastmaken), méné- 
tapkén, ménégoehkén, méngoe- 
watkén; (toestenmien), möm- 
bénarkén, ménjoenggoehk